De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

Het geheim van de
ZALIGE MARIA VAN HET GODDELIJK HART

Z. Maria van het Goddelijk Hart

Portret van de Z. Maria van het Goddelijk Hart, vervaardigd op vraag van haar vader, graaf Droste zu Vischering en aangeboden aan haar moeder ter gelegenheid van hun gouden huwelijksjubileum (5 augustus 1908).

IN Lourdes heeft de H. Maagd haar Naam geopenbaard, als een oorlogskreet tegen Satan  : «  Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis  ». In Fatima heeft zij het onoverwinnelijke wapen van haar toekomstige triomf bekend gemaakt  : haar Onbevlekt Hart. Tussen deze twee verschijningen in was de Z. Maria van het Goddelijk Hart het voorwerp van openbaringen van het Heilig Hart van Jezus, die haar op 7 december 1898 zijn verlangen deed kennen dat «  zijn Hart steeds meer verheerlijkt en gekend zou worden opdat het zijn gaven en zegeningen over de hele wereld zou kunnen verspreiden  : “  Door de straling van dit licht zullen volkeren en naties verlicht worden en door de vurigheid ervan zullen zij verwarmd worden…  ”  »

In haar zending van apostel van het Onbevlekt Hart van Maria werd zuster Lucia, de zieneres van Fatima, dus voorafgegaan door moeder Maria van het Goddelijk Hart, religieuze van de Goede Herder, overgeplant van haar geboortestreek Westfalen naar Portugal en begunstigd door goddelijke beloften die de wereldwijde heerschappij van het Hart van Jezus aankondigden.

Op 8 december 1998, bij het eeuwfeest van de openbaringen van het Heilig Hart, merkte onze vader, abbé de Nantes, op  : «  Er blijft een hardnekkig mysterie bestaan. Hoe komt het dat deze openbaringen miskend werden, bestreden, gedwarsboomd  ? Terwijl de Almachtige God er toch zijn Woord in geëngageerd heeft, zijn Genade en die van zijn Moeder  !  »

In 1999 heeft onze vader dit mysterie opgelost door een gedetailleerde studie van het leven van moeder Maria van het Goddelijk Hart. Daarin legde hij de inzet van haar bijzondere zending bij paus Leo XIII uit, bedoeld om de toewijding van de wereld aan het H. Hart te verkrijgen, als een remedie tegen het liberalisme dat de Kerk op het einde van de 19de eeuw dodelijk vergiftigde. Hoewel hij nog niet over alle documenten beschikte, vertrouwde abbé de Nantes ons zijn intieme overtuiging toe  : «  Op een dag zal de Kerk haar macht bij God manifesteren en zullen er in de archieven van Angers bundels met herinneringen en getuigenissen gevonden worden, die zullen toelaten er een groot boek over te schrijven  !  »

Welnu, vandaag is onze vader verhoord  ! Eén van zijn geestelijke dochters heeft «  een groot boek  » voltooid onder de titel  : «  Het geheim van de Z. Maria van het Goddelijk Hart  ».

Zuster Muriel had toegang tot documenten die de hypothesen van abbé de Nantes bevestigen, in ruimere mate nog dan hij voorzien had. Belangrijke zaken die deels verborgen zijn gehouden en deels vervormd in de biografieën, komen opnieuw tot hun recht.

Vervormd  ? Ja, en wel op twee manieren. De eerste vervorming was het werk van Leo XIII zelf, die in hoogsteigen persoon de eerste biografie van moeder Maria, door abbé Louis Chasle, corrigeerde… Maar dat is nog niet alles  : de documenten die in 1921 bijeengebracht werden ter voorbereiding van de zaligverklaring van de dienares Gods zijn onvolledig of verminkt. In de brief die de heilige aan Leo XIII schreef bv. heeft een onbekende hand de verwijten van het H. Hart aan de Plaatsvervanger van Christus en de dwingende oproep dat hij zich zou bekeren vervangen door drie puntjes  !

Dat was het verschrikkelijk geheim dat Maria van het Goddelijk Hart alleen moest dragen en waarover ze kort voor haar dood zei  : «  Het is waar dat men mijn geheim niet kent, en toch zou men het zo gemakkelijk kunnen kennen…  »

EEN JONG MEISJE VOORBEREID OP DE STRIJD VAN DE LAATSTE TIJDEN

Westfalen, de bakermat van de familie Droste zu Vischering, kende vanaf 1850 een schitterende katholieke renaissance gekenmerkt door Contrareformatie en Contrarevolutie.

