De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

DE VERRIJZENIS VAN JEZUS
I. DE VOORAFBEELDINGEN

Maurice Denis (1870-1943), De opwekking van het dochtertje van Jaïrus.

Maurice Denis (1870-1943), De opwekking van het dochtertje van Jaïrus.

«  Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena’s morgens vroeg, terwijl het nog donker was, naar het graf, en zag de steen van het graf weggerold  » (Jo. 20, 1).

Deze Maria is de zuster van Martha en van de door Jezus uit de doden opgewekte Lazarus. Zij is de welbeminde, de bekeerde zondares van wie Jezus evenveel hield als van de apostel Joannes. Er zijn nog andere vrouwen naar het graf gegaan, maar Joannes denkt alleen aan Maria Magdalena, die trouwens als eerste was gekomen, toen het nog nacht was.

«  Zij snelde daarom vlug naar Simon Petrus heen, en naar de andere leerling, die Jezus liefhad.  » Het lijkt er op dat alleen die twee bestaan, hoewel het natuurlijk ook waar is dat de andere leerlingen gevlucht waren. Hoe dan ook, Petrus is bij Joannes en Maria Magdalena zoekt hen instinctmatig op om haar ontdekking te melden  : «  Men heeft de Heer uit het graf genomen en wij weten niet waar men Hem heeft neergelegd.  »

Ze zegt “ wij  ”  : dit bewijst dat de anderen haar wel degelijk vervoegd hadden, zoals de synoptische Evangelies het vertellen.

DE HEILIGE LIJKWADE ALS BEWIJSSTUK

«  Toen gingen Petrus en de andere leerling op weg, en begaven zich naar het graf. Ze waren samen op weg gegaan  ; maar de andere leerling liep sneller dan Petrus en kwam het eerst bij het graf. Hij bukte zich voorover, en zag het lijnwaad (othonia) liggen  ; maar hij ging er niet binnen. Nu kwam ook Simon Petrus achter hem aan, ging het graf binnen en zag het lijnwaad liggen, met de zweetdoek (soedarion) die zijn hoofd had bedekt  ; deze lag niet bij het lijnwaad, maar afzonderlijk opgerold op een andere plaats  » (Jo. 20, 3-7).

Deze laatste woorden onderstrepen het verschil tussen twee soorten “ begrafenislinnen ”  : enerzijds de linten die gediend hebben om Jezus’handen en voeten vast te binden om Hem naar het graf te kunnen brengen, en anderzijds de Lijkwade waarin Jezus’lichaam gewikkeld was. Wanneer Petrus en Joannes het graf bereiken, zien ze de linten verspreid op de grond liggen. De Lijkwade daarentegen ligt niet wanordelijk uitgespreid – ze is langer dan vier meter  ! – maar “ opgerold ” «  op een andere plaats  ». Het woord “ plaats ” (topos) wordt enigszins benadrukt, wat in het Hebreeuws maqôm, dat er de juiste vertaling van is, nog duidelijker zou overkomen.

«  Nu ging ook de andere leerling binnen, die het eerst bij het graf was gekomen. En nu hij het zag, geloofde hij ook.  »

Wat «  zag hij  »  ? De zorgvuldig “ opgerolde ” Lijkwade, gescheiden van de linten. Wat «  geloofde hij  »  ? Dat Jezus uit de dood verrezen was  : «  Want ze kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan.  »

Sint-Jan bekent schuld. Gelukkig doet hij dat, want zo weerlegt de evangelist op voorhand de modernisten volgens wie het geloof in Jezus’verrijzenis, in combinatie met de oude profetieën, «  de ontdekking van het ledige graf  » gecreëerd heeft, net zoals de verschijningen van de verrezen Jezus. Het tegendeel is waar. De feiten werden van in het begin erkend, op de allereerste plaats het feit dat men gewoonlijk – maar ten onrechte – «  de ontdekking van het lege graf  » noemt. Want het graf was niet leeg  ! Toen Sint-Jan de Heilige Lijkwade «  afzonderlijk opgerold op een andere plaats  » zag liggen “ zag ” hij Jezus zijn soedarâ oprollen zoals hij Hem zo vaak zijn reisdeken had zien opplooien. «  Nu hij het zag, geloofde hij ook.  » Voor Sint-Jan volstaat het de Heilige Lijkwade te zien om te geloven en sindsdien erkennen de gelovigen van generatie op generatie in deze relikwie de «  plaatswaar men aanbidden moet  » (Jo. 4, 20).

