De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

KARDINAAL VON GALEN
EEN BISSCHOP NAAR HET HART VAN GOD

Op zondag 9 oktober 2005 werd Clemens August kardinaal graaf von Galen, de alom bekende “ Leeuw van Münster ”, door Paus Benedictus XVI zalig verklaard. Samen met de H. Petrus Canisius, de Z. Moeder Maria van het Godde­lijk Hart (Maria Droste zu Vischering) en de H. Teresia-Benedicta van het Kruis (Edith Stein) behoort kardinaal von Galen tot de boegbeelden van het Rooms-katholicisme in Duitsland, het land waarvan Jezus in 1940 tot zuster Lucia van Fatima zei 1  : «  Het zal terugkeren naar mijn schaapsstal, maar dat moment is nog veraf. Het komt weliswaar dichterbij, maar traag, heel traag. Ooit zullen de Harten van Jezus en Maria er stralend heersen  !  »

Mgr. von Galen

Mgr. von Galen (1878-1946), de “ Leeuw van Münster ”, zonder vrees en zonder blaam, volgens zijn bisschoppelijk devies  :
«  Nec laudibus nec timore  ».

OP 16 maart 1878, op het hoogtepunt van de Kulturkampf – de fanatieke vervolging van de katholieke Kerk die door Bismarck in gang gezet was – heerste er grote vreugde op het kasteel van Dinklage in Westfalen om de geboorte van een jongen, die Clemens August genoemd werd ter herinnering aan zijn achtergrootoom, Mgr. Clemens August Droste zu Vischering. Deze aartsbisschop van Keulen had zich krachtdadig verzet tegen de politiek van de Pruisische regering aangaande de gemengde huwelijken, waarop hij achttien maanden opgesloten was geweest in de vesting van Minden. Uiteindelijk haalde Berlijn in de kwestie bakzeil en werd de aartsbisschop algemeen geroemd en gevierd als geloofsbe­lijder. Met hem was het tijdvak van het succesvolle verzet van de Duitse katholieken tegen de staatswillekeur begonnen.

Clemens August, de elfde van dertien kinderen, ontvangt het doopsel op 19 maart, op het feest van Sint-Jozef. Zijn vader, Ferdinand graaf von Galen, en zijn moeder, Elisabeth rijksgravin von Spee, behoren tot de oude Westfaalse adel. De graaf is een neef van Mgr. von Ketteler, bisschop van Mainz en afgevaardigde voor de Zentrumspartei [zie kadertekst]. Ferdinand von Galen heeft ook twee broers die priester zijn en een derde die hulpbisschop van Münster is. Zijn zus Helena is gehuwd met Clemens graaf Droste zu Vischering, de vader van de Z. Moeder Maria van het Goddelijk Hart 2. Tussen beide families bestaan overigens nauwe vriend­schapsbanden.

In dit zeer katholieke milieu, omringd door de weldaden van de Kerk, verloopt de jeugd van Clemens August. Niet alleen wordt elke dag het rozenhoedje in familiekring gebeden, maar voor heel het gezin begint de dag met het bijwonen van de H. Mis, die gediend wordt door Clemens en zijn jongere broer Franz  ; alle kinderen zijn verplicht aanwezig, op straffe van tot ’s middags geen eten te krijgen.

Na het brood van de Hemel genuttigd te hebben neemt de graaf zijn verplichtingen als katholiek afgevaardigde van de Zen­trumspartei op, terwijl de gravin, die zeer vroom en gecultiveerd is, al haar aandacht wijdt aan de opvoeding van haar kinderen. Clemens August zal zijn hele leven een grenzeloze verering blijven koesteren voor zijn ouders  : hun vroomheid en hun gedrevenheid om te strijden en te lijden voor de Kerk prenten zich diep in zijn hart. «  Hun leven was gewijd aan het trouw volgen van Christus, juist zoals ze tijdens de processies van het H. Sacrament onze goddelijke Verlosser van statie tot statie volgden, onverschillig voor hitte, stof of vermoeidheid, terwijl ze hun kinderen met zich meenamen. Meer dan met woorden hebben ze ons met hun voorbeeld geleerd dat de enige plicht van ons leven is om Christus te volgen, want Hij is onze vreugde en onze eer. En ze hebben ons getoond dat, om de gekruisigde Heer te volgen, er geen andere weg bestaat dan zichzelf te vergeten en zijn kruis te dragen  » (Herinneringen van hun dochter Paula).

