De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

14 MEI 2017

Jezus, onze weg naar de Hemel

OP deze vijfde zondag na Pasen geeft de Kerk ons ter lezing de woorden van Jezus na het Laatste Avondmaal, zoals opgetekend door Sint-Jan. Het gaat over woorden vol angst uit de mond van Jezus, voorafgaand aan zijn Offer, zijn Lijden, maar ook om het onderricht dat Hij aan zijn apostelen gegeven heeft tijdens de laatste maaltijd die Hij met hen genomen heeft op de dag zelf van zijn Hemelvaart.

«  Laat uw hart niet verontrust worden  » (Jo 14, 1).

Tijdens die laatste maaltijd op Hemelvaartsdag, alvorens definitief zijn apostelen te verlaten, waarschuwt Jezus hen dat wanneer Hij terug ten Hemel opgevaren zal zijn ze niet bang moeten zijn voor de toekomst.

«  Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij.  »

Dat is een zeer geruststellend woord. Gij gelooft in God, de Almachtige Vader, Schepper van Hemel en aarde  : heb voor mij hetzelfde Geloof. Heb vertrouwen in de woorden die ik tot u ga spreken. Jezus spreekt nu met zekerheid. Zijn Verrijzenis, zijn aanwezigheid zelf te midden van zijn apostelen voor die laatste maaltijd is wel degelijk de garantie dat men Hem kan geloven. En dus moeten de apostelen, met hetzelfde geloof waarmee men in de Vader gelooft, als absolute zekerheid aanvaarden wat Hij hen zal zeggen.

Ziehier wat Hij hen eerst zegt  :

«  In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ware dit niet zo, dan zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden.  »

Deze woorden zijn zonder meer fantastisch. Ze kennen hun gelijke niet in om het even welke andere godsdienst, tijdsperiode, land. Ziedaar een man die bewijzen heeft moeten geven van zijn gezag en meer bepaald door te sterven en te verrijzen  !

«  Het huis van mijn Vader  », dat is de Hemel, het Paradijs, het verblijf van God. Welnu, Jezus zegt dit volledig sereen, rustig, omdat Hij die woonst kent, omdat Hij er vandaan komt, er gewoond heeft. Hij kent deze plaats goed  : «  Er zijn vele flats  ». Er is veel plaats.

«  Ware dit niet zo, dan zou Ik het u hebben gezegd  »  : dit wil zeggen dat er vele mensen zullen zijn die een plaats in de Hemel zullen hebben. «  Ik ga er heen om een plaats voor u te bereiden  »  : wat een onderricht in deze eenvoudige zin  !

Vóór Hem heeft nooit iemand een andere dan twijfelachtige, mistige blik op het eeuwig leven, op de Hemel, op het komende leven kunnen werpen. Men beeldde zich in wat het eeuwig leven zou zijn, maar Hij spreekt er nauwkeurig over. Hij vertelt nuttige dingen en niet alleen nuttige, maar uitermate bemoedigende. Dus maak u niet druk, ik vertrek naar het huis van mijn Vader en ik verwittig u dat er daar veel plaatsen zijn en zelfs verzeker ik u dat ik er heenga om er voor u een plaats te bereiden. Dat is opmerkelijk  ! Jezus zal hen verlaten, maar nog steeds om voor hen te werken. Ziedaar deze eerste les die ons veel moed moet geven.

Immers, Jezus spreekt niet enkel tot de apostelen, maar tot al degenen die zullen geloven in Hem, die zijn leerlingen zullen zijn door de eeuwen heen en dus ook tot ons, deze morgen, door de prediking van de Kerk.

«  … Ik zal terugkeren om u op te nemen bij Mij…  »

Hoe familiair klinkt dat  ! Hoe vertrouwelijk wordt de Hemel zo voor ons  ! Ze zijn daar bij Hem aan tafel, rondom Hem. Hij zegt hen dat Hij hen gaat verlaten, maar Hij verwittigt hen dat wanneer Hij dit mysterievolle werk (voor hen daarboven een plaats bereiden) zal uitgevoerd hebben, Hij zal terugkeren. Hij zal hen (ons) allen opnemen opdat we dichtbij Hem zouden zijn. In de Hemel zullen we dichtbij, met Hem zijn.

«  …opdat ook gij zult zijn waar Ik ben.  »

Hij gaat er naartoe en zal terugkeren en dan zal het met ons zijn dat Hij er zal terugkeren, opdat we zouden zijn waar Hij reeds is en daar zullen we voor eeuwig zijn.