In het kasteel van Darfeld pasten graaf Clemens en gravin Helene, de ouders van onze gelukzalige, hun godsdienst toe op beide domeinen van hun leven, het persoonlijke én het publieke. De biografen van moeder Maria spreken nauwelijks over dat integraal-katholicisme. Niet verwonderlijk, wanneer men in de briefwisseling van de graaf waarheden vindt als deze  : «  Het volk laten stemmen betekent een afgod in de plaats van God stellen. Elk parlementair systeem is een karikatuur van het gezag zoals God het gewild heeft.  »

Graaf en gravin Droste zu Vischering waren door hun opvattingen het voorwerp van de welwillendheid van de Heer, die op een dag tegen hun dochter zei  : «  Hun zelfopoffering, hun geest van offervaardigheid en hun zelfvergetelheid troosten en verblijden mijn Hart en maken dat rijke genaden en zegeningen neerdalen over henzelf, hun kinderen en hun kleinkinderen.  »

Uit hun huwelijk werden elf kinderen geboren, vier jongens en zeven meisjes. Bij de geboorte van de tweeling Max en Maria, op 8 september 1863, kreeg hun moeder door een innerlijk aanvoelen de zekerheid dat één van beiden voorbestemd was. «  Het intense geluk dat ik gewaarword, is niet van natuurlijke aard. Ik heb nooit iets dergelijks ervaren. God heeft ongetwijfeld plannen met één van deze kleintjes, maar met hetwelk  ?  »

De tengere tweeling werd onmiddellijk gedoopt door de dokter want, zo vertelt Maria in haar autobiografie die zij een maand voor haar dood in opdracht van haar biechtvader schreef  : «  Onze-Lieve-Heer wou mij vanaf het eerste ogenblik van mijn leven bevrijden uit de greep van Satan en bezit van mij nemen.  »

TE MIDDEN VAN VERVOLGINGEN

De strijd voor de waarheid, geput uit een vurige liefde voor de Harten van Jezus en Maria, kenmerkte de kindertijd en de adolescentie van Maria  : «  Ik herinner mij hoe de maand van het H. Hart in onze kapel gevierd werd toen ik nog heel klein was. Er werd een altaar opgesteld dat omringd werd met massa’s bloemen en kaarsen, en men plaatste er een beeld van het H. Hart op. De aanblik van dat altaar, tezamen met het Allerheiligste Sacrament dat zich daarnaast bevond, maakte een zeer diepe indruk op mij. Langzamerhand trok Onze-Lieve-Heer mij naar zich toe.  »

Toen Maria drie jaar was, in 1866, vond een dramatische gebeurtenis plaats. Pruisen versloeg Oostenrijk bij Sadowa en stootte het Habsburgse rijk uit de Duitse Bond. De katholieke gebieden Westfalen en Rijnland zagen zich daardoor beroofd van hun belangrijkste bondgenoot en kwamen binnen de nieuw gevormde Noord-Duitse Bond onder de knoet van de protestanten in Berlijn. «  Onheilspellende tijden braken aan  », schreef de vader van Maria, «  maar wij lieten de armen niet hangen. We wilden redden wat er nog te redden viel en vechten voor het behoud van gezonde beginselen.  »

Kanselier Otto von Bismarck, die in 1870 ook Frankrijk overwon, slaagde er in om «  durch Eisen und Blut  », «  door ijzer en bloed  », de Duitse eenmaking tot stand te brengen rondom het protestantse Pruisen en onder de scepter van Wilhelm I van Hohenzollern. Beieren en de andere Zuid-Duitse staten kwamen bij het keizerrijk. De Duitse katholieken werden vanaf dan bitter vervolgd door de Kulturkampf, die we een soort van tweede lutherse hervorming zouden kunnen noemen.

Over deze jaren vertelt Maria in haar autobiografie  : «  De Kulturkampf die begon in 1872 droeg ertoe bij dat mijn bewondering voor de H. Kerk toenam. De paters van de Sociëteit van Jezus en van de meeste religieuze orden, van wie ik hield en die ik kende van kindsbeen af, werden verjaagd. Ook mijn vader werd vervolgd. Al die gebeurtenissen vermeerderden meer en meer mijn geestdrift voor de H. Kerk en haar bedienaars.  »

De eenheid van alle gelovigen achter hun herders maakte hun kracht uit. Zij waren niet bang voor de weerslag van hun dienstbaarheid aan de Kerk op hun persoonlijke belangen. Deze onwrikbare standvastigheid was de vrucht van de devotie tot het H. Hart die door Mgr. Brinkmann, de bijzonder geliefde bisschop van Münster en een grote vriend van de familie Droste, in zijn diocees gepropageerd werd.

De toewijding van 1875 bleef in het hart van Maria gegrift  : «  Het was drie weken voor het vonnis dat de bisschop van Münster “  afgezet  ” en verbannen zou verklaren. Op zijn knieën in de kathedraal te midden van een reusachtig aantal gelovigen en vóór het uitgestalde H. Sacrament begon Mgr. Brinkmann luidop de akte van toewijding voor te lezen. Toen barstte hij in tranen uit en besloot met een gebroken stem  : “  In vereniging met de Opperherder [Pius IX, die deze toewijding aan heel de Kerk had opgedragen] wijd ik mezelf en het bisdom Münster toe aan uw Heilig Hart. Ik maak het voornemen het lief te hebben en te dienen met al mijn krachten, door mij uw wil eigen te maken en al mijn verlangens gelijk te maken aan die van U.  ”  »

Familie Droste Zu Vischering

De familie Droste zu Vischering in 1877. Maria (uiterst rechts, naast haar tweelingbroer Max) is dan vijftien jaar.

In Duitsland, en meer bepaald in de familie Droste, was de devotie tot het H. Hart onafscheidelijk verbonden met die tot Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes. Tijdens publieke bijeenkomsten spoorde de vader van Maria de katholieken van Münster aan om veel tot haar te bidden om «  de overwinning van Christus op de Antichrist te verkrijgen.  » En de Maagd van de Grot beloonde haar kinderen inderdaad door hen op haar feestdag, 11 februari 1884, hun geliefde herder terug te schenken, na een ballingschap die negen jaar geduurd had.

