De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

DE « GOEDE PAUS » JOANNES XXIII
De gelukzalige die ons in het ongeluk gestort heeft

Joannes XXIII

Paus Joannes XXIII (1958-1963).

OP 3 juni 1963, om kwart voor acht ‘s avonds, terwijl kardinaal Traglia, provicaris van Rome, net het Ite missa est had gezongen van de H. Mis die hij opdroeg ter intentie van de stervende paus, overleed zachtjes de “ goede paus Joannes ”, 81 jaar oud. Op het Sint-Pietersplein weenden de gelovigen om deze Opperherder van wie de gemoedelijkheid de harten veroverd had. De hele wereld, Moskou incluis, bracht hem hulde. En zijn reputatie van heiligheid, in stand gehouden door de aanhangers van het Tweede Vaticaans Concilie dat hij samengeroepen had, leidde uiteindelijk tot zijn zaligverklaring door Joannes-Paulus II op 3 september 2000.

Uit één van zijn laatste woorden blijkt duidelijk heel de tweeslachtigheid van deze paus die de verantwoordelijkheid draagt de Kerk te hebben geopend voor de wereld. Nadat hij in volle bewustzijn het Heilig Oliesel had ontvangen, wees hij naar het kruisbeeld tegenover zijn bed en zei tot de aanwezigen  : «  Het geheim van mijn ambt ligt in het kruisbeeld dat ik steeds vóór mijn bed wilde zien hangen. Zo kan ik het zien bij het ontwaken en alvorens in te slapen. Het is dáár, ik kan er tegen spreken gedurende de lange avonduren. Bekijk het, bezie het zoals ik het bezie. Die open armen zijn het programma van mijn pontificaat geweest  : ze geven aan dat Christus gestorven is voor iedereen, voor ons. Niemand wordt uitgesloten van zijn liefde en zijn vergiffenis.  »

Joannes XXIII wilde dus een apostel zijn van de onvoorwaardelijke liefde die Christus de mensen betoont – maar de heiligen die vóór deze tijd heilig verklaard werden, dachten die ook dat de liefde van Christus onvoorwaardelijk is  ? Om na te gaan hoe groot de afstand is tussen hen en de 261ste opvolger van Petrus, volstaat het zijn leven te vertellen. We volgen daarbij zijn best geïnformeerde biograaf, Peter Hebblethwaite, een Engelse universitair en uitgetreden jezuïet, specialist in de geschiedenis van de hedendaagse Kerk.

KLERIKALE JEUGD IN EEN LIBERAAL KLIMAAT

Zoals de H. Pius X en zoals ook zijn biograaf schrijft, is Angelo Roncalli «  arm geboren  ». Maar dat is het enige punt van overeenkomst met zijn heilige voorganger, wat Roncalli heeft niet «  arm geleefd  » en is evenmin «  arm gestorven  ». De “ goedmoedigheid ” waarmee hij de lof zong van de schatten in de kerken waar hij celebreerde, opdat men ze hem cadeau zou doen, was berucht en werd door alle kosters gevreesd.

Hij ziet het levenslicht op 25 november 1881 in een klein dorpje bij Bergamo in Lombardije, als vierde van twaalf kinderen in een familie van diepchristelijke landpachters. Angelo toont zich een vroom kind dat niet vatbaar is voor de propaganda van de vrijzinnige school waar hij verplicht naartoe moet. Daardoor mag hij uitzonderlijk vroeg zijn eerste communie doen, op 8 jaar. Het is trouwens zijn pastoor die opmerkt hoe verstandig hij is en zijn ouders ervan overtuigt hem zijn studies te laten voortzetten, wat hij vol moed doet in lastige omstandigheden, tenminste toch de eerste jaren.

Zonder een crisis door te maken of zijn geloof in vraag te stellen gaat hij het seminarie van Bergamo binnen, waar hij een traditionele vorming in de geest van de Contrareformatie krijgt. Hij is een modelseminarist en legt zichzelf een leefregel op waaraan hij de rest van zijn leven trouw zal blijven.

In 1900 is de jonge seminarist naar aanleiding van een kort bezoek aan Rome onder de indruk van Leo XIII, maar ook van het antiklerikaal klimaat in de Eeuwige Stad. Het jaar daarop is hij er terug, ditmaal gezonden door zijn bisschop om er theologie te studeren. Hij profiteert dus van de thomistische vernieuwing, maar het is vooral het vak geschiedenis dat hem boeit dankzij zijn leraar, Don Benigni, toekomstige rechterhand van de H. Pius X in de strijd tegen het modernisme  ; van deze geestelijke neemt hij de immense bewondering voor de Contrareformatie over, in het bijzonder voor de H. Carolus Borromeüs. Deze bewondering blijkt uit het feit dat Roncalli tot aan zijn uitverkiezing tot paus zal werken aan de kritische uitgave van de negenendertig boekdelen met verslagen van de pastorale bezoeken van zijn uitverkoren heilige  !

