De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

DE VERRIJZENIS VAN JEZUS
II. DE GETUIGEN

VAN LAZARUS TOT JEZUS

Caravaggio, Het ongeloof van de H. Thomas (ca. 1602).

Caravaggio, Het ongeloof van de H. Thomas (ca. 1602).

DE parabel van de arme Lazarus en de rijke vrek (Lc. 16, 19-31) laat ons een glimp opvangen van wat het eeuwig leven is  : «  Toen de arme gestorven was, werd hij door de engelen in Abrahams schoot gedragen.  »

Daarop volgt er een beschrijving van de hel die vergeleken kan worden met het visioen dat de drie kinderen van Fatima ervan hadden in de Cova da Iria op 13 juli 1917  : «  Daarna stierf ook de rijke, en werd begraven. En terwijl hij in de hel werd gefolterd sloeg hij zijn ogen op en zag Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot.  »

Waarom heeft Jezus de gelukzalige arme in zijn gelijkenis “ Lazarus ” genoemd  ? We zullen het begrijpen aan het einde van de dialoog die zich ontspint tussen Abraham en de vervloekte  :

«  – Vader Abraham, riep de rijke, heb medelijden met mij en zend Lazarus hierheen  ; laat hem de top van zijn vinger in water dopen om mijn tong te verfrissen, want ik lijd hier geweldige smart in de vlammen  !  »

Kind, antwoordde Abraham, denk eraan dat gij in uw leven het goede hebt ontvangen, en Lazarus toen het kwade  ; nu wordt hij hier vertroost, en gij lijdt pijn.  »

De rijke vrek begrijpt nu dat deze lotsomkering onherroepelijk is, maar pleit dan voor zijn broers  :

«  – Ik bid u dan, Vader, dat ge hem naar het huis van mijn vader stuurt. Want ik heb vijf broers  ; laat hij ze gaan waarschuwen opdat ook zij niet in deze folterplaats komen.

– Ze hebben Mozes en de profeten  ; laat ze luisteren naar hèn  !

Neen, vader Abraham  ; maar wèl zullen ze zich bekeren wanneer er iemand van de doden tot hen komt.

Als ze niet luisteren naar Mozes en de profeten, dan zullen ze zich ook niet laten gezeggen, zelfs al stond er iemand op uit de doden.  »

Bij deze woorden begrijpen we waarom Jezus de arme uit zijn parabel naar zijn vriend uit Bethanië heeft genoemd  : juist hij zal van onder de doden terugkeren. En wat is het gevolg  ? Geen bekering  : «  De opper- priesters besloten dan ook Lazarus te doden want veel joden vielen door Hem af en geloofden in Jezus  » (Jo. 12, 10-11)  !

Commentaar van Sint-Augustinus  : «  Men had de verrezen Lazarus gezien en er was grote ruchtbaarheid aan gegeven, zodat men het gebeuren niet kon verzwijgen noch ontkennen. Maar wat verzonnen de hogepriesters  ? Ze overwogen om ook Lazarus om het leven te laten brengen. Wat een dwaze gedachte, wat een blinde wreedheid  ! Zou de Heer Jezus Christus, die in staat was om iemand die aan een ziekte overleden was te doen verrijzen, dat dan niet kunnen met iemand die vermoord was  ? Dachten zij soms door Lazarus te doden aan de Heer zijn macht te ontnemen  ? Als zij in de waan verkeerden dat er een verschil is tussen het doen verrijzen van iemand die een natuurlijke dood gestorven is en iemand die vermoord werd, dan heeft de Heer daar een duide-lijk antwoord op gegeven  : Hij heeft Lazarus uit de dood opgewekt én Hij heeft zichzelf doen verrijzen, ook al had men Hem gedood  » (Metten van de zaterdag vóór Passiezondag).

