De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly

HET LEVEN EN HET WERK VAN DE H. MAXIMILIAAN KOLBE

V. DE MARTELAARSKROON

AANGEHOUDEN

Pater Maximiliaan-Maria Kolbe is 47 jaar oud.

«  In de ochtend van 17 februari 1941 reden twee gecamoufleerde auto’s Niepokalanow binnen. Een tolk en vier soldaten van de SS stapten uit  ; ze maakten deel uit van de Gestapo, die door haar brutale en blinde methodes zelfs de Duitse soldaten angst inboezemde. Zij ontboden pater Kolbe, die bezig was aan zijn secretaris overwegingen te dicteren voor een “ gepland boek ” over de Onbevlekte. Hij begroette de Gestapo minzaam, maar zonder toegeeflijkheid en in alle rust. Zij ondervroegen hem over de werkwijzen die gebruikt werden om jongeren op te voeden, maar dat was duidelijk maar een voorwendsel. Daarop bevalen ze dat alle broeders – ze waren met ongeveer 350 – op een binnenkoer moesten bijeenkomen en begonnen ze een grondige huiszoeking in de gebouwen. Rond de middag werden pater Kolbe en vijf andere paters zonder enige wettiging opgepakt en gedwongen om plaats te nemen in de wagens van de SS. De houding van pater Kolbe, die de grote ernst van het moment begreep, was doordrongen van kalmte en waardigheid. “ Hij verraadde geen enkele bezorgdheid ”, herinnert zich een getuige. “ Sereen en rustig als altijd verliet hij voorgoed zijn geliefde Niepokalanow, die uitverkoren plaats van de Onbevlekte. ”

«  Zij werden naar Warschau gebracht en opgesloten in de Pawiakgevangenis, waar de verdeling over de verschillende concentratiekampen gebeurde. Deze gevangenis was gebouwd in 1835 in de Pawiakstraat (vandaar de naam), ten tijde van de opstanden tegen de Russische overheersing  ; de toenmalige Poolse patriotten waren er opgesloten geweest. De nazi’s gebruikten het complex voor gelijkaardige doeleinden  ; in 1944 werd het verwoest. Vanaf eind 1940 waren de bewakers uitsluitend soldaten en officieren van de SS, later bijgestaan door Oekraïners. De anti-Poolse haat en het misprijzen van de SS kwamen tot uiting in brutaliteiten van allerlei aard tegenover de gevangenen. Hun wreedheid verdubbelde nog wanneer het om priesters ging. Als ze bij hun minutieus onderzoek medailles, kruisen of andere godsdienstige voorwerpen vonden, trokken ze die razend af. Pater Kolbe ging er binnen gekleed in zijn franciscanerpij, wat hem bijzonder blootstelde aan slechte behandelingen.

«  Op een dag in maart 1941 kwam een groepsleider van de SS zijn cel, die hij deelde met twee andere gevangenen, binnen. Toen de man de franciscanerpij zag en het kruis aan de paternoster van pater Kolbe, sprong hij op hem af, greep het kruis en beet hem toe  :

  • Geloof jij daarin  ? Jij  ?
  • Ja, ik geloof erin, antwoordde de pater met overtuiging.

«  De SS-man sloeg hem toen met geweld. Hij herhaalde de vraag met nog meer woede  :

  • Geloof jij daarin  ?

«  Opnieuw antwoordde pater Kolbe  :

  • Ja, ik geloof erin  !

«  De slagen regenden neer, totdat de bewaker, rood en schuimbekkend van haat, de cel verliet en de deur achter zich dichtsloeg. Pater Kolbe bleef gekneusd en bebloed achter.

«  Gedurende deze wraakoefening waren zijn beide lotgenoten zwijgzaam blijven toekijken  ; daarna spoorden ze de pater aan om zijn pij uit te trekken. Maar deze merkte met grote zachtheid op, alsof er niets gebeurd was, dat er geen reden was tot ongerustheid  : “ Het is helemaal niets, het is allemaal voor de Kleine Moeder ”  » (Pancheri, p. 191-192).

Om de verklaring van de ex-broeder die hem verraden had te ontzenuwen, ondernamen de geestelijke zonen van pater Kolbe vanaf 26 februari 1941 een gemeenschappelijke actie om zijn onschuld te waarborgen. Zij namen een ontroerend initiatief dat bewijst hoeveel ze van hem hielden  : twintig broeders dienden bij de politieprefect van Warschau het verzoek in om in de plaats van de paters opgesloten te worden. Hun edelmoedig aanbod werd niet aanvaard.

