De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly

DE H. SERGIUS VAN RADONEZJ

PATROON VAN HET HEILIGE RUSLAND

H. Sergius

De H. Sergius als abt. Schilderij door Michaïl Nesterov
(1862-1942).

KIËV, de huidige hoofdstad van Oekraïne, is voor alle Russen een heel bijzondere stad  : het is de bakermat van het christendom in Rusland, de plaats waar de H. Vladimir in 988 het doopsel ontving. Kiëv kende een schitterende bloeiperiode tussen de tiende en de dertiende eeuw. Maar in 1240 vielen de Mongolen of Tataren van de Gouden Horde het Russisch grondgebied binnen…

«  De christelijke beschaving, verjaagd of in elk geval zwaar verstoord door de onophoudelijke en verwoestende invallen van de Tataren in de zuidelijke vlakten, verschool zich in de 13de en 14de eeuw in de ondoordringbare wouden van het Noorden. Het christendom ken-de een geleidelijke wedergeboorte in Novgorod, in Rostov, daarna in Moskou, waar metropoliet Peter in 1325 zijn zetel vestigde. De kathedraal van de Tenhemelopneming die hij er bouwde, werd de hoofdkerk van heel Rusland.

«  Het is dan dat een heilige kluizenaar, de H. Sergius van Radonezj, niet ver van Moskou in 1344 het klooster van de Heilige Drievuldigheid sticht en er de regel van de H. Theodosius van Kiëv invoert. De mensen stromen er naartoe, en de geestelijke uitstraling van het klooster gaat hand in hand met de politieke opgang van Moskou, dat door grootvorst Ivan I tot hoofdstad wordt uitgeroepen.  »

Zo schetst abbé de Nantes in zijn magistrale studie over Rusland het kader waarin het leven en het werk van de H. Sergius verliepen (La Russie avant et après 1983, CRC nr. 184, december 1982, p. 18).

HOE VARFOLOMEÏ LEERDE LEZEN

De eerste die een Vita van de H. Sergius van Radonezj schreef, was één van zijn monniken, Epiphanius de Wijze. In de 15de eeuw werd deze biografie herzien door een Servische kloosterling, Pachomius. De zeer grote verering die de heilige patroon van Rusland al tijdens zijn leven genoot, maakt dat er geen enkele orthodoxe gelovige is die niet alle details van het leven van Sergius kent.

Sergius zag het levenslicht rond het jaar 1313 in Groot-Rostov, een stad op 180 km van Moskou, en kreeg bij zijn doopsel de naam Varfolomeï (Bartholomeüs). Toen hij zeven jaar was lieten zijn ouders, die van adellijke afkomst waren, hem studeren. Maar in tegenstelling tot zijn broers slaagde Varfolomeï, de middelste van de drie, er ondanks al zijn inspanningen niet in om te leren lezen. Hij was daar heel ongelukkig om en bad vaak om de genade er toch toe in staat te zijn.

Op een dag, toen zijn vader hem het veld in zond om een weggelopen paard te zoeken, zag de jongen onder een boom een oude man staan bidden. Geen twijfel mogelijk  : het was een starets, een rondtrekkende geestelijke bij wie het gewone volk graag raad en vertroosting zocht. Schoorvoetend kwam Varfolomeï dichterbij en vroeg de grijsaard tot God te bidden opdat hij eindelijk zou kunnen lezen. De starets sprak een gebed uit en gaf de knaap vervolgens een stuk prosphoron (gewijd brood).

Op verzoek van Varfolomeï ging de oude man mee naar het huis van de jongen. Na de maaltijd droeg de starets de knaap op om voor te lezen uit de Psalmen. Beschaamd herinnerde Varfolomeï hem eraan dat hij niet kon lezen, maar de grijsaard drong aan. En toen slaagde de jongen er tot zijn eigen verbazing en die van zijn ouders plots in om foutloos uit het getijdenboek voor te lezen. Alvorens hij afscheid nam, sprak de starets de raadselachtige woorden  : «  Dit kind zal de verblijfplaats van de Heilige Drie-eenheid worden en een grote menigte voeren tot het begrijpen van de goddelijke wil.  »

De jonge Varfolomeï ontmoet een oude starets die hem een stuk gewijd brood geeft.