HET LEGE GRAF

«  De verhalen van de getuigen  », schrijft abbé de Nantes, «  hebben als onbetwistbaar fundament datgene wat de oorsprong van hun geloof uitmaakt  : de ontdekking van het lege graf. Deze vaststelling blijft het vertrekpunt van een bewijsvoering die tot op heden overtuigend is. Zijn Lichaam is er niet meer. Niemand heeft het meegenomen. Het is uitgesloten dat men zich van graf vergist heeft. Het is niet aannemelijk dat het lichaam in zesendertig uren in rook zou zijn opgegaan  : het onzinnige bestaat niet  !  » (CRC nr. 71, blz. 11).

Abbé de Nantes gaat hiermee in tegen de stelling van pater Xavier Léon-Dufour, die in de eerste uitgave van zijn boek schrijft  : «  Wat is er met het lijk [sic !] van Jezus gebeurd  ? Op deze vraag moeten we antwoorden dat de wijsheid er ons toe aanzet ons van elke nieuwsgierigheid te onthouden, omdat de Evangelieverhalen geen enkel element voor een oplossing aanbieden.  »

Vooreerst is er nooit een “ lijk ” van Jezus geweest  : het lichaam heeft nooit zelfs maar een begin van ontbinding gekend. Vervolgens getuigen alle Evangelieverhalen dat Jezus’lichaam, dat sinds Goede Vrijdag levenloos in de Lijkwade gewikkeld was, weer opgestaan is  : op zondagmorgen heeft het levend het graf verlaten. Jezus heeft zich vertoond, heeft gegeten en gedronken, heeft tot de zijnen gesproken, heeft zich door hen laten aanraken om hen ervan te overtuigen dat Híj het wel degelijk was, in zijn verheerlijkt lichaam, en dat Hij niet slechts een geest was (Lc. 24, 37-39).

Léon-Dufour daarentegen blijft volharden in de boosheid  : «  De mens op zoek naar oplossingen die hem rede-lijk lijken veronderstelt dat het lichaam naar elders is overgebracht, of dat de vrouwen zich van graf vergist hebben, enz.  »

Dat is inderdaad waar de apostelen eerst van uitgingen  : wat de vrouwen vertelden toen ze terug van het graf kwamen «  hielden ze voor beuzelpraat en ze geloofden hen niet  » (Lc. 24, 11).

Maar ze moesten zich gewonnen geven  : «  Petrus stond op en liep naar het graf  ; hij bukte zich voorover en zag alleen de windsels liggen. Hij ging heen, verbaasd over wat er gebeurd was  » (Lc. 24, 12).

«  Het lichaam naar elders overgebracht  »  ? Dat is ook de eerste gedachte die bij Maria Magdalena opkomt  : «  Men heeft de Heer uit het graf genomen en we weten niet waar men Hem heeft neergelegd  » (Jo. 20, 2).

Petrus en Joannes lopen erheen… Zouden zij zich ook «  van graf vergist  » hebben  ? Zeker niet, want ze vinden bewijzen  : «  de windsels en de lijkwade die zijn hoofd had bedekt  ; deze lag niet bij de windsels maar afzonderlijk opgerold op een andere plaats  » (Jo. 20, 6-7).

Lang geleden reeds deed de H. Joannes Chrysostomus opmerken dat «  als men het Lichaam weggenomen zou hebben, men niet de moeite zou gedaan hebben om het van de Lijkwade te ontdoen, om die dan vervolgens op te rollen en apart te leggen.  »

Maar Léon-Dufour zoekt verder, «  op zoek naar oplossingen die hij als rationeel beschouwt  »  :

«  Wie graag zijn toevlucht neemt tot wonderen kan zich inbeelden dat het lijk versneld verdwenen is  : als het klopt dat wonderen de natuurwetten niet verkrachten maar de natuurlijke krachten overstijgen […] waarom zouden we dan niet veronderstellen dat er een mirakel van versnelling in het ontbindingsproces van de organische stof heeft plaatsgevonden, zodat er op het ogenblik dat de vrouwen bij het graf kwamen niets meer overbleef  ? Ik wed (sic  !) dat bij voorbeeld Edouard Le Roy niet mistevreden zou geweest zijn met deze hypothese die noch op bedrog noch op een “ vervluchtiging ” van het lijk een beroep moet doen.  »

