De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

OVER DE OPVOEDING VAN DE KINDEREN
I. HET ZWAARSTE GEVECHT

IEDER van ons moet in zijn leven drie grote gevechten leveren.

Het eerste gevecht is de strijd om onze persoonlijkheid te vormen, in de lijn van Christus, onze familietraditie, ons land, de katholieke beschaving. Het gevecht dus om een lichamelijk en geestelijk patrimonium te verwerven, om iemand te worden, en wel met het doel om dienstbaar te zijn.

Dan komt het tweede gevecht, de strijd voor de liefde en het huwelijk  : het mystieke huwelijk van de ziel met Christus in het kloosterleven of een christelijk huwelijk tussen man en vrouw.

En tenslotte komt het derde gevecht van ons leven, het zwaarste, het moeilijkste, het meest aangrijpende  : de opvoeding van onze kinderen.

Dat is het zwaarste gevecht, want zelf lijden is hard, maar het lukt uiteindelijk wel. Anderen zien lijden is ook hard, maar dat kan je aan als je denkt iets nuttigs voor hen te kunnen doen, hen echt te kunnen troosten of hen te kunnen genezen. Maar iemand verloren zien gaan zónder er iets voor te kunnen doen, dat is vreselijk. En als die iemand dan nog een persoon is van wie je houdt, die je hebt voortgebracht uit je eigen lichaam, die je zelf gevoed hebt, bij wie je nachten lang gewaakt hebt en aan wie je grenzeloos gehecht bent, als je ziet dat zo iemand dan zijn vrijheid gebruikt om je te verraden, om uit vrije wil van je weg te glijden en zich tegelijkertijd van God te verwijderen, dat is echt vreselijk. Op zo’n ogenblikken kom je er zelfs toe te zeggen  : «  Ik had beter geen kinderen op de wereld gezet…  »

Gelukkig blijft er die verbinding, die geestelijke navelstreng. Je bent en blijft vader of moeder van dat kind, het is ons kind  ! In de gemeenschap van de heiligen, in de ogen van God blijft deze band bestaan. Zelfs als dat kind verloren loopt, toch zal, zolang er liefde, vergeving en toewijding overblijven in het hart van zijn moeder en zijn vader, het eeuwig geluk van dat kind niet hopeloos verloren zijn. Maar het is een vreselijk lijden  !

«  KIND OVERBOORD  !  »

Ik maak graag de vergelijking met grote boten die naar een verre bestemming varen. Die grote driemasters die bv. naar Valparaiso voeren, moesten rond kaap Hoorn, door de orkanen heen – en die van kaap Hoorn zijn berucht. Die zeilschepen met hun hoge masten en ontelbare zeilen hadden wel honderd man aan boord, matrozen en scheepsjongens, die, als er onweer op komst was, in de touwen klommen en de zeilen reefden  : machtig om te zien. Ze zaten daar hoog in de ra’s, plooiden de zeilen op omdat het ging stormen, de boot stampte en slingerde heen en weer, windstoten deden de masten schudden, een angstaanjagend zicht.

De matrozen en de scheepsjongens stonden met de voeten in het getouw en gordden langzamerhand alle zeilen vast waarin de wind huilde. En dan gebeurde het  : een van de jongens werd geschept door de wind. «  Man overboord  !  », brulde men. Wat konden de anderen doen  ? Men verwittigde de commandant en bracht de aalmoezenier op de hoogte (als er een aan boord was), die dan achteraan op de kampanje kwamen staan. De aalmoezenier gaf de absolutie in articulo mortis aan dat kind dat daar aan het verdrinken was. In de storm was het onmogelijk om het roer te keren of de boot achterwaarts te laten varen, onmogelijk  ! Men zag de afstand tussen de boot en de drenkeling vergroten  : 100 meter, 200, 300… De jongen probeerde nog boven te blijven, sloeg hevig met zijn armen, maar verdween tenslotte onder water…

Als één van je kinderen zich begint te drogeren of te prostitueren,’s avonds niet meer naar huis komt en niet zegt waar het is geweest, dan kan je er een kruis over zetten. De priester roepen om je kind de absolutie te geven heeft hier geen zin, want het verdoemt zichzelf uit vrije wil, het verdrinkt uit vrije wil. Vreselijk  ! Daarom kan je in deze tijd als ouders niet zonder te bidden, niet zonder te handelen met intelligentie en toewijding, als je zo’n ongeluk wil vermijden.

