De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

DE PAUSELIJKE ZOEAVEN
de laatste kruisridders

«  De zaak van de paus is de zaak van God  »
Z. Pius IX

Vóór de gevel van de basiliek van Oudenbosch (Noord-Brabant) staat een standbeeld dat de Z. Pius IX voorstelt, met aan zijn voeten het lichaam van een dode zoeaaf.

WIE vlak over de Belgische grens via Roosendaal het Noord-Brabantse stadje Oudenbosch binnenrijdt, staat voor een verrassing  : de kleine gemeente pronkt met een indrukwekkende koepelkerk die eruit ziet als een verkleinde kopie van de Sint-Pieter in Rome  ! De basiliek van de HH. Agatha en Barbara, opgetrokken in 1865-1892, is inderdaad naar het beroemde Romeinse voorbeeld gebouwd. De initiatiefnemer, pastoor Hellemans, zag ze als een eerbetoon in steen aan de Nederlandse zoeaven die in de jaren 1860 vanuit Oudenbosch naar de Eeuwige Stad vertrokken waren om te strijden tegen de vijanden van paus Pius IX.

In het plaatselijk Zoeavenmuseum verneemt men meer over dit weinig bekende hoofdstuk uit de geschiedenis van de 19de eeuw. Het is echter doodjammer dat het boekje dat het museum te koop aanbiedt, Voor paus en koning. Een korte geschiedenis van de Nederlandse zouaven (1998), de historische waarheid op een aantal punten zoveel geweld aandoet. Dat «  de inwoners [van de Kerkelijke Staat] hun kans schoon zagen om onder het juk van de paus uit te komen  » (p. 10) stelt de Z. Pius IX ten onrechte in een heel slecht daglicht. De Belgische prelaat Mgr. de Mérode, de trouwe rechterhand van de H. Vader, «  een oorlogszuchtige fanatiekeling  » (p. 11) noemen is pure kwaad-sprekerij en lijkt wel overgenomen uit de propagandablaadjes van de vijanden van de Kerk. En wat te denken van deze omschrijving van het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid  : «  Het zou betekenen dat de paus geen fouten kon maken en altijd gelijk zou hebben  » (p. 47)  ? De afkondiging van het dogma in 1870  ? «  Pius kreeg zijn zin  » (ibid.)  !

Neen, zo wordt onrecht aangedaan aan de zoeaven en aan de zaak waarvoor zij bereid waren hun leven te geven. We willen in dit artikel graag het échte verhaal vertellen en putten daarvoor uit enkele zeer degelijke boeken die lang vóór het Concilie geschreven werden, toen men nog begreep waar het in de jaren 1860-1870 om ging  : een strijd op leven en dood tussen de Kerk en haar gevaarlijkste vijand, de vrijmetselarij.

DE CARBONARI TEGEN DE H. STOEL

De vrijmetselarij, gesticht in Londen in 1717, had zich in de loop van de 18de eeuw over heel Europa verspreid. In de katholieke landen voerden de loges een hardnekkige maar geheime strijd tegen het altaar en de troon, met als grootste triomf de Franse Revolutie, waarvan de ideeën door toedoen van de napoleontische oorlogen overal doordrongen. De restauratie die na de val van Bonaparte door het Congres van Wenen (1815) ondernomen werd, dwong de vrijmetselarij in het defensief. Overal waar katholieke monarchieën aan de macht waren, sponnen logebroeders ijveriger dan ooit hun web van systematische ondermijning.

De pausen hebben niet nagelaten te waarschuwen voor de machtige Sekte. In de bul In eminenti apostolatus (1738) riep Clemens XII de staten op om de vrijmetselarij te bestrijden. Benedictus XIV veroordeelde haar in 1751 met de apostolische constitutie Providas Romanorum, die het lidmaatschap van een loge aan katholieken ten strengste verbood. Pius VII wees in Ecclesiam a Jesu Christo (1821) op de dreiging van de geheime genootschappen voor Kerk en staat, en sloeg alle logebroeders in de ban. Vijf jaar later herhaalde Leo XII deze excommunicatie in Quo graviora (1826).

De wereldlijke macht onderschatte echter het gevaar, waardoor de broeders konden doordringen tot in de hoogste regionen van het staatsgezag. «  Wij hebben de vorsten gewaarschuwd, en de vorsten slapen nog. Wij hebben hun ministers verwittigd, en hun ministers hebben niet gewaakt  », sprak een ontgoochelde Leo XII tot zijn staatssecretaris kardinaal Bernetti.

Op het Italiaanse schiereiland opereerden de vrijmetselaars onder de naam carbonari (“ kolenbranders ”). «  Inwijding in het genootschap ging gepaard met speciale ceremonies die, als het ging om de hogere graad van meester, de Passie van Christus nabootsten op een godslasterlijke manier. De leden waren gebonden door een schrikwekkende eed die inhield dat zij een absoluut stilzwijgen moesten bewaren over alles wat zich in de vendita (plaats van bijeenkomst) afspeelde. Het openlijk toegegeven doel van de carbonari was politiek  : zij wilden de installatie van een grondwettelijke monarchie of een republiek. Ze aarzelden niet om deze doelstelling te bereiken door moord en gewapende opstand  » (Catholic Encyclopedia, art. Carbonari, opwww.newadvent.org).

