De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

15 AUGUSTUS 2019

De theologische redenen voor de Tenhemelopneming

DE Tenhemelopneming van de H. Maagd Maria, de Onbevlekte Moeder van God, is een historische gebeurtenis, een mirakel, waarin de christenen steeds geloofd hebben. Om die reden besliste paus Pius XII op 1 november 1950, instemmend met de wensen van heel de Kerk, om dat voorrecht van de H. Maagd Maria plechtig af te kondigen als een dogma van ons katholiek geloof.

Treden we binnen in de geest en het hart van de Kerk en laten we proberen de theologische redenen van een dergelijke eer te begrijpen.

Waarom heeft dat maagdelijk lichaam geen ontbinding gekend  ?

Het lichaam van de Maagd Maria is een broos, sterfelijk lichaam, «  een lichaam dat in alles op het onze gelijkt  », zou de H. Paulus zeggen, «  behalve in de zonde  »  : onze huidige zonden en de zonden die wij begaan hebben in ons leven en die aan ons zo diep knagen, die ons lichaam en zelfs ons verstand aantasten. We erkennen, met psalm 50, dat we in zonde geboren zijn.

Maar het lichaam van de Maagd Maria heeft niet alleen geen zonde gekend, het is ook nooit in de macht van de duivel geweest en evenmin getroffen geweest door de smet van de erfzonde. God heeft haar bewaard met het oog op de Menswording. De Maagd Maria is Onbevlekt, zij is de Onbevlekte Ontvangenis. Om die reden is dat lichaam, dat van in de moederschoot vrij was van elke vlek, van elke smet, het tabernakel geworden van de Allerhoogste. Nooit zou het tabernakel van Christus getroffen kunnen geweest zijn worden door bederf, noch fysiek noch moreel.

Daarom is de Maagd Maria ingeslapen in het graf om vervolgens door Christus gewekt te worden. We zeggen niet dat zij zelf naar de Hemel is opgestegen. Neen, het is Christus, haar Zoon, mens geworden God, die haar uit het graf heeft doen opstaan en haar vervolgens heeft meegenomen, meegetrokken naar de Hemel, door de kracht die in Hem als God is. Hij heeft haar naar de Hemel getrokken omdat het niet paste dat ze als zeer zuiver schepsel de verrotting van het graf zou kennen.

Waarom heeft God niet alleen zijn Zoon, maar ook de Maagd Maria, zijn Moeder, ten Hemel opgenomen  ?

Het is voor de volmaakte lofprijzing van zijn heerlijkheid dat God de Maagd Maria in haar geheel heeft willen doen verrijzen opdat zij zo snel mogelijk aan zijn zijde in de Hemel zou zijn, met heel haar wezen en al haar vermogens. God heeft tegenover Hem dat uitzonderlijk schepsel waarvan Hij de schoonheid erkent waarin Hij soeverein behagen schept, want zij brengt een onophoudelijke lofzang aan haar dierbare Heer in een eeuwig durend Magnificat.

Voegen we daar een andere, meer gevoelsmatige reden aan toe  : Christus wilde aan zijn Moeder elk mogelijk geluk schenken. Hij wou dat ze met haar verstand en gevoel deelheeft aan al de vreugde van het licht en het geluk van de Hemel.

Voldoende redenen dus voor de Tenhemelopneming. Ik zou er een laatste willen aan toevoegen die aansluit bij onze huidige meditaties over de Verrijzenis van het Lichaam van Christus, over onze verrijzenis aan het einde van de wereld.

Het staat vast dat we onderling met elkaar communiceren door ons lichaam. Het meest edele doel van ons lichaam is ons onderling met elkaar in verbinding te stellen. Door het kanaal van dat onvolmaakte vlees communiceren ons verstand en onze ziel.

Als dat waar is op aarde, zal dat dan niet nog meer waar zijn in de Hemel  ? Vermits God mens geworden is en momenteel glorievol in de heerlijkheid van de Vader is, houd ik eraan vast dat de menselijke wezens in de Hemel slechts de engelen, de goddelijke Personen en hun andere heilige broeders en zusters kennen door toedoen, door het werktuig, door de tussenkomst van het lichaam. Jullie begrijpen dan waarom de Verrijzenis van Christus en de Tenhemelopneming van de Allerheiligste Maagd Maria allernoodzakelijkst zijn voor de vreugde van de uitverkorenen.

Op aarde hebben we nood aan beeldhouwwerken van de Maagd Maria, de heiligen of Christus opdat onze verbeelding een beetje zou doordringen tot het geestelijk mysterie van Christus, de Maagd Maria en de heiligen. Welnu, op dezelfde manier houd ik ervan te denken dat in de Hemel de uitverkorenen het gelaat van de Maagd Maria aanschouwen, haar verheerlijkt wezen. En door toedoen van dat gelaat, van die glimlach, van die blik, hebben ze enige toegang tot het mysterie van zuiverheid, heiligheid, moederschap en barmhartige liefde van de Maagd Maria.

Het was daarom bijzonder passend dat God de Maagd Maria deed verrijzen en haar naar de Hemel voerde. Christus is verrezen, Hij is als eerste overgegaan, en daar waar het hoofd doorgegaan is, zal het lichaam volgen, zegt Sint-Paulus ons. Verder was het niet alleen passend, maar goed en bewonderenswaardig dat de Maagd Maria, zijn uitverkoren bruid, de heiligste van alle zielen, voortsnelt in zijn spoor. Als Moeder van God is zij ook onze Moeder en vermits zij ten Hemel gevoerd is met lichaam en ziel weten we goed dat de weg voor ons christenen, die haar kinderen zijn, openligt.

Als ik hierop verder wil doorgaan, zou ik zeggen dat de weg open is in beide richtingen. Net zoals zij, gedragen door de engelen, vanuit het graf naar de Hemel is opgestegen, zo ook is zij terug afgedaald naar de grot van Lourdes waar wij nog naartoe gaan om te bidden en er onze blik op te richten. Zij is daar gekomen, in haar van gedaante veranderd lichaam. Zo gaat en komt de Maagd Maria, onze Moeder, en toont ons dat de weg open is opdat wij ons haasten om in haar voetspoor te treden en in bereik van de geur van haar parfum te zijn, zoals het Hooglied zegt. Zo heeft ook ieder van ons de bijzonder bovennatuurlijke, vaste en vreugdevolle hoop om op zijn beurt over te gaan van de aarde naar de Hemel.

Daar, in onze ziel en ons lichaam, zullen we genieten van alle geestelijke en lichamelijke genoegdoeningen – weliswaar geheiligd – van het Paradijs, zullen we opnieuw genieten van onze kennis en wederzijdse liefde, omdat onze lichamen daar het zeer serene, zeer gelukkige, zeer volmaakte medium zullen zijn van onze in God verenigde geesten.

abbé Georges de Nantes
uittreksels uit de homilie van 15 augustus 1973