Clemens August doet zijn eerste communie op 27 april 1890. Kort daarna verlaat hij samen met zijn broer Franz zijn geliefde familie om zijn studie te beginnen aan het Stella Matutinacollege van Feldkirch in Oostenrijk, waar de verbannen Duitse jezuïeten hun intrek hadden genomen. Op de dag van zijn aankomst viert het college de afsluiting van de maand van Maria met een grandioze ceremonie, die het hart van de jongen vervult van liefde voor zijn hemelse Moeder. Hij schrijft zich dan ook snel in bij de Congregatie van de kinderen van Maria. De medaille die hij ontvangt zal hij tot aan zijn dood rond zijn hals blijven dragen.

Vanaf dat ogenblik begint een belangrijke briefwisseling tussen de gravin en haar zoon. Politieke en godsdienstige beschouwingen met betrekking tot de strijd van het Zentrum wisselen af met aansporingen om goed te studeren en aan zijn karakter te werken. Prachtige brieven van een voorbeeldige en diepchristelijke moeder  ! Clemens August maakt zo’n snelle vorderingen dat hij vier jaar later het college verlaat met schitterende resultaten. Hij voelt zich geroepen om zichzelf aan God te geven.

Nadat ze in 1896 hun einddiploma hebben behaald worden de twee broers naar Freiburg in Zwitserland gestuurd om hun kennis verder uit te diepen. Clemens August opent bij pater Schäffer zijn hart over zijn roeping, en op raad van deze geestelijke schrijft hij zich in 1898 in aan het seminarie van de jezuïeten in Innsbruck – niet zonder innerlijke strijd, want hij is zo gehecht aan zijn warme thuis. De jonge seminarist ontdekt vol verrukking de geschiedenis van de Kerk, de schoonheid van de liturgie, de rijkdom van het theologisch onderricht.

De superior van het seminarie, pater Hofmann, die de faam geniet een heilige te zijn, onderwijst zijn seminaristen dat de devotie tot het Heilig Hart «  de bron en de rijkdom is van alle priesterlijke genaden  ». Zoals we weten heeft Leo XIII één jaar tevoren, in 1899, als antwoord op het verzoek van Onze-Lieve-Heer aan moeder Maria van het Goddelijk Hart, de wereld toegewijd aan het H. Hart. Clemens August put uit deze devotie zijn intieme omgang met de goddelijke Meester.

Zijn liefde voor de Kerk wordt vuriger naarmate hij de pesterijen van de regering tegenover de clerus verneemt  : «  Als mij maar eens de kracht zou geschonken worden, zoals aan de H. Catharina, om ons geloof ook te verdedigen tegenover de keizer en de intellectuelen  !  » Jammer genoeg kan hij niet meer rekenen op de steun van het Zentrum, dat onder druk van Leo XIII een fatale bocht gemaakt heeft en zich niet meer verzet tegen de politiek van Wilhelm II. 3

HET DUITSE ZENTRUM TEGEN BISMARCK

In 1870 werd door katholieken in Pruisen de Zentrumspartei opgericht, met de bedoeling weerwerk te bieden tegen de politiek van Otto von Bismarck  : die wilde de leidende rol over de Duitstalige vorstendommen ontnemen aan het katholieke Oostenrijk en toewijzen aan het protestantse en militaristische Pruisen.

De politiek van Bismarck werd met succes bekroond in 1871, toen de Fransen over wie keizer Napoleon III regeerde de nederlaag leden in de oorlog tegen Pruisen. Het Franse keizerrijk verdween van de kaart en de Duitse eenmaking onder leiding van Berlijn werd een feit. De Pruisische koning werd in de Spiegelzaal van het paleis van Versailles tot keizer Wilhelm I van Duitsland uitgeroepen.

Na de eenmaking verbreedde het Zentrum zich tot een landelijke partij, die bij de eerste verkiezingen voor de Duitse Reichstag (3 maart 1871) 19 % van de stemmen en 63 mandaten behaalde. Vanaf het begin voerde de partij onder leiding van figuren als Karl Friedrich von Savigny, Hermann von Mallinckrodt en vooral Ludwig Windthorst felle oppositie tegen de Pruisisch-protestantse dominantie in de persoon van Bismarck, de IJzeren Kanselier. Toen die de Kulturkampf ontketende om de invloed van de katholieke Kerk in het Duitse Rijk voorgoed te breken, werd het Zentrum de speerpunt van het katholieke verzet. De aanhang van de partij steeg bij de verkiezingen van 1874 tot 28 %, een cijfer dat het Zentrum jarenlang zou behouden en dat haar tussen de 90 en de 100 afgevaardigden opleverde. De katholieke politici traden eensgezind op en konden tijdens de Kulturkampf rekenen op de volledige steun van de (later zalig verklaarde) Paus Pius IX.