De «  kolenbranders  » viseerden de Oostenrijkse Habsburgers, die dankzij het Congres van Wenen de heerschappij over Venetië en Lombardije verworven hadden en de grote voorvechters van het Ancien régime waren. Maar nog heftiger waren de carbonari gekant tegen het wereldlijk gezag van de paus.

De Frankische koning Pepijn de Korte had de H. Stoel in de 8ste eeuw in het bezit gesteld van een eigen grondgebied rond Rome. Deze Kerkelijke Staat, waarover de paus als soeverein regeerde, varieerde in de loop van de eeuwen in omvang  ; halverwege de 19de eeuw omvatte hij de Romagna, de Marken, Umbrië en Latium. Voor de Loge was de liquidatie van de tijdelijke macht van de paus de eerste stap in hun bittere strijd tegen de Plaatsvervanger van Christus op aarde.

HET «  RISORGIMENTO  », EEN MAÇONNIEKE BEWEGING

Het koninkrijk Piëmont-Sardinië was vergeven van de carbonari. Zij brachten de wettige soeverein in 1821 ten val in een “ volksoproer ” en lieten zijn neef Karel Albert, een carbonaro die mee in het complot zat, tot regent benoemen. De nieuwkomer kondigde onmiddellijk een liberale grondwet af. Kort daarop werd hij verdreven door toedoen van de Oostenrijkers, maar vanaf 1831 zat hij stevig op de troon. Het koninkrijk bond openlijk de strijd aan met de Kerk  : de jezuïeten werden op hardhandige wijze verdreven, antiklerikale wetten werden gestemd, verschillende bisschoppen die verzet boden kwamen in de gevangenis terecht.

Toch bleef de dreiging van een nieuwe Oostenrijkse tussenkomst de «  kolenbranders  » boven het hoofd hangen. De uitweg uit de impasse werd gevonden toen logebroeder Giuseppe Mazzini in 1831 de beweging «  Jong Italië  » stichtte, die «  bij iedere poging tot revolutie of opstand, iedere politieke coup en alle mogelijke intriges waar dan ook in Italië veertig jaar lang van de partij zou zijn  » (Jasper Ridley, Garibaldi). Het was een geniale zet  : liberalisme werd gekoppeld aan nationalisme, de strijd tegen het “ reactionaire ” Oostenrijk werd een strijd voor de eenmaking van Italië, en daarmee werd een gevoelige snaar geraakt bij de grote massa. Het Risorgimento was geboren. Op de tonen van Verdi’s Patria oppressa zouden veel onwetenden hand- en spandiensten verlenen aan het ondermijningswerk van de Sekte. De verdrijving van de Oostenrijkers en de eenmaking van Italië was het populaire, geafficheerde doel  ; de geheime agenda was de vernietiging van de Kerkelijke Staat en de omverwerping van de H. Stoel. «  Het was aan het pausdom zelf dat de carbonari de oorlog verklaard hadden  ; ze zouden niet rusten eer de paus overwonnen en het pausdom vernietigd was  » (Armand Van Veerdegem, De laatste kruisridders. Geschiedenis der pauselijke zouaven, z. j., p. 18).

In 1849 kwam in Piëmont-Sardinië de zoon van Karel Albert aan de macht  : Victor Emmanuel II, «  een huichelachtige vorst, de speelbal der geheime genootschappen  » (ibid., p. 19). De antikerkelijke politiek werd verdergezet, en kwam nog in een stroomversnelling met de aanstelling van de vrijmetselaar Camillo Benzo di Cavour tot eerste minister (1852).

Van Veerdegem, die we hierna verder volgen, verwoordt perfect de plannen van de logebroeders  : «  Hun doel was dubbel. Het eerste, openbaar en naar de schijn het voornaamste doel, was  : al de kleine staten van het Apennijns schiereiland verenigen tot één koninkrijk, met Victor Emmanuel als vorst en Rome als hoofdstad. Het tweede, hun eigenlijk doel zoals de gebeurtenissen bewijzen – maar dat ze met zorg verborgen hielden voor de oningewijden – was de doodsteek toebrengen aan het gezag en de invloed van de paus, en aldus de ondergang van het christendom bewerken  » (p. 19). Want als de paus zich met geweld zou verzetten tegen de inname van Rome, en in de ongelijke strijd zo goed als zeker het onderspit delven, dan zou hij uit de Eeuwige Stad moeten vluchten en als een banneling ronddwalen door een vijandig Europa. En als hij zou buigen voor Victor Emmanuel, dan zou hij zich verlagen tot de rang van een soort kapelaan van de Italiaanse koning en zou hij zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid voorgoed verliezen. In beide gevallen zou de Opperherder ten val komen, «  en met de paus valt de hele katholieke Kerk  » (p. 20).

OOSTENRIJK SCHAAKMAT

Z. Pius IX

De Z. Paus Pius IX was op politiek vlak erg “ vooruitstrevend ” toen hij in 1846 de Stoel van Petrus besteeg. «  Hij opende zijn pontificaat met een zeer kordate encycliek over het geloof, maar haastte zich ook om avontuurlijke constitutionele vernieuwingen in te voeren  » (CRC nr. 87). Twee jaar later openden de moord op zijn eerste minister, het uitbreken van een opstand in Rome en zijn verplichte ballingschap in Gaëta de paus voorgoed de ogen  : «  Pius IX kwam in tranen terug op zijn “ politiek liberalisme ”  » (ibid.). De Revolutie zou voortaan in hem een onverzettelijke tegenstander vinden.