De jonge Varfolomeï ontmoet een oude starets die hem een stuk gewijd brood geeft. Met dit schilderij werd Nesterov de grondlegger van het Russisch symbolisme.

Na dit wedervaren nam Varfolomeï vurig deel aan de liturgische diensten in de kerk en las de H. Schrift. Toen hij twaalf jaar was, leidde hij een ascetisch leven  : hij vastte op woensdag en vrijdag, en de andere dagen leefde hij enkel op water en brood. Als opgroeiende jongeman behield hij de zuiverheid van lichaam en ziel.

Enkele jaren later werd het gezin onverwacht in armoede gedompeld. Zij verhuisden van Rostov naar Radonezj, een dorpje ten noorden van Moskou. Zijn broers huwden, maar Varfolomeï wilde graag monnik worden. Zijn ouders vroegen om deze beslissing uit te stellen tot na hun dood, zodat zij iemand hadden om voor hun oude dag te zorgen. Enige tijd nadien trokken zij zich zelf allebei in een klooster terug, waar ze kort daarna stierven. Varfolomeï bad veertig dagen lang op hun graf. Daarna overhaalde hij zijn oudste broer Stefan, die ondertussen weduwnaar was geworden, om samen met hem de bossen in te trekken om er in alle stilte als kluizenaar te leven.

DE STICHTING VAN HET DRIEVULDIGHEIDSKLOOSTER

Bij de kapel en zijn cel midden in het woud sluit Sergius vriendschap met een beer.

Bij de kapel en zijn cel midden in het woud sluit Sergius vriendschap met een beer. Schilderij door Michaïl Nesterov.

Na lang zoeken vonden zij een geschikte plaats bij een bron midden in het woud. Ze bouwden er een cel en een kapel die – de woorden van de oude starets indachtig – aan de H. Drievuldigheid toegewijd werd. Dat was een innovatie  : de traditie in Rusland schreef voor dat kloosters onder de bescherming van de H. Maagd of van een heilige geplaatst werden.

Nadat zijn broer, die het harde kluizenaarsleven te zwaar vond, naar een klooster in Moskou vertrokken was, ontving Varfolomeï op 24-jarige leeftijd van de hegoumen (overste) Metrophanes de tonsuur en de naam Sergius.

En zo bevond Sergius zich heel alleen in dat woud, waar de wolven bij zijn cel kwamen huilen. Ook beren kwamen naar de plek waar de heilige leefde. Op een keer bemerkte Sergius dat een bepaalde beer niet zozeer gevaarlijk als wel uitgehongerd was. Hij begon medelijden te krijgen met het dier en gaf het te eten. De beer was opgetogen over de kluizenaar en kwam vaak een portie eten bij hem halen. De heilige gaf hem elke keer voedsel. Hij ging zelfs zo ver dat hij zichzelf eten ontzegde voor de beer  !

De godvruchtige kluizenaar leefde gedurende drie jaar volkomen alleen. Toen kwamen geleidelijk aan andere vrome mannen naar hem toe met de vraag om onder zijn geestelijke leiding op dezelfde manier te mogen leven. Sergius stemde toe, en zo ontstond een laura (in het Russisch lavra)  : een monnikengemeenschap waarvan de leden ieder in een eigen cel woonden, maar die wel onder het gezag van een overste stond. De vespers, de completen en de andere getijden baden de broeders gezamenlijk in de kleine kerk. Voor de Goddelijke Liturgie (de H. Eucharistie) deden zij een beroep op een priester van buiten de gemeenschap, meestal Metrophanes, die uiteindelijk ook in hun midden kwam leven.