De vurigste verdediger van de katholieke rechten was Ludwig Windthorst (1812-1891), in wie Bismarck zijn voornaamste tegenstander vond. Zijn tussenkomsten in de Rijksdag getuigden van een doorleefd geloof en een groot inzicht  :

«  Het pausdom is zoals de Kerk van Christus op goddelijke fundamenten gebouwd. Alle pogingen van de goddeloosheid om haar te vernietigen zullen nutteloos blijken… Heren, de Paus wiens dood jullie al zo vaak aangekondigd hebben leeft en zal blijven leven, en ondanks jullie verzet zal de waarheid aan de wereld verkondigd worden.

«  Wij zijn verwikkeld in een verschrikkelijk duel. Het gaat om de strijd van het geloof tegen het ongeloof. Anders gezegd  : het gaat om de rebellie tegen God of de onderwerping onder het Kruis. Maar vergeet niet, Heren, dat het Kruis het symbool van de overwinning is  ; vermits wij strijden voor de verdediging ervan, is onze triomf verzekerd.

«  Wat gebeurt er met de vrijheid als de liberalen aan de macht komen  ? Dat hebben we tot onze schade geleerd. Het is ook wat we elke dag in Frankrijk zien gebeuren waar de Kerk langs alle kanten verdrukt wordt, waar geweld gebruikt wordt en waar alleen vrijheid toegestaan wordt aan de eigen kliek...

«  Met jullie scholen waaruit de godsdienst verbannen is, kan er onmogelijk sprake zijn van een verbetering op sociaal gebied. De samenleving kan slechts gered worden als de godsdienst aan de basis van de opvoeding ligt.  »

1904-1933  : LEERLING VAN DE H. PIUS X

Pastoor van de Sint-Matthiasparochie in Berlijn, in 1911.

Pastoor van de Sint-Matthiasparochie in Berlijn, in 1911.

Clemens August wordt tot priester gewijd in Münster op 28 mei 1904, en aangesteld als kapelaan van de Dom bij zijn oom Mgr. von Galen. Hij staat de bisschop bij tijdens diens vormselreizen, en vergezelt hem naar Rome ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de afkondiging van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis. Zijn geluk van te kunnen deelnemen aan de schitterende ceremonies wordt nog vergroot als hij in privé-audiëntie ontvangen wordt door de nieuwe paus, Pius X  : «  Hoe moet ik de indruk beschrijven die Pius X op mij maakte  ! Hij verschilt heel veel van Leo XIII. Goedheid en vriendelijkheid maar ook een serene ernst staan op zijn nobel gelaat te lezen. In hem ziet men niet in de eerste plaats een soeverein zoals Leo XIII  ; zijn goedheid geeft ons inderdaad niet die indruk van neerbuigendheid… De audiëntie duurde tien minuten en daarmee moest ik mij tevreden stellen  » (brief aan zijn moeder, 25 november 1904).

Kort na zijn terugkeer uit Rome verneemt hij de dood van zijn vader, graaf von Galen  : «  Mijn kleine lieve moeder, wat een troost geeft het te weten dat onze beminde vader nu daar is waarop hij zich zijn hele leven voorbereid heeft om naar toe te gaan en ons naartoe te brengen. “ Deo gratias ” voor alles  !  » (31 januari 1906).

Clemens August wordt daarop benoemd tot kapelaan in Berlijn, de door en door protestantse en geïn­dustrialiseerde hoofdstad van het keizerrijk, door moeder Maria van het Goddelijk Hart «  verwerpelijk   » genoemd. Dit ambt te midden van een wereld zonder God betekent voor hem een grote morele kwelling. Zijn nieuwe parochie, Sint-Matthias, telt 30.000 zielen  : «  Ik houd er de moed in en ik ben gelukkig dat ik eindelijk al mijn krachten kan inzetten voor de eer van God en de redding van de zielen  », schrijft hij aan zijn moeder.

Hij wijdt al zijn tijd aan het biechthoren, preken en aanleren van de catechismus. Hij klopt ook thuis bij de gezinnen aan – «  pijnlijke pastorale bezoeken  » – om gedaan te krijgen dat de kinderen hun eerste communie doen, maar al snel moet hij afrekenen met de anti­klerikalen die, in deze stad met zijn 40.000 werklozen, misbruik maken van de zielennood en de sociale ellende van het volk  : «  De socialisten gaan van huis tot huis en slagen er met een angstaanjagend gemak in om gedaan te krijgen dat de bewoners de Kerk verlaten  » (brief uit 1906).

Om de zielen terug tot Jezus te brengen preekt hij missies. Door zijn devotie tot het H. Hart en tot de H. Maagd lukt hij erin om de afgedwaalde schapen terug te brengen naar de biechtstoel en de Heilige Tafel. Het gebeurt ook vaak dat hij een missie afsluit met de toewijding van de betrokken families aan het H. Hart of met een plechtig lof in aanwezigheid van de bisschop.