Vanaf 1878 streed Clemens Droste zu Vischering voor de goede zaak als afgevaardigde in de rangen van de Zentrumspartei, de partij van de Duitse katholieken, die in de Rijksdag een parlementaire kruistocht voerde tegen de antikerkelijke politiek van Bismarck. De doelstellingen van het Zentrum bevatten in de kiem de doctrine die onze vader, abbé de Nantes, zou uitschrijven in de «  150 Punten van de Falanx  ». Onder leiding van Mallinckrodt, Frankenstein en vooral Windthorst verdedigde de Centrumpartij de vrijheid van de Kerk en de vrijheden van de Länder, want de deelstaten vormden de beste verdedigingswal tegen aanvallen op de Kerk. Ook de sociale werken die de Kerk gesticht had ten gunste van de armen konden rekenen op de bescherming van deze partij, die op geen enkel punt toegaf aan de principes van de Revolutie van 1789.

Het Zentrum, dat gesteund werd door paus Pius IX, deed het project van Bismarck mislukken die het katholicisme wou vernietigen door de instelling van een nationale protestantse “ Kerk ”. De Centrumpartij wekte dan ook de bewondering en de navolging op van veel katholieken over heel de wereld. We noemen als voorbeeld de Cristeros in Mexico; één van hun leiders, de Z. Anacleto Flores (1895-1927), stichtte de Unión Popular volgens het ideaal waarvoor ook het Zentrum streed  : «  voor de Waarheid, God en het Vaderland  ». Maria Droste zu Vischering had de grootste bewondering voor de afgevaardigden van het Zentrum en «  de vurigheid van hun strijd voor de H. Kerk  » (autobiografie).

Dat grote werk van nationale wedergeboorte zou zijn doel bereikt hebben als, na de dood van Pius IX in 1878, zijn opvolger Leo XIII dezelfde lijn zou aangehouden hebben. Jammer genoeg mikte de nieuwe Opperherder op een politiek van verstandhouding met de vijanden van de Kerk… terwijl hij de afgevaardigden van het Zentrum deed geloven dat hij wél hetzelfde doel als zij voor ogen had, de verdediging van de Kerk, en dat enkel zijn tactiek verschilde. Het resultaat was echter rampzalig  : de paus maakte misbruik van zijn geestelijk gezag om het Zentrum te dwingen zich aan te sluiten bij de protestantse Pruisische monarchie. Op hetzelfde moment legde hij in Frankrijk de katholieken op te breken met de sacrale monarchie en aan te sluiten bij de Republiek  !

Bisschoppen, priesters en afgevaardigden van de Centrumpartij keken met de dood in het hart toe hoe «  de H. Kerk met de voeten getreden werd door haar meest hardnekkige vijanden  », zoals de katholieke leider Ludwig Windthorst het formuleerde. Dankzij nieuwe documenten toont zuster Muriel ook aan dat de vader van Maria deel uitmaakte van de afgevaardigden die tot op het laatst weigerden te gehoorzamen aan de orders van de paus met betrekking tot het stemmen van de wetten over de godsdienstige “ pacificatie ” en de verhoging van de militaire kredieten. De graaf besefte heel goed het gevaar van een overbewapend Duitsland binnen Europa, en de oorlog van 1914 zou hem overschot van gelijk geven.

EEN MAAGDELIJKE UITVERKIEZING

«  Wanneer de instellingen van de Kerk en de politiek beginnen te wankelen  », legt abbé de Nantes uit, «  moet de H. Geest zich manifesteren langs de weg van herders – zoals de kinderen van Fatima – of kleine religieuzen. Vermits Jezus en Maria niet meer kunnen spreken via de pausen en de bisschoppen, de ordestichters en de monniken, moeten zij hun levend water wel doorgeven via onverwachte kanalen  » (9 december 1989).

Dat is wat Onze-Lieve-Heer deed met de jonge gravin Maria. Het was zijn wil dat zij al deze gebeurtenissen beleefde om haar voor te bereiden op een hogere zending. Want de crisis die het Zentrum meemaakte, is een voorafbeelding van de grote strijd van de laatste tijden  : de pausen die de hersenschim van een overeenkomst met de vijandige wereld volgen om tenslotte de ideeën van de Verlichting en de Revolutie over te nemen.

Nadat Hij Maria dus op die manier voorbereid en gevormd had voor de strijd, liet Jezus haar op 20 juni 1884 weten dat Hij haar als bruid verlangde  : «  Je zal een bruid van mijn Hart zijn.  » En vervolgens  : «  Ik zal van je hart mijn verblijfplaats maken om er een plek van rust te vinden in een wereld die me vergeet.  »

Vier jaar later maakte Jezus aan zijn vertrouwelinge duidelijk dat zij moest intreden in de congregatie van de zusters van de Goede Herder in Münster, wat ze deed op 21 november 1888.

