De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

DE GESCHIEDENIS VAN DE KERK

2. De Kerk van de martelaren
2de – 3de eeuw

Sint-SebastiaanNA de dood van Nero (68) is de aandacht van de Romeinen toegespitst op de joodse opstand. Wanneer Domitianus de christenen vervolgt, is dat dan ook omdat hij hen met de Joden verwart. Gedurende heel de 2de eeuw wordt er geen enkel verbod tegen de christenen uitgevaardigd door het centrale gezag. Zij lijden dus geen algemene vervolging, maar ondergaan enkel plaatselijke aanvallen, die vanuit de heidense of joodse bevolking komen die hen beschuldigt van oproer en verdorven zeden. De enige ernstige poging tot antichristelijke polemiek vinden we in De waarachtige toespraak van Celsus.

Zoals het exact wordt weergegeven in het lijdensverhaal van Jezus, stellende processen tegen de christenen de Romeinse magistraat die ze voorzit voor een nog nooit voorgekomen probleem  : het onderzoek toont immers telkens aan dat de christenen onschuldig zijn aan het overtreden van de Romeinse wet. Plinius de Jongere, gouverneur van Bithynië, vraagt aan keizer Trajanus (112) of de naam christen op zich dan al een reden tot veroordeling is  ? Het antwoord zal gedurende heel de regering van de Antonijnen de jurisprudentie (toepassing van het recht) sturen  : “ Conquirendi non sunt ”, zij moeten niet opgespoord worden. Maar als ze verklikt worden en weigeren hun geloof af te zweren, dan moeten ze veroordeeld worden. En in geen enkel geval mogen anonieme beschuldigingen ontvankelijk verklaard worden. De Apologetische Vaders kloegen de onrechtvaardigheid aan van deze nochtans gematigde rechtsregel  : “ De christen is strafbaar niet omdat hij schuldig is, maar omdat hij ontdekt is, ook al was het niet toegestaan hem te achterna te zitten  ! ” (Tertullianus). Daaruit volgt voor de christenen een voortdurende onzekerheid  ; zij leven altijd met de dreiging verklikt te worden. Sint-Ignatius van Antiochië wordt in Rome voor de beesten gegooid en Sint-Polycarpus in Smyrna levend verbrand. Dit zijn twee martelaars die ook Kerk-vaders zijn omdat zij ons brieven hebben nagelaten van een grote mystieke rijkdom, en Apostolische Vadersomdat “ zij de stem van de apostelen nog in hun oren hadden en hun voorbeelden voor hun ogen ” (Sint-Ireneüs).

GELOOFSVERDEDIGING EN DEBATTEN

“ Sanguis martyrum, semen christianorum ” (Tertullianus). Het bloed van de martelaren is het zaad voor nieuwe christenen. Het bloed van de martelaren is voor het christendom het meest welsprekende argument. Toch zou dat bloed niet volstaan zonder een leer die aan hun heldhaftigheid de volle waarde van getuigenis geeft. Het is het werk van de Apologetische Vaders geweest de naam christen niet alleen gerechtvaardigd te hebben tegen de beschuldigingen die er tegen ingebracht werden, maar ook aangetoond te hebben dat deze naam een nieuwe wijsheid insluit, een betere filosofie dan de oude.

Sint-Justinus is de initiatiefnemer van deze uitwerking van de doctrine. Zijn twee apologieën (geloofsverdedigingen) zijn als smeekbeden aan het adres van de keizers Antoninus Pius en Marcus Aurelius. Hij doet een beroep op hun filosofie, hun vroomheid en hun deugd om in overweging te nemen hoe de christenen de ware vroomheid, de ware wijsheid toegeschreven aan de grootste Griekse filosofen (Socrates, Heraclitus en Plato) vertegenwoordigen. Hun deugdzaamheid en hun loyaal onderhouden van de wetten maken hen tot de beste burgers. Tegenover zo’n wijsheid stelt hij de fabels van de mythologie en de zedeloosheid van de heidenen. Tenslotte bezegelt hij zijn christelijke bewijsvoering met zijn eigen moed en sterft hij de marteldood in 165.