Zijn geliefde studies worden in november 1901 onderbroken door een jaar legerdienst, dat hem zeer zwaar valt. Na afloop blijft hij zijn roeping trouw maar hij is enigszins gedesillusioneerd over de toestand van de mensheid. Daarentegen ervaart hij, zo schrijft hij aan zijn familie, «  een felle drang om alles te willen weten, alle waardevolle auteurs te kennen, me op de hoogte te stellen van heel de wetenschappelijke beweging in haar talrijke disciplines.  »

In Rome is hij medeleerling en vriend van Ernesto Buanaiuti, die geëxcommuniceerd zal worden wegens modernisme. Angelo volgt hem wel niet in zijn slechte ingesteldheid en zijn kritiek op hun vorming, maar samen met hem wenst hij toch al een Kerk die meer openstaat voor de moderne wereld en die zich meer interesseert voor de sociale actie. Gedurende deze jaren evolueert zijn spiritualiteit om daarna niet meer te veranderen. Na grootgebracht te zijn in de vrees voor de zonde neemt hij nu volgend besluit  : «  Het gevoelen van Gods liefde en de volledige overgave aan zijn goeddunken moeten bij mij al de rest opslorpen.  »

Maar van deze eerste periode in Rome is het belangrijkste voor zijn toekomst ongetwijfeld het contact dat hij op aanbeveling van een bevriend priester legt met Mgr. Tedeschi, aalmoezenier van het Werk van de Congressen, anders gezegd de Katholieke Actie. Deze prelaat behoort tot de kring van aanhangers van kardinaal Rampolla, de staatssecretaris van Leo XIII, een erg liberale figuur die banden heeft met de vrijmetselarij.

De jonge Roncalli toont zich overigens verrukt over twee “ overwinningen ” van de diplomatie van Leo XIII  : het bezoek aan het Vaticaan van de koning van Engeland, en kort daarna dat van de keizer van Duitsland. In zijn dagboek schrijft hij  : «  Het is een teken des tijds, deze nieuwe en stralende zonsopgang boven het Vaticaan na een stormachtige nacht, deze trage maar bewuste en reële terugkeer van de naties in de armen van de gemeenschappelijke Vader…  » Afgezien van de naïviteit van deze ontboezeming, die abstractie maakt van het voordeel dat de twee staatshoofden haalden uit de pauselijke ontvangst zonder dat er enig waarachtig voordeel was voor het rijk van Christus, moet hier gewezen worden op het allereerste gebruik van de uitdrukking “ teken des tijds ”. Rechtvaardigde een van de toekomstige slogans van de conciliaire revolutie toen al de politiek van verzoening van de Kerk met haar vijanden  ?

Hier vinden we reeds een van de karaktertrekken van Roncalli terug  : de snelheid waarmee hij in vuur en vlam staat voor de openheid van geest van de vijanden van de Kerk. Dat men elkaar niet meer bestrijdt, dat men elkaar niet meer veroordeelt lijkt hem een aanzienlijke vooruitgang  !

WEERSPANNIG TEGEN DE H. PIUS X

Op 4 augustus 1903 wordt kardinaal Sarto tot paus verkozen, en niet kardinaal Rampolla die als favoriet het conclaaf was binnengegaan. De patriarch van Venetië neemt de naam aan van Pius X. Eén van zijn eerste belangrijke beslissingen is de opheffing van het Werk van de Congressen, dat ondermijnd is door de dwalingen van de christendemocratie. Het zal niet de enige maatregel zijn die de beschermelingen van de staatssecretaris van de overleden paus treft.

Het is in dit klimaat van ontreddering voor zijn “ geestelijke familie ” dat Roncalli zijn studies theologie beëindigt en op 10 augustus 1904 priester gewijd wordt. Hij vat het plan op studies in canoniek recht te beginnen wanneer plots de benoeming volgt van Mgr. Tedeschi tot bisschop van Bergamo, die hem meteen tot zijn secretaris kiest.

Nauwelijks heeft de nieuwe bisschop zich gevestigd in zijn diocees of hij vertrekt in het gezelschap van zijn secretaris op bedevaart naar Frankrijk, niet uit vroomheid maar om zich met eigen ogen rekenschap te geven van de impact van de vastberaden politiek van Pius X tegen de antiklerikale Franse regering.

We weten nu genoeg om vast te stellen dat de toekomstige Joannes XXIII in zijn geestelijke vorming onuitwisbaar getekend werd door een milieu dat sterk gekant was tegen Pius X en tegen alles wat die heilige paus verpersoonlijkte. Maar Roncalli koestert een grenzeloze verering voor Mgr. Tedeschi, van wie hij later de biografie zal schrijven en bij wie hij in het bijzonder de capaciteit bewondert om de Kerk aan te passen aan «  de nieuwe omstandigheden en de nieuwe noden van de tijd  ». Het is in diens spoor dat hij een hechte vriendschap aanknoopt met kardinaal Ferrari, aartsbisschop van Milaan, die zelf ook tot de liberale clan behoort.

Wanneer op 8 september 1907 de encycliek Pascendi verschijnt die het modernisme krachtig veroordeelt, zijn de liberale kringen helemaal ondersteboven  ; ze zien het als een dodelijke slag toegebracht aan studie, wetenschap en intellect binnen de Kerk. Op 4 december geeft Don Roncalli een conferentie die veel stof doet opwaaien. Het is een meesterwerk van handigheid, dat de indruk geeft de encycliek goed te keuren terwijl het in werkelijkheid een lofbetuiging vormt voor de intellectuele nieuwsgierigheid, de vrije kritiek en het in vraag stellen van de kennis.