De verwijzing naar de Schriften om het getuigenis van het bewijsstuk te bevestigen is pas achteraf gekomen.

«  VOLGENS DE SCHRIFTEN  »

Op Pinksterdag getuigt Petrus dat Jezus verrezen is  : zijn Lichaam heeft levend het graf verlaten. Alle apostelen hebben het gezien  : «  God heeft deze Jezus doen verrijzen  ; daarvan zijn wij allemaal getuigen  » (Hand. 2, 32).

Om deze nooit eerder geziene gebeurtenis meer geloofwaardigheid te geven stelt Sint-Pieter zich niet tevreden met het feit dat de apostelen, de leerlingen en de heilige vrouwen ooggetuigen waren. Hij doet een beroep op de Heilige Schrift en haalt de profetie van psalm 16 aan in de Griekse versie van de Septuagint, volgens dewelke Gods Heilige “ het bederf ” niet zou kennen  :

«  God heeft hem opgewekt en verbroken de strikken van de dood  ; daar het niet mogelijk was dat deze Hem vasthielden. Want David zei van Hem  : “ De Heer hield Ik altijd voor ogen  ; want Hij staat Mij ter zijde, opdat Ik niet wankele. Daarom verheugt zich mijn hart en jubelt mijn tong  ; ook mijn vlees zal rusten vol hoop, want Gij laat mijn ziel niet in het dodenrijk achter. Uw Heilige laat Gij het bederf niet aanschouwen, Gij hebt Mij de wegen van het leven getoond  ; Gij zult Mij van vreugde vervullen door uw aanschijn  ! ”

«  Mannen broeders, van de aartsvader David mag men u zeker wel openlijk zeggen dat hij én gestorven is én begraven  ; zijn graf staat in ons midden tot op de huidige dag. Maar hij was een profeet, en hij wist dat God hem onder ede beloofd had één uit de vrucht zijner lende op zijn troon te doen zetelen. En daar hij de toekomst voorzag heeft hij over de verrijzenis van de Christus gezegd dat Hij niet in het dodenrijk zou worden achtergelaten, en dat zijn vlees het bederf niet zou zien  » (Hand. 2, 24-31).

Abbé de Nantes is ingegaan tegen de modernistische “ tekstverklaring ” waarvan het boek van de jezuïet Xavier Léon-Dufour, Résurrection du Christ et message pascal (1971) nog altijd het prototype is  :

«  Zonder ons van een rationalistisch of idealistisch vooroordeel te moeten bedienen, begrijpen we onmiddellijk wat Petrus ondubbelzinnig getuigt  : ze hebben de met zijn lichaam verrezen Jezus gezien, gevrijwaard van het bederf van het graf. En het beroep dat hij doet op de Schriften bewijst dat de maatschappij van die tijd er cultureel op voorbereid was om dit nieuwe woordgebruik in zijn volle waarheid te begrijpen  » (Le mystère de la Résurrection, CRC nr. 71, aug. 1973, blz. 10-11).

