De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

DE ZALIGE PIUS IX

« NEEN » AAN HET LIBERALISME

Het Eerste Vaticaans Concilie (1868-1870), waarop de pauselijke onfeilbaarheid werd afgekondigd.

Het Eerste Vaticaans Concilie (1868-1870), waarop de pauselijke onfeilbaarheid werd afgekondigd.

IN ons vorig nummer gingen wij uitgebreid in op de gebeurtenissen uit de eerste helft van het pontificaat van Pius IX. In 1863 – Pius IX is dan 17 jaar Paus – vindt in België het Congres van Mechelen plaats, waar de liberaal-katholieken bij monde van Montalembert «  de vrije Kerk in de vrije Staat  » afkondigen en Rome oproepen zich te verzoenen met liberalisme en democratie. Deze gebeurtenis overtuigt Pius IX van de noodzaak om zo spoedig mogelijk de moderne dwalingen bij naam te noemen en ze scherp te veroordelen  : de Syllabus krijgt vaste vorm…

Sinds het begin van zijn pontificaat had Pius IX herhaalde malen de meest verspreide moderne dwalingen onder de aandacht gebracht en aangeklaagd. Om de lijst van te veroordelen stellingen op te maken ging de pauselijke commissie die daartoe opgericht was daarom als volgt te werk  :

«  Enerzijds beschikte men over commentaren van bisschoppen en beslagen leken waarin de dwalingen van de moderne tijd ontmaskerd werden  ; anderzijds kon men terugvallen op de encyclieken, toespraken en apostolische brieven van Pius IX. Men zocht bijgevolg uit in welk pauselijk document een bepaalde dwaling veroordeeld was  » (broeder Pascal van het H. Sacrament, Mgr Freppel, vol. 1, uitg. CRC, p. 262).

Toen de toekomstige kardinaal Bilio benadrukte dat het van belang was voor elke stelling ook aan te geven van welke bron zij afkomstig was, breidde de commissie haar werkzaamheden nog verder uit. Twaalf jaren van vooronderzoek leidden zo tenslotte tot de tachtig stellingen van de Syllabus, een grootse synthese van het leerstellig onderricht van Pius IX.

OP DE BRES VOOR DE BESTAANSREDEN VAN DE KERK

De encycliek Quanta cura, die de Syllabus inleidde en verklaarde, werd gepubliceerd op 8 december 1864, tiende verjaardag van de afkondiging van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis. Pius IX wilde de Syllabus zo onder de bescherming plaatsen van «  de Onbevlekte en zeer Heilige Moeder Gods, de Maagd Maria die alle ketterijen overal ter wereld vernietigd heeft…  »

De Paus deed een beroep op de geloofsijver en de herderlijke bekommernis van de bisschoppen om de zeer ernstige dwalingen die hij aankloeg «  neer te slagen  », meer bepaald de dwalingen van de liberaal-katholieken  :

«  De katholieke Kerk heeft van haar goddelijke Stichter de zending en het mandaat meegekregen om tot aan het einde van de tijden in volle vrijheid te strijden voor de redding van de zielen. Het is haar daarbij niet alleen om de individuen te doen maar evenzeer om de naties en volkeren als geheel en om hun leiders. De bedrieglijke en perverse theorieën [van de liberaal-katholieken] zijn des te verwerpelijker omdat ze er vooral op gericht zijn deze macht van de Kerk te ondermijnen en omver te werpen. Ze willen het wederzijds verbond en de eendracht tussen het geestelijk en het wereldlijk gezag, waarvan steeds is gebleken hoe nuttig en heilzaam het was voor de [ware] godsdienst en voor de samenleving, doen verdwijnen.

«  En inderdaad, u weet heel goed, Eerbiedwaardige Broeders, dat er heden ten dage velen zijn die op de maatschappij het goddeloze en absurde principe van het zogenaamde “ naturalisme ” willen toepassen. Zij durven daarbij verkondigen dat “ het beste politiek regime en de vooruitgang van het openbaar leven absoluut vereisen dat de menselijke samenleving ingericht en bestuurd wordt zonder nog rekening te houden met de godsdienst, alsof die niet meer bestond, of ten minste zonder nog enig onderscheid te maken tussen de ware en de valse godsdiensten ”. En tegen de leer van de Heilige Schrift, de Kerk en de Pausen in stellen zij zonder aarzelen dat “ de beste toestand voor de maatschappij deze is waarbij men aan het gezag de plicht onttrekt om met wettelijk vastgelegde straffen de schendingen van de katholieke wet te onderdrukken, tenzij de openbare rust in het gedrang komt ”.