Cavour had op 20 juli 1858 in het kuuroord Plombières een geheime ontmoeting met de man die een sleutelrol zou spelen in de komende gebeurtenissen  : de Franse keizer Napoleon III, een neef van de “ grote ” Napoleon Bonaparte… en een oud-carbonaro  ! De keizer was inderdaad als jongeman ingewijd in de sekte van de «  kolenbranders  » en had samen met zijn broer deelgenomen aan een gewapende opstand in de Kerkelijke Staat (Catholic Encyclopedia, art. cit.).

De wispelturige Italiaanse politiek van Napoleon III stelt zijn biografen voor een raadsel. Nochtans is zijn dubbele drijfveer maar al te duidelijk  : in eigen land wou hij de godsdienstige gevoeligheden van de Franse katholieken, die hij nodig had, sparen… maar zijn eed van trouw aan de carbonari – verraad betekende executie  ! – verplichtte hem om de Loge op het Italiaanse schiereiland te helpen. Telkens wanneer hij in zijn steun tekortschoot, was hij “ toevallig ” het slachtoffer van een mislukte aanslag  : in 1853, 1854, 1855, 1858… en bijna altijd door Italianen gepleegd  !

De keizer beloofde Cavour zijn medewerking aan het anti-Oostenrijks offensief dat Piëmont-Sardinië beraamde. Een jaar later versloegen beide bondgenoten in de veldslagen van Magenta en Solferino de Habsburgers, die Lombardije moesten afstaan aan Victor Emmanuel en zich krachtens het verdrag van Villafranca niet meer mochten bemoeien met de zaken van het schiereiland. «  Dit was de triomf van de omwenteling  » (p. 22). Inderdaad  : kort daarop overrompelden de Piëmontezen de Romagna en lijfden de pauselijke provincie simpelweg in bij hun rijk.

Pius IX protesteerde met klem tegen deze aanslag op zijn soevereiniteit, maar beschikte niet over een machtig leger om er iets tegen te doen. Zijn manschappen vormden «  meer een paradekorps dan een strijdkorps  » (p. 27).

En hoe reageerden de Europese naties  ? «  Oostenrijk mocht niet tussenkomen  ; en daarbij, het had in de laatste oorlog zoveel geleden dat het geen nieuwe moeilijkheden aandurfde  ; Pruisen en Rusland zagen met heimelijke vreugde het gezag van de paus verzwakken  ; op het protestantse Engeland mocht de H. Vader evenmin rekenen  ; Spanje, verscheurd door burgeroorlogen en geteisterd door allerlei inwendige geschillen, had moeite genoeg om zichzelf recht te houden  » (p. 25).

Frankrijk, dat militairen in Rome had en zich in het verdrag van Villafranca had geëngageerd om de paus te beschermen, stak geen vinger uit. «  De keizer van Frankrijk, Napoleon III, die in zijn eigen land de revolutionairen streng beteugelde, heulde in Italië met de mannen van de revolutie. Die gekroonde carbonaro, zoals een schrijver hem genoemd heeft, speelde een verraderlijke, dubbelzinnige rol  » (p. 26).

Mgr. Xavier de Mérode, een Belgische prelaat die kamerheer van Pius IX was, formuleerde het gevat  : «  Napoleon ondersteunt de paus zoals men een huis onderschraagt om het zonder gevaar af te breken.  »

VRIJWILLIGERS VOOR DE PAUS

Het was diezelfde prelaat die de H. Vader het plan ingaf om onder de katholieken overal in de wereld vrijwilligers te ronselen, zodat de Kerkelijke Staat zichzelf zou kunnen verdedigen en niet meer afhankelijk zou zijn van derden. De stichting van de Sint-Pieterspenning zorgde tegelijkertijd voor voldoende financiële middelen.

Louis Juchault de la Moricière

Generaal La Moricière aanvaardt het oppercommando over de pauselijke troepen, april 1860. Glasraam in de kerk van Saint-Philbert-de-Grand-Lieu (bij Nantes in Frankrijk). Naast Pius IX staat de Belgische prelaat Mgr. de Mérode, zijn minister van Oorlog. De generaal is vergezeld van kolonel Athanase de Charette, die de succesrijke charge van de zoeaven bij Mentana zou leiden.

Wie moest aan het hoofd komen van de toestromende “ soldaten van de paus ”  ? Weer was het Mgr. de Mérode die de geschikte kandidaat vond  : de Franse generaal Louis Juchault de la Moricière, beroemd door zijn succesvolle veldtochten in Algerije. De diepgelovige generaal aanvaardde het oppercommando over het pauselijk leger met de woorden  : «  Wanneer een vader roept, dan mag een zoon niet aarzelen.  » Hij besefte maar al te goed dat het om een opdracht ging die hem niet met militaire eer zou overladen  ; in een brief aan een vriend schreef hij op 19 maart 1860  : «  Ik hoop werkelijk slechts op God alleen. Want volgens wat ik gehoord heb schiet menselijke kracht te kort voor het werk dat ik ga ondernemen. Het is niet uit stoutmoedigheid dat ik het waag, al hoop ik wel dat die me niet zal ontbreken als ik haar nodig heb  ; het is uit opoffering, waarvoor ik beter zal beloond worden hierboven dan op aarde  » (aangehaald in Van Veerdegem, p. 32).