Het klooster, waar gevallen jonge vrouwen werden opgevangen om ze uit de prostitutie weg te houden, werd geleid door een heilige overste van Franse origine, moeder Maria Bouchy, en telde toen 274 boetvaardige zondaressen. Nauwelijks enkele dagen na de intrede van Maria begreep moeder Bouchy al dat de nieuwe postulante «  een geschenk gezonden door de Hemel  » was, waarop ze haar vorming zelf in handen nam. Twee maanden later, op 10 januari 1889, ontving Maria het habijt en de naam van zuster Maria van het Goddelijk Hart.

«  De eerste genade die het Goddelijk Hart mij schonk  », vertelt zij zelf, «  was dat ik aan het werk gezet werd bij die boetvaardige meisjes. Ik zag daarin een bijzondere attentie van mijn goddelijke Bruidegom, die me zo vanaf het begin wou laten deelnemen aan het werk van de bekering van de zondaars, een werk zo dierbaar aan zijn Hart.  »

Deze genade werd geleidelijk aan een onomkeerbare eis  : zichzelf aan haar Bruidegom aanbieden om al het lijden dat Hij haar wou overzenden te omhelzen, om de zielen te redden. «  Een bruid van het Hart van Jezus mag geen enkel ogenblik zonder lijden zijn. Is het al geen grote vorm van lijden om Hem niet evenveel te kunnen beminnen als zij zou willen en Hem zo weinig bemind te zien  ?  »

Ze was dan ook heel geestdriftig toen het noviciaat van Münster in 1891 werd toegewijd aan het H. Hart. Bij die gelegenheid riep een van haar medezusters uit  : «  Eigenlijk zou heel de wereld moeten toegewijd worden aan het Hart van Jezus  ! Dat zou moeten bekend gemaakt worden aan de H. Vader. Maar wie zal het doen  ?  »

Profetische woorden  ! Zonder zich ook maar een ogenblik voor te stellen dat zij zou uitgekozen worden als werktuig voor een dergelijke toewijding, werkte de novice al aan de uitbreiding van het rijk van het H. Hart door haar voornemens van elke dag. Die willigden de verzoeken in die in de 17de eeuw aan de H. Margaretha-Maria Alacoque in Paray-le-Monial gedaan waren  : «  Tijdens de H. Mis aan de hemelse Vader het H. Hart van Jezus als offer aanbieden, tot eerherstel voor zoveel zonden die gedurende de dag bedreven worden, en mezelf verenigen met het offer van het Goddelijk Hart  », noteerde Maria in juni 1890.

Bovendien liep zij vooruit op de intenties die in 1917 door de Engel van Fatima aan de drie herderskinderen zouden gedicteerd worden, toen zij schreef (juli 1891)  : «  Tijdens de H. Mis aan de hemelse Vader het Bloed van zijn Zoon aanbieden en vaak het korte gebed bidden  : Eeuwige Vader, door het Onbevlekt Hart van Maria offer ik U het Kostbaar Bloed van Jezus Christus, tot eerherstel voor de zonden van de mensen, voor de stervenden en de zielen in het vagevuur en voor de verheerlijking van uw H. Kerk.  »

«  EEN VOORBEREIDENDE SCHOOL  »

Vanaf het begin van haar leven als religieuze ontving zuster Maria de diepe en bovennatuurlijke kennis van de zielen. Verbazend genoeg zwijgen de biografen daar volledig over, hoewel die kennis een duidelijke uiting was van de bekommernis voor de redding van de zielen waaraan het H. Hart zijn vertrouwelinge deelachtig maakte – net zoals het Onbevlekt Hart van Maria later zou doen met de herdertjes van Fatima door hen de hel te tonen.

Zo was er het geval van pater Bruck, die haar biecht hoorde tijdens een retraite van de communauteit in 1890  : «  Binnen in mij zag ik dat hij ofwel een grote heilige zou worden, ofwel een duivel…  » En inderdaad verliet deze geestelijke, voor wie zij tot aan haar dood zou blijven bidden, twee jaar later de orde van de jezuïeten, werd protestant en nam een vrouw.

Alle beproevingen die onze gelukzalige moest ondergaan, vormden een voorbereiding op haar toekomstige zending  : aan de paus de wilsbeschikkingen van het H. Hart bekendmaken voor het heil van de wereld in de 20ste eeuw. Zijzelf erkende dat vele jaren later in Porto  : «  Al mijn lijden en mijn strijd van toen [in Münster] vormden slechts een voorbereidende school.  »

Voorbereidend tot wat  ? Zuster Maria ontving van de Heer Jezus zoveel genaden van intieme vereniging dat zij er in het begin van overtuigd was dat God haar in een contemplatieve orde wou. In januari 1891, aan de vooravond van haar professie en op het eind van een innerlijke strijd van twee jaar, «  waren de verleidingen tegen mijn roeping van religieuze van de Goede Herder zo heftig dat ik op het punt stond de congregatie te verlaten  » en binnen te gaan bij de benedictinessen van de Eeuwigdurende Aanbidding.

Maar haar overste liet haar roepen en zei  : «  God heeft me laten weten dat je moet blijven. Heel de nacht heb ik de duivel gezien die jou achtervolgde om je het klooster te doen verlaten, omdat hij zag dat het je roeping is veel zielen uit zijn klauwen te trekken.  »

Zoals we zullen zien, waren deze zielen niet alleen die van de boetvaardige meisjes over wie zij de zorg had, maar die van heel Portugal  : voor de bekering van dat land zou ze werken en zichzelf offeren, zodat ze op die manier de weg bereidde voor Onze-Lieve-Vrouw.

