De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

Over de Rechten van de Mens

SINDS het Tweede Vaticaans Concilie heeft ook in de Kerk nagenoeg iedereen – kardinalen, bisschoppen, theologen, priesters en gelovigen – zich blijkbaar geschaard achter de Verklaring van de Rechten van de Mens, die beschouwd wordt als een afspiegeling van het Evangelie.

De oorspronkelijke Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen, goedgekeurd door de Franse Constituante bij het begin van de Revolutie (augustus 1789), is gebaseerd op de filosofen van de Verlichting (Rousseau, Montesquieu, Locke) en legt de oorsprong van alle soevereiniteit niet meer bij God maar bij het volk. Deze tekst ligt ten grondslag aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, afgekondigd door de Verenigde Naties in 1948, en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens uit 1950.

Wij van de Katholieke Contrareformatie beschouwen het als onze plicht om klaar en duidelijk uit te leggen waarom wij die door Kerk en wereld bewierookte Rechten van de Mens resoluut afwijzen  : noch de filosofie van de Mens, noch de moraal van de fundamentele rechten zijn voor ons aanvaardbaar. Onze afwijzing is gebaseerd op ons christelijk katholiek geloof en op onze toewijding aan de zaak van de vrede en het ware geluk van alle naties.

NUT VAN HET BURGERLIJK RECHT

declaration-droits-de-lhommeElke politieke wetgever die de verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn van een samenleving zal, om dat welzijn te beschermen en te vergroten, een geheel van wetten tot stand brengen. Dat gebeurt naargelang de noodwendigheden zich voordoen of om conflicten tussen de leden van de samenleving op te lossen. We spreken over het burgerlijk recht. Het gaat om rechten van personen, gezien als leden van een maatschappij en volgens hun staat of hoedanigheid  : rechten van de ouders en rechten van de kinderen, rechten van de patroons en rechten van de arbeiders, rechten van de automobilist en van de voetganger, enz. Uiteraard staan er tegenover deze rechten ook plichten  : de rechten van de ouders bv. worden aangevuld door de plichten die ze hebben ten opzichte van hun kinderen. Uit dat alles volgen rust, orde en vrede binnen de samenleving.

Heel die wetgeving kan niet puur conventioneel of arbitrair zijn, maar zich laat leiden en inspireren door de natuur van de wezens en de dingen, door hun spontane verhoudingen. Het is dan ook onmiskenbaar dat het burgerlijk recht, naarmate het zich vervolmaakt, steeds nauwer de natuurlijke orde volgt  ; men spreekt daarom over natuurrecht.

Ogenschijnlijk volstaat het burgerlijk recht voor het geluk van de volkeren. Heel wat befaamde en wijze juristen, die een afkeer hebben van alles wat naar utopie zweemt, zijn daar zo van overtuigd dat ze van geen enkele andere vorm van recht willen weten.

Het is niettemin een feit dat zowel aan de top als aan de basis van de maatschappij categorieën van personen bestaan die eigenlijk ontsnappen aan het burgerlijk recht. Maar het gaat om uitzonderingen. Het opperste gezag – of het nu om een monarchie, een oligarchie of een vertegenwoordiging van het volk gaat – lijkt alleen maar rechten te bezitten en niet onderworpen te zijn aan de eigen wetten. En onderaan de ladder zijn de armoezaaier, de zwakzinnige of de crimineel nagenoeg ontdaan van alle rechten  ; de samenleving is zelfs snel geneigd zich het recht op leven of dood over deze verschoppelingen toe te eigenen.

Het moderne “ christelijke ” Frankrijk voegt aan die categorie van rechtelozen nog de kinderen in de moederschoot toe. De grondwet staat de vernietiging, op de meest wrede manier, van het ongeboren leven toe, zonder dat iemand daar daadwerkelijk iets aan doet. Is dat het dan, het burgerlijk recht  ?

Het juridisch pragmatisme schiet dus eigenlijk tekort. Niet alleen zijn de mensen geen dieren, het zijn ook geen individuen die volledig in beslag worden genomen door hun sociale relaties en functies (bv. hun mogelijkheden tot productie en consumptie). Ze hebben allemaal een eigen, persoonlijk doel dat ze tijdens hun aardse bestaan willen bereiken, een doel dat voor hen belangrijk is. De burgerlijke wetgever moet dat niet kennen, maar hij moet het wel respecteren en er hulp toe bieden.

Dat betekent dat elke mens in het diepste van zijn wezen, zijn leven en zijn lotsbestemming ontsnapt aan de samenleving, de wetgever, de staat. Zeker in de haast totalitaire wereld waarin wij tegenwoordig leven lijkt het onaantastbaar karakter van de vrijheid en de verantwoordelijkheid van elke persoon op een transcendent recht dat de burgerlijke wet onmogelijk kan definiëren en dat de wetgever ook oneindig overstijgt. Gelukkig maar  : de maatschappij zou anders in onmenselijkheid verzinken.

