De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

19 MAART 2017

De Samaritaanse vrouw
of het geloof van de nederigen

JEZUS was naar het land van Judea gekomen en we hebben gezien hoe Hij het volk opriep tot een doopsel dat door zijn eerste leerlingen werd gegeven. Herinner u dat allen naar Hem toekwamen. Maar kijk, de Farizeeën vernamen dat Hij meer leerlingen maakte en er meer doopte – of liet dopen – dan Johannes… Ze koesterden wraakzuchtige plannen. Toen Jezus dit vernam, verliet Hij Judea en keerde terug naar Galilea. Om de tweedracht te ontvluchten, om de ontstane afgunst te ontwapenen…

Hij moest daartoe door Samaria trekken, een gebied dat door de Joden als ontaard, bedorven, heidens werd aanzien. Welnu, Sint-Jan, onze getuige, geeft ons van dit land een heel ander beeld  ! Jezus lijkt er meteen ontspannen, op zijn gemak…

De plaats is niet zonder betekenis, noch het tijdstip, noch het personage dat tot Hem komt. Jezus, vermoeid door de lange reis, zette zich neer vlakbij de put van Jacob. Het gaat hier om een memorabele Bijbelse plaats  ; elke Jood, elke Samaritaan herinnert zich het eerste verblijf van hun voorvaders, die toen nog nomaden waren, op deze plaats ten tijde van de Kanaänieten. En deze put was in dit land van afgodendienaars gegraven door de aartsvader Jacob. Hij was voor hen een symbool van de Wet, en het water ervan, in deze dorre streek, was het vitale element. Zou Jezus geen dorst hebben naar dit water en verlangen naar wat voedsel om terug op krachten te komen na die lange tocht  ? Zo is het kader geschapen van de ontmoeting waarvan Sint-Jan ervoor gekozen heeft ze te vertellen om ons zijn Meester te openbaren.

Het was ongeveer middag, het uur dat het meest verwijderd is van de ochtend- en avondschemering. Een vrouw uit Samaria komt aan om water te putten  ; dat is haar dagelijkse taak. Zal Jezus haar wel aankijken  ? Ze is een vrouw, van dit land van heidenen, en haar zeden zijn los, zoals men gaat vernemen. Toch zegt Jezus tot haar  : «  Geef mij te drinken (alsjeblief).  » Verbazing en behaagzucht worden meteen gewekt bij deze vrouw, in deze eenzaamheid, ook al is onze getuige daar, dichtbij zijn meester gebleven  :

«  Hoezo  ? Gij zijt Jood en ge vraagt mij, vrouw en Samaritaanse, te drinken  ?  »

En ziedaar de ironische provocatie, het onverwachte woord, het raadsel dat de laag bij de grondse ziel van die onsterfelijke Samaritaanse dwingt genade en kracht en licht te vragen om Hem te volgen op zijn mystieke en toch zo aantrekkelijke hoogte  !

«  Als ge enig begrip hadt van de gave Gods en wist wie het is, die u zegt  : Geef mij te drinken, zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.  »

Verrast, gewiekst als ze is, spot ze een beetje met Hem, om meer te weten te komen en niet dwaas te lijken  : «  Ge hebt niets om te putten  », en het vervolg is heel prozaïsch… Jezus heeft zijn doel bereikt  : ze ontdekt in Hem een mysterie. «  Zijt ge soms groter dan onze vader Jakob  ?  » Dit is voldoende om de goede meester te doen besluiten zich verder te openbaren. Dat water, dat het beeld is van de oude Wet, dat lest niet echt de dorst, terwijl het water dat Hij geeft aan wie er om vraagt van een heel andere soort is  : «  Wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer  ; integendeel, het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven.  »

Men volgt vol bewondering deze “ dialoog van onbegrip ”. Dus, ze lacht  : «  Heer geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en niet meer hier hoef te komen om te putten  !  »

Ha, je spot met Mij  ? Wel, «  ga uw man halen.  » Hiermee haalt Jezus terug de bovenhand, maar het is om haar in zijn net te houden. Tegenover de onthulling die Hij haar doet, als alwetend Meester, over haar ellendig voorbije en huidig leven staat ze verslagen. Het spreekwoord zegt duidelijk  : de nederigheid gaat de glorie vooraf.

Vernederd, plots in haar hemd gezet, maakt de vrouw zich niet boos, liegt ze niet. Ze wordt gedwongen te geloven, met een heel menselijk geloof, in die profeet, en zij is het dus die deze fascinerende meester ondervraagt over de ware godsdienst  : «  Heer, ik zie dat gij een profeet zijt...  » Welnu, zeg me  : «  Is het deze berg, de Garizim [waarop de Samaritanen een tempel hadden gebouwd] of is Jeruzalem de plaats waar men moet aanbidden  ?  »

Jezus ruilt de ironische toon voor die van een intiem gesprek van de meester met zijn leerling. Met een ongekende klaarheid doet hij een beroep op haar geloof, met die in het Evangelie unieke uitnodiging  : «  Geloof Mij, vrouw  !  » Daarop verkondigt Hij aan dit nietsbeduidend wezen de wonderlijkste en meest beslissende leer te verkondigen… Een bewijs dat Hij van haar houdt en dat Hij zijn stroom van levend water in haar wil overgieten.