In deze «  voorbereidende school  » moest de jonge zuster een bijzonder pijnlijke strijd leveren naar aanleiding van de aanstelling van een nieuwe overste. Toen moeder Maria Bouchy stierf in 1891, werd de overste van de Goede Herder in Berlijn aangesteld als haar opvolgster in Münster. Op hetzelfde ogenblik hoorde zuster Maria Jezus tot haar zeggen  : «  Kom naar mijn Kruis  !  » Een zware beproeving was toen haar deel. De nieuwe overste, moeder Maria van de H. Agnes, begon dadelijk met de hervorming van het interne leven van het klooster om de gestrengheid van de clausuur, de culpa (belijdenis van de zonden tegen de communauteit) enz. te versoepelen. De trouw van zuster Maria deed haar bezwaren inbrengen tegen de beslissingen van haar overste  : waren deze hervormingen wel in overeenkomst met de geest van de heilige stichteres, moeder Maria Pelletier  ?

Zes jaar later, toen ze zelf overste geworden was, schreef ze hierover  : «  Onze nieuwe constituties zijn nu gedrukt en ik zie dat de clausuur veel minder streng is dan vroeger. Het artikel waarin staat  : “  De clausuur dient in acht genomen te worden overeenkomstig de besluiten van het concilie van Trente  ”, is volledig veranderd. Nu staat er  : “  De clausuur zal in acht genomen worden volgens het doel van het Instituut.  ” […] Ik vind dat het heilig en gewijd karakter van de kerkelijke clausuur niet mag verward worden met het doel van het Instituut. De binnenkant van het klooster mag niet geprofaneerd worden.  »

Een dergelijke vrijmoedigheid in het bekritiseren van de hervormingen die door Leo XIII gewild waren, deed verschillende personen zeggen dat zuster Maria niet de geest van haar congregatie bezat. Maar het was integendeel juist haar liefde voor de Kerk en het Instituut van de Goede Herder die haar deed begrijpen aan welke gevaren een klooster dat «  zich openstelt voor de wereld  » zichzelf blootstelt. Vijfenzestig jaar later, bij de aanvang van Vaticanum II, zou maar al te duidelijk blijken hoezeer zij gelijk had  !

Haar innerlijke kruisweg in Münster, die drie jaar duurde, bracht zij als volgt onder woorden  : «  Ik voel me vervreemd van onze overste. Het kruis is mijn deel. Voor anderen het geluk van het religieuze leven, voor mij het kruis  !  »

In dit moreel lijden manifesteerde het H. Hart zich opnieuw aan zijn vertrouwelinge om haar zijn wil kenbaar te maken  : «  Laat mij met jou doen en handelen volgens mijn welbehagen, dan zullen mijn plannen met jou in vervulling gaan. Ik wil in jou en door jou lijden om verheerlijkt te worden in de zielen. Laat mijn beminnelijkheid stralen in de harten van de anderen.  »

Naarmate zij naar het Kruis toeging, zoals Hij er haar toe uitgenodigd had, beleefde zuster Maria ook een meer intieme liefdesrelatie met Jezus en ging zij binnen in wat Hij «  het heiligdom van de bruidskamer  » noemde. Dat heiligdom is zijn Goddelijk Hart, waarvan Hij haar het geheim zal openbaren en dat zij zozeer tot het hare zal maken dat het haar eigen geheim zal worden.

HAAR GODDELIJKE ZENDING IN PORTUGAL  :
DE WEG BEREIDEN VOOR DE MAAGD VAN FATIMA

Op 24 januari 1894 ontving zuster Maria een brief van het moederhuis waarin zij werd aangesteld tot assistente van de overste van het Instituut van de Goede Herder in Lissabon.

De goddelijke missie waarvoor onze heilige gevormd werd, legt abbé de Nantes uit, is de toewijding van de wereld aan het H. Hart van Jezus, die er voor de Kerk in bestaat geheel bestemd te zijn voor het Hart van Jezus en Maria in een onafgebroken en vurige liefde, om met gedrevenheid op zoek te gaan naar het verloren schaap en naar de schapen die de stal nooit gekend hebben. Deze zending bestaat uit drie etappes die onderling nauw verbonden zijn.

DE REDDING VAN EEN KLOOSTER, 1894-1895

Tijdens een bedevaart naar Sint-Ignatius, in Manresa (Noord-Spanje), hoorde zuster Maria de Heer Jezus vragen  : «  Ben je bereid jezelf te offeren om een huis van de Goede Herder te redden dat in het grootste gevaar verkeert  ?  »

Zij aanvaardde. Na een verblijf van drie maanden in het klooster van Lissabon kreeg zij in de nacht van 13 mei [!] 1894 een telegram uit Angers met haar benoeming tot overste in Porto.

Toen begon voor de jonge religieuze een lange kruisweg. Zuster Muriel heeft er zich op toegelegd elke statie van die kruisweg in detail te reconstrueren, dankzij de vele brieven – grotendeels nog nooit gepubliceerd – die moeder Maria van het Goddelijk Hart schreef. Geen enkele van haar biografen heeft de volledige waarheid durven zeggen over haar vijf laatste levensjaren. Zij maken nochtans de heldhaftigheid van haar deugden duidelijk  : haar buitengewone moed, haar kalmte, haar overgave en tegelijkertijd ook haar krachtdadigheid in de vervulling van haar onmogelijke missie.