Als voorzitter van een katholieke Gesellenverein – een Gezellenvereniging zoals die gesticht waren door de zalige Adolph Kolping [zie kadertekst] – wordt hij de raadgever en vertrouweling van zevenhonderd jonge arbeiders en ambachtslui. Met de erfenis van zijn vader bouwt hij voor hen een huis met tweehonderd bedden en een kerk die hij toewijdt aan Clemens Maria Hofbauer, een Oostenrijks redemptorist die in de geest van de Contrareformatie gewerkt had en die zopas door Pius X zalig verklaard was. In 1907 doen 480 gezellen dankzij hem hun paascommunie  : «  Een schouwspel zoals Berlijn er nog maar weinig gezien heeft  !  », schrijft hij. Er is nog veel werk te doen, maar het bisdom heeft priesters te weinig  : «  Als ik bisschop van Breslau 4 was, zou ik mij tot alle Duitse bisschoppen richten om priesters voor Berlijn los te krijgen. Hoeveel zielen zouden er kunnen gered worden als we voor elk ervan meer tijd hadden  !  »

HET KATHOLIEK SOCIAAL WERK VAN ADOLPH KOLPING

Adolph Kolping werd geboren in Kerpen bij Keulen op 8 december 1813 in een zeer arm maar diepgelovig katholiek gezin. Hij werd schoen­makersgezel, in die tijd een weinig benijdenswaardig beroep dat hem aan den lijve de bittere sociale ellende van veel mensen deed ondervinden.

Adolph was een autodidact die zijn schaarse vrije tijd gebruikte om veel te lezen, wat hem in staat stelde om op 23-jarige leeftijd te gaan studeren aan het gymnasium. Hij voelde zich geroepen om priester te worden en doorliep het seminarie van de Rijnmetropool. In 1846 werd hij tot priester gewijd in de Minoritenkirche te Keulen.

Twee jaar later werd hij preses van de Gesellenverein, de Vereniging voor Gezellen gesticht door de onderwijzer Johann Gregor Breuer. Kolping zag in dit initiatief een ideaal middel om iets te doen aan de geestelijke en materiële armoede waarin veel jongeren verkeerden. In Duitsland waren de industrialisering en het kapitalisme op gang gekomen. Veel adolescenten moesten hun beroep leren door van stad tot stad te trekken  ; ze werden aan hun lot overgelaten, en verbleven vaak noodgedwongen in herbergen of huizen van bedenkelijk allooi. Het was ook de tijd dat Karl Marx en Friedrich Engels de arbeidersklasse het hoofd op hol probeerden te brengen met hun revolutionaire taal  : vooral de jongeren waren een gemakkelijke prooi.

Op 6 mei 1849 stichtte Kolping de Katholieke Gezellenvereniging van Keulen. In de Kolpinghuizen (zoals ze later genoemd werden) vonden jonge gezellen voor de tijd van hun opleiding een echte thuis in een familiaal kader en een bescherming tegen de immoraliteit en de ongodsdienstigheid. Zij kregen er een algemene, een professionele én een godsdienstige vorming, en leerden er in gemeenschap leven.

Kolping ijverde onvermoeibaar, waar­door zijn gezondheid al vlug volledig ondermijnd werd. In 1852 trok hij naar de Zuid-Duitse landen en naar Oostenrijk om ook daar gezellenverenigingen op te richten. Twee jaar later stichtte hij een weekblad, de Rheinische Volksblätter. Paus Pius IX erkende het belang van zijn sociaal werk en ontving hem in het Vaticaan.

Adolph Kolping stierf totaal uitgeput op 4 december 1865 en werd bijgezet in zijn geliefde Minoriten­­kirche. In 1991 verklaarde Paus Joannes-Paulus II hem zalig. Het «  Kolpingwerk  » bestaat nog altijd en telt vandaag 4,5 miljoen aangesloten leden.

In 1910 reageert onze kapelaan geestdriftig op de publicatie van de encycliek Editæ sæpe Dei, waarin Pius X het kwaad ontmaskert dat de maatschappij aantast en dat ernstiger is dan dat van de protestantse “ Hervorming ”, en waarin hij de remedies van het Concilie van Trente in herinnering brengt. Clemens August waardeert in het bijzonder zijn «  vrijmoedige en vastberaden taal, in deze tijd waarin alles wazig en gedachteloos is.  » Hij brandmerkt het verraad van bepaalde bisschoppen die de verspreiding van de encycliek verhinderen, en de lafheid van de katholieke dagbladen die vinden dat de publicatie ervan “ ongelegen ” komt  : «  Niemand durft zeggen dat de H. Vader alleen maar de waarheid bekrachtigd heeft.  »

Zijn liefde voor de waarheid en zijn rechtlijnigheid maken dat hij de hervormingen van de H. Pius X geestdriftig onthaalt. Het decreet over de H. Communie levert in zijn parochie mooie resultaten op  : «  Dit jaar hebben we 80.000 communies gehad, tegenover 28.000 in 1906  » (30 december 1910).