SUPERIORITEIT VAN HET CHRISTELIJK RECHT

Maar welke rechten vloeien voort uit het recht van elke persoon om zijn transcendente lotsbestemming te vervullen en zijn uiteindelijke doel te bereiken  ? En welk gezag zal die rechten uitvaardigen, verdedigen en sanctioneren – indien nodig zelfs tegen de burgerlijke autoriteiten in  ?

Onze christelijke beschaving, onze katholieke Kerk geven het eeuwenoude antwoord  : het christelijk recht erkent dat de mens een ultieme lotsbestemming heeft, namelijk het eeuwig leven, en het erkent dus ook alle onschendbare rechten en vrijheden die noodzakelijk zijn voor het verwerven van dat eeuwig leven. Het komt eenieder toe dat te geloven, te willen en er zich op toe te leggen, met de hulp van de anderen en van de samenleving indien mogelijk  ; het kan echter evengoed zijn dat het zonder iemands hulp moet gebeuren en tegen het burgerlijk gezag in, dat zich dan tot een vervolger ontpopt.

Dat is het christelijk recht, dat is de christelijke vrijheid.

Als er in onze katholieke naties sprake is van een ander recht dan het burgerlijk recht, los daarvan en het overstijgend, dan is dat het recht om voor zijn zielenheil te zorgen. Het gaat om de kern van de vrijheid en de verantwoordelijkheid van de persoon tegenover de staat, de samenleving, de familie.

Dat hogere persoonlijk recht bestaat er in het eeuwig leven te verdienen en te verkrijgen door het vrij beoefenen van de ware godsdienst, dat wil zeggen de gehoorzaamheid aan de goddelijke wet of Decaloog, aan de evangelische wet van Christus en aan de geboden van de Kerk. Het is volgens dat recht dat elke mens ontsnapt aan de tegengestelde dwang van welk menselijk gezag ook, want «  men moet eerder aan God gehoorzamen dan aan de mensen  » (Hd 5, 29).

Nemen we onmiddellijk nota van de grotere volmaaktheid van het christelijk recht tegenover het burgerlijke  : het regelt het leven van iedereen, van de vorst (of de oligarchie of het soevereine volk) tot de proletariër, de geestelijk gehandicapte en de misdadiger, met de bedoeling hen allemaal te bevrijden, te verheffen, maar ook te onderwerpen aan God door Jezus Christus. De kleinen en de nederigen worden erdoor opgericht, terwijl de hoogmoed van de groten vernederd wordt en zij tenminste de voogdij van God moeten ondergaan.

Door het feit dat de goddelijke wetten voortkomen van dezelfde Wetgever als de natuurwet, spreekt het voor zich dat de christelijke religieuze wet op volmaakte wijze overeenstemt met de burgerlijke wet in dezelfde eerbied voor en verduidelijking van de natuurwet. Ten tijde van de christenheid zag de eenvoudigste voorstelling van de verschillende rechten die het menselijk leven regelden er als volgt uit. Het natuurrecht, dat door de schepping ervan een goddelijk recht is, omvat twee grote hoofdstukken  : het godsdienstig recht, dat de verhoudingen van de mensen met God regelt, en het burgerlijk recht, voor de relaties van de mensen onderling. Het godsdienstig recht heeft zijn oorspronkelijke inhoud en zijn ontwikkeling geput uit de goddelijke openbaring en de kerkelijke wetgeving  ; dat is het christelijk recht. Het burgerlijk recht is geleidelijk aan tot stand gekomen met de vorming van staten en de ontplooiing van hun beschaving. Beide vormen van recht vullen elkaar normaal gesproken aan in het erkennen en respecteren van de natuurlijke orde, waarnaar zij voortdurend verwijzen. Maar het christelijk recht overstijgt elk burgerlijk recht door zijn goddelijke oorsprong, zijn absoluut gezag en zijn onfeilbaar waarheidsgehalte.

In omstreden kwesties doet de burgerlijke wetgever er dus goed aan te steunen op het christelijk recht en het kerkelijk leergezag, bv. om echtscheiding of abortus te verbieden. Omgekeerd vindt het burgerlijk gezag in zijn eerbied voor de vrijheid en de autoriteit van de Kerk zijn diepere legitimiteit en zijn waarborg van echte menselijkheid, op gelijke afstand van de liberale anarchie en het collectivistisch totalitarisme.