Korte tijd later stierf de hegoumen echter. De broeders zochten Sergius op en vroegen hem om hun overste te worden  : «  Vader, wij kunnen niet zonder hegoumen leven, en wij willen dat u deze functie uitoefent. Wanneer wij u dan onze zonden komen biechten, zullen wij van u de absolutie en onderricht krijgen. Het past ook dat de Liturgie wordt opgedragen en dat wij uit uw zuivere handen de H. Mysteriën ontvangen.  » Maar Sergius weigerde  : «  Het komt mij alleen maar toe te wenen over mijn zonden  », sprak hij. Pas na lang aandringen werd de heilige kluizenaar in 1354 tot priester gewijd en verheven tot de rang van hegoumen.

UIT LIEFDE VOOR DE ARMOEDE

De kleine gemeenschap leefde in de grootst mogelijke soberheid. Sergius had de armoede zo lief dat hij als strikte regel invoerde dat niemand om aalmoezen voor het klooster mocht vragen. Op een keer was al het eten op. Na drie dagen begonnen enkele broeders te morren tegen hun overste  : «  Wij sterven van honger en u laat niet toe dat wij aalmoezen vragen. Morgen vertrekken wij voorgoed van hier.  » Sergius kon hen ervan overtuigen niet toe te geven aan zwakheid en hun hoop in God te stellen. «  Ik geloof dat God de bewoners van deze plaats niet in de steek zal laten  », zei hij. Op hetzelfde moment klopte iemand aan de poort. Broeder portier deed open en kwam vol blijdschap aangelopen  : «  Vader, men heeft ons een stapel broden gebracht in opdracht van iemand die Christus bemint  !  » Zo werd in het oude Rusland de christelijke naastenliefde beoefend en het onwrikbaar vertrouwen in de hemelse Vader beloond…

Op een andere keer was de heilige laat op de avond verzonken in gebed voor zijn medebroeders in het klooster. Plots hoorde hij een stem  : «  Sergius   !  » Hij opende het venster en zag een ongewoon licht dat uit de Hemel neerdaalde. De stem hernam  : «  Sergius  ! De Heer heeft je gebed voor je kinderen gehoord. Kijk wat een menigte zich rond jou heeft verzameld in naam van de H. Drievuldigheid  !  » Toen zag de heilige een massa prachtige vogels die niet alleen binnen de kloostermuren rondvlogen, maar ook daarbuiten. De stem vervolgde  : «  Zo zal het aantal van je leerlingen toenemen en het zal je niet aan opvolgers ontbreken om in je voetstappen te treden.  »

Op de uitdrukkelijke vraag van de patriarch van Constantinopel voerde Sergius later het cenobitisme in, het volledige gemeenschapsleven (van het Griekse woord koinos, “ gemeenschappelijk ”). Hij deed dit enkel uit gehoorzaamheid, want in zijn hart hield hij bovenal van de eenzaamheid. Het aantal monniken nam toe en het klooster breidde uit, maar er ontstonden ook spanningen. Sommigen wilden Sergius niet meer als overste. Daarop vertrok de heilige in alle stilte.

Rond dezelfde tijd riep de bejaarde metropoliet van Moskou, Aleksej, hem bij zich met de bedoeling hem tot zijn opvolger aan te stellen. Sergius zei echter  : «  Vergeef me, Eerbiedwaardige Herder, maar u wil een last op mijn schouders leggen die mijn krachten te boven gaat. U zal in mij niet vinden wat u zoekt. Ik ben de grootste zondaar van allemaal.  » En daarop keerde hij terug naar zijn klooster in de bossen.

KOELIKOVO, HET RUSSISCHE LEPANTO

In het jaar 1380 werd het Russische land opnieuw geteisterd door een invasie van de Tataarse horden. De Mongoolse khan Mamaj verzamelde een ontzaglijke troepenmacht van 125.000 strijders om de naar vrijheid strevende Russen te verpletteren.