Wanneer de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, ziet kapelaan von Galen daar de hand van God in. Hij wil zich engageren als legeraalmoezenier, maar wegens zijn parochiale verantwoordelijkheden wordt zijn aanvraag niet weerhouden.

Duitsland maakt tijdens deze vreselijke jaren zware politieke crises door die in november 1918 uitmonden in een revolutie-zonder-bloedvergieten  : het keizerrijk wordt omvergeworpen en de Weimarrepubliek uitgeroepen. Een communistische machtsgreep in januari 1919 wordt verijdeld door de liquidatie van de revolutionaire leiders Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg. De Republiek, onder leiding van de sociaal-democraten, maakt zich sterk voor orde, rust en welvaart te kunnen zor­gen. Maar dan wordt het Duitse volk geconfronteerd met het Diktat van Versailles, dat het overwonnen land zware vergeldingsmaatregelen oplegt die algemeen als een onrechtvaardige vorm van wraakneming en als een vernedering worden geïnterpreteerd. De sfeer wordt grimmig, de maatschappelijke tegenstellingen scherper.

In 1919 wordt Clemens August von Galen benoemd tot pastoor van zijn parochie. Hij is het hart in van de sociale onrust en de verbittering die hij rondom zich vaststelt  : «  De revolutie, de republiek en het socialisme hebben de arme mensen het paradijs op aarde beloofd. Nu zijn ze ontgoocheld, en vechten ze met mekaar om goederen en genot  » (brief van 13 maart 1919).

Kort daarop breekt ook in Duitsland een schoolstrijd uit. De regering wil het onderwijs seculariseren, waar­­op de bisschop van Breslau, Mgr. Hähling, tot grote vreugde van pastoor von Galen een ferm protest laat horen. Op zijn beurt schrijft hij in 1922 een artikel in een katholiek tijdschrift, maar hij maakt zich geen illusies  : «  Dit alles zal nergens toe leiden zolang de bisschoppen de zaak niet in handen nemen.  »

Pas in 1926 waarschuwen de bisschoppen de katholieken publiekelijk voor het gevaar van de laïcisering. Pastoor von Galen neemt hun document over in een brochure met de titel «  Vexilla Regis prodeunt  », die hij tot de Duitse aristocratie richt met de bedoeling dat zij zou reageren. Zonder resultaat. «  Als het zo verder evolueert  », schrijft hij aan zijn broer, «  moeten de durvers alléén naar voren treden. In het oude heidense Rome moesten de eerste christenen zich ook onthouden van deelname aan de feesten en bijeenkomsten van hun medeburgers. Het is mogelijk dat het nieuwe heidendom slechts kan overwonnen worden door zulke offers. In elk geval  : Nolite timere, pusillus grex, quia placuit Patri vestro dare vobis regnum  !  »

In 1929 wordt hij naar het geliefde Münster gezonden en daar tot pastoor benoemd. Hij begint met het instellen van de dagelijkse aanbidding van het H. Sacrament en valt ogenblikkelijk de secularisering aan. In 1932 publiceert hij een brochure met de titel  : «  Tegen de pest van de secularisering  ». Het jaar daarop, in januari 1933, komt Hitler aan de macht  ; het katholieke Westfalen is één van de Länder waar de nieuwe kanselier het minste stemmen heeft behaald.

«  LEVENSONWAARDIG LEVEN  »

Op bevel van Hitler werd in oktober 1939 het euthanasieprogramma met de codenaam «  Aktion T4  » in gang gezet. De naam verwijst naar het huis in de Tiergartenstraße nr. 4 te Berlijn waar de voorbereidingen getroffen waren. In het begin werden alleen kinderen onder de drie jaar met mentale handicaps geviseerd. Een team van drie dokters moest aan de hand van een vragenlijst een oordeel uitspreken  : ieder van hen afzonderlijk moest met een rood kruisje (“ te liquideren ”) of met een horizontaal blauw streepje (“ levenswaardig ”) zijn mening kenbaar maken. Drie kruisjes bij een naam betekende dat het kind moest gedood worden. De slachtoffers werden in het grootste geheim vergast in speciale “ instituten ”.

Korte tijd later werd het programma uitgebreid tot volwassen geesteszieken, die op bevel van Berlijn uit genees- en verpleeginrichtingen werden weggehaald. De familie kreeg daarop te horen dat de patiënt overleden was, het lijk verbrand en dat de as op verzoek kon afgeleverd worden…

Al gauw begonnen geruchten de ronde te doen dat er in de “ instituten ” verschrikkelijke zaken gebeurden.