Je kan het ook vergelijken met een erf  : de ouders zijn zoals de kip die eieren legt en ze onder haar vleugels uitbroedt tot er kuikentjes uitkomen. Maar de wezel komt’s nachts de eieren opeten of de ratten komen ze stelen. De kip kan dat niet tegenhouden. Haar arme kuikentjes worden opgegeten en sterven.

Wij leven in een maatschappij waarin de kinderen met de dood bedreigd worden. Al vanaf de moederschoot, maar het blijft heel hun leven duren. Onze kinderen zijn onafgebroken overgeleverd aan vossen, wezels, ratten of dommeriken die eieren kapot maken voor de lol.

Als God er niet was  ! En de CRC… Jullie begrijpen toch dat het volstrekt onmogelijk is in deze wereld, die door Satan gedomineerd wordt, jullie kinderen van’s morgens tot’s avonds op straat, op school en overal elders in de handen te laten van jullie gezworen vijanden die maar aan één ding denken  : ze van jullie te scheiden om ze beter te kunnen verstikken, beter te kunnen verdrinken, ze gemakkelijker te kunnen overtuigen hùn rangen te vervoegen. Het is volstrekt onmogelijk de kinderen links en rechts zomaar op vakantie of op bezoek te laten gaan, in het territorium van de vijand. Doen jullie dat  ? Dan zullen jullie ze verliezen en dan zal het helaas jullie eigen schuld zijn. En jullie zullen daarover geoordeeld worden voor het tribunaal van God… Houd jullie kinderen bij je, maar leg ze evenmin aan de ketting om elke beweging te beletten.

EEN ONBESCHERMDE GENERATIE

Zijn kinderen bij zich houden, wil zeggen  : zich met hen bezig houden. En dat is uitputtend  ! Je moet hen de catechismus onderwijzen, de echte, nadat ze elders de foute hebben geleerd. Je moet hen opvoeden, hun taken en lessen bekijken, je aandachtig tonen voor alles wat ze doen om hen in de goede richting te stuwen. Enerzijds mag je hen niet steeds maar dwingen en verplichten, anderzijds mag je hen niet alles laten doen wat hun hartje lust  : tussen de twee in. De ouders hebben de bovennatuurlijke staat van genade om hun kinderen steeds inniger aan zich te binden, opdat die zouden begrijpen dat ze hun geluk bij hun ouders vinden en daar zelfs een tikje fier op zijn omdat die hen echte schatten geven, terwijl ze overal elders vuiligheid krijgen.

Zo is onze CRC een weg naar het geluk. Het is een goddelijke instelling die uitstekende vruchten voortbrengt. Velen onder jullie zeggen al  : «  Gelukkig dat we de CRC gevonden hebben, gelukkig dat onze kinderen de CRC trouw zullen blijven.  » Wij richten zomerkampen in voor kinderen al vanaf jonge leeftijd, opdat ze zouden aangetrokken worden tot het goede vooraleer personen met slechte bedoelingen hen kunnen wegroven. Onze falanx – la Phalange de l’Immaculée – is duidelijk een werk van God voor het geluk van jullie kinderen en van jullie gezinnen.

Al wat wij over de opvoeding gaan leren, willen we in de praktijk brengen om onze kinderen te beschermen, te redden, op de goede weg te zetten, maar wij willen dat ook anderen er hun voordeel uit halen. En uiteindelijk komen we uit op een belangrijke godsdienstige en politieke les  : wij moeten meedoen met de contrareformatie en de contrarevolutie van de CRC tot die niet meer nodig zijn en de Kerk haar vroegere, grote rol zal teruggevonden hebben in een vernieuwde christenheid. Zo helpe ons God  !

Het derde gevecht dat we in ons leven moeten aangaan en winnen is dus  : aan onze jeugd, voor haar eeuwig geluk en voor het welzijn van onze beschaving, de erfenis doorgeven die ook onze sterkte, onze hoop en onze kracht is.

Bij wijze van inleiding wil ik zeggen dat de kinderen van vandaag niet verschrikkelijker zijn dan de kinderen van vroeger. Het is al te gemakkelijk te beweren dat deze generatie verantwoordelijkheidszin mist.