De dagorder waarmee de opperbevelhebber op 7 april 1860 zijn taak begon, geeft uitstekend de geest weer waarin de verdedigers van de H. Vader het zwaard opnamen  : «  Soldaten  ! Paus Pius IX heeft zich verwaardigd mij ter verdediging van zijn miskende en bedreigde rechten op te roepen, en geen ogenblik heb ik geaarzeld mijn degen te grijpen. De Revolutie bedreigt Europa, zoals in vroeger eeuwen de islam dat deed. En nu juist zoals vroeger is de zaak van het pausdom de zaak van de beschaving en de vrijheid van heel de wereld.  »

In ons land werd de eerste oproep om toe te treden tot de pauselijke troepen verspreid in april 1860. «  Enige dagen later […] hadden de eerste inlijvingen plaats, en weldra kwamen talrijke vrijwilligers zich aangeven. Eer het jaar ten einde was, had het Comiteit der Belgische Zouaven reeds 177 vrijwilligers aangeworven  » (p. 34).

Vanwaar die naam “ Zoeaven ”  ? De term is van Noord-Afrikaanse oorsprong en verwijst naar de Zuauas,jonge Kabylische Berbers die als hulptroepen vochten in het Franse leger tijdens de verovering van Algerije. Het was commandant Becdelièvre, een medestander van La Moricière, die het schilderachtig uniform ontwierp dat gebaseerd was op de uitrusting van deze Zuauas. Het uniform «  was sierlijk, vlot en praktisch en bestond uit een vest, een kort jasje en een wijde broek van grijsblauw laken, met veel dofrode tressen en chevrons afgezet. Een klein pauselijk wapen van verguld koper aan een galant kettinkje sierde de rechterborst. Een grijze kepie, met een kleine jachthoorn georneerd, werd – liefst enigszins schuin – op het hoofd gedragen. Beenwindsels of witte slobkousen omsloten ten dele de lage bergschoenen. Een brede, rode ceintuur om het middel voltooide het pittoreske Zoeavenuniform  » (Christofoor van Langen, Uit het epos der 3000, Nijmegen 1947, p. 18).

Met de bekwame hulp van Mgr. de Mérode, door de paus aangesteld tot pro-minister bij de legers van de Kerkelijke Staat, ging generaal La Moricière aan de slag. Beide mannen volbrachten op vier maanden tijd een huzarenstuk  : de organisatie, de opleiding en de uitrusting van een strijdvaardig militair korps.

De eigen troepen van de paus waren «  slecht gekleed, slecht gewapend en gans ontmoedigd door het verlies der Romagna  » (Van Veerdegem, p. 38). Dan waren er de toestromende vrijwilligers uit alle landen van de katholieke wereld, in deze eerste fase vooral uit Frankrijk en België; al deze idealistische jongelui waren ongeoefend, en dus moest er werk gemaakt worden van instructie en discipline. Er dienden officieren benoemd te worden, de artillerie was aan modernisering toe, men moest zorgen voor kampementen en veldhospitalen. La Moricière doorkruiste het hele grondgebied van de Kerkelijke Staat, «  bezocht en onderzocht al de versterkte plaatsen en deed overal waar het nodig was de vereiste verdedigingswerken herstellen of bouwen  » (p. 41).

Geen wonder dat de carbonari, die deze grootschalige activiteiten met lede ogen aanzagen, de generaal in het geheim ter dood veroordeelden en een prijs op zijn hoofd zetten  !

CASTELFIDARDO, 18 SEPTEMBER 1860

Ook Victor Emmanuel besefte dat hoe langer hij wachtte, hoe moeilijker de overrompeling zou worden. In september 1860 vielen zijn troepen, zonder voorafgaande oorlogsverklaring, Umbrië en de Marken binnen. Generaal La Moricière had tot op het laatste ogenblik gerekend op de steun van de Franse troepen op het schiereiland, want had Napoleon III enkele weken tevoren via zijn gezant in Rome niet aan de paus laten weten «  dat de H. Vader altijd zeker mocht zijn van Frankrijks bescherming  »  ? Maar de “ gekroonde carbonaro ” slikte al zijn beloften in. In een geheim akkoord had hij het licht op groen gezet voor Piëmont-Sardinië; men schreef hem de uitspraak toe  : «  Pak het pauselijk grondgebied maar. Alleen  : doe het snel, “  fate presto  ”…  »

Het moment voor de invasie was goed gekozen  : de antiklerikale avonturier en vrijmetselaar Garibaldi, die in opdracht van Turijn werkte, had in de zomer met zijn Roodhemden Sicilië veroverd op de Bourbons. Dat was minder moeilijk geweest dan de romantische mythe het voorstelt  : carbonari hadden hun ondermijnend werk verricht, verschillende hoge officieren waren met Piëmontees goud omgekocht en de Britse premier Palmerston had de indringers van wapens voorzien. Daarna was Garibaldi met de hulp van de Royal Navy de Straat van Messina overgestoken en had op 7 september Napels ingenomen, de hoofdstad van het Koninkrijk der Beide Siciliën. Een katholieke monarchie was gevallen, het hele grondgebied werd verenigd met het rijk van Victor Emmanuel.