Hier kan abbé de Nantes zijn verontwaardiging niet meer bedwingen  : «  Xavier Léon-Dufour een geschiedkundige  ? Laat me niet lachen. Een goddeloos iemand, of eerder nog een stommeling, samen met zijn spitsbroeder Bouillard die door Pius XII zeer terecht de mond werd gesnoerd. Want als u “ graag uw toevlucht neemt tot wonderen ”, dan zullen deze brave paters er u één op maat voorschotelen, dat volledig in overeenstemming is met de natuurwetten en ze alleen maar een duwtje geeft. We mogen van die geleerden geloven dat het “ wonder ” van de “ verrijzenis ” heeft bestaan uit een versnelde ontbinding, in zesendertig uren, van een bloedeloos en uitgedroogd lichaam, totdat er geen spoor van overbleef. Daar bovenop werd het graf nog schoongemaakt en het linnen netjes geplooid  ! Men moet maar durven  !  »

Léon-Dufour vervolgt  : «  Maar ik denk ook dat andere gelovigen zich niet op hun gemak zullen voelen bij een stelling die de mogelijkheid van de ontbinding van Jezus’lijk erkent  ; ze zullen naar de psalmtekst verwijzen  : “ Uw Heilige laat Gij het bederf niet aanschouwen ” (Hand. 2, 27), zonder er zich rekenschap van te geven dat ze aan die woorden een andere betekenis geven dan de schrijver.  »

Welke «  schrijver  »  ? Sint-Pieter, die psalm 16 op Pinksterdag aanhaalt, of de psalmist zelf  ? Als we deze vraag aan Léon-Dufour zouden stellen zou hij ons beschouwen als naïevelingen die volledig onwetend zijn inzake de modernistische wetenschap (wat niet hetzelfde is als de moderne wetenschap  !). Volgens de modernisten heeft Petrus die toespraak niet gehouden. Ze zou het werk zijn van een naamloze “ schrijver ” die pas veel later, op het einde van de eerste eeuw, het godsdienstig besef van de “ gemeenschap ” onder woorden bracht…

«  Die tekst wil geen onderricht geven over de aard van de omvorming die het lijk heeft ondergaan  », schrijft pater Léon-Dufour. «  Men bedoelt dat Jezus geheel en al ontsnapt is aan de macht van de Dood.  »

Hoe en waarom  ? Dat wil de jezuïet hoegenaamd niet nader omschrijven, volledig in overeenstemming met het denkbeeld dat de rabbijnen van Jabné getracht hebben ingang te doen vinden door het woord «  bederf  » te vervangen door «  graf  » in de Hebreeuwse tekst van psalm 16. Deze laatste versie werd door hen op het einde van de eerste eeuw na Christus als “ koosjer ” aanvaard, om het profetisch karakter van het origineel uit te wissen.

Maar de Griekse versie, de Septuagint, die op Pinksterdag door Petrus werd aangehaald, getuigt van de oorspronkelijke tekst die voorzegt dat Gods Heilige het “ bederf ” van het graf, de ontbinding – langzaam of versneld – niet zal ondergaan. «  Sint-Pieter sprak op voorhand de waanzinnige stelling van pater Xavier Léon-Dufour tegen, waardoor deze laatste listen moet hanteren om zijn lezers te bedriegen  !  », schrijft abbé de Nantes.

Besluit  : het Lichaam van Christus is terug levend geworden zoals Jezus zelf het meermaals had voorspeld (Matth. 16, 21; 17, 23; 20, 19). En om elke twijfel weg te nemen heeft Hij zich laten zien, horen en aanraken.

DE VERSCHIJNINGEN

Nadat de verrezen Jezus zijn Moeder bezocht had – wat nergens geschreven staat maar wat vanzelfsprekend is – is Hij verschenen aan Maria-Magdalena. Hij wou zo hun liefde belonen en het vuur in hun hart hoger doen oplaaien. Vervolgens heeft Hij zich aan zijn apostelen vertoond en er zo voor gezorgd dat hun ambt gestoeld is op een ooggetuigenis, waarin wij allemaal uitgenodigd worden te geloven opdat we deel zouden uitmaken van de gelukzaligen die niet gezien maar toch geloofd hebben. Dit apostolisch getuigenis betreft feiten die als lichtgevende «  bakens  » zijn, door God zelf zo geschikt  : het verhaal ervan alleen al verraadt zoveel verstand, wijsheid en barmhartigheid dat het hart van wie luistert Gods Hart ontmoet en er het Leven in vindt.