Zijn biograaf merkt op dat Roncalli een dergelijke lezing niet had kunnen geven zonder zich verzekerd te weten van de bescherming van machtige personen, waartoe men naast kardinaal Ferrari ook kardinaal Mercier moet rekenen, de primaat van België, die Pius X achter de schermen niet spaart van bijtende kritiek terwijl hij in het openbaar doet alsof hij het volledig met hem eens is…

Binnen die besloten kring hoort Roncalli in 1908 de oude bisschop van Cremona, Mgr. Bonomelli, voor het eerst het idee verkondigen van een concilie. Hij omschrijft het als volgt in zijn dagboek  : «  Een groot oecumenisch concilie dat snel, vrij en openlijk handelt over de grote problemen van het godsdienstig leven, zou misschien de aandacht van de wereld op de Kerk kunnen vestigen, het geloof stimuleren en nieuwe perspectieven voor de toekomst openen.  »

Volgende anekdote illustreert de tegenstelling tussen de H. Pius X en de toekomstige Joannes XXIII. Ze dateert van 18 november 1908, toen de heilige paus een delegatie van het bisdom Bergamo in audiëntie ontving die hem 25.100 lires in goudstukken kwam overhandigen voor zijn jubileum. In zijn dagboek vertelt Roncalli dat Pius X deze gift niet één blik gunde, niet één bedanking, maar dat hij hen op emotionele wijze krachtig waarschuwde voor het modernisme en zijn kwalijke gevolgen. Angelo Roncalli becommentarieerde het voorval met deze woorden  : «  Heilig, in elk geval, maar wel niet helemaal volmaakt, want hij liet zich overmeesteren door ongerustheid en toonde zich toch zo angstig.  » Het is allicht uit volmaaktheid dat Joannes XXIII van zijn kant nooit beangstigd zal zijn noch om het zielenheil van anderen noch om zijn eigen heil  !

Toch moeten we opmerken dat hij in 1910, op het moment dat hij de antimodernistische eed moet afleggen, volgende woorden optekent die zijn biograaf als «  onbegrijpelijk  » betitelt  : «  De pijnlijke ervaringen die men dit jaar hier en daar heeft kunnen vaststellen, de ernstige bekommernissen van de H. Vader en de oproepen van de herders overtuigen me ervan (zonder dat ik er meer wil achter zoeken) dat de wind van het modernisme harder en ruimer waait dan op het eerste gezicht leek, en dat hij perfect hen kan treffen en doen afdwalen die oorspronkelijk slechts wensten de oude waarden van het christendom aan te passen aan de noden van de moderne tijd.  »

Dat belet niet dat zijn cursus geschiedenis aan het seminarie van Bergamo aangeklaagd wordt als modernistisch. Om zich te verdedigen schrijft hij in juni 1914 naar kardinaal De Lai dat hij nooit de modernistische historicus Mgr. Duchesne gelezen heeft – wat niet meer of minder dan een leugen is, zoals zijn biograaf wel verplicht is toe te geven.

Het was nodig om wat langer stil te staan bij de vormingsjaren van Angelo Roncalli, omdat ze zo bepalend geweest zijn. De hele Joannes XXIII is daarin reeds aanwezig. Tot het einde heeft hij de ideeën behouden van dat liberale cenakel dat sympathiek stond tegenover de modernisten, aangroeide in de schaduw van Leo XIII, veroordeeld werd door de H. Pius X maar niet uitgeroeid, vermits het binnen de kortste keren terug de kop opstak en zich zou nestelen in de hoogste regionen van de Kerk.

EEN TRAAG OP GANG KOMENDE CARRIÈRE

Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt Roncalli gemobiliseerd als verpleger-aalmoezenier. De moed en de heldhaftigheid van de soldaten sturen de indrukken overgehouden van zijn militaire dienst bij. Hij is ook blij dat er een eind komt aan het antiklerikalisme door de gemeenschappelijke beproevingen van soldaten en priesters. De tegenstelling tussen het Italiaanse patriottisme en de Kerk is in de loopgrachten opgelost.

Eens de oorlog voorbij is, benoemt de nieuwe bisschop van Bergamo hem tot directeur van het studentenhuis, geestelijk directeur van het seminarie en directeur van het Verbond van katholieke Vrouwen. In dat milieu dat heel ontvankelijk is voor de principes van de christendemocratie voelt hij zich gelukkig. Hij steunt de Partito Popolare Italiano van de Siciliaanse priester Sturzo; samen met kardinaal Ferrari en anderen droomt hij van een theo-democratie onder de leiding van een paus die openstaat voor de moderne wereld.

In 1920, tijdens het Eucharistisch Congres van Bologna, op een moment waarop men in Italië een communistische revolutie vreest, houdt hij een bijzonder warm onthaalde toespraak over de H. Maagd en de Eucharistie, die hij besluit met een les van rustig vertrouwen. Als gevolg van dat oratorisch succes spreekt kardinaal Van Rossum, prefect van de Propaganda Fide, hem aan voor de functie van nationaal directeur van de Geloofsverspreiding. Hij aanvaardt deze nieuwe functie, die hem de titel van monseigneur bezorgt, en toont er zich bijzonder efficiënt in.

Hij stelt zich gereserveerd op tegenover de nieuwe paus, Pius XI, van wie hij de politiek van verstandhouding met Mussolini in het begin niet begrijpt. Hijzelf is resoluut antifascist, in die mate zelfs dat de regering als gevolg van een preek waarin Roncalli zich openlijk tegen het regime keert, zijn verwijdering uit Rome vraagt. Om die reden wordt hij op 17 februari 1925 tot apostolisch visitator in Bulgarije benoemd, waar tweeënzestigduizend katholieken leven, verdeeld tussen Uniaten en Latijnen  ; ze zijn verloren in een zee van orthodoxen die zich uit anticommunisme losgemaakt hebben van het patriarchaat van Moskou en toenadering zoeken zowel tot Constantinopel als tot Rome. Men verwacht dus van hem een rapport over deze complexe situatie.

Op het allerlaatste moment beslist Pius XI, die hem ontvangt kort voor zijn vertrek, om hem tot aartsbisschop aan te stellen, wat voor deze zending geen noodzaak is. Hij ontvangt de wijding op 3 maart 1925. Op dat moment maakt hij kennis met dom Lambert Beauduin en wordt hij een aanhanger van «  de oecumene van de naastenliefde  », zoals hij het uitdrukt, waarbij men de veroordelingen uit het verleden laat voor wat ze zijn en op de eerste plaats kijkt naar wat verenigt.