Mgr. von Galen veroordeelde het euthanasieprogramma in striemende bewoordingen tijdens zijn beroemde preek op zondag 3 augustus 1941 in de Sankt Lambertikirche  :

«  Als eenmaal wordt toegegeven dat mensen het recht hebben om ‘onproductieve’ medemensen te doden, ook al betreft het nu alleen arme, weerloze geesteszieken, dan is in beginsel de moord op ons allen, wanneer we oud en zwak en onproductief worden, vrijgegeven.

«  Wee de mensen, wee ons Duitse volk, als het heilige gebod van God  : “ Gij zult niet doden ”, dat de Heer onder donder en bliksem op de berg Sinaï heeft afgekondigd, dat God onze Schepper vanaf het begin in het geweten van de mensen heeft geschreven, niet alleen overtreden wordt maar zelfs geduld en ongestraft uitgeoefend  !  »

1933  : BISSCHOP VAN MÜNSTER
«  Nec laudibus nec timore  »

nec-laudibus-nec-timore02Clemens August graaf von Galen wordt tot bisschop van Münster gewijd op 28 oktober 1933, drie maanden na de ondertekening van het Concordaat tussen Hitler en Pius XI. Als bisschoppelijk devies kiest hij  : «  Nec laudibus nec timore  », «  Noch eerbetuigingen noch bedreigingen zullen mij doen afwijken van de Wet van God  ».

Zijn eerste herderlijk schrijven maakt in klare taal duidelijk welke strijd hij zal aangaan  : «  Jullie vormen de kudde van Christus, jullie hebben er dus recht op dat de geopenbaarde goddelijke Waarheid volledig, ongewijzigd en onvervalst aan jullie wordt onderricht. Ik wil er over waken dat geen enkele ketterij binnensluipt in de leer en het geloof van de Kerk van Münster. Bedreigingen van mensen evenmin als schrik zullen mij daarvan afhouden  » (28 oktober 1933).

Na de schending van het Concordaat door Hitler en zijn systematische aanvallen tegen de Kerk vormen de beledigingen God aangedaan en de bekommernis om het heil van de zielen de voornaamste zorg van Mgr. von Galen. Hij roept de geestelijkheid in zijn bisdom op om te bidden en boete te doen. Van op de preekstoel klaagt hij de goddeloosheid van de publieke gezagsdragers aan, die door hun handelwijze de straf van God over Duitsland afroepen  : «  God laat niet toe dat men ongestraft met Hem spot. […] De Zoon van God, die alles weet, heeft eertijds al gezien dat hij met betrekking tot ons volgende woorden moest uitspreken  : “ Gij hebt niet gewild  ! En zie, uw huizen zullen vernietigd worden  ! ” […] Ik hoop dat het nog tijd is… Het enige wat ons kan redden en behoeden voor Gods Tribunaal is dit  : van Gods geboden onze levensregel maken en als devies nemen  : “ Liever sterven dan zondigen  ! ”  » (homilie in de Sankt Lambertikirche op zondag 3 augustus 1941). Enkele weken tevoren zijn de eerste geallieerde bommen op het Münsterland gevallen… [zie ook kadertekst]

Op 17 april 1941, op het feest van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Smarten, hernieuwt de bisschop in vereniging met al zijn priesters de toewijding van zijn diocees aan het Heilig Hart. Hij geeft zich over aan de Wil van God en leeft in de voortdurende gedachte aan het martelaarschap waarnaar hij vurig verlangt. Hitler haat Mgr. von Galen maar vreest hem ook. De Führer weet dat het elimineren van de moedige bisschop een opstand in Westfalen tot gevolg kan hebben, en vat daarom het plan op zijn vijand na afloop van de oorlog ter dood te laten veroordelen wegens verraad.

Mgr. von Galen zal dus niet het martelaarschap in het bloed kennen, maar wel dat in het hart. Ondanks zijn felle protesten moet hij inderdaad machteloos toezien hoe zijn priesters gedeporteerd worden, zijn kloosterlingen in ballingschap moeten gaan, de jeugd geïndoctrineerd wordt en onschuldigen omgebracht worden.

kardinaal-von-GalenBovendien berokkenen de geallieerde bombardementen hem onbeschrijflijk veel leed, wanneer hij ziet dat burgers er het slachtoffer van zijn. Voor hem is het «  een rechtvaardige straf van God die een groot deel van het niet-christelijke Europa treft  » (brief aan Pius XII, 4 november 1943). Zelf moet hij het bisschoppelijk paleis verlaten dat door bommen getroffen is. Hij schrijft aan zijn broer  : «  Het Kruis is een teken en een waarborg van de liefde en de barmhartigheid van God  » (28 oktober 1943).