Toen hij het nieuws van de invasie vernam, verzamelde generaal La Moricière zijn troepen op de heuvel van Loreto. In de basiliek waar de Santa Casa van Nazareth bewaard en vereerd wordt, ging iedereen te biechten en te communie. «  Maak u gereed om voor God te verschijnen  », had de opperbevelhebber gezegd  ; hij wist dat de pauselijken slechts 5500 man in het veld konden brengen, tegenover meer dan veertigduizend Piëmontezen. Eén tegen acht  !

Bij Castelfidardo, aan de voet van Loreto, trotseerde het leger van Pius IX op een heldhaftige manier de numerieke overmacht en de zware kanonnen van Victor Emmanuel. De veldslag eindigde voor de katholieken met een nederlaag, maar een roemrijke. La Moricière sloeg zich zelfs met tachtig ruiters door het verblufte Piëmontese leger heen en bereikte Ancona, de havenstad die hij tegen elke prijs voor de paus wou behouden.

De haat die de godsdienstoorlogen van de 16de eeuw had gekenmerkt stak op het slagveld bij Loreto opnieuw de kop op. De overwinnaars sloegen aan het plunderen  : «  ze rukten de klederen der gevallenen open om de gouden of zilveren kruisjes en medailles, die de meeste pauselijken rond de hals droegen, te bemachtigen  » (p. 78). De vijandelijke generaal «  nam de pauselijke aalmoezeniers gevangen en belette hen de stervenden bij te staan  » (p. 79). De weerloze gekwetsten werden afgemaakt met bajonetsteken of geweerslagen.

Ancona doorstond tien dagen lang een vernietigend bombardement vanop het land en vanop de zee. Toen La Moricière tenslotte de witte vlag liet hijsen bleef van de stad slechts een puinhoop over. Maar ook toen nog bleven de Piëmontese kanonnen vuur spuwen  : «  De generaals Fanti en Cialdini hadden twaalf uur lang – van de 28ste september om 9 uur ’s avonds tot de 29ste om 9 uur ’s morgens – een stad beschoten die zich reeds overgegeven had  » (p. 93)  !

Umbrië en de Marken gingen verloren voor de Kerkelijke Staat. Enkel Latium bleef behouden, het oudste en waardevolste gebied, dat het Patrimonium Petri (Erfgoed van Petrus) genoemd werd.

Kaart van het Italiaanse schiereiland in 1860-1870

Kaart van het Italiaanse schiereiland in 1860-1870. De Kerkelijke Staat, die sedert eeuwen de onafhankelijkheid van het pausdom garandeerde, was de Revolutie een doorn in het oog en moest daarom koste wat het kost verdwijnen.

VIVA PIO NONO  !

Op 26 februari 1861 werd Victor Emmanuel in Turijn tot koning van Italië geproclameerd. Pius IX protesteerde ferm «  tegen de daad een titel te durven aannemen waarvan het doel alleen is de onrechtvaardigheid van zoveel voorgaande feiten te wettigen.  » Het antwoord van Cavour was een provocatie  : hij liet Rome uitroepen tot hoofdstad van het ene en ondeelbare Italië.

«  Mgr. de Mérode, in zijn hoedanigheid van minister van Oorlog, hield zich ijverig bezig met het herinrichten van het pauselijk leger. Nieuwe oproepen werden alom rondgestuurd, en van alle zijden stroomden de vrijwilligers toe om de martelaars van Castelfidardo te vervangen  » (p. 104).

Ere wie ere toekomt  : met 3200 strijders vormden de Nederlanders veruit het grootste contingent van de pauselijke zoeaven. Na hen volgden de Fransen (2900), de Belgen (1600, grotendeels Vlamingen), de Italianen (730) en de Canadezen (380). Kleinere aantallen soldaten kwamen uit Ierland, het Duitse rijk, Spanje, Zwitserland, Oostenrijk, Rusland en Polen. Er waren leden van de hoge adel bij naast gewone burgers, volwassen mannen naast jongens van zestien. «  Eén band snoerde al die verscheidenheden samen tot een geheel, één band  : het geloof  » (p. 106).

«  Deze soldaten van de paus voelden zich bovendien  : soldaten van God  », schrijft broeder Christofoor (Uit het epos der 3000, p. 39). «  Dat was het geheim van de doodsverachting die ze weldra op het slagveld zouden tonen. Dat verklaart ook de toon van geluk die in hun brieven doorklinkt.  » Ter illustratie haalt hij een brief aan van zoeaaf Gijs Banis aan zijn familie in Bussum  : «  Gij kunt u geen denkbeeld maken wat wij gevoelden toen wij bij de goede Vader Pius werden toegelaten, die temidden der rampen op God vertrouwt en ons zo’n schoon voorbeeld geeft, omdat hij bidt voor zijn vijanden en medelijden heeft met hen die zich op de dwaalweg bevinden. Wij hopen, door de genade Gods ondersteund, voor de heilige zaak die we hier zijn komen verdedigen ons bloed te storten, en liever te sterven dan een stap achteruit te gaan.  »