Hij wordt genoemd als opvolger van kardinaal Ferrari in Milaan maar Mussolini verzet zich hiertegen. Hij blijft dus tien jaar in Bulgarije en maakt er het beste van door zich in te zetten voor de katholieken en vriendschap aan te knopen met de koninklijke familie.

Einde 1934 wordt hij als apostolisch afgevaardigde naar Turkije gestuurd, waar zijn voorganger zowel de vrijzinnige regering van Atatürk als het patriarchaat van Constantinopel tegen zich in het harnas gejaagd heeft. Zijn gemoedelijkheid doet wonderen, iedereen apprecieert hem. Hij laat vernieuwingen toe die door Rome streng worden beoordeeld maar die hem de achting van de Turken bezorgen, zoals het gebruik van hun taal in de liturgie voor de aanroepingen tijdens het lof of voor de lezingen tijdens de H. Mis. Bij de dood van Pius XI ontvangt hij de rouwbetuiging van de patriarch van Constantinopel, wat ongezien is sinds het schisma.

In 1939 wordt het neutraal gebleven Turkije een draaischijf van diplomatieke activiteit van de oorlogvoerende landen. Roncalli knoopt vriendschapsbanden aan met de ambassadeur van Duitsland, de katholiek Von Papen, die hem veel informatie bezorgt over de “ vredesintenties ” van Hitler. Roncalli geeft deze door aan Rome als documenten van het hoogste belang. Maar Mgr. Tardini, die in het Vaticaan de diplomatie van de H. Stoel in handen heeft, is niet onder de indruk. In de marge van een rapport van de apostolisch afgevaardigde in Turkije noteert hij  : «  Nog iemand die er niks van begrepen heeft  ».

Zijn biograaf maakt het trouwens zonder meer duidelijk  : de diplomatieke activiteit van Mgr. Roncalli is een opeenvolging van mislukkingen, als men abstractie maakt van zijn capaciteit om zich door iedereen te doen waarderen. Dat verklaart waarom hij geen hoge reputatie geniet bij het Staatssecretariaat en de Romeinse Curie. Zijn enig succes is de redding van twintigduizend Joden uit Centraal-Europa, dankzij zijn goede betrekkingen met de koning van Bulgarije… en de medeplichtigheid van Von Papen.

APOSTOLISCH NUNTIUS IN PARIJS

Op 6 oktober 1944 wordt hij benoemd tot apostolisch nuntius in Parijs. De sfeer tussen Frankrijk en de Heilige Stoel is zeer gespannen en er is iemand nodig die de zaak kan deblokkeren.

Zijn biograaf toont aan dat Angelo Roncalli in werkelijkheid slechts een zeer ondergeschikte rol speelt in de verbetering van de betrekkingen tussen De Gaulle en het Vaticaan. Met zijn glimlach symboliseert hij de officiële aansluiting van de Kerk bij de machtsgreep van de generaal. Het Frankrijk van maarschalk Pétain wordt gezien als een ongelukkig interval, zoals de nieuwe nuntius het zonder omwegen zegt in de eerste toespraak waarin hij de nieuwe machthebber geluk wenst  : «  Frankrijk krijgt zijn traditioneel aanzien terug en de plaats die het toekomt onder de naties.  »

Gedurende zijn negenjarig verblijf in Parijs wordt hij erg gewaardeerd door het Franse politieke milieu, zelfs het niet-christelijke, waar zijn humor wonderen doet tijdens de protocollaire diners. Zijn uitgangspunt is eenvoudig  : «  Het onderhouden van vreedzame relaties tussen Kerk en Staat is het doel zelf van de apostolische nuntiatuur.  »

Aanvankelijk lijkt hij ongerust over de situatie  : «  Frankrijk is als het uitverkoren volk  : het beeldt zich in dat het, omdat het sinds eeuwen de “ oudste dochter van de Kerk ” is, zich om het even wat kan veroorloven zonder dat uit zijn daden het geloof blijkt. Het vergist zich, en ik ben er ongerust over.  » Maar hij verandert snel van mening onder invloed van de uitstekende betrekkingen die hij onderhoudt met Mgr. Montini, die samen met Mgr. Tardini in die tijd de voornaamste medewerker van Pius XII is.

Men kan zeggen dat zijn verblijf in Frankrijk hem de kentrekken geeft die zijn pontificaat zullen bepalen  : een algemeen optimisme en de overtuiging dat de Kerk de dwalingen niet meer hoeft te veroordelen vermits «  heden ten dage de mensen zelf deze beginnen te veroordelen  »; verder een grote belangstelling voor humanitaire acties en een onvoorwaardelijke openheid ten opzichte van de moderne wereld.

Op 29 november 1952 wordt hij kardinaal gecreëerd en enkele weken later volgt zijn benoeming tot patriarch van Venetië. In de Dogenstad is hij zeer gelukkig. Daar, zoals elders, veroveren zijn gemoedelijkheid en zijn humor snel de harten. Hij aarzelt niet om zich af te zetten tegen de politieke partijen, wat meteen wordt geïnterpreteerd als een afkeuring van de christendemocraten. Hij roept een bisschoppelijke synode samen en volgt hiermee de H. Carolus Borromeüs en de H. Pius X na. Bij die gelegenheid gebruikt hij voor de eerste keer de uitdrukking «  aggiornamento van de Kerk  ». Hij herinnert graag aan de eeuwige jeugdigheid van de Kerk, dat wil zeggen haar mogelijkheid zich onophoudelijk aan te passen aan de wereld waarin zij leeft.