Eerste verschijning  : goddelijke tederheid (Jo. 20, 11-18)

«  Maria bleef buiten bij het graf staan wenen. Onder het wenen bukte zij zich voorover naar het graf en zag er twee engelen zitten in witte gewaden, de één aan het hoofdeind, de ander aan het voeteneind van de plaats waar Jezus’lichaam gelegen had.  »

Petrus en Joannes waren terug vertrokken maar Maria bleef bij het graf staan met een hart dat overliep van liefde. Ze wachtte niet op de verrijzenis, ze beminde gewoon. Dat was het enige dat ze kon, ze bekommerde zich niet om de rest. Ze bleef bij het lichaam van haar Teerbeminde, ze verlangde naar zijn aanwezigheid. Ze wist ook dat ze bemind werd en dat ze bestemd was voor de totale vereniging. Ze wist niet waarom of hoe, maar ze bleef bij Hem en zou daarvoor beloond worden.

«  Ze zeiden tot haar  : “ Vrouw, waarom weent ge  ? ” Zij zei hun  : “ Omdat men mijn Heer heeft weggenomen en ik niet weet waar men Hem heeft neergelegd.  ”  »

Ze zei «  mijn Heer  » alsof ze Hem voor zich alleen had  : buitensporige liefde  !

«  Toen zij dit had gezegd keerde zij zich om en zag Jezus staan  ; maar zij wist niet dat het Jezus was.  »

Ook dat is uit het leven gegrepen  : zoiets vindt men niet uit  ! Ze stond in het graf te turen, waar ze in het halfduister de engelen zag schitteren, waarna ze zich omdraaide in de richting van het morgenlicht. Tegen het licht in en door de tranen en de haren in haar ogen had ze Jezus niet herkend  :

«  Jezus sprak tot haar  : “ Vrouw, waarom weent ge  ? Wie zoekt ge  ? ” In de mening dat het de tuinman was zei zij Hem  : “ Heer, zo gíj Hem hebt weggehaald, zeg me waar ge Hem hebt neergelegd, dan zal ik Hem wegdragen.  ”  »

Wat is er natuurlijker dan een onbekende in een tuin voor een tuinman te houden  ? «  Trouwens, ze bekijkt Hem nauwelijks  », legt pater Lagrange uit. «  Haar gedachten zijn elders  ; ze zit zodanig met Jezus in haar hoofd dat ze zijn naam zelfs niet noemt  : aan wie anders kan zij denken  ? En vermits de liefde niet op een inspanning kijkt, wil ze Hem zelfs meenemen.  » Om Hem eer te betuigen, om Hem te vrijwaren voor ontwijding.

«  Jezus zei haar  : “ Maria  !  ”  » Hij noemt haar bij haar naam  !

«  Zij keerde zich naar Hem toe en zei in het Hebreeuws  : “ Rabboeni  ! ”, wat wil zeggen  : “ Meester  !  ”  »

Gewoonlijk legt men uit dat Maria-Magdalena zich vervolgens «  aan Jezus’voeten neergeworpen  » heeft maar dat Hij haar kuis heeft afgeweerd  : «  Raak me niet aan  !  » Maar Sint-Jan heeft dat nooit geschreven. Hij suggereert zelfs het tegendeel  : «  Raak me niet MEER aan  » is de juiste vertaling van het Grieks mei moe haptoe. Jezus liet haar dus eerst begaan, alvorens haar te zeggen op te houden  : «  Houd me NIET LANGER vast  !  », volgens de beste, door abbé de Nantes voorgestelde vertaling. Sint-Jan getuigt dus dat Maria-Magdalena Jezus begon «  aan te raken  »  : een beslissende vaststelling van de “ tastbare ” werkelijkheid van het verrezen Lichaam, niet zozeer voor zichzelf, maar voor de apostelen en voor ons. Volgens Lucas moest Jezus aan de apostelen precies het tegenovergestelde bevel geven  : «  Betast Mij  !  » (Lc. 24, 39).

