De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

5 AUGUSTUS 2018

De uiteenzetting over het Brood des levens (I)

DE Kerk laat ons in deze augustusmaand mediteren over het 6de hoofdstuk van Sint-Jan, dat getrouw de woorden van Jezus weergeeft over het Brood des levens, aankondiging van het sacrament van de Eucharistie. Die toespraak te Kafarnaüm is absoluut beslissend, het is een essentieel element van het Evangelie. Jezus heeft in de woestenij de broden vermenigvuldigd door op een heel originele manier het mirakel van het manna te hernieuwen. We zullen vandaag zien hoe onze goddelijke Verlosser, ondanks het onbegrip van de Joden, aan zijn toehoorders de diepzinnige verklaring openbaart van het mirakel dat Hij pas gedaan heeft.

24 Iedereen bevond zich de volgende dag te Kafarnaüm en de menigte die zeer opgewonden op zoek was naar Jezus vroeg Hem  : «  Rabbi, wanneer bent U hier gekomen  ?  » Op deze indiscrete nieuwsgierigheid, ongetwijfeld ingegeven doordat ze uitkeken naar nieuwe wonderen, antwoordde Jezus  : «  Gij zoekt Mij  » omdat gij van dat brood gegeten hebt en erdoor verzadigd werd, in plaats van u te laten onderrichten door de tekenen die Ik u geef…

«  Werkt dus veeleer voor het voedsel dat blijft om eeuwig te leven en dat de Mensenzoon u zal geven. Op Hem immers heeft de Vader, God zelf, zijn zegen gedrukt.  »

28 De menigte is nog niet ontvankelijk voor zo’n hoogstaande taal, gezien de messiaanse roes waarin ze verkeert. Nochtans is de vraag die ze tot Jezus richt welgekomen en ontroert ze door haar aanhankelijkheid  : «  Welke werken moeten wij voor God verrichten  ?  »

Daarop antwoordt Jezus hen met dezelfde eenvoud en rechtlijnigheid  : «  Dit is het werk dat God van u vraagt  : te geloven in Degene die Hij gezonden heeft.  » Want het zijn voortaan niet langer hun eigen “ werken ”, die van gehoorzaamheid aan de joodse Wet, die belangrijk zijn voor hun redding, maar wel te geloven in Hem, Jezus, die zelf het Werk van God is. Welnu, zelfs op dat punt is hun reactie voortreffelijk. Ze vroegen Hem dus  : «  Wat voor teken doet Gij dan wel, waardoor wij kunnen zien dat wij in U moeten geloven  ? Wat doet Gij eigenlijk  ? Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, zoals geschreven staat  : Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten.  » Onder verstaan  : gij die het aardse brood en de vissen vermenigvuldigt, wanneer zult gij opnieuw de tekenen stellen die onze vaderen in de woestijn ontvingen… in de tijd waarin de Hemel zorg droeg voor de aarde  !

32 En op zo’n gevatte vraag vol vertrouwen antwoordt Jezus opgewekt  : «  Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u  : niet Mozes is het die u het brood uit de hemel gegeven heeft. Het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven, want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld.  »

In zoverre men deze vurige stroom van goddelijke waarheden gevolgd heeft, beeft men bij deze openbaring van het “ Brood van God ”, mysterieus voedsel dat uiteindelijk aan de mensen gegeven wordt  : als het ware weggenomen van zijn eigen tafel om hen te doen leven van zijn eeuwig, hemels en gelukzalig Leven  !

35 Maar onze Joden uit Kafarnaüm zijn daar nog niet aan toe  ! Ze willen eten en drinken van gaven die uit de Hemel komen, maar enkel voor hun hongerige magen en hun droge keelgaten. «  Heer  », zeggen ze, «  geef ons steeds opnieuw van dat brood.  » Ze hebben het niet beter begrepen dan in hun tijd Nicodemus en de Samaritaanse vrouw, en de leerlingen die met hun provisie in de hand tot Hem zeiden  : «  Heer, eet, maar eet dan toch  !  » toen Hij hongerig en dorstig was naar een ander voedsel en een andere drank  !

«  Ik ben het brood des levens  : wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen. Maar Ik zei u reeds dat, hoewel gij Mij hebt gezien, gij toch niet gelooft.  »

Daar ligt de barrière van onbegrip. Wanneer zal die wegvallen  ? Jezus weet het en Hij moet hen ook over dit punt duidelijkheid geven, zoals Hij gedaan heeft tegenover anderen vóór hen. Maar met hen zal Hij verder gaan dan Hij ooit tevoren geweest is. Hij zal hen de gave van God openbaren zonder dewelke niemand dorst naar die drank, noch hongert naar dat brood, noch geloof heeft in dat Leven, in dat Woord, in dat Werk van God dat Hijzelf is, voor hen. Het gaat hier om de mooiste schat, het Testament van Jezus aan zijn landgenoten, dat Hij hen schenkt op het moment waarop Hij hen misschien zal verliezen. Laten we luisteren hoe het Woord zijn goddelijke geheimen openbaart  :

37 «  Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik niet buitenwerpen. Ik ben immers uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft. Welnu, dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft, dat Ik niets van wat Hij Mij gegeven heeft verloren laat gaan, maar het doe opstaan op de laatste dag.  »

Plots doen deze woorden beroering ontstaan  ; het is als trompetgeschal. Jezus zal dus de mensen doen opstaan op de laatste dag. Of Hij hiermee een geestelijke verrijzenis heeft bedoeld, of een verrijzenis van het lichaam, zoals de Farizeeën die geloofden in de verrijzenis van het lichaam, dat is van weinig belang  ! Hij opent voor hen de poorten van de toekomst, de poorten van het Paradijs. Nooit heeft een man vóór Hem op zo’n overtuigende manier over het Paradijs gesproken. Hij is er de Meester van, Hij kwam uit de Hemel, niet de hemel van het manna, van de wolken, Hij kwam van bij God en zou zijn kudde gaan verzamelen. Hij was het ware Brood dat eeuwig leven geeft  : wanneer men van dat Brood begon te eten, dat wil zeggen in Hem begon te geloven, zou Hij hen naar de eeuwigheid voeren.

Dat is dus het Werk van God, hier voor de eerste maal aangekondigd, dat meteen alle begrip van zijn toehoorders volledig overstijgt. Deze gave die de Vader doet aan de Zoon, van de zielen die Hij Hem opdraagt te evangeliseren, dat is compleet nieuw voor de Joden  ! Bij het oproepen van die bijzondere aandacht voor elke persoon – waarvan hun redding afhangt, op voorwaarde dat ze ermee instemmen en zich naar de Zoon laten leiden door de Vader en naar de Vader door de Zoon – lijkt Jezus ontroerd te zijn, verrukt, onder de indruk van de grootsheid van zijn zending en, ik durf het zeggen, van zijn verantwoordelijkheid  : «  Ja, dat is de wil van mijn Vader, dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven bezit  ; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.  »

broeder Bruno van Jezus-Maria
uittreksels uit het commentaar op het Evangelie van Sint-Jan