«  Pio Nono  » was het voorwerp van een hartstochtelijke verering, niet alleen door de zoeaven maar door de hele katholieke wereld. Als mens was hij een bijzonder innemende figuur  : hij straalde letterlijk goedheid uit, had iets vaderlijks over zich en was tegelijkertijd een imposante verschijning. Hij liet niet na zijn dappere verdedigers op geregelde tijdstippen te bezoeken en hen te zegenen. En dan galmde uit alle kelen een daverend «  Viva Pio Nono  !  »

De zoeaven verwierven niet enkel roem door hun strijd tegen de vijanden van de paus. Vooraleer ze hun eigen kazerne hadden bij de Porta Pia waren ze verspreid gelegerd op het platteland rond Rome, waar ze met succes werden ingezet tegen de bandietenbendes die de streek onveilig maakten. En toen in het stadje Albano een epidemie van cholera uitbrak en de gezagsdragers mee op de vlucht sloegen, meldden tweeënveertig zoeaven zich aan om de zieken te verplegen en de doden te begraven, met gevaar voor hun eigen leven.

GARIBALDISTEN TEGEN PAUSELIJKEN

Kampement van pauselijke zoeaven in Rocca di Papa

Kampement van pauselijke zoeaven in Rocca di Papa, vlakbij Rome. Ze werden daar ingezet tegen plaatselijke bandieten.

Op 15 september 1864 sloot Napoleon III met Victor Emmanuel een verdrag  : Italië zou het Patrimonium Petri niet aanranden en zelfs verdedigen tegen een aanval van buitenaf  ; Frankrijk zou zijn troepen terugtrekken uit de Kerkelijke Staat. Pius IX, die toch betrokken partij was, werd niet eens gehoord  : «  Italië en Frankrijk beschikten eigenmachtig over Rome juist alsof de paus niet bestond  !  » (Van Veerdegem, p. 124). De pauselijken waren er niet gerust in, en zeker niet toen zij de uitleg hoorden die in het Italiaans parlement aan de overeenkomst gegeven werd. «  Het verdrag van 15 september komt volledig overeen met het nationaal programma van Italië  », zei de markgraaf van Pepoli. «  Het verbreekt de laatste schakel van de ketting die Frankrijk verbond met onze vijanden.  »

In hetzelfde jaar werd Garibaldi triomfantelijk onthaald in Londen, waar een dolenthousiaste menigte hem toejuichte… en waar hij opnieuw van geld en wapens voorzien werd.

«  In al die moeilijkheden bleef de Paus kalm en onwrikbaar. “ Een hoek grond is noodzakelijk voor het gezag en de onafhankelijkheid van de paus  ”, had hij verklaard, en met een krachtdadige vastberadenheid bleef hij zijn rechten verdedigen  » (p. 125).

Nauwelijks was de laatste Franse soldaat in 1867 naar huis vertrokken of bendes garibaldisten vielen het pauselijk grondgebied binnen. Ze bezetten het grensstadje Acquapendente en kort daarop Bagnorea. Garibaldi stuurde een ronkende verklaring de wereld in  : «  Gegroet, overwinnaars van Acquapendente en Bagnorea  ! De vreemde huurlingen zijn moeten vluchten voor de dappere verdedigers van de Italiaanse vrijheid  !  » Zijn woorden waren echter nog niet koud of de zoeaven hadden de Roodhemden alweer verjaagd  !

Gesterkt door dit succes vielen honderd zoeaven Monte Libretti aan, een stadje dat tegen een steile rots aan lag en dat in handen was van een duizendtal revolutionairen. De soldaten van de paus streden zo fel dat de garibaldisten wijselijk besloten de wijk te nemen. Wie zich bijzonder onderscheidde was de Nederlander Pieter Jong, een boom van een kerel die in het felst van de strijd zijn geweer bij de loop nam en als een razende om zich heen begon te slaan  ; vooraleer hij neergestoken werd, had Pieter zo veertien vijanden gedood.

Eind oktober 1867 slaagde Garibaldi er in om uit zijn volgelingen en een groot aantal avonturiers een leger van 15.000 man te smeden. Zijn besluit stond vast  : hij zou Rome veroveren en een einde maken aan het pausdom. «  Roma o morte  !  », «  Rome of de dood  !  »

Over de gesteltenis van de garibaldisten mag geen enkele twijfel bestaan. Het waren godsdiensthaters, en Van Veerdegem maakt regelmatig melding van de heiligschennende praktijken die zij begingen in de plaatsen waar ze doorheen trokken of tijdelijk legerden. Met kogels doorzeefde heiligenbeelden, altaren besmeurd met vuilnis, opengebroken tabernakels  : de strijd voor de eenheid van Italië kon maar moeilijk de onderliggende haat jegens de Kerk verbergen.

MENTANA, 3 NOVEMBER 1867

Een groep Nederlandse zoeaven

Een groep Nederlandse zoeaven in hun typische uniform. Nederland leverde met 3200 soldaten het grootste contingent strijders voor de zaak van de paus.

Onder de Franse katholieken was ondertussen beroering ontstaan over de oorlogsplannen van Garibaldi. De druk op Napoleon III was zo groot dat hij zijn zoveelste volte-face uitvoerde. Eind oktober 1867 ontscheepten Franse militairen in Civitavecchia, de zeehaven van de paus.