Toen ik klein was en we in Brest woonden, dacht ik dat de krabben die mijn moeder ons aan tafel voorschotelde vanaf hun geboorte rood waren. Ik stond versteld toen ik er levende op het strand zag  : die waren zwart  ! Ik wist toen nog niet dat, als je krabben levend in kokend water gooit, ze er rood uitkomen. Zo is het ook met de kinderen  : als ze op de wereld komen, zijn ze niet slecht. Maar ze wórden slecht als je ze levend in onze maatschappij, die de kookketel van Satan is, smijt. Eerst worden ze in kinderkribben gedropt, wat een wonderlijk eufemisme is  : je moet zo’n kribbe maar eens bekijken, er heerst God noch gebod. En later worden ze voor tv en internet gezet, de straat op gestuurd die vol hangt met aanstootgevende affiches, aan scholen toevertrouwd waar ze vaak ronduit slechte volwassenen als leraars krijgen.

Als je dan denkt aan de beschermde jeugd die de heiligen hadden  : de H. Teresia van Lisieux, de kinderen van Fatima, de H. Catharina Labouré, de H. Bernadette Soubirous  ! Of aan de jeugd van onze ouders  ! Maar de kinderen van nu worden van kleins af aan in het kwaad geworpen. Soms ben ik egoïstisch en dank ik God dat ik in mijn generatie geboren ben, wij waren een beschermde generatie  !

Eén van onze vrienden gaf me onlangs een prospectus tegen aids die was uitgedeeld in de kazernes. Vol afgrijzen bladerde ik erdoor. Onder het voorwendsel om aids te bestrijden wordt de wereld ondergedompeld in een monsterlijke immoraliteit  ! Hoe dikwijls heb ik, bij het lezen van recensies van films of toneelstukken, gedacht  : «  Als ik dat in mijn jeugd had gezien, zou ik nu op weg zijn naar de hel…  »

DE REDDENDE GODSVRUCHT

En dus moeten wij ons bekommeren om onze kinderen, onze kinderen van vandaag, zonder een steen naar hen te gooien, maar wel naar onze samenleving en naar ons liberaal en democratisch katholicisme dat de duivel toelaat te regeren. In zijn brief aan de Thessalonicenzen voorziet Sint-Paulus «  dat ooit de dag van de Antichrist zal komen  ». Hij zegt dat «  dit zal gebeuren wanneer een welbepaalde macht, die de duivel tegenhoudt, haar greep zal lossen en zal verdwijnen. De duivel zal dan de meester over de wereld worden. Dat zal het einde van de tijden zijn, waarin de uitverkorenen zelf dreigen verloren te gaan, als deze tijden niet worden ingekort.  »

Men heeft zich altijd afgevraagd wat die welbepaalde kracht zou zijn die de macht van het Kwaad tegenhield. Eén van mijn professoren, kanunnik Osty, zegde dat deze reddende kracht de Romeinse orde, het Romeinse bestel was, die de anarchie en de slechte neigingen van de individuen in bedwang hield. Mogelijk… maar de Romeinse orde werd omvergegooid en werd opgevolgd door de orde van de Christenheid. En orde steunt op gezag.

Daarstraks tijdens het rozenhoedje werd mijn blik getroffen door het beeld van Onze-Lieve-Vrouw. Met haar voet verplettert ze de vervloekte slang. Deze erg traditionele en mystieke voorstelling toont ons dat de kracht die de duivel tegenhoudt, de godsvrucht tot de H. Maagd Maria is. Zij is het die de kop van de duivel in bedwang houdt, tenminste als wij van haar houden.

Maar vandaag is er geen devotie tot de H. Maagd meer. Veronderstel eens dat Zij zich terugtrekt, haar voet wegneemt van de aarde waarvan Zij de Koningin is. Maar dan schuift de slang haar kronkels opnieuw rond heel de aarde. En dat is wat nu volop gebeurt. Ik vrees dat Onze-Lieve-Vrouw haar voet heeft weggehaald omdat er geen gezag meer is. Zonder gezag kan er niets goeds gebeuren, want God wil dat de mensen onderworpen zijn aan het gezag van anderen, in zijn Naam, in de Naam van Jezus Christus.