Die voorbereiding bestond uit een lange profetische traditie. Osee had rond 750 vóór Christus reeds aangekondigd dat het door God gestrafte volk van Israël een heropstanding zou verdienen als het zich bekeerde  : «  Komt, laat ons teruggaan tot Jahweh  ! Na twee dagen zal Hij ons doen herleven, de derde dag ons doen verrijzen, opdat wij leven voor zijn aanschijn  !  » (Osee 6, 1-2)

Ezekiël beloofde dat Jahweh zijn volk, na de beproeving van de Ballingschap (587-538 vóór Christus), zou doen verrijzen door hun verdorde beenderen opnieuw leven in te blazen  : «  Ik zal u spieren opleggen, vlees over u laten groeien, een huid over u heentrekken en een geest in u storten opdat gij levend wordt. Zo zult gij erkennen dat ik Jahweh ben  !  » (Ezekiël 37, 6)

Enkele jaren later, rond 550 vóór Christus, roept degene die abbé de Nantes “ de Onbekende van de Ballingschap ” noemt, Jeruzalem op om zich op te richten uit het stof waarin het als dood neerligt  : «  Ontwaak, ontwaak  ; Jeruzalem, sta op  !  » (Isaïas 51, 17; cf. 60, 1; 26, 19). Maar de profeet kondigt aan dat deze verrijzenis van een heel volk slechts bekomen zal worden door middel van een geheimzinnige “ Dienaar ” die door zijn lijden grote menigten zal rechtvaardigen door hun fouten op zich te nemen (Is. 53, 11).

DE VOORAFBEELDINGEN

Tijdens zijn kort openbaar leven heeft Jezus drie doden doen verrijzen. Hij wil hiermee eerst zijn vrienden en daarna het volk ervan overtuigen dat er een leven na de dood is waartoe elke ziel zal verrijzen.

De zoon van de weduwe van Naïn (Lc. 7, 11-17)

«  Enige tijd later ging Hij naar een stad, Naïn geheten, vergezeld van zijn leerlingen en van een talrijke schare. Juist toen hij de stadspoort naderde werd er een dode uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, die weduwe was. Heel veel mensen uit de stad vergezelden haar. Toen de Heer haar zag had Hij innig medelijden met haar, en zei tot haar  : “ Ween maar niet.  ”  » Niet lang nadien zou Jezus zelf, enige Zoon van zijn Moeder, die weduwe van Jozef was en alleen achtergelaten was te Nazareth, ten grave gedragen worden  ! Als Jezus aan de toekomstige smart van het Onbevlekt Hart van zijn Moeder denkt, treft dat zijn eigen Hart waardoor Hij een nooit eerder geziene daad zal stellen  :

«  Hij kwam dichterbij en raakte de baar aan  ; de dragers bleven staan. En Hij sprak  : “ Jongeman, Ik zeg u  : Sta op  ! ” De dode richtte zich op en begon te spreken. Zo gaf Hij hem aan zijn moeder terug.  »

Deze woorden van Sint-Lucas herinneren aan het gelijkaardig wonder dat de profeet Elias verrichtte voor de weduwe van Sarepta (I Koningen 17, 23). Maar toch, wat een verschil  ! Jezus handelt met een soevereine vanzelfsprekendheid, die het bewijs is van zijn goddelijke almacht. Het wonder van Elias daarentegen vergt nogal wat inspanningen  : «  Daarop strekte hij zich tot driemaal toe over de jongen uit, en smeekte Jahweh  : “ Jahweh, mijn God, laat de ziel van dit kind in hem terugkeren  !  ”  » Jezus handelt vanuit zijn eigen wil en macht, en spreekt maar één woord  : «  Jongeman, Ik zeg u  : Sta op  !  »

We zijn er teveel aan gewend geraakt van het Evangelie te lezen zonder stil te staan bij het feit dat het iets volstrekt nieuws is wat door Sint-Lucas verteld wordt als een gewone gebeurtenis uit het openbare leven van Jezus  : de aanraking van een man doet een ander uit de dood ontwaken. Niet verwonderlijk toch, wanneer deze man Christus, de Zoon van de levende God is  ! «  Allen werden door vrees bevangen  ; ze verheerlijkten God en zeiden  : “ Een groot profeet is onder ons opgestaan ” en “ God heeft zijn volk bezocht  !  ”  »

Deze woorden zijn reeds de erkenning, door het joodse volk, dat Jezus de Heiland is. De getuigen hebben begrepen wat er gebeurd is  : God heeft zijn volk bezocht. Nu hebben ze het recht niet meer om Jezus te verlaten. Ze moeten in Hem geloven.