Na het vertrek van La Moricière waren de pauselijke troepen onder het gezag van generaal Kanzler gekomen. De zoeaven werden geleid door een Zwitser, kolonel Allet, die door de mannen op handen gedragen werd en die ze onder elkaar «  papa Allet  » noemden.

Kanzler besloot de hoofdmacht van Garibaldi aan te vallen die zich in en rondom het stadje Mentana bevond, op 30 km van Rome. Maar omdat zijn manschappen, hoe dapper ook, te sterk in de minderheid waren vroeg en verkreeg hij rugdekking van een deel van de Franse soldaten die de keizer gezonden had.

Op 3 november trokken de pauselijken op; de Fransen volgden op een afstand. Rond de middag brandde de strijd met de garibaldisten los. Een doorbraak kwam er toen de zoeaven, die gevraagd hadden om de eer als stoottroepen voorop te mogen trekken, onder de bezielende leiding van kolonel Athanase de Charette een charge uitvoerden met de bajonet en de vijand terugdreven tot in de citadel van Mentana. Een nieuwe felle aanval bracht de mannen van Allet tot aan de wallen. De held van de Italiaanse revolutie, de grote Garibaldi, vreesde voor zijn hachje en koos het hazenpad.

Tot dan had de Franse troepenmacht zich niet in het gevecht gemengd, maar «  de moed en de behendigheid der Zouaven maakten zulke indruk op hen dat zij verscheidene keren reeds zich niet hadden kunnen weerhouden geestdriftig toe te juichen  » (p. 226). Nu kregen zij het bevel het pauselijk leger te ondersteunen met hun gloednieuwe chassepot-geweren, die driehonderd meter verder schoten dan het wapentuig van de revolutionairen. Deze superieure vuurkracht zette de kroon op het werk  : bij het aanbreken van de dageraad werd de witte vlag op de citadel uitgestoken.

De veldslag van Mentana, die de grootste overwinning van de zoeaven zou worden, kostte aan pauselijke kant slechts 36 slachtoffers. Bij de vijand waren er bijna duizend gesneuvelden en zwaargewonden  ; 1500 garibaldisten werden gevangen genomen.

«  Wij zijn gisteren teruggekeerd van een roemrijke overwinning  », schreef zoeaaf Janus Looymans aan zijn familie in Oudenbosch. «  De Zouaven werden om hun dapperheid door al de Franse soldaten en oversten bewonderd. Zij zeiden  : “ Nooit hadden wij zoiets van u verwacht, gij zijt moediger dan wij allemaal, maar gij zijt te roekeloos door te weinig de dood te vrezen.  ”  » En hij besloot in de diepchristelijke geest die deze mannen kenmerkte  : «  Bidt voor ons die nog zijn overgebleven. Bidt ook voor onze vijanden, opdat het God moge behagen hen uit hun dwalingen tot het ware pad terug te leiden  » (aangehaald in Het epos der 3000, pp. 175-176).

NA DE OVERWINNING

Garibaldi

Garibaldi, van wie het Risorgimento een held gemaakt heeft, was in werkelijkheid een ordinaire avonturier en een godsdiensthater. De slag van Mentana, gewonnen door de zoeaven, maakte een abrupt einde aan zijn carrière.

Na de veldslag gaf «  papa Allet  » een legerorder uit waarin hij zijn troepen feliciteerde en waarvan het slot luidde  :

«  Soldaten  ! Alles is nog niet gedaan  ! Grote gevaren bedreigen nog de Kerk. Vóór het aanschijn van de wereld zijn jullie de vertegenwoordigers van een beginsel  : het beginsel van de vrijwillige en onbaatzuchtige verdediging van de Heilige Stoel. Jullie vormen de kern waarrond, in het uur van het gevaar, de gebeden, de hulp en de hoop van de katholieke wereld zich zullen verenigen  !  »

De oude paus ging persoonlijk de gewonde Roodhemden bezoeken in de hospitalen van Rome en zorgde ervoor dat hen niets ontbrak.

De weerslag van de triomf van Mentana op de katholieke wereld was enorm. «  De roem en het aanzien der Pauselijke Zouaven steeg hemelhoog  » (Van Veerdegem p. 241), en van alle kanten kwamen nieuwe rekruten toegestroomd om de bataljons te vergroten. In 1868 meldden zich zelfs driehonderd Canadezen, volledig uitgerust en getraind, en met een eigen bevelhebber.

Garibaldi was voorgoed verslagen. Maar wat zou Victor Emmanuel doen  ? Hij had zijn zinnen op Rome gezet, en de pauselijken beseften dat hij niet zou rusten vooraleer de Eeuwige Stad in zijn bezit zou zijn.

Mentana zorgde niettemin voor drie jaren van vrede, en schonk Pius IX de mogelijkheid om op zijn laatste soeverein gebied het Concilie van het Vaticaan samen te roepen, het eerste algemeen concilie sinds Trente. Hoogtepunt was de afkondiging van het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid op 18 juli 1870.