«  Vanuit deze totaal onjuiste opvatting over het bestuur van samenlevingen geven ze onverschrokken hun steun aan volgende op dwaling berustende opinie, die zonder meer dodelijk is voor de katholieke Kerk en voor de redding van de zielen en die door Onze illustere Voorganger, Gregorius XVI, bestempeld werd als “ waanzin ”  : “ De vrijheid van geweten en godsdienst-beoefening is een onvervreemdbaar recht voor elk individu. Dit recht dient in elke goed georganiseerde maatschappij te worden afgekondigd en bij wet onderschreven. De burgers hebben recht op de volle vrijheid om openlijk en publiekelijk gelijk welke opinies te verkondigen, door middel van het woord, de pers of elke andere methode, zonder dat het wereldlijk of kerkelijk gezag hen een beperking kan opleggen. ”

«  Door twijfelachtige opinies op te voeren als zekerheden denken ze er niet aan en geven zij er zich geen rekenschap van dat ze “ de vrijheid van de verdoeming ” (H. Augustinus) prediken. “ Als in alles vrij beslist mag worden op basis van menselijke overtuigingen, zal er altijd wel een overtuiging zijn die weerstand durft bieden aan de waarheid en haar vertrouwen stelt in de woordenkramerij van een louter menselijke wijsheid. Men weet nochtans hoezeer het geloof en de christelijke wijsheid deze zo schadelijke ijdelheid dienen te vermijden, volgens het onderricht zelf van Onze Heer Jezus Christus ” (H. Leo).

«  Daar waar de godsdient verbannen werd uit de maatschappij, waar de leer en het gezag van de goddelijke openbaring werden afgewezen, vervagen en verdwijnen rechtvaardigheid en menselijk recht. In hun plaats komt brute kracht.  »

UITEENLOPENDE REACTIES

Montalembert :« de vrije Kerk in de vrije Staat »

Montalembert  : «  de vrije Kerk in de vrije Staat  »

Meer nog dan de encycliek was het de Syllabus zelf die in de publieke opinie stof deed opwaaien. «  Dat kwam omdat de formulering van de dwalingen zo kernachtig en helder was dat de tekst voor iedereen begrijpelijk was. Pius IX legde in een brief aan Mgr. Plantier het belang van het document uit  : “ De wereld is in de duisternis verdwaald  ; ik heb de Syllabus gepubliceerd opdat hij als vuurtoren zou dienst doen en de wereld terug op het pad van de waarheid zou brengen ”  » (broeder Pascal, o. c., p. 263-264).

In Italië werd de Syllabus in gehoorzaamheid aanvaard door de bisschoppen. Zij organiseerden allerlei plechtigheden en bijeenkomsten om de Paus hun trouwe erkentelijkheid uit te drukken. Zo namen in Turijn honderdvijftigduizend gelovigen aan een samenkomst deel.

In Frankrijk daarentegen probeerden de liberaal- katholieken met alle middelen de draagwijdte van de Syllabus af te zwakken. Mgr. Dupanloup, de bisschop van Orléans, schreef een brochure, La Convention du 15 septembre et l’Encyclique du 8 décembre, die een enorme weerklank kende  : zij werd op zes maanden tijd op honderdduizend exemplaren verspreid. Montalembert gaf toe  : «  De bisschop heeft werkelijk een krachttoer uitgehaald, niets meer of niets minder  ; zijn brochure is een meesterwerk van welsprekend gefoefel  » (broeder Pascal, p. 273).

«  Het “ gefoefel ” bestond erin een subtiel onderscheid door te voeren tussen “ de these ” en “ de hypothese ”  : de encycliek geeft weliswaar het ideaal (these) weer van een volkomen christelijke samenleving, maar vermits de maatschappij in de praktijk (hypothese) geseculariseerd is, moet men zich plooien naar de vereisten van de huidige, actuele, werkelijke toestand  !  » (ibid.)