Toen de nieuwe overste op 17 mei 1894 voet aan wal zette in Porto, kwam zij een stad binnen waar de lakens werden uitgedeeld door de vrijmetselarij, van wie de propaganda was doorgedrongen tot in de clerus en de burgerij. Zij stelde vast  : «  De perversie, de godsdienstige onwetendheid en de immoraliteit zijn ongezien. Zelfs in de hoogste kringen van de maatschappij vindt men nauwelijks een familie die niet aangetast is.  »

Porto

Het Instituut van de Goede Herder in Porto, na de restauratie van het klooster door Moeder Maria. Foto uit 1900.

Eenmaal de poort van het klooster van de Goede Herder door ontdekte zij een toestand die menselijk gesproken wanhopig was  : het equivalent van 250.000 euro aan schulden, gebouwen in verval, zusters ten prooi aan ongehoorzaamheid en ontrouw aan hun geloften, boetvaardige meisjes die gewoon aan hun lot werden overgelaten. Haar voorgangster als overste was na drie maanden in die functie van uitputting gestorven  !

Vanaf de aanvang voorvoelde moeder Maria dan ook dat alleen een mirakel het klooster kon redden. Daarom begon ze met het toe te wijden aan het H. Hart, waarvan ze een beeld op het altaar plaatste. Ondanks het verbod van de regering stelde zij opnieuw de clausuur in en legde de sleutels van de deur in de kapel, aan de voet van het beeld van Onze-Lieve-Vrouw, opdat Zij de ware overste van het klooster zou zijn.

Moeder Maria wist ook dat het gevraagde mirakel een onafgebroken strijd veronderstelde  : «  Zo’n groot werk als de hervorming van een klooster dat voor de helft in puin ligt, kan enkel betaald worden met veel offers en lijden. Het staat vast dat ook de duivel geen inspanningen spaart om dit werk te vernietigen  » (8 augustus 1894).

Ze ondernam een waarachtige tegenhervorming en botste inderdaad op felle tegenkanting van haar medezusters  : sommigen wilden zich beklagen in Angers, anderen hielden absoluut geen rekening met haar orders, de zuster kokkin nam wraak door onveranderlijk hetzelfde vlees te serveren waardoor er zieken vielen enz. Het pijnlijkst was het verraad van wie haar dierbaar waren, zoals haar voormalige overste in Lissabon, die bij de algemene overste intrigeerde om het klooster van Porto te doen verkopen  ! In het geval van sluiting zouden de 140 penitenten terug op straat terechtkomen, of beter  : in de handen van hun vroegere pooiers… «  Ik sterf liever voor ieder van mijn kinderen dan één ervan te verliezen  », zei moeder Maria. Na maandenlange kuiperijen, ontelbare zorgen en vooral ook gebeden stond de arme overste op het punt een beroep te doen op Rome. Toen, op 23 december 1895, deed het moederhuis haar eindelijk recht. Het klooster was gered  !

Wat haar dochters betreft, wat moest gebeuren gebeurde ook  : ze bekeerden zich door de uitstraling van hun moeder, overeenkomstig de belofte die zij van haar Bruidegom gekregen had  : «  Mijn kind, weet dat Ik uit de naastenliefde van mijn Hart stromen van genade langs jouw hart om wil laten neerdalen in het hart van anderen  » (juni 1897).

DE REDDING VAN DE BEDREIGDE CHRISTENHEID, 1896-1897

Dom Schober

Dom Ildefons Schober, o.s.b. (1849-1918), abt van Seckau in Stiermarken (Oostenrijk). Hij was in Porto de geestelijke leidsman van Moeder Maria.

Bij de hervorming van haar klooster werd moeder Maria ondersteund door haar dierbare biechtvader dom Schober. Van haar kant offerde zij zich op voor het welslagen van de hervorming die de benedictijn ondernam in de Portugese abdijen van zijn orde. Want, zo zei ze, «  ik heb de innerlijke overtuiging dat u hier het gist moet vormen waarmee het volk, de geestelijkheid en het episcopaat hervormd en vernieuwd zullen worden  » (brief van 5 januari 1896).

Deze bekommernis om een hervorming van de Portugese Kerk in hoofd en leden is een constante in haar geschriften. Zij was beducht voor lauwe, liberale en mondaine zielen. Aan dom Schober deed ze de aanbeveling om goed te onderzoeken of er in zijn abdijen «  geen dode takken zijn  ; in dat geval moeten die afgezaagd worden, ook al lijkt dat een harde maatregel  ! Hoe gemakkelijk steekt een rotte appel andere vruchten aan…  »

In 1896 verschenen bij moeder Maria van het Goddelijk Hart de eerste symptomen van een verschrikkelijke ziekte, een ruggenmergontsteking. Net op dat moment kreeg ze van de Heer de opdracht om «  de innerlijke cultus van zijn Goddelijk Hart  » te verspreiden. Hij openbaarde haar dat deze cultus er in bestond onze persoonlijke wil te breken om nog slechts een wil te hebben die in alles gelijk is met Hem, op alle domeinen, in de politiek zowel als in de godsdienst.