De grootvorst van Moskou, Dimitri, besloot de vijand te trotseren met een leger samengesteld uit manschappen van de verschillende vorstendommen. Maar eerst begaf hij zich naar het klooster van de H. Drievuldigheid. Hij knielde in volle wapenrusting neer aan de voeten van de heilige abt, die hem zei  : «  Met de hulp van God zal je de overwinning behalen. Je zal veilig en wel en overladen met roem het slagveld verlaten.  » En om dit verbond tussen het altaar en de troon te bekrachtigen zond Sergius twee van zijn monniken met het leger van de grootvorst mee.

Sergius zegent de grootvorst van Moskou, Dimitri (de latere Dimitri Donskoj)

Sergius zegent de grootvorst van Moskou, Dimitri (de latere Dimitri Donskoj), aan de vooravond van de slag van Koelikovo waarin de Russen de Mongoolse horden een verpletterende nederlaag zullen toebrengen.

Tegenover de Tataarse overmacht kon Dimitri slechts zestigduizend man in het veld brengen. Een verhouding van één tegen twee… Maar zijn vertrouwen in de woorden van Sergius was volkomen.

Mamaj sloeg zijn kamp op aan de Don, waar hij wachtte op een hulpleger uit Litouwen waarmee hij een verdrag gesloten had. De Russen besloten niet te aarzelen en staken op de avond van 7 september de grote rivier over. De dag daarop vond op het veld van Koelikovo één van de bloedigste veldslagen uit de geschiedenis plaats. De Tataren leken aan de winnende hand, tot hun achterhoede onverwacht aangevallen werd door een regiment dat Dimitri met opzet achter de hand gehouden had. Er brak paniek uit bij de vijand, die daarop achteruitweek voor het tegenoffensief van de Russen. Het veel kleinere leger van Dimitri behaalde een schitterende overwinning. Tot laat in de nacht werden de vluchtende Tataren achtervolgd en afgemaakt. Haast niemand van hen overleefde de slag…

Terwijl de veldslag volop aan de gang was, bad de H. Sergius vurig. «  Plots stond de heilige recht, als getransfigureerd, en kondigde aan zijn medebroeders aan  : “  We hebben gewonnen  !  ” Net zoals de H. Pius V in 1571 in Rome zou doen, op de dag en het uur zelf van de overwinning van Lepanto op de Turken  » (abbé de Nantes, CRC nr. 184, p. 18). Wat een prachtige parallel die duidelijk maakt hoe God op beslissende ogenblikken in de geschiedenis aan zijn gezalfde, David, de overwinning schenkt op de almacht van Goliath  !

De macht van de Gouden Horde was gebroken. Grootvorst Dimitri kreeg de erenaam Donskoj, waaronder hij tot op vandaag voortleeft.

Drievuldigheidsklooster van de H. Sergius

Het indrukwekkende Drievuldigheidsklooster van de H. Sergius is het spirituele centrum van Rusland. De communisten stuurden de monniken naar de Goelagarchipel, maar nu zijn de gebouwen in hun vroegere glorie hersteld en komen pelgrims opnieuw van heinde en verre om te bidden op het graf van de patroon van het Heilige Rusland.

«  IK ZAL JE KLOOSTER NIET MEER VERLATEN  »

Op een nacht, toen de H. Sergius de Akathistoshymne 1 tot de Moeder Gods zong en vóór haar icoon vurige gebeden stortte voor het welzijn en de bescherming van zijn klooster, onderbrak hij plotseling zichzelf. Zijn heilige ziel voelde de nadering van een hemelse verschijning aan en hij zei tot zijn celgenoot Micheï  : «  Verheug je, mijn kind, want we krijgen miraculeus bezoek  !  »

Nauwelijks was hij uitgesproken of hij hoorde een stem die sprak  : «  De Allerzuiverste komt  !  » Hij haastte zich naar de ingang van zijn cel en plotseling omgaf hem een ongewoon licht, nog schitterender dan de zon. Hij aanschouwde de Allerheiligste Moeder van God, stralend van een onbeschrijflijke glorie en vergezeld door de apostelen Petrus en Joannes. De heilige wierp zich op de grond, maar de Moeder Gods raakte hem aan met haar hand en zei  : «  Vrees niet, mijn uitverkorene  ! Ik kom je een bezoek brengen, want ik heb je gebed voor je leerlingen en deze plaats gehoord. Van nu af aan zal ik je klooster niet meer verlaten en ik zal het beschermen voor altijd.  » Daarop werd zij onzichtbaar.