Jezus vat de laatste etappe van de geschiedenis van de wereld samen  : we kennen ze perfect onder de naam van Hemelvaart en van het rijk van Jezus aan de rechterhand van zijn Vader. Inderdaad, Hij werkt. Hij is daarginds, rechtop staande aan de rechterhand van God, zoals in het visioen van de H. Stephanus. Rechtop, dit wil zeggen dat Hij de beheerder, de Koning van de geschiedenis is en dat Hij heerst over de geschiedenis opdat veel mensen, aan het einde van de wereld, wanneer Hij zal terugkeren om hen op te zoeken, met Hem, lichamelijk, naar zijn Vader zullen gaan.

Dit is reeds een onderricht van groot belang voor ons Geloof, het Geloof van de ganse christenheid. En het christenvolk heeft geleefd met deze verzekering. Het moet het blijven doen. Maar niet alleen dat  : het moet ook leven vanuit een grote mystieke bewogenheid, omwille van de nauwkeurigheid van deze woorden. We weten dus dat we ingescheept zijn voor een reis met Jezus en, als we met Jezus zijn, een reis die goed zal eindigen  : wees niet verontrust  ! We hebben compleet ongelijk scrupules te hebben over het eeuwig leven. Als we met Jezus zijn, zal Hij ons met zich lichamelijk meevoeren, opdat we dichtbij Hem zouden zijn in eeuwigheid, en er is plaats  !

«  Ja, ik ga heen, de weg daarheen is u bekend.  »

Wat Sint-Jan wil zeggen is  : jullie weten waarheen ik ga en dus weten jullie ook waarlangs men moet gaan. Deze woorden zijn buitengewoon belangrijk voor ons en vooral vandaag, in het modernistisch klimaat waarin we gedwongen zijn te leven.

Het is bijna topografie. Omdat we vanaf de aarde naar die plaats gaan. Dat is waar onze moderne bisschoppen, onze moderne catecheten niet meer van willen weten. Ze weigeren te geloven, ze weigeren te onderrichten dat de Hemel een heel reële plaats is. Christus is levend, maar waar  ? Nergens  !

Dat is tegengesteld aan het katholiek geloof, aan het woord van Christus. Voor Christus – en dus, dat is de waarheid zelf – is er een reële plaats die aarde heet en op die aarde is Hij midden onder zijn apostelen. Hij zegt hen  : «  Ik keer terug naar mijn Vader en daar waar ik heenga, kent gij de weg om er naartoe te gaan.  » En dus blijft men in het reële. Ik weet niet of dit voorbij de spiraalnevels is, maar wat ik weet is dat er in de ruimte een weg is die naar die plaats leidt, zoals de H. Thomas zegt, en op die plaats zijn Jezus en de Maagd Maria reeds aanwezig.

De Hemel is een plaats die even stoffelijk, even reëel als de aarde is. Ware dit niet zo dan zou dit alles vluchtig zijn en onze hoop zou ophouden reëel te zijn. Dan wordt het een utopie, een illusie.

Er is niets illusoir in wat Jezus zegt. Hij spreekt tot hen op een heel realistische manier en om hun vragen uit te lokken. Uiteraard komt op dat ogenblik van de H. Thomas de vraag  : «  “Heer, wij weten niet waar Gij heengaat  : hoe moeten wij dan de weg kennen  ?”«  

Telkens de apostelen een reële vraag stellen, helemaal betrokken op het aardse, antwoordt Jezus hen, maar op geestelijke wijze, door het aardse te overstijgen. Dit wil zeggen dat Hij hen een verheven leer wil geven en Hij antwoordt  :

«  Ik ben de weg, de waarheid en het leven, en niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.  »

Ook dit zijn heel duidelijke woorden. De plaats waarheen Jezus gaat is het huis van zijn Vader. Hij zegt het en herhaalt het  : het is naar de Vader dat ik heenga. Naar mijn Vader ga Ik en jij kent de weg niet om naar mijn Vader te gaan  ? Ik ben die weg  ! Je moet je slechts aan Mij binden, je hoeft maar met Mij te zijn, ik ben de Middelaar. Ik ben de weg die van de aarde naar de Hemel leidt.