Mgr. Dupanloup, boegbeeld van de Franse liberaal-katholieken

Mgr. Dupanloup, boegbeeld van de Franse liberaal-katholieken

De liberalen intrigeerden om van de Paus een lovende brief aan het adres van Mgr. Dupanloup los te krijgen. Maar dat was verloren moeite  : Pius IX richtte zijn lof integendeel aan de bisschoppen «  die er zorg voor gedragen hebben hun gelovigen te beschermen tegen het gevaar van de dwalingen die Wij veroordeeld hebben, en die er blijk van gegeven hebben dat zij deze dwalingen evenzeer als Wij verafschuwen  » (ibid., p. 276).

De publicatie van de Syllabus blijft één van de belangrijkste gebeurtenissen uit het pontificaat van Pius IX  :

«  Eigenlijk  », schrijft abbé de Nantes, «  hebben de Pausen sinds de revolutionaire uitbarsting van 1789 onophoudelijk tegen deze geest van rebellie, “ duivels in zijn essentie zelf ”, een dam en een obstakel opgeworpen  : hun Leerambt en hun gezag ten dienste van het geloof. Maar de Syllabus gaf aan zovele in de tijd verspreide onderrichtingen een samengebalde kracht, helder en onomstotelijk. Alle dogma’s van de vrijmetselarij, heel de theorie van de rechten van de Mens, de Staat, het Volk-dat-God-is, werden in dit document gedefinieerd en verworpen. Vanaf dat ogenblik was er rondom de belegerde Kerk een verdedigingswal opgeworpen, een verdedigingssysteem dat de aanval, het verraad, de uitputtingsslag moest verhinderen  » (Lettre à mes amis nr. 190).

EEN LEVENSKRACHTIGE KERK

Pius IX heeft niet alleen een dam opgeworpen tegen «  de geloofsafval  » die hij zag aankomen, hij heeft ook een heel project van vernieuwing opgezet. «  Het is tijdens zijn bewind dat de Kerk modern geworden is in haar administratie, vol levenskracht, en tenslotte ook in staat om zich voor de eerste maal uit te breiden over de hele wereld  » (Georges de Nantes, Prélude à l’apostasie, CRC nr. 96, sept. 1975, p. 5).

Hij versterkt het gezag van de pauselijke nuntius  : deze zal voortaan in naam van de Paus tussenbeide komen in het interne leven van de lokale Kerken.

Hij voert voor de bisschoppen opnieuw de verplichting in van de bezoeken ad limina. De vruchten hiervan zijn in elk opzicht uitstekend. Franse bisschoppen die aanhanger zijn van het gallicanisme [meer zelfstandigheid voor de Kerk van Frankrijk ten opzichte van Rome – red.] komen terug op hun vooringenomenheid. Zo is daar Mgr. Plantier, bisschop van Nîmes, die in zijn reisverslag het volgend ontroerend portret schetst van de H. Vader  : «  Zijn nobel hoofd met regelmatige trekken onderscheidt zich vooral door het gelaat, dat een grote zachtheid en een aandoenlijke goedheid uitstraalt. Niets is helderder en welwillender dan zijn blik, niets vaderlijker en gracieuzer dan zijn glimlach. In zijn stem, die geen kracht tekort komt, ligt een toon van wonderlijke minzaamheid  ; men voelt aan zijn woorden en aan zijn hele voorkomen dat hij in zijn hart een immense schat van liefde draagt.  »

De Paus herstelt de Engelse hiërarchie, ondanks de hetze georganiseerd door de eerste minister, Lord John Russell. Hij geeft een reusachtige impuls aan de missies, door meer dan tweehonderd bisdommen of apostolische vicariaten op te richten. Beetje bij beetje legt hij aan heel de Latijnse Kerk de Roomse liturgie en de gregoriaanse zang op. Ook geeft hij zijn goedkeuring en steun aan nieuwe devoties. In 1856 breidt hij het feest van het Heilig Hart uit tot de universele Kerk en beantwoordt hiermee de wens die herhaaldelijk werd geuit door de Franse bisschoppen. Het decreet voor de zaligverklaring van de dienares Gods Marguerite-Marie Alacoque, van 19 augustus 1864, bekrachtigt de authenticiteit van de openbaringen te Paray-le-Monial.