Op het einde van de 19de eeuw werd de christenheid ernstig bedreigd door de vrijmetselarij. Leo XIII had de sekte in 1884 wel veroordeeld, maar in de praktijk streefde hij naar verstandhouding met alle regeringen van logebroeders.

In oktober van hetzelfde jaar 1896 zag moeder Maria innerlijke beelden «  van gevaren die heel de Kerk bedreigen. De woorden die ik duidelijk hoorde  : “  Zij is gebouwd op de Rots en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen  ”, onderstrepen die gevaren nog. Er dreigen zeer ernstige rampen, maar die kunnen nog worden afgewend door veel gebeden. Ik zag een wolf die een hele horde aanvoerde…  » In de brief hierover aan dom Schober voegde ze toe  : «  Ik denk dat het gaat om de vrijmetselaars, Diana Vaughan enz. Ik stond op het punt naar de H. Vader te schrijven.  » Diana Vaughan was een valse “ bekeerlinge ” van een satanische sekte die er zelfs in slaagde de H. Teresia van het Kindje Jezus een rad voor de ogen te draaien…

Het was dus duidelijk dat Jezus zijn boodschapster ertoe inspireerde de paus te verwittigen voor de complotten die de vrijmetselarij tegen de Kerk smeedde. Zij vroeg de toelating om dat te doen aan de superior van het seminarie van Porto, dom Theotonio, die haar nieuwe biechtvader was sinds het vertrek van dom Schober. Zij kreeg slechts een kil antwoord  : «  De H. Vader heeft geen behoefte aan uw inspiraties, hij heeft zijn raadgevers  ». En onder die raadgevers bevond zich kardinaal Rampolla, een vrijmetselaar…

Vanaf dat moment begon moeder Maria erg te lijden door de systematische weigering van haar geestelijke vader om de verzoeken van de Hemel door te geven aan Rome. Zij wist welke negatieve gevolgen dat zou hebben. Zo werden de H. Teresia en de karmel van Lisieux door het slijk gehaald toen bleek dat de affaire van Diana Vaughan opgezet was door de Loge. Erger was nog dat de Franse regering in 1896 een nieuwe golf van vervolgingen voorbereidde tegen de religieuze congregaties. De wet op de verenigingen van 1 juli 1901 gaf het signaal voor een offensief tegen de godsdienstige communauteiten. Leo XIII liet slechts een zwak protest horen. Een groot aantal congregaties werd uit Frankrijk verdreven…

HET VERKRIJGEN VAN DE TOEWIJDING VAN DE WERELD AAN HET H. HART, 1898-1899

De «  horde wolven  » duidde eveneens op de liberaal-katholieken die kardinaal Sarto, de latere H. Pius X, aan de kaak stelde in zijn herderlijk schrijven van 1894  : «  Meer nog dan door de openlijke ontkenning van de ongelovigen wordt de integriteit van het geloof bedreigd door de listen en leugens van het trouweloze liberaal-kaholicisme. Het let er voor op niet in de veroordeelde dwaling te vervallen en spant zich in om te doen alsof het een zeer zuivere leer volgt. De liberaal-katholieken zijn wolven in schapenvacht.  »

Twee jaar later ging in Reims het eerste Kerkelijk congres door, met de zegen van Leo XIII. Zevenhonderd priesters uit 69 bisdommen maakten er, in tegenwoordigheid van de aartsbisschoppen van Reims en Lyon, een kataloog op van alle hervormingen die in de Kerk moesten doorgevoerd worden. Een Tweede Vaticaans Concilie avant la lettre  !

Welke remedie kwam de Hemel brengen tegen dat dubbel kwaad, de vrijmetselarij en het liberaal-katholicisme  ? De toewijding van de wereld aan het H. Hart.

Jezus maakte zijn vraag aan zijn boodschapster bekend in de nacht van 4 juni 1897. «  Onze-Lieve-Heer heeft mij opgedragen u zijn Wil mee te delen, namelijk dat ik naar de H. Vader schrijf om hem te vragen heel het menselijk ras toe te wijden aan het H. Hart van Jezus  », deelde ze dom Theotonio in een brief mee. Voor de tweede keer gaf deze echter geen gevolg aan de vraag. Opnieuw een tijd van wachten en van lijden voor de heilige boodschapster…

Maar Jezus wou de toewijding. Hij hernieuwde en verduidelijkte zijn vraag en openbaarde de diepste verlangens van zijn Hart  : «  Toewijding van heel de wereld aan het Hart van Jezus. Priesters en bisschoppen zullen vuriger worden, rechtvaardigen volmaakter, zondaars zullen zich bekeren, ketters en schismatieken zullen terugkeren naar de Kerk. De kinderen die nog niet geboren zijn maar al voorbestemd om deel uit te maken van de Kerk evenals de heidenen zullen sneller de genade verkrijgen  » (Witte Donderdag 7 april 1898). «  Zijn Goddelijk Hart verlangt ernaar heel de wereld te doen ontvlammen. Meedelen aan Rome, hoe sneller hoe beter  » (Goede Vrijdag 8 april).