Toch hebben ze Hem gekruisigd, maar ook dat was voorspeld. Daarom wou Hij hun vergeven om hen terug tot bij Hem te brengen, naar de plaats «  waar men verkwikking en vrede vindt  ». Want als Jezus het leven aan deze jongeman heeft teruggeschonken is dat uiteraard opdat hij een ander, beter leven zou gaan leiden. Waarom zou Hij het anders doen  ? En vanaf dat moment kunnen, eerst binnen het Romeinse Keizerrijk, maar later overal waar dit Evangelie gepredikt zal worden, weduwen terug moed vatten in de hoop hun echtgenoot en kinderen terug te zien.

De verrijzenis van de zoon van de weduwe van Naïn is een eerste les over de dood  : Jezus leert ons dat het slechts om een overgang gaat. Door dit wonder prent Hij liefdevol de zekerheid in ons hart dat het enige wat we moeten doen is  : Hem ontmoeten op onze levensweg en ons door Hem laten “ heroprichten ” met het oog op een ander soort opstanding – een definitieve opstanding, omdat ze geestelijk is.

Het dochtertje van Jaïrus (Mc. 5, 21-43)

De verrijzenis van het dochtertje van Jaïrus bereidde de drie uitverkoren getuigen, Petrus, Joannes en Jacobus, erop voor het geloof niet te verliezen wanneer het uur van Jezus’Lijden en Dood zou slagen  :

«  Terwijl Hij nog sprak kwamen er lieden van de overste der synagoge, en zeiden  : “ Uw dochter is gestorven  ; waarom de Meester nog lastigvallen  ? ” Jezus hoorde wat er gezegd werd en sprak tot de overste  : “ Vrees niet, maar geloof  ! ” Hij liet niemand met zich meegaan dan Petrus, Jacobus en Joannes, de broer van Jacobus.

«  Toen zij bij het huis van de overste waren gekomen zag Hij daar het rouwmisbaar en de wenende en luid jammerende mensen. Hij ging binnen en zei tot hen  : “ Wat tiert en weent gij  ? Het kind is niet dood, maar het slaapt. ” Ze lachten Hem uit. Nadat Hij ze allen had buitengezet nam Hij de vader en moeder van het kind en zijn metgezellen met zich mee en ging het vertrek binnen waar het kind lag. Hij vatte het kind bij de hand en sprak tot haar  : “ Talita koemi ”, wat betekent  : “ Meisje, Ik zeg u, sta op  !  ”  » (Mc. 5, 35-41).

«  En haar geest keerde weer  ». Na zijn “ medisch-gerechtelijk ” onderzoek bij ooggetuige Joannes ziet Sint-Lucas het kind terug kleur krijgen en opnieuw normaal ademen, alsof hij er zelf bij was  !

Marcus van zijn kant schrijft de herinneringen van Petrus op. Hij vervolgt  : «  Onmiddellijk stond het meisje op en liep heen en weer  ; want het was twaalf jaar oud. En ze stonden verstomd van verbazing. Maar Hij gebood hun ten strengste het niemand te laten weten. Ook zei Hij nog dat men haar te eten zou geven.  » (Als goede geneesheer schrijft Lucas zelfs  : «  Hij schreef voor haar eten te geven  »).

Waarom deze bezorgdheid voor het materiële  ? Omdat Jezus zich voorgenomen heeft het leven terug te geven aan diegenen die gestorven zijn en hun zijn eigen Vlees «  te eten te geven  ».

Aan deze ziel die terug tot leven wordt gewekt, voorafbeelding van het sacrament van de Biecht, gebiedt Jezus te eten te geven, voorafbeelding van het sacrament van de Eucharistie.

De verrijzenis van Lazarus (Jo. 11)

Martha en Maria stuurden iemand naar Jezus om Hem te zeggen  : «  Zie, Heer, hij die Gij liefhebt is ziek.  »

Hun smeekbede is even eenvoudig als de mededeling van de Maagd Maria aan Jezus bij de bruiloft van Kana  : «  Ze hebben geen wijn meer  » (Jo. 2, 3).