EEN BUITENGEWONE REMEDIE  : HET CONCILIE VATICANUM I

Vanaf het moment dat de samenroeping van een Concilie officieel aangekondigd werd, plaatste Pius IX het onder «  het patronaat van Haar die bij het begin van de wereld met haar voet de kop van de slang verpletterd heeft en die sindsdien heel alleen alle ketterijen heeft uitgeroeid  » (toespraak van 30 juni 1867).

De intriges van de liberaal-katholieken tegen de plannen van de H. Vader, hun tussenkomsten bij de vrijzinnige regeringen, botsten op het onwankelbare voornemen van de Paus van de Onbevlekte. Nochtans was Pius IX er zich van bewust dat hij in Rome zelf ernstig bedreigd werd door de troepen van Piëmont [voor het historisch kader, zie het vorig nummer van Hij is verrezen !]. «  Het Concilie zal doorgaan, God wil het  ! Ook al moeten we er Europa voor verlaten, ook al moeten we er naar Peking voor gaan  !  » (Baunard, dl. 2, p. 368).

De Paus wilde met het Concilie «  op een buitengewone manier een oplossing bieden voor het immense kwaad van de huidige eeuw  ». Dat kwaad noemde hij bij naam in de bul waarmee het Concilie werd samengeroepen  : «  Goddeloosheid, zedenverval, ongeremde losbandigheid, besmetting met allerlei soorten perverse theorieën, ondeugden en misdaden, verkrachting van de goddelijke en de menselijke wet...  ». Het oecumenisch Concilie zou daarom «  met de grootste zorg moeten onderzoeken en bepalen wat er in deze rampzalige tijd moet gedaan worden voor een grotere glorie van God, voor de zuiverheid van het geloof, voor de glans van de godsdienstbeleving, voor het eeuwig heil van de mensen, voor de discipline en het duurzaam onderricht van de reguliere en de seculiere clerus, voor de naleving van de kerkelijke wetten, voor de hervorming van de zeden, voor de christelijke opvoeding van de jeugd en voor de wereldwijde vrede en eendracht  » (bul Aeterni Patris, 29 juni 1868).

Pius IX opende plechtig het eerste concilie van het Vaticaan op 8 december 1869, feestdag van Maria Onbevlekt Ontvangen  : «  U ziet, beminde Broeders, met welk een razernij de eeuwenoude vijand van het menselijk ras het Huis van God, verblijfplaats van zijn heiligheid, heeft aangevallen en nog steeds aanvalt. Het verbond van alle goddelozen […] houdt niet op met onder zijn leiding een verbeten en misdadige oorlog te voeren tegen de heilige Kerk van Christus. Het karakter, de gewelddadigheid, de wapens, de vorderingen en de plannen van deze oorlog zijn u niet onbekend.

«  Voor uw ogen speelt zich onophoudelijk het schouwspel af van beroering en onenigheid over de heilige doctrine […], de jammerlijke omverwerping van elke vorm van recht […], de grondige vernietiging van het christelijk geloof in de zielen. De toestand is zo ernstig dat de Kerk van God er op dit ogenblik zou dreigen aan ten onder te gaan, als ze tenminste ooit zou kunnen ten gronde gericht worden door de complotten en de inspanningen van mensen.

«  We hebben ons voorgenomen de weg en de middelen te kiezen die ons het meest geschikt en opportuun lijken om de schade die de Kerk heeft ondergaan te herstellen  » (aangehaald door Yvan Gobry, Pie IX. Le Pape des tempêtes, 1999, p. 370).

Mgr. Freppel, medestander van de paus

Mgr. Freppel, medestander van de paus

Het verloop van het Concilie is genoegzaam bekend. Abbé de Nantes verwijst dikwijls naar de dogmatische constitutie Dei Filius, die unaniem werd goedgekeurd op 24 april 1870  : ze regelt zeer nauwkeurig de band tussen de rede en het geloof.

Het is ook geweten dat de doorslaggevende tussenkomsten van Mgr. Freppel in de debatten over de pauselijke onfeilbaarheid zeer op prijs werden gesteld door Pius IX.

Op 17 juli, aan de vooravond van de plechtige afkondiging van het dogma, verlieten vijfenvijftig tegenstanders Rome omdat ze niet vernederd wensten te worden. Maar de Paus verplichtte hen nadien om publiekelijk hun goedkeuring te hechten aan het dogma. Om aan het getalm van Mgr. Dupanloup [de voorman van de liberaal-katholieken in Frankrijk – red.] een einde te stellen stond Pius IX op het punt hem een sanctie op te leggen die hem de uitoefening zou verboden hebben van welke bisschoppelijke daad ook (cf. broeder Pascal, Mgr Freppel, vol. 1, p. 485-492).