In 1945 gaat het Duitse Rijk in puinhopen en diepe ellende ten onder. Wanneer Engelse officieren van de bezettingstroepen hem na de oorlog gelukwensen met zijn standvastig verzet tegen Hitler, verwijt hij hen op felle toon dat zij «  de heerschappij van het communisme en de anarchie dienen, en het volk uitleveren aan de hongersnood.  » Hij weigert trouwens om de collectieve schuld van het Duitse volk te erkennen  : de nazi’s zijn de schuldigen.

In het Vaticaan wordt Mgr. von Galen op 18 februari 1946 door Pius XII kardinaal gecreëerd. Het kardinaalscollege eert hem op dat moment met een stormachtig applaus dat vele minuten aanhoudt. Hij maakt van deze gelegenheid gebruik om de H. Vader een petitie te overhandigen ten voordele van de afkondiging van de Tenhemelopneming van de Allerheiligste Maagd Maria, dat hij als het vierde hoogfeest van het liturgisch jaar beschouwt  ; Pius XII zal dit dogma plechtig afkondigen in 1950. Ook bezoekt hij in Rome de Duitse gevangenen  ; hij spreekt hen moed in en vertrouwt hen op vaderlijke wijze toe  : «  Ik zal niet lang meer hier beneden blijven. Als ik daarboven zal zijn, richt jullie dan tot mij.  »

Bij zijn terugkeer in Münster wordt hij ernstig ziek. Het is zijn wens op de feestdag van Sint-Jozef te mogen sterven. Hij overlijdt op 22 maart 1946, na deze laatste woorden uitgesproken te hebben  : «  Zoals God het wil. Jullie moeten voortgaan met voor de Eer van God te arbeiden. Hij beschermt ons dierbaar vaderland. Arbeid verder voor Hem.  »

zuster Muriel van het Goddelijk Hart
Hij is verrezen  ! nr. 20, maart-april 2006

Von-Galen-Munster-1946

Op 16 maart 1946 werd de pas gecreëerde kardinaal geestdriftig in Münster onthaald door het domkapittel en een reusachtige menigte.

EEN ONPEILBAAR DIEPE HAAT

Op het moment dat Münster en omgeving voor het eerst door geallieer­de bombardementen getroffen worden, klaagt Mgr. von Galen onbevreesd de antichristelijke praktijken aan van een regime dat op het toppunt van zijn macht is  :

«  Vorige week heb ik in het openbaar mijn verdriet geuit en het als een hemeltergend onrecht gebrandmerkt dat de Gestapo de kloosters van de zusters van de Onbevlekte Ontvangenis in Wilkinghege en van de jezuïeten in Münster had gesloten, gebouwen en inboedel in beslag genomen en de bewoners de straat op gejaagd en uit hun geboortestreek verdreven had. Ook het Lourdesklooster in de Frauenstraße werd ten behoeve van de Gouwleiding in beslag genomen. Ik wist toen nog niet dat de Gestapo op dezelfde dag, dus op zondag 13 juli, het college van de camillianen in Sudmühle en de benedictijnenabdij Sankt Josef in Gerleve bezet en in beslag genomen had, en dat de paters en broeders er uit verdreven waren  ; ze moesten nog dezelfde dag Westfalen verlaten. Op 15 juli werden ook de benedictinessen van de Eeuwige Aanbidding in Vinnenberg bij Waren­dorf verjaagd en over de provinciegrenzen gezet. Op 17 juli moesten de kruiszusters in het huis Aspel bij Rees hun bezittingen en het district Rees verlaten. Indien de christelijke naastenliefde zich niet had ontfermd over al deze daklozen, dan zouden deze vrouwen en mannen overgelaten zijn aan de honger en de barre weersomstandigheden.

«  Wat heeft dit te betekenen  ? Hoe moet dit aflopen  ? Het gaat er namelijk niet om dakloze medeburgers van Münster een tijdelijk onderkomen te verschaffen  : de kloosterlingen waren bereid en vastbesloten met dit doel hun eigen woonruimten tot een minimum te beperken om net als anderen daklozen een woning te bezorgen en hun eten te geven. Nee, daar gaat het niet om. Ik heb vernomen dat het filmcentrum van de gouw zich installeert in het klooster van de Onbevlekte Ontvangenis te Wilkinghege. Men zegt me dat in de benedictijne­nabdij Sankt Josef een kraamkliniek voor ongehuwde moeders wordt ingericht. Ik heb nog niet vernomen wat in Sentmaring, in Sudmühle en Vinnenberg geïnstalleerd wordt, want ik krijg geen enkele informatie van officiële zijde.