Zo zullen de liefdesuitingen van Maria-Magdalena en de ontroering van de apostelen die om bewijzen vragen voor alle toekomstige generaties tot het einde der tijden evenveel getuigenissen zijn van de fysieke werkelijkheid van de met zijn Lichaam verrezen Jezus Christus.

Uiteindelijk moest Maria-Magdalena Jezus echter loslaten  : «  Houd me niet langer vast  », zegt Jezus haar terwijl Hij haar zachtjes wegduwt, «  want nog ben Ik niet naar de Vader opgestegen. Maar ga naar mijn broeders en zeg hun  : “ Ik stijg op naar mijn en uw vader, naar mijn en uw God  ”.  »

Sinds Jezus zijn offer volbracht heeft en Hij tegen God, zijn Vader, gezegd heeft  : «  Ziehier uw kinderen  », zoals Hij tegen Maria, zijn Moeder, heeft gezegd  : «  Ziehier uw Zoon  », zijn de leerlingen voor Hem niet enkel meer zijn dienaars of zijn vrienden maar zijn «  broeders  ». Op het kruis had Hij al het psalmwoord uitgesproken  : «  Dan zal Ik uw Naam aan mijn broeders verkondigen  » (Ps. 22, 23). Zij zijn Jezus’broeders, kinderen van Maria en van God zoals Hijzelf, die deel uitmaken van de liefde die van de Vader naar de Zoon vloeit en van de Zoon terug naar de Vader, door de handen van Maria, ons aller Moeder voor altijd  !

Om dus een einde te maken aan de liefdesuitingen van Maria-Magdalena en zich te ontrukken aan haar armen die Hem vol tederheid gevangen houden, belast Hij haar met een zending. Ze laat Hem los en snelt weg  : «  Maria-Magdalena ging aan de leerlingen zeggen  : “ Ik heb de Heer gezien ”, en vertelde wat Hij haar had gezegd.  »

Tweede verschijning  : zending van de apostelen (Jo. 20, 19-29)

«  De avond van diezelfde dag, de eerste dag der week, toen de deuren van het huis waar de leerlingen zich bevonden uit vrees voor de joden waren gesloten, kwam Jezus binnen, plaatste Zich in hun midden en sprak tot hen  : “ Vrede zij u  ! ” En na deze woorden toonde Hij hun zijn handen en zijde.  »

Doorboorde handen, maar dat weten we nu nog niet. De Evangelisten hebben er zelfs niet aan gedacht om dit afschuwelijk detail te vermelden  : Jezus werd niet met touwen aan het kruis gehangen maar werd eraan genageld. Later zullen we het uit de mond van Thomas vernemen. Niets bewijst beter de volmaakte oprechtheid van hun getuigenis.

«  De leerlingen verheugden zich bij het zien van de Heer.  »

Men zou voor minder  ! Maar we staan toch ver af van de liefdesuitingen van Maria-Magdalena. Men voelt dat men onder mannen is en dat het dus past zich in te houden… Sint-Lucas vertelt zelfs dat Jezus hen een zacht verwijt maakt  : «  Waarom zijt gij ontsteld en waarom komt er twijfel op in uw hart  ? Beziet mijn handen en voeten  : Ik ben het zelf. Betast Mij en ziet toe  : want een geest heeft geen vlees en geen beenderen, zoals gij ziet dat Ik heb  » (Lc. 24, 38-39).

Er moet een lange stilte gevallen zijn… totdat Jezus het beslissend bewijs levert  : «  “ Hebt gij hier iets te eten  ? ” Ze gaven Hem een stuk gebraden vis. Hij nam het en at ervan voor hun ogen  » (Lc. 24, 41-43).