Met Mgr. Montini, die nu aartsbisschop van Milaan is maar die Pius XII weigert kardinaal te creëren, blijft hij een uitvoerige briefwisseling onderhouden, maar «  ze beleefden hun vriendschap voorzichtig en discreet  », schrijft zijn biograaf.

OP DE TROON VAN PETRUS

kardinaal Roncalli

In de rouwperiode vlak na de dood van Pius XII (9 oktober 1958) was Roncalli volgens zijn biograaf bijzonder actief. Hij effende voor zichzelf het pad naar de Troon van Petrus met de belofte dat het voornaamste agendapunt van zijn ongetwijfeld korte pontificaat – hij was 77 – de creatie tot kardinaal zou zijn van de man op wie de Kerk en de wereld volgens hem wachtten  : Giovanni Battista Montini.

Bij de dood van Pius XII, op 9 oktober 1958, is het duidelijk dat kardinaal Roncalli papabile is, rekening houdend met de hoge leeftijd van de kardinalen en hun klein aantal. Algemeen wordt aangenomen dat het toekomstig pontificaat dat van een overgangspaus zal zijn.

Hebblethwaite merkt ironisch op  : «  Joannes XXIII zal kunnen schrijven dat hij de eer en de last van het pontificaat aanvaard heeft “ met de vreugde te kunnen zeggen dat ik niets gedaan heb om het te kunnen bekomen, werkelijk niets  ; integendeel, ik heb me zorgvuldig en bewust ingespannen om van mijn kant uit geen enkel argument ten gunste van mezelf aan te reiken ”, maar hij past deze opmerkingen slechts toe op het eigenlijke conclaaf  », want… de dagen die eraan voorafgaan is hij bijzonder actief  !

In tegenstelling immers tot kardinaal Sarto en kardinaal Luciani, die het zo geregeld hadden dat ze slechts deelnamen aan de bijeenkomsten van de kardinalen die strikt verplicht waren, vermenigvuldigt kardinaal Roncalli het aantal bezoeken en maaltijden met zijn collega’s en met de sleutelfiguren van het Vaticaan. Bij afwezigheid van Montini presenteert hij zichzelf als de juiste persoon om het pontificaat van deze laatste voor te bereiden. De contacten die hij legt zijn zo geslaagd dat hij er aan de vooravond van het conclaaf van overtuigd is dat hij verkozen zal worden.

Nochtans verloopt het niet zoals verwacht. De behoudsgezinden willen a priori niet van hem weten en hij heeft geen goede reputatie bij de kardinalen van de Curie. Aan de vooravond van de elfde stemming brengen de conservatieve kardinalen Ruffini, aartsbisschop van Palermo, en Ottaviani, prefect van het H. Officie, hem een bezoek op zijn kamer om hem de noodzaak uit te leggen van een Concilie dat de moderne dwalingen moet veroordelen. De diplomaat Roncalli luistert belangstellend toe en lijkt overtuigd, hetgeen hem hun invloedrijke stemmen oplevert.

Na zijn verkiezing op 28 oktober 1958 is hij opmerkelijk kalm. Hij zal een maand later 77 jaar worden. Zijn eerste beslissing is verrassend  : hij kiest als staatssecretaris de zeer behoudsgezinde naaste medewerker van Pius XII, Mgr. Tardini, waardoor de Curie zich met hem verzoent. Maar ‘s anderendaags kondigt hij de creatie van drieëntwintig kardinalen aan, waarbij hij eist dat Mgr. Montini bovenaan de lijst staat.

Zijn reputatie van eenvoud belet Joannes XXIII niet veel te houden van de pauselijke pracht en praal  ; hij wil dat die tot in de kleinste details in ere wordt gehouden. Toch zal hij de eerste paus zijn die een homilie houdt tijdens de H. Mis van zijn intronisatie. Hij heeft het over het thema van de Goede Herder, dat hij dikwijls zal hernemen als hij het over zijn ambt heeft. Andere vernieuwing  : na de ceremonie spreekt de nieuwe paus vrijuit met de journalisten, waarbij hij zich voordoet als de Jozef van het Oude Testament die zich doet herkennen door zijn broers. Hij had deze vergelijking al gebruikt in Bulgarije, Turkije, Griekenland en Parijs, en zal ze onophoudelijk herhalen.

DE INSPIRATIE VOOR EEN CONCILIE

Op 25 januari 1959, tijdens een consistorie gehouden in Sint-Paulus buiten de Muren na de afsluitende plechtigheid voor de week van de Eenheid, maakt hij zijn voornemen bekend om een oecumenisch concilie samen te roepen. Op het ogenblik zelf reageren de kardinalen niet, wat Joannes XXIII enigszins ontgoochelt. Montini is verrast  ; hij schrijft aan een van zijn vrienden  : «  Die oude heilige deugniet schijnt zich niet te realiseren in welk wespennest hij zijn hand steekt  ».

Later, in 1962, stelt Joannes XXIII deze beslissing voor als door de Hemel ingegeven. Ze zou zich plots aan hem opgedrongen hebben tijdens een gesprek met Mgr. Tardini, op 20 januari 1959  : «  Plots kwam een groots idee in ons op en verlichtte onze ziel. We verwelkomden het met een onbeschrijfelijk vertrouwen in de goddelijke Meester, een woord kwam ons op de lippen, plechtig, dwingend. Onze stem drukte het voor de eerste keer uit  : een Concilie  !  »

In zijn dagboek, waarvan hij wist dat het na zijn dood gepubliceerd zou worden, schrijft hij op 15 september 1962, drie weken dus vóór de opening van het Concilie  : «  Zonder er tevoren over nagedacht te hebben, heb ik in een eerste gesprek met mijn staatssecretaris, op 20 januari 1959, de woorden oecumenisch Concilie, bisschoppelijke synode en herschrijven van het Wetboek van canoniek recht uitgesproken, en dat zonder dat ik daarover een hypothese of een plan had opgemaakt. De eerste die door de suggestie die ik deed verrast was, was ikzelf, want niemand had er mij ooit enig idee van gegeven  !  »

Zijn welwillende biograaf spreekt van «  onbewust herordenen van zijn herinneringen  »… In wat voor elegante bewoordingen kunnen sommige dingen toch geformuleerd worden  ! Het gaat hier eenvoudigweg om een patente leugen  !