Pater Kolbe bleef honderd dagen in de Pawiakgevangenis. Zoals in Amtitz en later in Auschwitz toonde hij zich «  de geestelijke beschermer en de vader van al zijn arme medegevangenen. Hij werd door iedereen met groot respect behandeld, omwille van zijn eenvoud en de manier waarop hij reageerde op de vaak harde levensomstandigheden in de gevangenis. Heel zijn persoon ademde kalmte en een doordringende zachtheid uit, zodat iedereen zich rondom hem schaarde  » (Ricciardi, p. 309).

Op 12 mei 1941 schreef pater Maximiliaan-Maria zijn laatste brief aan zijn geestelijke zonen  :

«  Warschau, 12 mei 1941.

«   Mijn dierbare zonen,

«   Wil zo goed zijn mij een burgerpak toe te sturen. Dat schrijf ik op bevel van de commandant. Ik heb geen broek nodig, want de mijne zijn nog in goede staat. Stuur mij in plaats daarvan een werkpak, een vest en een linnen sjaal. Zo vlug mogelijk  !

«   Ik heb het pakket met proviand van de 5de ontvangen, en ook de brieven van de broeders Pelagius en Felicissimo. Ik dank de Onbevlekte voor alles. Ik kan niet afzonderlijk aan iedereen antwoorden, we zijn beperkt in het schrijven. In elk van mijn kaarten zal ik verwijzen naar alles wat ik zal krijgen.

«   Laten we beloven dat we ons op de meest volmaakte manier zullen laten leiden zoals Zij wil en waarheen Zij wil  : als we op een heilige manier onze plicht doen, kunnen we zo, om Haar te behagen, alle zielen redden.

«   Hartelijke groeten aan iedereen en aan ieder in het bijzonder.

«   Jullie Raymond Kolbe.  »

DE KRUISWEG

Op 28 mei 1941 wordt pater Kolbe met een konvooi van 320 gevangenen overgebracht naar het kamp van Auschwitz, dat de Duitsers speciaal gebouwd hebben om de tegenstand van de Polen te breken.

Voor ons die pater Kolbe liefhebben, blijft deze plaats de heilige grond van zijn heldenmoed en zijn martelaarschap. Hij bleef er 79 dagen, gedurende dewelke hij met zijn gekende geduld en sereniteit honger, ontbering, uitputtend werk, beschimpingen en slechte behandelingen onderging. Hij was altijd bereid om te helpen of anderen een hart onder de riem te steken. Als priester moest hij dwangarbeid verrichten  : «  karrenvrachten grind en stenen voorttrekken om een muur rondom de verbrandingsoven te bouwen. Daarna moest hij mutsaards en boomstronken kappen en vervoeren, waarmee drassige stukken grond moesten omheind worden. Als hij niet rende, kreeg hij slaag met stokken of geweerkolven. Pater Maximiliaan ging daar een echte kruisweg die twee weken duurde. Wanneer hij wankelde, weerde hij de hulp van zijn kameraden af  : “ Zorg dat jullie ook geen slagen krijgen  ! De Onbevlekte helpt me… Ik zal het alleen doen ”  » (p. 323).

Getuigen vertellen hoe de pater in het bijzonder het slachtoffer van de wreedheid van de bewakers was  :

«  Op een dag was ik met andere gevangenen mest uit een put aan het scheppen om die naar de velden te voeren. Eén van mijn kameraden stond van boven en pakte de mest aan om hem opzij te gooien. Plots kwam er een bewaker aan met een hond. Hij vroeg aan de gevangene die de mest aanpakte waarom hij er zo weinig tegelijk nam. Daarop begon hij mijn lotgenoot te slaan en zijn hond tegen hem op te hitsen, zodat die naar hem hapte en beet. De arme gevangene behield een opvallende kalmte  : hij liet geen enkele klacht horen. Mijn andere makkers vingen zijn gesprek met de Duitser op. Hij zei openlijk dat hij priester was. Daarop werd de ander nog woester op hem. Pas na de dood van pater Kolbe kwam ik te weten dat hij de arme gevangene was geweest.  »

Pater Szweda vertelt nog een erger voorval  :

«  Een bepaalde dag was voor de pater bijzonder hard. De bloeddorstige leider koos hem uit als slachtoffer. Hij folterde hem met zichtbare voldoening en stortte zich op hem als een roofdier op zijn weerloze prooi. Hij legde zelf zeer zware, speciaal uitgezochte houtblokken op de rug van pater Kolbe en gaf hem dan het bevel te rennen. Toen de pater viel, schopte hij hem in het gezicht en in de buik, sloeg hem met zijn stok en riep  : “ Je hebt geen zin om te werken, luierik. Ik zal je laten zien wat werken is  ! ”