ZALIG DE VERVOLGDEN

Het Concilie kon in de herfst helaas niet verdergezet worden. Want na het vertrek van de Franse troepen, teruggeroepen uit Rome door Napoleon III, kon Pius IX niet verhinderen dat het leger van Piëmont de Eeuwige Stad innam. Er speelden zich afschuwelijke taferelen af. Pauselijke zoeaven werden afgeslacht en verminkt door de aanhangers van Garibaldi, die zich verder overgaven aan allerlei soorten afpersingen en luidkeels riepen  :

«  Dood aan de priesters  ! Dood aan de Paus  ! Vervloekt zij Sint-Pieter  ! Vervloekt zij Jezus Christus  !  »

De Paus verwierp het compromis dat de “ subalpijnse ” regering hem aanbood en werd zo «  de gevangene van het Vaticaan  ». Hij sprak de excommunicatie uit tegen de overweldigers van de apostolische Stoel en bevestigde nogmaals «  dat het wereldlijk primaatschap van de Heilige Stoel aan de Paus gegeven werd vanuit een bijzonder plan van de goddelijke Voorzienigheid  ; dat het noodzakelijk is dat diezelfde Paus, die op geen enkel ogenblik onderworpen is aan welke monarch of wereldlijke macht ook, in volkomen vrijheid zijn opperste macht en gezag kan doen gelden om de wereldwijde kudde van de Heer te weiden en te besturen, een macht en een gezag die hij vanwege God langs Christus zelf heeft ontvangen  » (encycliek Ubi Nos arcano Dei consilio, 15 mei 1871).

Door de weigering zijn rechten af te staan had de Paus de hoofdzaak gered. «  Pius IX heeft niet als taak  », schrijft Louis Veuillot, «  te zorgen voor de triomf van de miskende waarheid, hij is belast met de belijdenis van die waarheid ook al moet hij daarvoor sterven  ; want het is op die manier dat op het door God vastgestelde tijdstip deze waarheid levend uit het graf van haar martelaars zal tevoorschijn komen.  »

Pius IX had niets van zijn charmante vriendelijkheid verloren, maar in die tijd van beproeving werd het bovennatuurlijk karakter van zijn overwegingen en richtlijnen aangrijpend. Een priester die ontvangen wordt in audiëntie, zegt hem  :

«  – Heilige Vader, ik bid voor uw ogenblikkelijke bevrijding en voor het ophouden van de vervolgingen.

«  Hij onderbreekt hem  :

«  – Bid opdat de wil van God zou geschieden, want we weten niet, noch u noch ik, of het goed is dat de storm zo snel tot bedaren komt. Vervolging betekent voor de Kerk gezondheid.  »

Het wedervaren van de H. Vader vergrootte nog het prestige dat hij in heel de christenheid genoot. Hij had bovendien een grote reputatie van heiligheid. «  Ik geloof  », zei professor Tolli, «  dat het gemakkelijker is om de straatstenen van Rome te tellen dan de voorbeelden van zijn naastenliefde.  » Zo wist men dat hij belangrijke giften schonk aan de kloosters die door de Piëmontese regering van hun bestaansmiddelen beroofd waren.

Zijn opstandige onderdanen werden dikwijls ontredderd en zelfs bekeerd door zijn grootmoedigheid. In de kliniek van de Heilige Geest weigert een gevangene die met Garibaldi meegevochten heeft hem zijn gezicht te tonen. De Paus spreekt hem aan met de zachtst mogelijke stem  : «  Ik schenk je vergeving, vraag jij nu vergeving aan God.  » De jongeman barst in tranen uit.

Pius IX belastte professor Tonello met volgende zending  : «  Zeg aan Garibaldi dat de arme grijsaard die hij de vampier van het Vaticaan noemt, hem vergeeft, voor hem bidt en, deze zelfde morgen nog, voor hem de Mis heeft opgedragen  » (Fernessole, vol. 2, p. 419).