Peter Hebblethwaite is wel oprecht wanneer hij eraan herinnert dat het Mgr. Ruffini was die in 1939 als eerste dacht aan een Concilie, nog voor hij kardinaal was  ; maar Pius XII gaf er toen geen aandacht aan. Als aartsbisschop van Palermo kwam Ruffini in 1948 op zijn idee terug, gesteund door kardinaal Ottaviani, met als doel de veroordeling van de moderne dwalingen te bekomen. Deze keer gelastte de paus de discrete voorbereiding ervan. Maar enkele maanden later liet Pius XII het plan varen omdat grote verdeeldheid bleek binnen het episcopaat op basis van de geraadpleegde prelaten. Uiteindelijk richtten de twee kardinalen zich tijdens het conclaaf van 1958 tot diegene die op het punt stond verkozen te worden.

Op 30 oktober 1958, dus twee dagen na zijn verkiezing, sprak Joannes XXIII over de concilieplannen met zijn secretaris en liet zich de archiefdocumenten bezorgen van de voorbereiding van 1948. Daarop besloot hij dat zijn Concilie in een heel andere geest zou plaatsvinden  : het hoofddoel zou pastoraal zijn en niet leerstellig, er moest een antwoord gegeven worden op de nieuwe noden van de Kerk en de wereld. Zijn beslissing ligt vast op 28 november.

Op 9 januari spreekt hij er in het geheim over met don Rossi, oud-secretaris van kardinaal Ferrari. «  Vannacht kwam een grootse gedachte in mij op  : het houden van een Concilie.  » Don Rossi antwoordt hem  : «  Dat is een heel mooi idee.

Weet je, in werkelijkheid is het niet echt zo dat de H. Geest de paus bijstaat.

Hoe bedoelt u, Heilige Vader  ?

Het is niet de Geest die de paus helpt. Ik ben het die eenvoudigweg zijn helper ben. Omdat Hij het is die alles doet. Het Concilie is zijn idee.  »

Bij het lezen van deze regels doorziet men wat beoogd wordt met die pauselijke leugens  : voor dit pastoraal concilie, dat zich niet bezig houdt met de leer en geen oog heeft voor de procedures die de bijstand van de H. Geest garanderen, vindt men een “  super-onfeilbaarheid  ” uit door te beweren dat het de H. Geest is die rechtstreeks handelt. Dit is wat abbé de Nantes «  het illuminisme van het Concilie  » zal noemen. De dubbelhartigheid van Joannes XXIII blijkt hier zonneklaar, ze verklaart ook zijn houding in de daaropvolgende jaren, tot aan zijn dood.

ÉÉN CONCILIE KAN EEN ANDER CONCILIE VERBERGEN

De voorbereiding van het Concilie vertrouwt de paus toe aan een commissie voorgezeten door kardinaal Tardini. Op 30 juni 1959 laat hij de werkzaamheden starten door een uiteenzetting over zijn opvatting over het Concilie. Hij herneemt de gedachte die door de kardinaal van Cremona in 1908 was geformuleerd, namelijk dat het volstaat dat de Kerk openlijk van gedachten wisselt opdat de mensheid, gegrepen door sympathie voor haar, tot Christus zou terugkeren. Hij schetst een «  spektakel-concilie  ». Nochtans is zijn uiteenzetting voldoende dubbelzinnig om geïnterpreteerd te worden als een uitnodiging om voor het aanschijn van de wereld de waarheden van het geloof te verkondigen, ten voordele van een moderne samenleving die zichzelf aan het verliezen is.

In werkelijkheid speelt de voorbereiding van het Concilie zich af op twee niveaus  : enerzijds is er de officiële versie die toevertrouwd wordt aan de Romeinse Curie, anderzijds wordt in de naaste omgeving van de paus «  de geest van het Concilie  » gesmeed, binnen een beperkte kring van getrouwen, ingewijden, die zijn visie ondersteunen van een Kerk die zich wil openen naar de wereld. Drie personen domineren deze kring  : kardinaal Montini, uiteraard, kardinaal Bea en kardinaal Suenens, de primaat van België.

Parallel met deze voorbereidende fase roept Joannes XXIII een synode samen voor het bisdom Rome. De snelle opeenvolging van de debatten en het reactionaire karakter van de decreten van de synode stellen de behoudsgezinden gerust wat het verloop van het komende Concilie betreft, terwijl de progressisten niet verontrust worden, want ze weten dat het geheel later herzien kan worden. Uiteindelijk zullen de synodale besluiten in de praktijk dode letter blijven.

Gedurende het ganse jaar 1960 worden de bisschoppen over de hele wereld geraadpleegd over het toekomstige Concilie  : 76 % van hen geven een antwoord, maar hun suggesties zijn in zeer ruime mate behoudsgezind. De progressistische minderheid is hierover verontrust, waarop kardinaal Bea aan Joannes XXIII suggereert om door een motu proprio een Secretariaat voor de christelijke eenheid op te richten. Dat organisme, dat zich uitsluitend bezig houdt met de oecumene maar over uitgebreide bevoegdheden beschikt, laat de kardinaal toe om onder zijn gezag jonge theologen te laten werken die door het Heilig Officie uitgesloten zijn. Het Secretariaat zal vrij vlug het verloop van de voorbereidingen van het Concilie verstoren door een nieuw criterium voor de opstelling van ontwerpschema’s ingang te doen vinden  : de bekommernis om niet te mishagen aan onze “ afgescheiden broeders ”.