Niemand kan naar de Hemel gaan tenzij, vanzelfsprekend, langs Jezus om. Het is het geloof in Jezus en in Jezus alleen dat de weg naar de Hemel opent. Dit is controversieel in deze tijd  : alle godsdiensten zijn aan elkaar gewaagd, zegt men, maar dat is fout  ! Jezus heeft gezegd  : «  Ik ben de weg en niemand kan naar de Vader gaan tenzij door mij.  »

«  Als gij Mij zoudt kennen, zoudt gij ook mijn Vader kennen. Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem.  »

De mensen begrijpen er niets van  ! Maar als we bedenken dat deze woorden volgen nadat de apostelen op de avond van Witte Donderdag, de avond van het Laatste Avondmaal, massaal gevlucht zijn, is het duidelijk dat Jezus een allusie op het verleden maakt  : «  Als ge mij gekend hadt, als ge begrepen hadt wie ik was, zoudt ge me niet verraden hebben. Als ge mij gekend hadt, zoudt ge duidelijk begrepen hebben dat mijn Vader God was, en zoudt ge dus het geloof niet verloren hebben.  » Dat is een verwijt voor het verleden  : «  Als ge mij gekend hadt  », dit wil zeggen «  begrepen, gevolgd en bemind  », zouden jullie mij niet verraden hebben omdat jullie dan geweten zouden hebben dat Ik in mijn Vader ben en dat mijn Vader in mij is. Nu weten jullie het, nu Ik verrezen ben, nu Ik hier ben als een hemelse figuur midden onder jullie, nu zien jullie duidelijk wie mijn Vader is.

Nieuwe tegenwerping  ! Jezus doet het met opzet, dat «  reeds kent gij Hem  », om hen ertoe aan te zetten een tegenwerping te opperen. Nu is het Philippus die Hem ondervraagt  : «  Toon ons de Vader  ; dat is ons genoeg.  »

U spreekt ons steeds van de Vader, U gaat naar de Vader… Maar geef ons de Vader, voer ons naar de schoot van de Vader en we zullen voldaan zijn. Toon ons de Vader en dat zal ons volstaan  !

Dan antwoordt Jezus op die woorden van Philippus  : «  Ik ben al zo lang bij u en gij kent Mij nog niet, Filippus  ? Wie Mij ziet, ziet de Vader. Hoe kunt ge dan zeggen  : Toon ons de Vader  ? Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is  ?  »

Ach, hoe overstijgen deze verheven woorden ons  ! En Jezus voelt heel goed dat de woorden die Hij zegt zijn apostelen beginnen te overstijgen en dat ze zeker nood zullen hebben aan de H. Geest en dat wij aan Hem ook nog nood hebben om deze woorden te verstaan en niet ontmoedigd achter te blijven. Dus voegt Jezus eraan toe  : «  De woorden die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar het is de Vader die, blijvend in Mij, zijn werk verricht. Gelooft Mij  : Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij. Of gelooft het anders omwille van de werken die ik doe.  »

Tot besluit zullen we drie openbaringen weerhouden die Jezus ons gedaan heeft tijdens zijn rede na het Laatste Avondmaal  :

Eerste openbaring  : Hij gaat ons in de Hemel een plaats bereiden.

Tweede openbaring  : Hij is de weg. Het volstaat zich in zijn voetspoor te engageren, zich met Hem te verenigen om naar de Hemel te gaan en de Vader te zien.

Derde openbaring  :  Jezus antwoordt aan Philippus  : «  Wie Mij ziet, ziet de Vader  !  »  Dit wil zeggen  : als je mij vanaf heden bemint, dan ben je reeds verenigd met de Vader, vermits de Vader in Mij is en vermits Ik in de Vader ben.

Jezus laat hen dus om zo te zeggen zien dat ze reeds hun doel bereiken, dat hij die reeds dichtbij Hem is en met Hem eet aan zijn tafel, hij die het geloof heeft, die zich niet tevreden stelt dit op een stoffelijke wijze te toetsen, maar die, met zijn hart, zijn verstand alles aanhangt wat Hij zegt, dat zo iemand reeds in aanwezigheid van de Vader is, dat de Hemel voor hem reeds begonnen is.

Laten we goed voor ogen houden het wonderlijke onderricht dat Jezus gegeven heeft aan zijn Kerk, via zijn apostelen, alvorens terug naar de Hemel op te klimmen  : «  Als ik naar ginds boven vertrokken zal zijn om jullie een plaats te bereiden, zal ik vandaar met mijn Vader terugkeren tot bij u, we zullen in u aanwezig zijn, maar op geestelijke wijze. Die lichamelijke aanwezigheid zal een einde nemen, ziedaar de oorzaak van het verdriet. Maar de oorzaak van de vreugde is veel groter  : er zal een einde komen aan deze lichamelijke aanwezigheid en ik zal met mijn Vader komen en het zal de inwoning zijn van God, Vader, Zoon en H. Geest. We zullen bij u zijn, we zullen in u zijn.  »

abbé Georges de Nantes
uittreksels uit de homilie van 21 april 1985