De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

29. Kerk en christenheid

Er is een groot verschil en zelfs een dodelijke tegenstelling tussen de Kerk en de wereld, die laatste beschouwd als vreemd of vijandig aan het Evangelie en onderworpen aan de «  vorst van deze wereld  », Satan, een wereld dus die nog niet veroverd en overwonnen is door de liefde en de macht van haar uiteindelijke Heer en Koning, Jezus Christus. Maar toch  : wat zou de Kerk zijn als zij niet ingeplant was in de wereld  ? Als zij slechts een geestelijke gemeenschap zou zijn, een puur religieuze band zonder enige materiële basis of zonder sociale instelling  ?

Het is normaal en noodzakelijk en ze heeft er van Christus de opdracht toe gekregen dat de Kerk alle realiteiten van het aardse leven, van de gezinnen, de volkeren en de staten in zich opneemt. De evangelische wereld, bevrijd van de voogdij van Satan en volledig geleid door de wet  van Christus, noemen wij de christenheid.

  1. De falangist weigert de Kerk te zien als een entiteit zonder betrokkenheid of inzet in de wereld. Voor hem gaat het bij Kerk en christenheid om dezelfde aarde, dezelfde steden, dezelfde volkeren. Die moeten beschouwd worden zowel in hun profane noodwendigheden, tradities, activiteiten en doelstellingen als in hun godsdienstige organisatie, leven en bestemming. Zonder de Kerk kan de christenheid – die tegenwoordig verschrikkelijk door de Kerk in de steek gelaten wordt – zich niet lang handhaven in haar orde, deugd en schoonheid  : de Kerk moet haar een ziel, een elan en een bovennatuurlijk pantser geven. En omgekeerd is de Kerk zonder de christenheid – zoals in tijden van vervolging en vandaag van liberalisme en anarchie – ten prooi aan ziekte en blootgesteld aan uittering en dood, ondanks wonderen van voortdurende heldhaftigheid.
  2. De falangist weigert een christelijke wereld die zich niet onderwerpt aan de Kerk en zich niet voor haar wil opofferen. De Kerk moet van die wereld immers de inspiratiebron, de voedster en de onmisbare gids zijn. Daarom past hij er voor op te dromen van een geheel vergeestelijkte, “ abstracte ” Kerk zonder band of concordaat met de aardse maatschappij, haar gezagsdragers en wetten. Met zo’n dromerijen stelt hij beide, Kerk én wereld, aan de ondergang bloot.

3. De falangist is sterk en weloverwogen gehecht aan het concept van de christenheid. Hij is trots op haar roemrijk verleden, bekommerd om haar tegenwoordig bestaan en enthousiast over haar universele roeping. Hij verdraagt de valse kritiek niet die op de christenheid wordt uitgeoefend  : dat zij een gesloten getto zou zijn, jaloers op haar tijdelijke en geestelijke goederen. Hij weet dat er voor de hem dierbare christenheid slechts wettigheid, leven en toekomst is dankzij het mysterieuze sap van de goddelijke genade, enkel geschonken door de Rooms-katholieke Kerk. Die zou onmogelijk geheel de menselijke orde kunnen inspireren en bezielen als zij niet op de eerste plaats Kerk van de genade was, Kerk van de eeuwige zaligheid, Kerk waarvan het hart zich elders bevindt, ver boven de dingen van deze wereld  : in de hemel, waar haar Bruidegom Jezus Christus is en waarheen zij onophoudelijk haar kinderen probeert te leiden.