Tijdens zijn openbaar leven, toen ze in Samaria verbleven en de mensen de stad zagen verlaten en door de velden met rijpend graan naar Hem zagen komen, kregen de leerlingen die Jezus wilden doen eten ten antwoord  : «  Mijn spijs is de wil te volbrengen van Hem die Mij heeft gezonden en zijn werk te voltooien. Zegt gij niet  : Nog vier maanden en dan komt de oogst  ?  » (Jo. 4, 34-35).

De maanden zijn voorbijgegaan. Het is tijd om te oogsten. Na voedsel, dat Hij niet meer nodig heeft, tot zich genomen te hebben om de lichamelijke werkelijkheid van zijn verrezen Lichaam aan te tonen, hongert en dorst Jezus meer dan ooit naar de voltooiing van het werk van zijn Vader. Hij is dan ook gehaast om zijn maaiers op pad te sturen om de vruchten van zijn verlossend offer te plukken.

«  Nogmaals zei Hij hun  : “ Vrede zij u  ! Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zo zend Ik u. ” En toen Hij dit had gezegd blies Hij over hen en sprak  : “ Ontvangt de Heilige Geest. Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven  ; wier zonden gij behoudt, hun zijn ze behouden.  ”  »

Deze woorden betekenen de vervulling van de voorspelling van Joannes de Doper die vanaf Jezus’intrede in het openbaar leven had aangekondigd dat Hij de Verlosser van de wereld zou zijn  : «  Zie het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt  » (Jo. 1, 29). De Voorloper had ook verkondigd dat hij de Geest onder de vorm van een duif uit de hemel had zien neerdalen  : «  Ook ik kende Hem niet  ; maar Hij die mij zond om met water te dopen, heeft mij gezegd  : “ Over wie ge de Geest zult zien nederdalen en bij Hem blijven, Hij is het die doopt in de Heilige Geest. ” Ik heb het gezien, en ik heb getuigd  : Hij is de Zoon van God  » (1, 33-34).

Vanaf die heldere lentemorgen «  te Bethanië, aan de overkant van de Jordaan  » (1, 28), kan men zeggen dat gans het openbaar leven van Jezus in het teken stond van dit wachten op de Heilige Geest, zonder dewelke Jezus zijn onderrichtingen niet voldoende kracht en vruchtbaarheid kon meegeven. Zijn woorden vielen in dovemansoren omdat de apostelen de Geest nog niet ontvangen hadden, want Jezus was nog niet verheerlijkt.

Maar na zijn Verrijzenis krijgen zijn woorden volle draagkracht door de Heilige Geest. Zo geeft Hij aan zijn apostelen de macht door die Hij tijdens zijn aardse leven aangewend had  : de macht om zonden te vergeven of te “ behouden ”, om te binden en te ontbinden volgens zijn belofte aan Petrus  : «  En u zal Ik de sleutels geven van het Rijk der Hemelen. En al wat gij op aarde zult binden zal ook in de hemel gebonden zijn  ; en al wat ge op aarde zult ontbinden zal ook in de hemel ontbonden zijn  » (Matt. 16, 19).

Getuigen van de gekruisigde Jezus (Jo. 20, 24-25)

«  Thomas, één van de twaalf, ook Didymus genaamd, was echter niet bij hen toen Jezus kwam. De andere leerlingen zeiden hem dus  : “ We hebben de Heer gezien  ! ” Maar hij zei hun  : “ Zo ik in zijn handen de wonden der nagels niet zie, en mijn vinger niet leg in de plaats van de nagels, en mijn hand niet in zijn zijde steek, dan geloof ik het niet.  ”  »

«  Nagels  »  ? O mijn Jezus, hebben ze U aan het kruis genageld  ? Gelukkig is Thomas ongelovig geweest, anders hadden we die openbaring niet gekregen  !