«  Toen Jezus dit vernam zei Hij  : “ Deze ziekte loopt niet uit op de dood maar ze dient tot glorie van God en om Gods Zoon te verheerlijken.  ”  » Een profetisch woord, dat de wonderlijke genezing als een zekerheid aankondigt. Toch wacht Jezus tot Lazarus overleden is, maar nu wordt Hij ervan op de hoogte gebracht door zijn goddelijke kennis, zonder dat er een boodschapper aan te pas komt  : «  Daarop zei Jezus hun ronduit  : “ Lazarus is gestorven. En om u verheug Ik mij dat Ik er niet aanwezig was, opdat gij geloven moogt  ”  » (Jo. 11, 14-15).

Het is overduidelijk dat Hij alle gebeurtenissen beheerst  ! Hij bepaalt er zelfs tot in de kleinste details de loop van, volgens een sedert alle eeuwigheid vastgesteld plan «  tot glorie van God  ».

Het vervolg van de gebeurtenissen is indrukwekkend. Er is een massa mensen op de been, zoals te Kafarnaüm voor de dochter van Jaïrus. Bethanië lag dichtbij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien staden, of minder dan drie kilometer. Veel joden waren naar Martha en Maria gekomen om hen te troosten bij het overlijden van hun broer. «  Bij zijn aankomst vond Jezus hem reeds vier dagen in het graf.  » Jezus was met opzet zo laat gekomen om het wonder onbetwistbaar te maken, vermits de Wet een wachttijd van drie volle dagen oplegde vooraleer het overlijden vastgesteld kon worden.

«  Zodra Martha Jezus’aankomst vernam ging zij Hem tegemoet  ; Maria bleef thuis. En Martha zei tot Jezus  : “ Heer, zo Gij hier waart geweest, was mijn broer niet gestorven. Maar zelfs nu weet ik nog dat God u zal geven wat Gij Hem vraagt.  ”  » Ze zegt dit alles met een volledige overgave aan de wil van God, en tevens vervuld van een onwankelbaar geloof in de macht van Jezus. Alleen de grootste heiligen zijn in staat om zoiets te zeggen.

«  Jezus sprak tot haar  : “ Uw broer zal verrijzen. ” Martha zei tot Hem  : “ Ik weet dat hij verrijzen zal bij de opstanding op de jongste dag. ”  » Dit antwoord bewijst dat de Esseense kringen waarin Jezus vertoefde net zoals de Farizeeën in de opstanding geloofden, dit in tegenstelling tot de Sadduceeën.

«  Jezus sprak tot haar  : “ Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven  ; en wie leeft en in Mij gelooft zal niet sterven voor eeuwig. Gelooft ge dit  ? ”  » Buitengewone openbaring door Jezus van de onuitputtelijke levensbron die van Hem uitgaat en waarmee Hij kan laven wie Hij wil  ! In Hem is de verrijzenis een kracht die vergelijkbaar is met de energie van een stuwmeer dat in staat is een levensstroom te voeden die tot aan de uiteinden van de wereld reikt.

«  Zij zei Hem  : “ Ja Heer, ik geloof dat Gij de Christus zijt, Gods Zoon, die in de wereld komt.  ”  » Martha antwoordt zoals Petrus met de geloofsbelijdenis die Jezus verwacht van al wie zijn genade en wonderen wil bekomen.

«  Na deze woorden ging zij heen om Maria, haar zuster, te roepen  ; heel in stilte zei zij haar  : “ De Meester is daar, en roept u. ” Zodra deze het hoorde stond zij haastig op en ging naar Hem toe.  »

Martha is de oudste. Zij is een oprechte en deugdzame vrouw, evenals Nicodemus beeld van de rechtvaardigheid van het Oude Testament. Maar Maria, dat is nog wat anders  ! Ze lijkt eerder op de Samaritaanse vrouw. Ze ontroert Jezus zo diep  !