1960 is ook het jaar waarin het Geheim van Fatima bekend gemaakt moest worden. We kennen Joannes XXIII nu voldoende om niet verwonderd te zijn over zijn weigering om dit te doen, met de categorieke verklaring  : «  Dit gaat mijn pontificaat niet aan.  » Exit dus de wil van de Hemel, die als te pessimistisch wordt beschouwd  ! De “ onheilsprofeten ” worden voortaan geweerd uit de eeuwig jeugdige en sympathieke Kerk van de “ goede paus Joannes ”.

DE LAATSTE VOORBEREIDINGEN VOOR DE REVOLUTIE

Joannes XXIII doet de positie van de H. Stoel ook evolueren in wereldlijke zaken. Onder Pius XII was de politiek van het Vaticaan anticommunistisch. Na vijftien jaar onverdeeld aan de macht te zijn geweest verliest de christendemocratische partij een deel van haar electoraat. Haar leider, Aldo Moro, wil hieraan iets doen door een opening naar links. Het Staatssecretariaat verzet zich hiertegen uit vrees dat de communistische partij er zal van profiteren.

«  De originaliteit van paus Joannes XXIII  », legt ons zijn biograaf uit, «  bestond erin zich van meet af aan voor te stellen als een spirituele paus, een herder, die duidelijk het onderscheid maakte tussen het pausdom en de Italiaanse republiek. Omdat deze dus geen rivalen meer waren van elkaar konden ze samenleven in een geest van harmonieuze samenwerking die hij convivenza noemde. […] Hij wil dat de Kerk zich buiten het strijdgewoel van de politieke partijen houdt.  » Door zijn weigering zich in het debat te mengen laat Joannes XXIII de opening naar links van de katholieken toe.

Op 15 juli 1961, tijdens de vakantieperiode van de Curie, publiceert hij zijn encycliek Mater et Magistra, over het sociale vraagstuk. Zij wordt meteen geïnterpreteerd als een goedkeuring van de politiek van Aldo Moro. Op 30 juli sterft kardinaal Tardini plotseling. Om hem te vervangen doet Joannes XXIII een beroep op kardinaal Cicognani, een onbeduidend personage.

Want de officiële voorbereidselen van de Curie vorderen. Achthonderd experts, allen aangezocht door het Heilig Officie, hebben hun adviezen gegeven. Nu moet een centrale commissie de teksten opstellen die voorgelegd dienen te worden aan de bisschoppen. Wanneer deze commissie de eerste keer samenkomt, dringt de paus aan op de modernisering van de Kerk. «  Het Concilie is geen speculatieve vergadering, het is een van leven trillend organisme dat de hele wereld aanschouwt en omarmt.  » Hij heeft het over aggiornamento.

De zittingen van de centrale commissie verlopen zeer geanimeerd, het gezag en het prestige van kardinaal Ottaviani worden reeds in vraag gesteld en alle tussenkomsten van de paus zijn ten gunste van de nieuwlichters.

Tijdens de zomer van 1962 onderhandelt het Vaticaan in het geheim met Moskou om te bekomen dat de katholieke bisschoppen van de communistische landen én vertegenwoordigers van het patriarchaat van Moskou mogen deelnemen aan het Concilie. De Sovjetunie wil zijn toelating geven op één voorwaarde  : de formele belofte dat het communisme niet veroordeeld zal worden. Joannes XXIII geeft zijn woord, want hij is in elk geval vastbesloten dat zijn Concilie hoegenaamd niets zal veroordelen.

Op 23 september 1962, op het einde van zijn jaarlijkse retraite, verneemt de paus de resultaten van zijn laatste medische onderzoeken. Hij heeft kanker en heeft nog ten hoogste één jaar te leven.

DE REVOLUTIE IN ACTIE

Een Kerk die grotendeels behoudsgezind is, een actieve progressistische minderheid, een heel populaire paus die ernstig ziek is, die als principe hanteert niets te veroordelen en die een Kerk wil die de wereld behaagt – dat is de context van de eerste zitting van Vaticanum II.

Op 11 oktober 1962 starten de werkzaamheden, onder het oog van 1200 officieel uitgenodigde journalisten. De paus zit de gedenkwaardige dag voor met zijn gebruikelijke gemoedelijkheid. Hij houdt zijn befaamde toespraak, waarvan men later zegt dat ze voorbereid werd door Montini  ; de biograaf beklemtoont echter van niet, hij stelt dat ze wel degelijk uit de pen van Joannes XXIII vloeide. Wat er ook van zij, abbé de Nantes vond er ontegensprekelijk acht ketterijen in terug.

Al snel krijgt de progressistische minderheid greep op de debatten. Alle door de centrale commissie voorgestelde schema’s, met uitzondering van dat over de liturgie, worden verworpen. De concilievaders vragen een herziening van de teksten die rekening houdt met hun opmerkingen. De revolutie is begonnen.