De Verenigde Staten waren toen in oorlog tegen het katholieke Spanje om dat land zijn laatste kolonies te ontnemen, Cuba en de Filippijnen. Op diezelfde Witte Donderdag 7 april kwam Leo XIII persoonlijk bij Spanje tussenbeide om de verzekering te geven dat president McKinley de vrede nastreefde. Wat een illusie  ! De boodschapster van de Hemel, die door goddelijke openbaring wist dat de overwinning van Spanje afhing van de toewijding van de wereld aan het H. Hart, werd eens te meer door dom Theotonio verhinderd om dit verzoek aan Rome over te maken. Zij weende er bitter om, zij die zo zelden weende  !

Uiteindelijk was haar biechtvader zo getroffen door het fysieke en morele lijden van moeder Maria dat hij toegaf. Zij schreef de brief, die op 10 juni 1898 naar Rome vertrok. Vanaf dat moment volgde zij van heel nabij de militaire operaties, in de krant en op atlaskaarten. Elke avond liet zij haar communauteit bidden voor Spanje. Niettemin gingen de dagen voorbij. Haar assistente hoorde haar herhalen  : «  Er komt maar geen antwoord uit Rome.  »

En met reden  ! De paus trok zich niets aan van de vraag tot toewijding. Hij liet de biograaf van moeder Maria, abbé Chasle, liegen over de brief die hij van haar ontvangen had. In die door Leo XIII gecorrigeerde biografie lezen we  : «  Niets laat toe te denken dat deze brief, die jammer genoeg verdwenen is, paus Leo XIII ook maar in het minst aanspoorde om rechtstreeks tussenbeide te komen in de politiek van Spanje.  »

Wie liet de bewuste brief verdwijnen  ? Abbé de Nantes heeft deze vraag beantwoord. Het H. Hart beloofde de overwinning van het katholieke Spanje voor haar glorie en haar uitbreiding van waar de zon opkomt tot waar ze ondergaat, door toedoen van de toewijding van de wereld. Een dergelijke goddelijke politiek stoorde die van de paus, die vanaf het begin van het conflict ingezet had op een compromisoplossing in de lijn van de diplomatie die hij al sedert twintig jaar toepaste met de vrijmetselaarsregeringen. Dat is de reden waarom men in de archieven van het staatssecretariaat in Rome geen enkel spoor vindt van de brief die de overste van Porto aan Leo XIII schreef. Het enige wat overblijft, op datum van 14 juni 1898, onder het protocolnummer 44513, is de begeleidende brief van dom Hemptine evenals de beledigende nota van kardinaal Rampolla om het verzoek van de benedictijn te motiveren  : «  Brief over de gewetensproblemen [sic !] van de overste van de zusters van de Goede Herder van Porto  » (Geheime archieven van het Vaticaan, Segr. di Stato, Epoca moderna, 1998, rubr. 1, fasc. 5, fol. 103).

Spanje verloor de oorlog. Hoe kon men dan publiceren, onderstreept abbé de Nantes, dat de grote heilige van de 19de eeuw de overwinning afhankelijk had gemaakt van de toewijding van de wereld aan het H. Hart  ? Dan was het beter alle sporen uit te wissen, en daarom zei de paus dat de fameuze brief van 10 juni 1898 «  jammer genoeg verloren was gegaan  »  !

Op 8 december 1898 schreef moeder Maria een nieuwe mededeling van Onze-Lieve-Heer naar Leo XIII  : «  “  Ik verleng het leven van de H. Vader om hem die genade [de toewijding aan het H. Hart] nog te verlenen. Nadat hij dat gedaan heeft, moet hij zich voorbereiden om rekenschap af te leggen aan God. In mijn Hart zal hij vertroosting vinden voor alles wat hij tijdens zijn pontificaat verwaarloosd heeft en herstel voor zijn fouten, evenals een veilig toevluchtsoord in het uur van de dood en het oordeel.  ”  »

Jezus opende zijn barmhartig Hart voor de paus. Het was geen satisfecit, verre van, maar een strenge vingerwijzing  : de Opperherder moest de wereld aan het H. Hart toewijden, «  alles wat hij tijdens zijn pontificaat verwaarloosd had  » en «  zijn fouten  » erkennen, zich ervan beschuldigen en er vergiffenis voor vragen. Alleen dan zou hij een «  veilig toevluchtsoord  » kunnen vinden in het Goddelijk Hart van zijn Heer en Rechter.

8 juni 1899

Op 8 juni 1899 ontving de vertrouwelinge van de Hemel het viaticum. Enkele uren later liepen twee grote tranen uit haar ogen en schonk ze «  zachtjes, heel zachtjes  » haar mooie ziel terug aan haar goddelijke Bruidegom.

Moeder Maria Droste zu Vischering stierf op 8 juni 1899. Drie dagen later, op 11 juni, wijdde Leo XIII de wereld plechtig toe aan het H. Hart, in vereniging met alle bisschoppen. Maar hij deed dat zonder afstand te doen van zijn persoonlijke politiek en zonder een einde te maken aan het openstellen van de Kerk voor de moderne dwalingen. Door de vertrouwelinge van de Hemel in de schaduw te stellen, haar boodschap te vervormen en zichzelf heel de verdienste van de toewijding toe te eigenen, verhinderde hij de vervulling van de schitterende beloften verbonden aan de bekering van de wereld tot Jezus en Maria…

broeder Bruno van Jezus-Maria