De oude abt beefde van schrik en vreugde. Gedurende enkele minuten verkeerde hij in een toestand van extase. Terug bij zinnen gekomen vestigde hij zijn blik op zijn medebroeder en leerling Micheï, die als dood op de grond uitgestrekt lag. De grote mysticus die Sergius was, had de Koningin van de Hemel kunnen aanschouwen en haar stem kunnen horen, maar de doodsbange broeder was niet in staat geweest om alles waar te nemen  ; hij had enkel het hemelse licht gezien.

«  Sta op, dierbare zoon  », sprak de H. Sergius. Micheï kwam terug tot zichzelf, stond op maar viel onmiddellijk terug op zijn knieën voor de abt  : «  Zeg mij, Vader, om de liefde Gods  : wat was deze verschijning uit de Hemel  ? Mijn arme ziel had zich bijna van mijn lichaam gescheiden.  »Maar Sergius kon niet antwoorden ten gevolge van een diepe geestelijke emotie  : «  Wacht nog even, mijn zoon, want de verschijning van daarnet doet mijn ziel nog beven.  »

Broeder Bruno heeft dit buitengewoon gebeuren becommentarieerd  :

«  De talrijke gelijkenissen tussen deze verschijning en die van Fatima springen in het oog. De H. Sergius “ voelt de nadering van een hemelse verschijning aan ” en verwittigt zijn metgezel, net zoals Lucia haar neef en haar nichtje verwittigde vlak voor elke verschijning. Juist zoals Francisco wel zag, maar niets hoorde, “ zag Micheï enkel het hemelse licht ”. Sergius kan niet antwoorden op de vragen van zijn medebroeder, want de verschijning belet hem tijdelijk om volledig van zijn zintuigen te kunnen gebruik maken. Zo zeiden Lucia en Jacinta ook tegen Francisco, die hen met vragen bestookte, dat hij moest wachten  : “ Ik zal het je morgen zeggen. Vandaag kan ik niet spreken. ” Niets ontbreekt, zelfs niet de aanwezigheid van de H. Petrus, de eerste “  Bisschop in het Wit gekleed  ”… En evenmin de belofte van de Onbevlekte dat zij altijd bij de ziener of zienares zal blijven, om voor hem of haar een toevlucht te zijn die tot bij de Vader zal leiden.

«  Het gaat wel degelijk om dezelfde H. Maagd, die in Portugal een boodschapster is komen zoeken om haar verbond met Rusland te hernieuwen  !  » (CRC nr. 368, juni-juli 2000, p. 31).

Onwillekeurig zijn we dan ook geneigd in de starets die de jonge Varfolomeï een stuk gewijd brood gaf een parallel te zien met de engel die in Fatima de komst van de H. Maagd aankondigde. Gaf de engel aan Lucia, Jacinta en Francisco niet de H. Communie  ? En is het prosphoron dat de zevenjarige Varfolomeï uit de handen van de oude man nuttigde niet bestemd om in de Goddelijke Liturgie (de H. Eucharistie) als offerande opgedragen te worden en het Lichaam van Christus te worden  ?

EEN GELUKZALIGE NEDERLAAG

Graf van de H. Sergius

Bedevaarders schuiven in lange rijen aan bij het graf van de H. Sergius. Het was voor de iconostasis van deze kerk dat Andrej Roebljov zijn vermaarde icoon van de H. Drievuldigheid schilderde (tegenwoordig een kopie, het origineel hangt in de Tretjakovgalerij in Moskou).