«  Tijdens de middagpauze beval hij pater Kolbe onder spotternijen en godslasteringen zich uit te strekken op een boomstronk  ; hij riep één van zijn sterkste handlangers en beval hem aan het slachtoffer vijftig slagen te geven. Pater Maximiliaan bewoog niet meer. Men smeet hem in het slijk en bedekte hem met takkenbossen. Op het einde van deze zware dag volgde nog een afmattende mars naar het kamp. Pater Kolbe was zo uitgeput dat hij moest gedragen worden, en de volgende dag kon hij niet gaan werken.

«  Men vervoerde hem naar het dispensarium van het kamphospitaal, en bracht hem onder in een afdeling met de diagnose  : “ longontsteking en algemene uitputting ”.  »

Om een gevangene moed in te spreken had hij hem gezegd  :

«   Al wat wij lijden is voor de Onbevlekte. Zij mogen allemaal zien dat wij belijders van de Onbevlekte zijn  » (Ricciardi, p. 325-326).

De uitgeputte stichter van Niepokalanow verbleef drie weken in het kamphospitaal. Rond 20 juli stuurde men hem naar blok 12, waar de invaliden zaten. Daar bleef hij amper één week, en omdat hij wat beter was, werd hij verder gestuurd naar blok 14; wie daar terechtkwam, moest op de velden gaan werken. Het is daar dat pater Kolbe zijn leven zou geven…

“ MIJN LEVEN GEEF IK ZELF ” (Jo. 10, 18)

Rome, Sant’Andrea delle Fratte, Onze-Lieve-Vrouw van het Mirakel. Als jong seminarist kwam Raymond Kolbe erg onder de indruk van de bekering van de jood Alfons Ratisbonne in deze kerk (1842). Hij kwam er vaak en droeg er zijn eerste mis op, de 29ste april 1918.

Enkele dagen na zijn aankomst in blok 14 ontsnapt er een gevangene. Hij daagt niet op bij de naamafroeping ‘s avonds. Er volgt een nacht van onzekerheid en angst. ‘s Anderendaags moeten alle gevangenen van blok 14 de hele dag lang in de houding blijven staan, met één maaltijd, onder een brandende zon. Een verschrikkelijke dag  ! Velen storten in elkaar.

Tijdens de avondlijke naamafroeping volgt een tragisch, indrukwekkend moment. In een doodse stilte kiest de commandant tien veroordeelden uit die zullen sterven in de “ hongerbunker ”.

Eén van hen, sergeant Frans Gajowniczek, barst in tranen uit  : “ Mijn arme vrouw, mijn arme kinderen, ik zie jullie nooit meer terug  ! ”

Pater Kolbe stapt naar voren  : waardig, rechtop, met een kalm gelaat. Hij blijft staan vóór de commandant.

  • “ Wat wil dat Pools varken  ? ”

Pater Kolbe wijst naar Frans Gajowniczek en zegt  :

  • “ Ik ben een Pools katholiek priester  ; ik ben oud, ik wil zijn plaats innemen omdat hij vrouw en kinderen heeft... ”

De commandant is stomverbaasd en zwijgt. Na een ogenblik geeft hij Frans Gajowniczek met een handgebaar te kennen  : “ Terug in de rij  ! ”.

Zo nam pater Kolbe de plaats in van de veroordeelde. Samen met de negen anderen werd hij naar blok 13 gebracht, de hongerbunker. De Voorzienigheid liet toe dat de bewakers daar een Poolse gevangene in dienst hadden, Bruno Borgowiec. Dank zij hem kennen we de dood van onze heilige  : een dood van liefde, in een lofzang aan de Onbevlekte.

Ricciardi brengt zijn sober relaas zonder toevoegingen  :

«  Ik vervulde de taken van secretaris en tolk in het souterrain. Als ik terugdenk aan de sublieme houding van deze dappere man in het aanschijn van de dood, tot verbazing van de Gestapobewakers zelf, kan ik me nog precies de laatste levensdagen van pater Kolbe herinneren.

«  Blok 13, in het rechtergedeelte van het kamp gelegen, was omgeven door een muur van zes meter. In het souterrain bevonden zich op het gelijkvloers cellen waar de bewakers verbleven. Sommige cellen hadden kleine vensters en veldbedden, andere waren leeg en donker.