Zo wordt voor de eerste keer de idee uitgedrukt dat de Kerk en Rome gemaakt zijn om tot overeenstemming te komen, omdat de christenen geen enkele reden hebben om zich af te snijden van een beschaving waarvan zij houden en waarvan ze alleen maar de perversiteiten afwijzen  : de eredienst aan de keizer als was hij een god en de ontaarde zeden. Zij bewijzen dit overigens door de ketterijen te bestrijden die evenzeer tegengesteld zijn aan het ware geloof als aan de humanistische wijsheid van Rome. Voorbeelden zijn de ketterij van Marcio in Klein-Azië, die het Oude Testament verwerpt, en de ketterij van Montanus de Frygiër, die beweert dat volgens het Evangelie van Sint-Jan hijzelf de tijd van de H. Geest inleidt en die op basis van de Apocalyps verklaart dat de duizend jaren van het hemelse Jeruzalem zijn aangebroken  ; de man legt aan iedereen vasten en lichamelijke onthouding op om zich daarop voor te bereiden en beveelt het martelaarschap op te zoeken door de gezagsdragers uit te dagen.

Sint-Ireneüs toont in zijn werk Tegen de ketterijen aan dat deze maar miserabele menselijke uitvindsels zijn onder het mom van de esoterische traditie (kennis die slechts voor ingewijden toegankelijk is). Hij doet een beroep op de Traditie die van de apostelenkomt en die haar uitdrukking vindt in het gemeenschappelijk onderricht van de bisschoppen en in de geloofsregels vervat in het Symbolum van de Apostelen (ons Credo). Deze eenheid, aldus Ireneüs, is zelf de uitdrukking van het éne plan dat God heeft opgevat om alles samen te vattenin Christus.

DE ROODGEKLEURDE DAGERAAD VAN HET CHRISTENDOM

De eerste jaren onder Septimius Severus zijn een tijd van vrede voor de Kerk, die de beste bondgenoot is van de keizer in de taak die hij op zich neemt om het gezin te herstellen en de grenzen te verdedigen tegen de Parthen in het oosten en de Schotten in het noorden. Toch verbiedt hij in 202, tijdens een reis in Palestina, aan de christenen en aan de Joden het proselitisme (bekeringsijver). Deze maatregel is bedoeld om de heropleving van het joods messianisme de kop in te drukken  ; het suddert nog altijd ongeduldig onder het Romeinse juk, spant samen met de Parthen in Mesopotamië en zoekt aansluiting bij de ketterse leer van de montanisten die het huwelijk veroordelen en de christelijke soldaten oproepen tot desertie.

Het resultaat is een vervolging, waartoe ditmaal de magistraten het initiatief nemen. Men heeft het systematisch gemunt op neofieten, catechumenen en catechisten. De vervolging vertraagt de groei van de Kerk echter niet, maar lijkt haar integendeel te stimuleren  : zij breidt onder de hoede van de pausen en de bisschoppen niet alleen haar invloedssfeer uit maar ook haar instellingen  : doopselinitiatie, boetediscipline, organisatie van de hiërarchie, eucharistische en catechetische bijeenkomsten. De Kerk bezit eigen begraafplaatsen (catacomben) en begint gebouwen speciaal toe te wijden aan de eredienst.

Het Evangelie doordringt onstuitbaar de zeden van heel de maatschappij door ze van alle afgoderij en immoraliteit te zuiveren.

In 250 eist keizer Decius van alle burgers de deelname aan een algemeen offer aan de onsterfelijke goden, als uiting van eensgezindheid onder de bevolking. Paus Fabianus wordt tot de dood toe gemarteld. Veel christenen zweren hun geloof af (de lapsi). In 257 verbiedt een edict van Valerianus de christelijke eredienst en de bijeenkomsten op de begraafplaatsen  ; hij verplicht de leden van de christelijke hiërarchie te offeren aan de goden. Deze twee vervolgingen waren de meest bloedige, maar ze waren kortstondig en werden bijna ogenblikkelijk gevolgd door een eerste Kerkvrede. Deze zal duren tot aan de vervolging van Diocletianus (303), de laatste vervolging en als het ware de laatste oprisping van het heidendom in zijn poging het christendom te vernietigen.