Het hemels bezoek aan het Drievuldigheidsklooster van de H. Sergius was geen alleenstaand feit. Het was niet de eerste keer dat Onze-Lieve-Vrouw tussenkwam in de zaken van Rusland. Vele eeuwen tevoren had zij al ingegrepen in de geschiedenis van het land  :

«  De geschiedenis van het Heilige Rusland begint met een nederlaag. De Russen van Kiëv, die in 860 Constantinopel kwamen belegeren, werden verdreven door de tussenkomst van de Theotokos, de Moeder Gods  » (broeder Pierre, La Renaissance catholique au Canada nr. 82, november 2000).

De Slaven die Kiëv bewoonden, waren in 860 nog heidenen  : het doopsel van grootvorst Vladimir – de H. Vladimir – zou pas meer dan een eeuw later plaatsvinden. En de Grieken maakten nog deel uit van de H. Kerk, want het schisma van 1054 was veraf. De raid uitgevoerd door zo’n tweehonderd schepen bemand door «  Skythen uit het noorden  », zoals de Byzantijnen de inwoners van het rijk van Kiëv noemden, verraste Constantinopel volkomen. Terwijl de voorsteden aan de Bosporus geplunderd werden, haastte de patriarch zich naar de basiliek van de Moeder Gods bij het paleis van Blachernae, waar hij bad voor de beroemde icoon van de Blachernitissa, de beschermster van het Byzantijnse rijk. Daarop nam hij de kostbare relikwie van de Sluier van Maria, begaf zich naar de Bosporus en raakte het water met de sluier aan. Meteen stak een hevige storm op die de vijandelijke schepen uiteensloeg en de aanvallers verdreef…

Een gelukzalige nederlaag  ! Want «  het was ten gevolge van deze eerste ontmoeting dat Constantinopel zich er op toelegde om missionarissen naar die barbaren in het noorden te sturen. Het zouden de grote heiligen Cyrillus en Methodius zijn die het Evangelie zouden uitdragen […]. Zij waren het die de Blijde Boodschap in het Slavisch vertaalden en op schrift stelden door een nieuw alfabet uit te vinden, een verbeterd glagolitisch, namelijk het “ cyrillisch ”. Daardoor zijn zij werkelijk de stichters van de Russische beschaving  » (abbé de Nantes, CRC nr. 184, p. 17).

DE DOOD VAN EEN HEILIGE

Zes maanden voor zijn heengaan naar het eeuwig leven riep de H. Sergius zijn gemeenschap bijeen. Hij vertrouwde haar toe aan zijn opvolger, de monnik Nikon, en legde zijn functie van hegoumen definitief neer. Vervolgens trok hij zich in de volkomen eenzaamheid terug om ongestoord te kunnen bidden en zich op de dood voor te bereiden.

In september 1391 voelde hij zijn einde naderen. Nogmaals riep hij alle broeders bij zich en gaf aan ieder van hen zijn laatste instructies. Hij stierf op 25 september, 78 jaar oud.

Eenendertig jaar later, in 1422, groef men zijn stoffelijk overschot terug op. Zijn lichaam was ongeschonden bewaard gebleven. Hij werd bijgezet in de nieuw opgerichte Drievuldigheidskathedraal binnen de muren van de door hem gestichte lavra en in 1452 heilig verklaard. Ook de Rooms-katholieke Kerk erkent hem als een heilige.

«  De dood van de heilige, van wie het lichaam ongeschonden en soepel gebleven was, deed de uitstraling van het Drievuldigheidsklooster van de H. Sergius nog verder toenemen. Het klooster werd een stad, heilige Stad en hart van de Russische Kerk, waaruit in de loop van de daaropvolgende twee eeuwen 254 kloosters zouden ontspruiten  » (abbé de Nantes, CRC nr. 184, p. 18).

redactie KCR


(1) In de oosterse Kerk bidt of zingt men bepaalde hymnen altijd rechtopstaand (akathistos betekent letterlijk  : “ ongezeten ”).