De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

14. De godsdienstvrijheid, ondermijning van het geloof

  1. Toen de liberaal-katholieken moegestreden waren en er genoeg van hadden om te vechten tegen een vijandige wereld, tegen de geheime genootschappen die de bronnen van de macht, de eer en het geld in handen hebben, besloten zij de Kerk te verzoenen met de wereld. Zij spanden zich in om begrip te tonen voor alle mogelijke opvattingen onder de mensen, zelfs voor die van de grootste vijanden van ons geloof – alsof het ja en het neen met elkaar kunnen worden verzoend, alsof er overeenstemming mogelijk is tussen de leerlingen van Christus en de antichristelijke atheïsten, tussen hen die arbeiden voor de uitbreiding van het Rijk van Jezus en hen die verwoede pogingen doen om het te vernietigen (cf. 2 Cor 6, 15).
  2. De toenadering die de liberaal-katholieken nastreven is alleen mogelijk door de erkenning en afkondiging van een volledige godsdienstvrijheid, dat wil zeggen van het gelijke recht van alle godsdiensten en levensvisies om voor waar gehouden te worden en dus ook in volledige vrijheid te worden beleden, ieder volgens zijn persoonlijke opvattingen. Eigenlijk is dat een Copernicaanse omwenteling. Vroeger stond de geopenbaarde godsdienst, met zijn goddelijke waarheid, zijn wetten en sacramenten die door Jezus vanuit de hemel op aarde waren gebracht, radicaal tegenover de door de hel geïnspireerde duisternis van de dwaling en de goddeloosheid. Tegenwoordig komen alle religieuze of filosofische voorstellingen en overtuigingen gelijkelijk voort uit het menselijk geweten. De liberaal-katholiek ziet er geen fundamenteel verschil tussen. Wat iemand voor waar en goed houdt, heeft dezelfde rechten, dezelfde waarde, dezelfde authenticiteit als wat hij bij de anderen als dwaling of gebrek aan godsdienstigheid beschouwt.
  3. Zo ziet de liberaal-katholieke opvatting over de godsdienstvrijheid eruit. Vandaag is zij de fundamentele overtuiging van heel de mensheid geworden en heeft zelfs de post-conciliaire Kerk haar geaccepteerd. Het gevolg is dat er geen vast en objectief onderscheid meer is tussen waarheid en dwaling. Niemand kan nog aanspraak maken op het privilege dat hij gelijk heeft, geen enkel gezag heeft nog de macht om respect voor het ware en het goede op te leggen of de leugen en het kwaad te beletten. Alles is vrije meningsuiting geworden. Wat uit een eerlijk geweten voortkomt, is toegelaten en mag niet verboden worden.

Op die manier is de bron van de godsdienst niet meer God, maar het menselijk geweten. De autoriteit waarop de godsdienst steunt, is de mens zelf. Tussen de liberaal-katholiek en de vrijmetselaar is er nog maar één, nauwelijks merkbaar verschil  : de laatste denkt dat er geen waarheid is, de eerste gelooft nog dat hij in de waarheid is, zijn waarheid, die hij echter niet kan of wil opleggen aan de anderen.