Sedertdien hebben alle heilige zielen de eeuwen door meegeleden met Jezus, tot de ontdekking door onze af-vallige generatie van de «  plaats van de nagels  » op de Heilige Lijkwade  : dokter Pierre Barbet heeft net zoals Thomas, en aanvankelijk met hetzelfde scepticisme, zijn vinger gelegd op de wonde in de linkerpols die op de Lijkwade zichtbaar is. Daarna heeft hij de kruisiging in al zijn sedert tweeduizend jaar vergeten wreedheid ge-reconstrueerd met behulp van even tevoren afgezette ledematen…

Abbé de Nantes schrijft in de elfde statie van zijn Kruisweg  : «  Ik moet me zo goed mogelijk voorstellen hoe mijn Redder en mijn God zich in totale volgzaamheid aan die barbaarse behandeling onderwerpt, zoals het Lam dat geen kreet slaakt, geen klacht uit en zich op de offertafel laat leggen.  »

Jezus heeft niet geroepen, maar zijn gelaat was vertrokken van de pijn en zijn duim plooide heftig naar binnen. En inderdaad, zijn mooie en fijne handen tellen op de Heilige Lijkwade slechts vier duidelijk zichtbare vingers. De duimen zitten verborgen achter de handpalmen. De diagnose van Barbet is formeel  : «  Zijn mediaanzenuw werd geraakt. Ik weet wat Hij gevoeld heeft  : een onuitsprekelijke, verscheurende pijn die vanuit zijn vingers als een vuurpijl naar zijn schouder en vandaar naar zijn hersenen is geschoten. Kwetsuren aan de grote zenuwknopen veroorzaken de ondraaglijkste pijn die een mens kan ervaren.  »

Getuigen van de verrezen Jezus (Jo. 20, 26-29)

«  Acht dagen later waren zijn leerlingen weer daar-binnen bijeen, en ook Thomas was erbij. Terwijl de deuren gesloten waren kwam Jezus binnen, plaatste Zich in hun midden en zei  : “ Vrede zij u  ! ” Daarna sprak Hij tot Thomas  : “ Leg uw vinger hier en bezie mijn handen  ; steek uw hand uit en leg ze in mijn zijde  ; en wees niet ongelovig, maar gelovig. ” Thomas gaf Hem ten antwoord  : “ Mijn Heer en mijn God  ! ” Jezus sprak tot hem  : “ Gelooft ge omdat ge Mij hebt gezien  ? Zalig zij die niet zien en toch geloven.  ”  »

Wanneer abbé de Nantes deze tekst bespreekt, merkt hij steeds op dat Jezus «  acht dagen  » vóór zijn tweede bezoek dus onzichtbaar aanwezig was. Hij hoorde hoe Thomas weigerde geloof te hechten aan de getuigenissen van zijn broeders. Hij nam zich voor toe te geven aan de eisen van de ongelovige die woord na woord geformuleerd waren. Maar tegelijkertijd openbaarde Hij aan de apostelen dat Hij altijd aanwezig is, ook al is Hij onzichtbaar  : «  Zo laat Jezus ons weten dat Hij bij ons zal zijn tot het einde der tijden  », besluit abbé de Nantes. “ Aanwezigheid onder de vorm van afwezigheid ”, die de apostelen doet wennen aan de gedachte dat Hij altijd bij hen zal zijn, zelfs na zijn Hemelvaart.

In afwachting is Hij aanwezig in vlees en bloed. Thomas betast Hem en legt zijn hand in de open wonden van zijn nu verrezen Lichaam. En dus voelt hij ook Jezus’Hart kloppen, zoals Joannes het had horen kloppen op de avond van het Laatste Avondmaal. Men begrijpt zijn kreet die aan Jezus een titel toekent die niemand Hem voordien gegeven had. Het is niet alleen de uitdrukking van een volkomen geloof in de goddelijke natuur van Jezus die duidelijk was gebleken uit de Verrijzenis en die de ongelovige Thomas nu voor het eerst verwoordt, maar ook de uiting van een liefdesvuur dat nooit meer zal uitdoven in de harten van de «  gelovigen  », zelfs van die-genen die niet gezien hebben. Want van generatie op generatie «  verkondigen de nagels en de wonden dat God werkelijk in Christus is en zich met de wereld verzoend heeft  » (Sint-Bernardus, Vrijdagmetten, octaaf van het Heilig Hart).

broeder Bruno Bonnet-Eymard
Verrijzenis    !
nr. 9, mei-juni 2002