«  Naar één van deze cellen brachten ze, in juli 1941, de tien gevangenen van blok 14, na de naamafroeping. De arme gevangenen moesten zich vóór het blok volledig uitkleden. Daarna werden ze naar binnen geduwd, waar al ongeveer twintig andere slachtoffers van een vorig “ proces ” verbleven. De nieuw aangekomenen werden naar een afzonderlijke cel gebracht. De deur werd gesloten en de bewakers lachten  : “ Ihr werdet eingehen wie die Tulpen ” (Jullie zullen verdrogen zoals tulpen  !).

«  Vanaf die dag kregen ze geen enkele vorm van voedsel meer. Bij de dagelijkse controle lieten de bewakers de lijken van hen die tijdens de nacht gestorven waren, wegslepen. Ik was tijdens die controles altijd aanwezig  : ik moest de nummers van de doden opschrijven, of de gesprekken en vragen van de gevangenen vertalen (van het Pools in het Duits).

«  Vanuit de cel waar de ongelukkigen zich bevonden, hoorde men elke dag luidop gezegde gebeden, het rozenhoedje en religieuze gezangen, waarbij de gevangenen van de andere cellen zich aansloten. Tijdens de afwezigheid van de bewakers daalde ik af in het souterrain om met hen te praten en hen moed in te spreken. De vurige gebeden en de hymnen tot de H. Maagd verspreidden zich doorheen het hele souterrain. Ik had de indruk dat ik in een kerk was. Pater Maximiliaan bad voor, en alle anderen antwoordden. Soms waren ze zo in hun gebeden verzonken dat ze niet merkten dat de bewakers eraan kwamen voor hun dagelijkse controle  ; het geroep van die bewakers deed hen uiteindelijk zwijgen.

«  Wanneer de cellen werden geopend, barstten de ongelukkigen in snikken uit en smeekten om een stuk brood of een slok water, wat hen geweigerd werd. Als iemand van de minst verzwakten probeerde om de deur te naderen, werd hij onmiddellijk in de buik geschopt zodat hij achterover sloeg op het cement, waar hij stierf of afgemaakt werd.

«  Wat hield het martelaarschap in van gevangenen die tot zo’n vreselijke dood veroordeeld waren  ? Eén feit om hiervan te getuigen  : de emmers waren altijd leeg en droog, waaruit men kan afleiden dat de ongelukkigen hun eigen urine opdronken.

«  Pater Maximiliaan-Maria

Kolbe gedroeg zich heldhaftig, hij vroeg niets en kloeg nergens over. Hij moedigde de anderen aan, overtuigde de gevangenen dat de vluchteling zou teruggevonden worden en zijzelf bevrijd.

«  Omdat zij al erg verzwakt waren, zegden ze de gebeden op fluisterende toon. Bij elk bezoek kon men zien dat, terwijl zijn medeveroordeelden bijna allemaal op de grond uitgestrekt lagen, pater Kolbe rechtstond of in het midden op zijn knieën zat, zijn serene blik gevestigd op de binnenkomende bewakers. De cipiers wisten dat hij zichzelf aangeboden had, ze wisten ook dat zijn medeveroordeelden onschuldig waren, en daarom hadden ze respect voor pater Kolbe. Ze zegden onder mekaar  : “ Der Pfarrer dort ist doch ein ganz anständiger Mensch. So einen haben wir hier noch nicht gehabt ” (Die priester is werkelijk een man van eer. Zo iemand hebben we hier nog niet gehad).

Dit laattijdig respect van de SS-ers voor pater Kolbe wordt bevestigd door het getuigenis van dokter Nicet Wlodarski tijdens de processen  :

«  Ik weet gedeeltelijk hoe pater Maximiliaan zijn laatste momenten heeft doorgemaakt in blok 13; het is me verteld door een Duitser uit die bunker. Ik heb hem moeten verzorgen en hij heeft me erover gesproken  : hij was op de hoogte, want hij had elke dag toegang tot de bunker. Spijtig genoeg weet ik zijn naam niet meer. Hij heeft me verteld dat de Dienaar Gods langer dan de anderen in de bunker geleefd heeft, dat hij de moraal van de gevangenen ondersteunde en dat hij samen met hen bad. De Duitser bestempelde pater Kolbe als een buitengewoon dapper man en een bovenmenselijke held. Hij onderstreepte ook dat de persoon van pater Kolbe, zijn kalmte, grote indruk maakten op de SS-ers die in de bunker een kijkje kwamen nemen. Hij zei dat het voor hen werkelijk een psychologische schok was geweest.  »

“ EN IK, EEN WORM EN GEEN MENS MEER… ” (Ps. 22, 7)

Borgowiec besluit zijn pakkend getuigenis als volgt  :

«  Twee weken gingen zo voorbij. Ondertussen stierven de gevangenen de een na de ander. Op het einde van de derde week bleven er slechts vier over, onder wie pater Kolbe. De autoriteiten vonden dat het te lang duurde  : ze hadden de cel nodig voor andere slachtoffers.