Aan de Franse bisschoppen zegt Joannes XXIII  : «  Men debatteert, dat is goed, het is nodig  : we moeten het met een broederlijke ingesteldheid doen en alles zal goed gaan. Wat mij betreft, ik ben optimistisch.  »

Zoals blijkt uit een briefwisseling tussen Joannes XXIII en Montini, die in 1983 openbaar werd gemaakt, hebben beiden in het geheim beslist dat het plan van kardinaal Ottaviani – één enkele conciliezitting om de voorbereide teksten goed te keuren – vervangen moest worden door een veel uitgebreider plan dat minstens drie sessies zou omvatten. Het staat dus buiten kijf dat Joannes XXIII deze conciliaire revolutie tégen zijn eigen Curie gewild heeft en dat hij er een van de voornaamste verantwoordelijken voor was.

Eigenlijk is er ook een hoofdstuk nodig over de openingspolitiek naar het Oosten van Joannes XXIII, in de context van de Koude Oorlog die dan volop woedt. Hij gaat zelfs zover dat, door bemiddeling van de voorzitter van de Italiaanse communistische partij, aan Sovjetleider Chroesjtsjov vraagt hem een gelukkige verjaardag te wensen  ! Chroesjtsjov, die maar al te blij is zijn imago in het Westen te verbeteren, laat zich hiertoe graag lenen en stuurt een telegram naar de paus… Ook de internationale vrijmetselarij is in haar nopjes met Joannes XXIII. Het tijdschrift Times maakt van hem “ de man van het jaar 1962 ”, «  omdat hij de hele wereld het gevoel gegeven heeft een mensenfamilie te zijn  »  !

Op hetzelfde ogenblik voltooit kardinaal Bea, met de goedkeuring van de H. Vader, de eerste versie van de verklaring over de godsdienstvrijheid, die woelige debatten zal uitlokken.

In maart 1963 kennen de communistische gezagsdragers de Balzanprijs voor de vrede toe aan… paus Joannes XXIII. Montini raadt hem aan om de prijs te aanvaarden, terwijl het Staatssecretariaat met klem het tegendeel aanbeveelt uit vrees dat de Italiaanse katholieken gedesoriënteerd zouden raken ten gunste van de communisten. De paus luistert naar Montini  ; bij de volgende verkiezingen haalt de Italiaanse communistische partij een miljoen stemmen  !

Op 9 april 1963 ondertekent Joannes XXIII de encycliek Pacem in terris voor het oog van de televisiecamera’s. Abbé de Nantes toont aan hoe utopisch de tekst is  : «  De H. Vader predikt een ideale en toekomstige wereld, te bouwen op de goede wil van alle mensen  », wat er op neerkomt dat hij het aanvechten van de bestaande orde wettigt en carte blanche geeft aan de revolutie. De communisten mochten hem inderdaad wel een prijs toekennen  !

Omwille van zijn voortschrijdende ziekte moet Joannes XXIII zijn werkzaamheden beperken, en vervolgens het bed houden. Maar in tegenstelling tot wat in traditionele, pausgezinde kringen wordt beweerd, heeft hij nooit een woord van spijt geuit over de wending die het Concilie nam. Integendeel, op 24 mei dicteert hij volgende boodschap aan zijn staatssecretaris  :

«  De hedendaagse wereld, de noden die de afgelopen vijftig jaar zichtbaar geworden zijn en een diepgaander begrip van de leer hebben ons naar een nieuwe situatie geleid, zoals ik gezegd heb in mijn openingstoespraak van het Concilie. Het is niet dat het Evangelie veranderd is  : wij zijn begonnen het beter te begrijpen. Zij die even lang geleefd hebben als ik zagen zich geconfronteerd met nieuwe taken op sociaal vlak in het begin van deze eeuw. Zij die zoals ik twintig jaar doorgebracht hebben in Oost-Europa en acht jaar in Frankrijk zijn in staat verschillende culturen en tradities met elkaar te vergelijken en weten dat het ogenblik gekomen is om de tekenen van de tijd te onderscheiden, de kansen te grijpen en ver vooruit te kijken.  »

‘s Anderendaags zegt Joannes XXIII, met een verwijzing naar de beledigende woorden die in Rome de ronde deden tijdens de doodsstrijd van Leo XIII  : «  De tijden zijn wel degelijk veranderd, en ten goede  !   »

Hij sterft in vrede op 3 juni 1963 om voor zijn Rechter te verschijnen. Joannes-Paulus II heeft hem zalig verklaard… Abbé de Nantes heeft aangetoond dat hij ons in het ongeluk heeft gestort. Laten we besluiten door de Lettre à mes amis van 25 september 1964 aan te halen  :

«  Joannes XXIII heeft [deze revolutie] gewild. Hij heeft er de principes van afgekondigd en er het systeem van vastgelegd. En vermits slechte instellingen de mensen slecht maken, kon het moeilijk anders of de conciliaire vergadering zou de richting uitgaan waarheen hij haar wilde leiden. De stoet van alle bisschoppen ter wereld op 11 oktober 1962 was bewonderenswaardig toen hij optrok naar de Sint-Pietersbasiliek, maar hij kwam terecht in een verschrikkelijke mengketel. Het werk van het Concilie moest immers, krachtens de soevereine beslissingen van de paus, regelrecht ingaan tegen de traditionele bekommernissen. Het bestond uit drie vage, vleiende en lichtzinnige doelstellingen  : hervorming van de Kerk, oecumenische dialoog, opening op de wereld. Het integrisme kreeg al onmiddellijk ongelijk, en alles wat een rem zou zetten op deze nieuwe genereuze beweging zou als onaangenaam en totaal ongepast afgedaan worden. Voorrang zou gegeven worden aan alle programma’s die durf en nieuwigheid ten toon spreidden.  »

Joannes XXIII wenste de Kerk open te stellen voor de wereld  ; in werkelijkheid heeft deze man, die goed wilde zijn maar die gebrand was op lofbetuigingen, de Kerk verkocht aan de wereld  !

broeder Pierre van de Transfiguratie