Luisteren we naar deze onsterfelijke woorden  : Geloof Mij, vrouw, er komt een uur dat gij noch op die berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.  » Hij staat dus aan de kant van de Unieke God, die Hij Vader noemt. «  Gij aanbidt wat gij niet kent  ; wij aanbidden wat wij kennen, omdat het heil uit de Joden komt.  » Hier stelt Jezus zich op aan de kant van de aanbidders van God, en aan de kant van de Joden, lid als Hij is van dit uitverkoren volk voor wie het verbond met Mozes en de Wet en de offers in de Tempel op het moment waarop hij spreekt nog het enige redmiddel zijn… «  Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in de Geest van de Waarheid. De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden. God is geest, en wie Hem aanbidden moeten Hem in de Geest van Waarheid aanbidden.  »

Gelukzalige Samaritaanse aan wie Jezus, door zijn belofte van het levende water waarvan Hij de Bron is, openbaart dat deze Geest niet geschonken wordt door de Wet van Mozes, maar weldra door Jezus zelf verspreid zal worden, ter voltrekking van de Schrift. Zoals de leerlingen, zoals de Joden van Jeruzalem ontvangt ook onze Samaritaanse vrouw een teken, onbegrijpelijk op het moment zelf, maar dat voor haar op een dag schitterend duidelijk zal worden  : dat teken van de bron van levend water dat opborrelt ten eeuwigen leven.

Ongetwijfeld volgt ze zeer goed de draad van dit subliem gesprek en uit haar spreken blijkt een kennis van de goddelijke zaken waarvan Jezus Nicodemus verweet die niet zo goed te bezitten  : «  Ik weet dat de Messias moet komen, en wanneer die komt zal Hij ons alles verkondigen.  » Het zo grote geloof van de Samaritaanse dwingt Jezus zich aan haar te openbaren zoals Hij nog nooit gedaan heeft  : «  Dat BEN IK, die met u spreek.  » Hij identificeert zich door dat «  Ik ben  » als JHWH, God zijn Vader. Het is zich bekennen als de Messias en meer dan de Messias. Voor Jezus betekende dit alles over Zichzelf openbaren, werkelijk alles tegenover dit nietsbeduidend individu dat voor Hem het oude zondige ras, Samaria, verpersoonlijkt, en bij uitbreiding de onmetelijke heidense wereld, mysterieus ontvankelijk voor de genade van de Waarheid, en voorbestemd voor de redding die weldra uit zijn doorboorde zijde zou stromen…

Daar zijn de leerlingen terug uit het dorp met het voedsel dat ze gekocht hebben. Ze dringen bij Jezus aan te eten… Drinken, eten, duidelijk dringt zich bij Jezus vandaag het prozaïsche van het stoffelijk leven op  ! Welnu, hoegenaamd niet. Hij houdt het kort  : «  Ik heb een spijs te eten die gij niet kent.  » Hij laat hen niet lang zoeken en meteen voegt Hij er op prachtig goddelijke wijze aan toe  : «  Mijn spijs is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen.  »

En daar kwamen dan de mensen, ingelicht door de vrouw. Ze verlieten de stad en begaven zich naar Hem. Jezus toont hen met de hand aan zijn leerlingen, te midden van het de velden rijpend koren, als zijn oogst, werk van zijn Vader, en waarvan Hij ernaar hongert en dorst er de vruchten van te oogsten. Het is de komst in groten getale van de heidenen, die Hem troosten voor de minachting door de Joden, waardoor Jezus dermate van vreugde wordt vervuld. Hij is de zaaier, en zijn leerlingen die rondom Hem druk bezig zijn om de maaltijd te bereiden, want ze moeten toch eten, zijn de oogsters die weldra zullen vertrekken om over heel de aarde het Evangelie te prediken.

Wat de Samaritanen betreft, die hadden geloof gehecht aan wat de vrouw hen gezegd had  : «  Komt eens kijken naar een man, die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb  ! Zou Hij soms de Messias zijn  ?  » Ze verzochten Hem daar twee dagen te blijven en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof. Tot de vrouw zeiden ze  : “ Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt, want wij hebben Hem zelf gehoord en wij weten, dat deze werkelijk de Redder van de wereld is. ” «  

Geef toe dat het prachtig is. Zie hoe Jezus uitgeroepen wordt tot Verlosser niet langer door de Joden zelf maar door de wereld. Van bij het begin van zijn openbaring aan de mensen wordt een reusachtige etappe, een lange weg afgelegd. En we leren van deze Samaritaanse en van heel haar volk hoe te beantwoorden aan de juiste pedagogie van Jezus die ons voert van een onvolmaakt geloof naar de mirakels, naar het getuigenis van mensen, naar het volmaakte geloof dat gelooft in het woord van Jezus zelf en zijn goddelijk Mysterie aanschouwt waarbij het van de veroverde ziel een leerling van Christus maakt.

broeder Bruno van Jezus-Maria
«  Bible, Archéologie, Histoire  », deel 2, pp. 142-143