«  Zodra Maria kwam waar Jezus was, en Hem zag, viel zij voor zijn voeten neer en sprak tot Hem  : “ Heer, zo Gij hier waart geweest was mijn broer niet gestorven.  ”  » De woorden komen van Martha, maar Maria weent, in tegenstelling tot haar zuster… Jezus heeft zichzelf kunnen beheersen bij Martha, maar wanneer Maria bij Hem komt… «  Toen Hij haar zag wenen, en de joden zag wenen die haar vergezelden, werd Hij hevig bewogen en ontroerd. Hij sprak  : “ Waar hebt gij hem begraven  ?  ”  »

Deze zin kondigt het wonder aan.

«  Ze zeiden Hem  : “ Heer, kom het zien. ” En Jezus weende. De joden zeiden  : “ Zie hoe Hij hem liefhad.  ”  »

De onvermijdelijke slechte wil en kwaadsprekerij komen voor de dag  : “  Kon Hij, die de ogen van de blinde heeft geopend, niet evengoed zorgen dat deze niet stierf  ?  ” Hierdoor kunnen we vaststellen dat de genezing van de blindgeborene een dermate bewezen gebeurtenis was dat zelfs de vijanden ze erkenden…

«  Jezus dan, opnieuw hevig bewogen, kwam bij het graf. Het was een grot, en een steen sloot de ingang af. Jezus sprak  : “ Neemt de steen weg.  ”  »

Dan komt Martha tussenbeide omdat ze beducht is voor de vreselijke teleurstelling als er geen wonder zou gebeuren nadat het lijk tevoorschijn is gehaald  : «  Heer, hij ruikt al  ; want het is reeds de vierde dag.  »

Jezus weet het wel. Hij heeft zolang getalmd met te komen om het wonder nog meer uitstraling te geven. Hij antwoordt eenvoudigweg  : «  “ Heb Ik u niet gezegd  : Wanneer ge gelooft zult ge Gods heerlijkheid zien  ?  ”

«  Men nam dus de steen weg. Toen sloeg Jezus de ogen omhoog en sprak  : “ Vader, Ik dank U omdat Gij Mij hebt verhoord. Ik wist wel dat Gij Mij altijd verhoort  ; maar Ik zeg het terwille van de omstaande menigte, opdat ze mogen geloven dat Gij Mij gezonden hebt.  ”  »

Jezus toont dat Hij groter is dan Elias die moest smeken om het offer op de Karmel door het hemels vuur te laten verteren  : «  Geef mij antwoord  ; Jahweh, geef mij antwoord opdat dit volk wete dat Gij God zijt, o Jahweh, en dat Gij weer hun hart tot U trekt  !  » (1 Kon. 18, 37) Maar Elias was slechts een profeet. Jezus is veel meer  : een Zoon die één is met zijn Vader.

«  Na deze woorden riep Hij met luider stem  : “ Lazarus, kom uit  ! ” En de dode kwam tevoorschijn, de voeten en handen in windsels gewikkeld en zijn gezicht met een zweetdoek omwonden. Jezus zei hun  : “ Maakt hem los en laat hem gaan.  ”  »

De verrijzenis van Lazarus, die door Jezus’stem aan de dood ontrukt is, is een onbetwistbare uiting van de goddelijke glorie en een voorafbeelding van de toekomstige verrijzenis. Het is een door Jezus gewilde allegorische voorafbeelding die door Sint-Jan goed begrepen en verteld wordt en die aantoont dat Jezus waarlijk de verrijzenis en het leven is, zoals Hij het in al zijn predikingen verklaard heeft. Wie in Hem gelooft, bezit reeds het eeuwig leven  ; en op de laatste dag zal hij verrijzen zoals Lazarus, beter nog dan Lazarus, want het zal voor altijd zijn.

Maar vooraleer elke mens in staat wordt gesteld om het eeuwig leven te bekomen moet Jezus eerst zelf sterven en verrijzen. [Wordt vervolgd]

broeder Bruno Bonnet-Eymard
Verrijzenis  ! nr. 8, maart-april 2002