De kinderen van vandaag worden echter, in een totale onverschilligheid of zelfs met medeplichtigheid van de burgerlijke en kerkelijke gezagsdragers, overgeleverd aan de slechtste tendensen. Zij worden van kleins af aan opgezet tegen het geloof. Kinderen van vijf jaar zeggen dat ze niet in God geloven… Dat hebben zij niet van zichzelf  ! Zij worden opgezet tegen het geloof en tegen de gehoorzaamheid en bijgevolg tegen alle deugden. Ze worden aangespoord om alle mogelijke ondeugden te bedrijven, om de weg van het verderf op te gaan nog voor ze de jaren van verstand hebben bereikt  !

Het is net zoals met de vreemdelingen, van wie men ons tegenwoordig een hatelijk portret voorhoudt. Ze hebben niets dan ondeugden, zegt men, maar dat was niet zo in de tijd van de kolonisatie, toen ze in hun eigen land met hun tradities volgens wet en orde leefden, zodat de criminaliteit er zelfs lager lag dan in onze Westerse landen. Die mensen worden nu eerst ontworteld en dan hier in de heksenketel van alle soorten ondeugden geworpen. Ze hebben geen geld en geen werk en dan is men verwonderd dat zij ronddolen door de straten en de anderen bestelen. Wie is er dan in de fout gegaan  ? Niet zij  !

Ik praat hen niet schoon, maar ik wil aantonen dat het de instellingen zijn die de mensen maken. De H. Thomas van Aquino zei  : «  Een volk is waard wat zijn leiders waard zijn.  » Hij legt uit dat het door de wetten is dat de mensen zich beschaven en heiligen. Het is niet waar dat men de leiders krijgt die men verdient  !

NON NOBIS, DOMINE

«  Het zijn niet wij die de redders van de Kerk zijn, zijzelf is het die ook vandaag en altijd onze redster is.

«  Ik zie het niet, maar ik geloof het rotsvast  : de redding van de Kerk ligt vandaag, net zoals gisteren en morgen, in haar Herders. Zelfs nu zij tijdelijk helemaal kopje onder gegaan zijn in hun dwalingen en in het sektarisme van hun “  Hervorming  ”, blijft toch de genade in hen voortbestaan, onwankelbaar, onzichtbaar, maar klaar om terug op te borrelen op de dag die God beschikt heeft voor de redding van ons allemaal.

«  De chaos kan groot zijn, de schade voor de zielen dodelijk. Dat neemt niet weg dat God ons enkel wil regeren via de kerkelijke hiërarchie.

«  De Kerk is niet in onze personen gelegen, zij blijft voortbestaan in diegenen van wie wij zien dat ze volop bezig zijn met haar ten gronde te richten, en van wie wij toch geloven dat zij, in hoofde van hun apostolisch gezag, dragers zijn van de genade van Christus.  »

abbé de Nantes
CRC nr. 25, oktober 1969

Zo formuleerde onze geestelijke vader zijn «  ligne de crête  », zijn «  weg over de toppen  », tussen ketterij en schisma in. «  Ni schisme, ni hérésie.  » Nog altijd actueel  !

DAGELIJKSE STRIJD

Slechtheid wordt niet aangeboren, is niet erfelijk en is dus niet door het lot bepaald. Als we invloed op de kinderen kunnen uitoefenen, kunnen ze gered worden. De ouders moeten bijgevolg beseffen dat ze elke dag een gevecht moeten voeren voor hun kinderen. Het is geen gevecht tegen hun kinderen, maar een gevecht tegen de maatschappij die hen bederft.

Vooraleer we tot de hoofdzaak van ons onderwerp komen, wil ik nog op twee gevaren wijzen.

1° Je mag dit gevecht niet proberen te winnen door – zoals gescheiden ouders vaak doen – je kinderen te verwennen om ze naar je kant te lokken. Ze hebben slechte opvoeders en slechte vormen van ontspanning buitenshuis, ga je hen dan overladen met prachtige geschenken en met nog meer amusement dan ze al krijgen  ? Dan zal je kind uiteindelijk jullie rechter worden en zal het, zoals een jongere die afwisselend naar vader en moeder moet, kiezen voor diegene die hem het meest verwent en vleit. Uiteindelijk zal zo’n kind rotbedorven zijn. We mogen dus de wereld niet bestrijden met haar eigen wapens, namelijk verleiding en genotzucht. Je moet op een andere manier te werk gaan.