Ontelbaar zijn de mirakelen die door Paus Pius IX tijdens zijn leven werden verricht. Als men hem daarvoor kwam bedanken, sloot hij het gesprek af met een charmante kwinkslag. Aan een jonge Parijzenaar die hem vertelt dat hij in 1866 op miraculeuze wijze genezen is door enkel maar een van de kousen van de H. Vader aan te raken, antwoordt Pius IX  : «  Dat is inderdaad zeer verwonderlijk. Ik die ze heel de dag door draag, heb onophoudelijk pijnlijke benen.  » De Heilige Pius X maakte later in soortgelijke omstandigheden dezelfde opmerking. En beide mirakels werden met zekerheid bewezen  !

«  DE ONBEVLEKTE ONDERSTEUNT MIJ  »

Tijdens de meest tragische uren kwam Pius IX de hulp van de Onbevlekte Maagd afsmeken aan de kopie van de grot van Lourdes die op zijn bevel was opgetrokken in de tuinen van het Vaticaan.

Toen Mgr. Langénieux hem in februari 1874 een kunstwerkje aanbood dat De Verschijning en het heiligdom van Lourdes voorstelde, liet de Paus lange tijd zijn blik rusten op de Onbevlekte en vertrouwde de bisschop daarop toe  : «  Ziedaar al mijn hoop, want menselijke hoop is er niet. Wees gegroet, Sterre der zee, wees gegroet, Moeder Gods, Maria altijd Maagd, Maria, gezegende Poort van de Hemel.  »

Mgr. Langénieux wenste dat dit Heiligdom van de Onbevlekte op de werktafel van de H. Vader zou blijven staan. «  Neen  », antwoordde de Paus, «  ik voorzie er een betere plaats voor. Ik zal het in mijn bidkapel plaatsen, waar ik verschillende malen per dag het Goddelijk Sacrament ga aanbidden. En als ik bedroefd ben, als het me lijkt dat God doof is voor onze stem, dan zal ik mijn ogen oprichten naar de Onbevlekte. Ze zal met Ons bidden, Ze zal voor Ons bidden  » (Fernessole, p. 271).

Toen Mgr. Langénieux het bisdom Tarbes verliet voor het aartsbisdom Reims, zei de Paus hem  : «  Mijn zoon, we zijn soldaten en we moeten gaan naar de posten waar het meest te strijden valt. U houdt veel onze goede Moeder, de Maagd Maria. Heb dus vertrouwen. Mij biedt ze ondersteuning. Ze zal u niet in de steek laten  » (Villefranche, p. 400).

In zijn devotie voor de Onbevlekte Ontvangenis betrok Pius IX ook de Heilige Jozef, haar zeer zuivere bruidegom, voor wie hij een vurige verering koesterde. Op 8 december 1870 riep hij Sint-Jozef officieel uit tot «  patroon van de katholieke Kerk.  »

Op 2 februari 1878, toen hij al ernstig ziek was en sinds verschillende maanden bedlegerig, vertrouwde hij aan een geestelijke die zich verbaasde over zijn sereniteit het volgende toe  : «  O, dat heeft te maken met het feit dat Sint-Jozef vandaag de dag beter bekend is  !  » En de Paus drukte zijn vertrouwen uit in de komende triomf van de Kerk, vermits zij nu officieel onder de hoge en machtige bescherming van de H. Jozef geplaatst was.

De Paus van de Onbevlekte overleed vijf dagen later, in de avond van 7 februari, terwijl de klokken van het Angelus de eerste noten van het Ave Maria lieten weerklinken.

Het mooiste getuigenis over hem werd gegeven door Mgr. Freppel, in diens herderlijke brief van 10 februari 1878  : «  Zelfs diegenen van wie hij de vijandigheid niet kon ongedaan maken, toonden zich ontroerd door de blijken van een goedhartigheid die zelfs door de grootste ondankbaarheid niet ontmoedigd werd. Zijn hart was een onuitputtelijke bron van zachtheid en vrijgevigheid. En als, zoals Bossuet zei, “ de goedheid het specifieke kenmerk is van de goddelijke natuur en tekenend is voor de weldoende hand waaruit wij voortkomen ”, dan verdient de Vader die ontrukt is aan onze liefde dat hij een plaats mag innemen onder hen die hier op aarde het best het beeld van de God van goedertierenheid en barmhartigheid gestalte hebben gegeven.  »

broeder François van Maria-ter-Engelen
Hij is verrezen  ! nr. 2, maart-april 2003