«  Daarom haalde men op een dag (14 augustus) het hoofd van de ziekenzaal, een Duitser, de crimineel Boch, die aan de overlevenden een intraveneuze inspuiting met gif in de linkerarm gaf. Pater Kolbe was aan het bidden, en strekte zelf zijn arm uit voor de beul. Omdat ik dit schouwspel niet kon aanzien, wendde ik voor dat ik werk had op het kantoor, en ik ging buiten.

«  Na het vertrek van de bewaker en de beul ging ik de cel terug binnen. Ik vond er pater Kolbe in zittende houding, geleund tegen de muur, de ogen open, zijn hoofd naar de linkerkant gebogen (zijn gewone houding). Zijn gelaat was kalm, schoon en stralend.

«  De kapper van het blok, Cheblik, uit Karwina, en ikzelf hebben het lichaam van de held naar buiten gedragen. We hebben het in een kist gelegd en naar het dodenhuisje van de gevangenis gebracht.

«  Zo stierf de priester, de held van het kamp van Oswiecim, die spontaan zijn leven had gegeven voor een huisvader, vreedzaam, rustig en biddend tot het einde toe.

«  Gedurende de volgende maanden bleef het kamp zich de heldhaftige daad van de priester herinneren. Bij elke executie sprak men opnieuw over pater Maximiliaan Kolbe.

«  De indruk die ik van hem overgehouden heb, is voor altijd in mijn geheugen gegrift.  »

Ricciardi besluit  :

«  Pater Maximiliaan stierf op 14 augustus 1941, aan de vooravond van het hoogfeest van de Tenhemelopneming van Maria, de intrede in de glorie van haar die hij “ Kleine Moeder ” noemde. Zij die alles voor hem betekend had – het gedicht van zijn leven, het licht van zijn intelligentie en zijn genie, de klop van zijn hart, de vlam van zijn geestdrift, zijn inspiratiebron en zijn gids, het leven zelf van zijn leven – trok hem naar zich toe in de hemel op de dag van haar intrede in de hemelse glorie.

«  Zelfs zijn arm lichaam, gemarteld, uitgeteerd en naakt – want de beulen waren niet teruggeschrokken voor deze ultieme vernedering van de mens en de priester – leek die dag op transcendente wijze te stralen.

«  Bij het schrijven van deze woorden laten we ons niet door onze verbeelding meeslepen. We baseren ons op het serene en objectieve getuigenis van Bruno Borgowiec die tot tweemaal toe, en in haast identieke bewoordingen, over de uitstraling van het dode gelaat van pater Maximiliaan spreekt.

«  Eerst doet hij dat in zijn mondeling relaas aan pater Szweda  : “ Toen ik de ijzeren deur opende, leefde hij niet meer  ; maar toch leek hij me nog levend. Zijn gelaat straalde, op een ongewone manier, zijn ogen waren wijdopen en op één bepaald punt gericht. Heel het gelaat was als in extase. Ik zal dat schouwspel nooit vergeten. ”

«  Later vertelt hij in zijn schriftelijk verslag, zoals hierboven aangehaald  : “ Ik vond pater Kolbe in zittende houding, geleund tegen de muur, zijn ogen open, zijn hoofd naar de linkerkant gebogen. Zijn gelaat was kalm, schoon en stralend ”.  »

Pater Maximiliaan had meer dan eens het verlangen uitgedrukt te mogen sterven op een Mariafeest. Als wilde de Maagd Maria haar trouwe ridder verhoren, vond zijn “ begrafenis ” plaats op het hoogfeest van de Tenhemelopneming, vrijdag 15 augustus 1941  : zijn lichaam werd uit het dodenhuisje gehaald, in een houten kist gelegd, naar de verbrandingsoven gebracht en daar verbrand, terwijl zijn ziel in het Paradijs de lof zong van de triomferende Onbevlekte…

Pater Maximiliaan-Maria Kolbe werd op 17 oktober 1971 zalig verklaard door Paus Paulus VI, en tot de eer der altaren verheven op 10 oktober 1982 door Paus Joannes-Paulus II.