«  Ik heb het provinciehoofd, de ministers, het opperbevel van de Wehr­macht er nadrukkelijk op gewezen hoe deze gewelddaden tegen Duitse mannen van onbesproken gedrag en dit bruut optreden tegenover weerloze Duitse vrouwen in tegenspraak zijn met elke vorm van ridderlijkheid en slechts kunnen voortvloeien uit een dodelijke haat tegen het christelijk geloof en tegen de katholieke Kerk. Het zijn praktijken die als sabotage werken en tot ontwrichting van onze volksgemeenschap leiden.

«  Volksgemeenschap met die mannen, die onze kloosterlingen, onze broeders en zusters zonder rechtsgrond, zonder onderzoek, zonder mogelijkheid van verdediging of vonnis vogelvrij verklaren en het land uit jagen  ? Nee, met hen en met allen die daarvoor verantwoordelijkheid dragen is er voor mij geen gemeenschappelijk denken en voelen meer mogelijk  !

«  Volgens het gebod van de Heiland willen wij bidden voor allen die ons vervolgen en belasteren. Maar zolang zij niet veranderen, zolang zij doorgaan met het bestelen van onschuldigen, met het uit het land verjagen en kerkeren, zolang wijs ik elke band met hen af  !

«  Wij christenen willen beslist geen revolutie. Wij zullen trouw onze plicht blijven doen in gehoorzaamheid aan God, uit liefde voor ons Duitse volk en vaderland. Onze soldaten zullen vechten en sterven voor Duitsland, maar niet voor hen die door hun verschrikkelijk optreden tegen onze kloosterlingen, tegen hun broeders en zusters, onze harten krenken en de Duitse naam voor God en de mensen smaad aandoen. Wij vechten dapper verder tegen de buitenlandse vijand. Tegen de vijand in het binnenland die ons pijnigt en slaat kunnen wij niet met wapens vechten. Daar rest ons enkel als strijdmiddel een krachtig, taai en hard volhouden  ! Gehard worden  ! Standvastig blijven  ! Wij merken en ervaren nu duidelijk dat er achter de nieuwe theorieën, die ertoe geleid hebben dat de godsdienst uit de scholen werd verbannen, onze verenigingen werden onderdrukt en onze katholieke kleuterscholen nu vernietigd zullen worden, een onpeilbaar diepe haat schuilgaat tegen het christendom dat men wil uitroeien...  »

Mgr. von Galen, homilie in de Dom van Münster op zondag 20 juli 1941


(1) Een Duitse priester, Ludwig Fischer, had in 1929 tijdens een bezoek aan Portugal zuster Lucia kunnen ontmoeten. Nadien publiceerde hij in Duitsland verschillende werken om de boodschap van Fatima in zijn vaderland te doen kennen. In 1940, na het uitbreken van de oorlog, ondervroeg hij de zieneres over de toekomst van Duitsland. Na enkele uren in gebed vóór het tabernakel doorgebracht te hebben kreeg zuster Lucia bovenstaand antwoord van onze goddelijke Verlosser, dat zij op 19 maart 1940 in een brief aan E. H. Fischer bekendmaakte.

(2) Deze zalig verklaarde religieuze (1863-1899) werd geboren als Maria gravin Droste zu Vischering en was op het einde van haar korte leven overste van het klooster van de Zusters van de Goede Herder in de Portugese havenstad Porto. Zij werd door Jezus uitverkozen om zijn dringende wens dat de wereld zou toegewijd worden aan zijn Heilig Hart over te maken aan Paus Leo XIII, die daartoe uiteindelijk overging op 9 juni 1899. Zie de studies over haar verschenen in KCR 27ste jaargang (1999) nrs. 4 en 6 en 28ste jaargang (2000) nr. 2.

(3) Na de dood van de Z. Pius IX in 1878 en de uitverkiezing van Leo XIII op de Heilige Stoel begon Bismarck op sluwe wijze te intrigeren. Met de belofte dat hij een einde wou maken aan de aanslepende Kulturkampf kreeg hij van de Paus gedaan dat deze het Zentrum verplichtte een einde te maken aan de politiek van rechtlijnige onbuigzaamheid. De opvolgers van de dappere Windthorst degradeerden zo tot lakeien van de protestants-Pruisische machthebbers.

(4) Breslau, dat na de Tweede Wereldoorlog bij Polen gevoegd werd en sindsdien Wroclaw heet, was in de tijd van Clemens August von Galen het bisdom waartoe Berlijn behoorde. De Duitse hoofdstad werd pas in 1930 een zelfstandig bisdom (in 1994 verheven tot aartsbisdom)