Er kan dus geen sprake van zijn om de waarheid, het goede en het schone voor te stellen als was het een persoonlijke, vrije keuze. Dat geldt voor het gezin, maar ook voor de CRC. Wij, de Kleine broeders en zusters van het H. Hart, bieden jullie heel ons arsenaal van het goede, het ware en het schone niet aan opdat jullie uit tevredenheid daarover liever naar hier komen dan naar elders. Willen jullie de waarheid niet horen, ga dan weg. Wij zijn niet de slaaf van de grillen van de mensen. Veel ouders kruipen voor hun kinderen omdat ze denken dat dit het laatste middel is om ze op het rechte pad te houden. Opgelet  : wij mogen niet in die valstrik terecht komen  ! Je moet niet denken dat het goede en het schone het toch wel zullen halen op het kwade. Het kwaad heeft altijd een bijzondere aantrekking gehad op de zielen die door de erfzonde getroffen zijn. We kunnen niet met dezelfde wapens vechten. Ik waarschuw dus voor het gevaar in de opvoeding van slapheid, vleierij en geschipper.

2° In de moraal moet je altijd tussen de twee uitersten in blijven  : «  in medio stat virtus  », «  de deugd bevindt zich in het midden  ». Het andere uiterste bestaat erin – en dat komt spijtig genoeg in al te veel families voor – dat je deze strijd zo brutaal en zo hevig voert en zelfs met een zweem van machtswillekeur zodat het lijkt alsof je tégen je kind vecht, terwijl we juist tegen de slechte krachten strijden vóór je kind. Daar komt nog bij dat veel leraars en buitenstaanders, die onze kinderen op alle mogelijke manieren proberen weg te lokken uit het gezin om ze te bederven, steeds de vader tegenover de zoon stellen, als waren het twee rivalen (volgens Marx), als was het een verhouding van meester en slaaf (volgens Hegel). En dan zwijg ik nog over Freud. Dus als onze kinderen groter worden, zullen ze een freudiaanse, hegeliaanse, marxistische atmosfeer inademen en zal elk stevig gezag, dat van hen een prompte en exacte gehoorzaamheid vraagt, door de wereld met de vinger gewezen worden als was het in principe een belediging en een schending van de rechten van de persoon en van het kind, als was het de vijand van het geluk van het kind.

Als we niet oppassen, zal onze opvoeding te bruusk zijn en zal het kind echt het gevoel hebben dat het een onderworpene is. Het zal op zijn achttiende de deur toeslaan en zijn familie verlaten, “  bevrijd  ” door de ondermijners van het gezag rondom ons.

DRIE PIJLERS

Hoe moeten we dan te werk gaan  ? Ik zal de drie grondslagen van de opvoeding belichten, voor het geluk van onze kinderen.

Ik mag het niet onder de korenmaat stoppen, want het is een echte genade  : ik heb heel deze conferentie geschreven met de gedachte aan mijn vader en mijn moeder in het achterhoofd. Ik hoef maar te denken aan de opvoeding die zij hun kinderen gegeven hebben. Na zestig jaar stel ik vast dat mijn ouders ons een buitengewone christelijke, katholieke opvoeding hebben gegeven. Eén punt is er, één lichte kritiek, die ik op mijn ouders zou kunnen hebben. En dat is meteen een bewijs van het realisme van mijn bewondering voor hen.

Ik ben dus wat mijn ouders mij geleerd hebben. Ik pot enkel maar op wat ik gezien heb en wat de redding van mijn ziel heeft bewerkt. Maar ik laat jullie niet langer in spanning en som onmiddellijk de drie basisprincipes van een goede opvoeding op  :

1° De opvoeding moet gebaseerd zijn op het gezag, de kracht van de vader, en die kracht moet rechtvaardig zijn.

2° De tweede pijler is de tederheid van de moeder, die een voorspreekster voor de kinderen moet zijn, maar zonder zwakheid of medeplichtigheid.

3° Alles moet steunen op de toewijding van beide ouders voor hun kinderen, een verstandige, aandachtige, doeltreffende, vormende toewijding.

[wordt vervolgd]

abbé Georges de Nantes
Hij is verrezen  ! nr. 84, november-december 2016