De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

29 MAART 2018

Trouw zijn aan Jezus in zijn doodsstrijd
om voor eeuwig met Hem te zijn in de Hemel

O mijn Jezus, aanwezig in dit heilig tabernakel, wij aanbidden U en we zeggen U dank omdat Gij de wereld door uw Heilig Kruis hebt vrijgekocht. Wij willen een uur bij U verblijven, zoals Gij gevraagd hebt op het moment dat de Kerk uw doodsstrijd herdenkt in de Hof van Olijven. We zijn aangekomen bij uw Laatste Avondmaal, die laatste maaltijd die Gij vervuld van liefde en vriendschap gewild hebt. We herkennen hier heel goed uw H. Hart, o Jezus. Het was uw bedoeling de apostelen een hart onder de riem te steken, maar Gij waart ook bezield door de nood om hun vriendschap te voelen, omringd te zijn, want als de mensen nood hebben aan God, dan heeft het U ook behaagd, o mijn God, nood te hebben aan mensen.

Het is dus een nood van uw Hart en gelijktijdig de gehoorzaamheid aan uw Vader die U geïnspireerd hebben tot een afscheidsmaal tijdens hetwelk Gij de Eucharistie hebt ingesteld. Omdat Gij zacht en nederig van Hart zijt en boven alles de liefde van uw leerlingen zoekt, omdat Gij veeleer wilde bemind worden dan gehoorzaamd of gevreesd  !

We beginnen dit heilig Uur in de vreugde, in de vertroosting van dat Hart, bereid om U meer dan al het andere te beminnen, om U trouw te zijn tot aan de dood, met uw genade. Geef ons uw kracht, uw genade als een vrucht van onze communie straks, opdat alles in ons er op gericht mag zijn U te eren, te beminnen, te danken, U te volgen als volmaakte leerlingen.

En eerst wast Gij hen de voeten. Ik zie, o Jezus, hoe Gij begint met de voeten van uw leerlingen te wassen, iets wat voorbehouden was aan buitenlandse slaven. Gij hebt het werk van slaven gedaan  ! Voor uw leerlingen hebt Gij het meest vernederende gedaan, het schandelijkste, ja het meest degraderende kan men zeggen. Maar vooral moet ik de betekenis van de voetwassing begrijpen en het woord tot Sint-Petrus gericht  : «  Gij zult mijn deelgenoot niet kunnen zijn  ». Die vernederende daad is het symbool van het offer dat Gij gaat volbrengen op het Kruis. Zij die zich de voeten laten wassen, zijn zij die baat zullen hebben bij uw Lijden als slaaf op het Kruis. Zij die zouden weigeren zich de voeten te laten wassen, zouden het heil weigeren dat door het Kruis verworven wordt. Dat gebaar is hetzelfde als dat van het Kruis, het symbolisch gebaar van het Kruis.

Ook wij hebben ons “de voeten laten wassen” door de biecht. Als we dichtbij U zijn deze avond, dan is dat omdat we uw geredden, uw vrijgekochten zijn, de vruchten van uw zwoegen en uw pijn. We hebben ons de voeten laten wassen, dat is de werkelijkheid van het Kruis. Ik aanvaard dus, Jezus, die vernederende nederigheid die Gij tegenover mij aan de dag legt door me de voeten te wassen. Ik begrijp vervolgens dat Gij mij het bevel geeft hen van wie ik hou nabij te zijn, zoals Gij voor mij geweest zijt. «  Ik heb u een voorbeeld gegeven.  »

Na de maaltijd spreekt Gij tot uw leerlingen op een tedere en mystieke wijze. Gij openbaart welke hechte eenheid er moet bestaan tussen U en ons, zoals die bestaat tussen U en de hemelse Vader. Wat een mysterie  ! «  Ik ben de ware wijnstok  ; blijft in Mij.  » Het is een eenheid van leven zoals die van de rank verbonden met de wijnstok. Daarom ook zal de mens die zich afscheurt van Jezus door de zonde sterven, terwijl hij die geënt blijft op de wijnstok in zich het sap ziet opstijgen  : bladeren, vruchten in overvloed. Alles wat overbodig is, wordt door de wijnbouwer gesnoeid om vruchten in overvloed te geven. Het is het ongeluk van de zondaar die zich uit ongeloof afscheidt van Jezus  : hij verdroogt, men raapt hem op en gooit hem in het vuur waar hij opbrandt. O Jezus, hoe toont Gij ons in weinig woorden de nutteloosheid van het leven van de zondaar en zijn eeuwige veroordeling  !

Mochten onze voornemens van deze avond ons een voorpand voor onze redding zijn, ons in U doen blijven om niet in het vuur gegooid te worden.

Dan doet Gij ons een ondoorgrondelijke openbaring over uw Hart, o Jezus  ! «  Ik heb de geboden van mijn Vader trouw onderhouden en Ik blijf in zijn liefde.  » Wat een trouwe Zoon  ! Dezelfde trouw wordt ons gevraagd om in de liefde van Jezus en die van de Vader te blijven. De Vader bemint de Zoon, de Zoon de leerlingen. Wat een liefde  ! «  Zoals de Vader Mij heeft lief gehad, zo heb ook Ik u lief gehad.  »

Men kan slechts beminnen als men zichzelf opoffert, aan zichzelf verzaakt, alle lijden aanvaardt  : de zelfgave opdat anderen zouden leven. O Jezus, geef ons deze avond de moed om onze broeders te beminnen met dezelfde gezindheid van opoffering en toewijding, óók onze vijanden, zoals Gij ons hebt liefgehad. Geef ons dat verlangen opdat onze vreugde volkomen zou zijn, opdat we met U verenigd zouden zijn als vrienden en niet langer als dienaars, opdat we het Onzevader zouden kunnen bidden.

Dan kwam tenslotte het uur om het Cenakel te verlaten, de nacht in te gaan om het lijden op zich te nemen. Hoe indrukwekkend is het gebed dat Jezus dan bidt  ! Hij leert ons eerst voor onszelf te bidden, de genade te vragen die we nodig hebben. Gij hebt gebeden, Gij zijt verhoord geworden  ; aan ons nu om te bidden voor onszelf opdat we verhoord zouden worden. Vervolgens bidt Gij voor uw leerlingen. Wat een eenvoud ligt in dit gebed  ! Het volstaat te beminnen, trouw te zijn, tot de Vader te bidden om de genade te ontvangen, en zo is onze redding verzekerd. Jezus bidt voor zijn apostelen, voor ons, en drukt zijn wil uit ons allemaal te willen redden. «  Ik wil dat daar waar Ik ben ook zij mogen zijn.  »

Hoe sterk staan we  ! Hoezeer zijn we verzekerd van het eeuwig heil, als we tenminste trouw aan Jezus zijn. «  Trouw zijn aan Jezus om voor eeuwig met Hem in de Hemel te zijn. Amen  !  » Mocht dat onze bede zijn gedurende dit Heilig Uur en gedurende de ganse nacht.

abbé Georges de Nantes
uittreksels uit het Heilig Uur van 12 april 1979