In datzelfde jaar 1870 trokken donkere wolken samen boven Europa. De Pruisische kanselier Bismarck deed er alles aan om een oorlog met Frankrijk uit te lokken. Napoleon III greep deze dreiging aan om de Franse hulptroepen uit Rome terug te trekken  : hij beweerde dat hij ze nodig had om zijn eigen land te verdedigen. In werkelijkheid ging het om het zoveelste verraad  : «  Het is zeker niet uit militaire noodzaak dat wij de Romeinse staat ontruimen  », schreef de Franse gezant in Rome in een vertrouwelijke nota. «  Maar wij moeten de genegenheid van het Italiaans kabinet verwerven  » (aangehaald p. 250).

DE OVERWELDIGING VAN ROME

Op 19 juli verklaarde Frankrijk de oorlog aan Pruisen. Op 2 augustus scheepten de laatste Franse militairen in Rome zich in. Op 2 september stortte het keizerrijk van Napoleon III bij Sedan ineen en op 11 september trokken zestigduizend Italiaanse soldaten op drie plaatsen tegelijk het Patrimonium Petri binnen.

Victor Emmanuel had een proclamatie opgesteld waarin hij de Romeinen opriep om het “ juk van de vreemde huurlingen ” af te werpen en “ de kant van het vaderland ” te kiezen. Logebroeders haastten zich om het manifest overal te verspreiden. «  Het werd gedrukt op duizenden exemplaren en overal rondgestrooid en binnengebracht. En toch had het de bijval niet die de vijanden der Kerk ervan verhoopten.  » Een bewijs te meer «  dat de zogezegde verlossing geenszins door het volk van Rome verlangd werd  » (p. 261).

Generaal Kanzler besefte dat zijn tienduizend soldaten geen partij waren voor de vijandelijke overmacht. Hij beperkte zich tot het hoogst noodzakelijke, de verdediging van Rome, en trok al zijn troepen in de Eeuwige Stad samen voor de laatste strijd.

De aanval op Rome begon op 20 september. Tweehonderd kanonnen bestookten onafgebroken de muren van de stad. Na vijf uren beschieting werd een bres geslagen bij de Porta Pia. De zoeaven stormden naar voren, «  vastbesloten liever de bres met hun lijken te vullen dan de vijand binnen te laten  » (p. 284). Maar in opdracht van de paus, die hem vooraf op het hart had gedrukt dat hij geen nodeloos bloedvergieten wou, liet Kanzler toen de witte vlag hijsen. Het kostte de pauselijke soldaten de grootste moeite, maar zij gehoorzaamden en legden de wapens neer. Nooit had «  Pio Nono  » een groter offer van hen gevraagd… Maar voor de paus was de hoofdzaak dat heel Europa nu duidelijk kon zien dat hij slechts week voor bruut geweld.

Juist zoals na Castelfidardo trad de vijand de krijgswet met voeten  : de ontwapende soldaten van de paus werden bespot en mishandeld. Door de bres van de Porta Pia drong ook allerlei roversgespuis van Garibaldi de stad binnen  ; deze godsdiensthaters leefden zich uit in geweld en sadistische martelingen, zonder dat de opperbevelhebber van Victor Emmanuel ingreep. Tachtig zoeaven lieten daarbij het leven.

Op 21 september verzamelden de pauselijke troepen zich nog een laatste keer op het Sint-Pietersplein. «  De Zouaven stonden vooraan. Kolonel Allet richtte zich op in de stijgbeugels, hief zijn degen in de hoogte en riep luidkeels  : “ Leve Pius IX, Paus en Koning  ! ” Tranen kwamen in de meeste ogen, en allen herhaalden met aandoening in de stem  : “ Leve Pius IX, Paus en Koning  ! ”  » (p. 292). Daarop ging een venster van het Vaticaans paleis open en verscheen de H. Vader. «  De officieren springen van hun paarden, de kepi’s worden afgenomen, allen knielen zwijgend neder. En de grote Paus strekt plechtig de armen ten hemel  ; zijn rechterhand beschrijft langzaam een groot kruisteken over die zee van gebogen hoofden, en door de stilte klonk het aandoenlijk-statig  : “ Benedictio Dei omnipotentis… ”  » (ibid.).

De paus werd de vrijwillige «  gevangene van het Vaticaan  », dat hij nooit meer zou verlaten.

De zoeaven marcheerden dezelfde dag nog de Eeuwige Stad uit. Buiten de poorten werden zij in groepen verdeeld volgens hun nationaliteit, en vervolgens onder begeleiding van Italiaanse bajonetten tot aan de grenzen gebracht. In hun vaderland werden de oud-strijders triomfantelijk onthaald door familie en vrienden, maar de houding van de overheid stak daar soms ongunstig tegen af. Zo nam de Nederlandse regering het standpunt in dat de zoeaven in “ vreemde krijgsdienst ” waren gegaan bij een buitenlandse soevereine staat. Zij verloren daarom hun staatsburgerschap  !

Zo kwam een einde aan wat Armand Van Veerdegem met recht en reden noemt  : «  een edelmoedige heldenstrijd gevoerd tegen de overmacht van het kwaad  » (p. 301).

De pauselijke troepen verzameld op het  Sint-Pietersplein

De pauselijke troepen verzameld op het Sint-Pietersplein voor de zegen van de paus, 25 april 1870. In september werd Rome met geweld ingenomen door het leger van Victor Emmanuel en werd Pius IX «  de gevangene van het Vaticaan  ».

redactie KCR
Hij is verrezen  ! nr. 67, Januari-Februari 2014