OVER DE CHRISTELIJKE VERDRAAGZAAMHEID

Door een onbewuste verdwazing, door het geleidelijk en gestaag afglijden naar onverschilligheid op het vlak van godsdienst hebben de katholieke naties een onvergeeflijke stap gezet  : ze hebben het transcendente gezag en de goddelijke perfectie van hun eigen religie en het goddelijk recht ervan, zowel natuurlijk als bovennatuurlijk, uitgebreid tot alle godsdiensten. Alsof die allemaal aan het christendom gelijk zijn wat hun oorsprong betreft en vergelijkbaar van inhoud  ! Alsof de valse godsdiensten en ideologieën erkend kunnen worden door de staat en het zelfs moéten worden op gelijke hoogte met de Kerk van Christus  ! Alsof zij de taak kunnen vervullen die aan de godsdienst toegewezen is in de natuurlijke orde  : bepalen wat de plichten van de mensen tegenover God zijn en de wettige verdediging daarvan ondersteunen tegen een mogelijk tirannieke menselijke autoriteit.

Een echt wetenschappelijke studie van de valse religies leidt tot een dubbele conclusie  : ten eerste dat ze zich niet kunnen beroepen op het gezag van God om het hoofd te bieden aan de burgerlijke machthebbers  ; ten tweede dat ze niet samenvallen met de natuurlijke orde en bijgevolg niet diepgaand en universeel met het civiel gezag kunnen samenwerken voor het behoud van de beschaving.

Valse godsdiensten hebben in een christelijk land absoluut geen sociaal recht. Ze hebben enkel een relatief, historisch recht in de landen waar ze vanuit de traditie vaste voet aan de grond hebben. Verdraagzaamheid tegenover die religies, zelfs in een christelijk land, is niettemin mogelijk in de mate waarin ze de openbare orde niet verstoren, maar integendeel een bepaalde bijdrage leveren aan het algemeen welzijn, aan de rust onder de burgers. De staat kan ze dus een feitelijke erkenning geven en een zekere vrijheid. Toch moet eerst bewezen zijn dat ze op geen enkele manier schade berokkenen aan de maatschappij.

De hedendaagse Kerk verwerft met de tolerantie tegenover de valse godsdiensten twee belangrijke voordelen. Het eerste is het terugschroeven van de religieuze inmenging van de totalitaire staat, waarvan de “ democratische ” grondwet geen enkele waarborg biedt voor het respecteren van het christelijk recht, zoals vandaag ten overvloede bewezen wordt  ! Het tweede voordeel is dat op die manier aan iedereen het vrije, ongedwongen karakter van de toetreding tot de ware godsdienst bewezen wordt.

Beide voordelen bieden een belangrijk tegengewicht voor de toch wel ernstige nadelen van een dergelijk pluralisme in de feiten. Er kan dan ook niet genoeg nadruk gelegd worden op de bevoorrechte positie van de christelijke godsdienst, die als enige een goddelijk recht bezit en bron is van sociale rechten.

VRIJHEDEN EN RECHTEN VAN DE CHRISTEN

Het christelijk recht, dat de onvervreemdbare vrijheid en verantwoordelijkheid van elke mens in het werk van zijn zielenheil verkondigt, is ook een plicht tegenover God. Dat recht is overgegaan in de zeden, de constituties en de ongeschreven wetten van onze beschaving. Sedert eeuwen – de abnormale tijden van geloofsvervolging buiten beschouwing gelaten – erkent het burgerlijk recht de christelijke vrijheden in al hun details. Concreet gaat het om het gezag en de vrijheid toegekend aan de Kerk door de christelijke staten (of tenminste toch de staat in christelijke landen). In de praktijk wordt aan iedereen een zekere waardigheid van zonen Gods en broeders van Christus toegekend, wat hen bescherming en hulp oplevert in het nastreven van hun eeuwig heil.

Hier komt echter een gevaar van overdrijving om de hoek loeren. Het beschreven recht van elke mens is enerzijds wel absoluut, maar anderzijds is het ook gerelateerd aan God, meer bepaald aan de soevereine wetgevende wil van God. En dan gaat het niet om een abstract Opperwezen, maar om de levende God, een soeverein en persoonlijk Wezen, die denkt en die vrij is en die aan ieder de rechten en plichten toekent die Hem behagen en die het halen op elke tegengestelde wet of beslissing van menselijke gezagsdragers.

Ik leg er de nadruk op  : het recht van elke mens om zijn heil te bewerkstelligen volgens de christelijke wet, een recht dat elke burgerlijke wetgeving moet erkennen en respecteren, vindt zijn fundament niet in de mens maar in God, in Jezus-Christus, in de Kerk. Het is dus niet het recht van “ de ” mens als mens dat in een spanningsveld met het burgerlijk recht en het staatsgezag kan terechtkomen  ; het gaat om het recht van elke mens om de wil te doen van zijn God, Schepper en Verlosser. Ten gronde gaat het dus om het recht van God over elke mens om hem naar het eeuwig leven te leiden, een soeverein recht dat boven elke persoonlijke of collectieve menselijke wil gaat. Overigens heb ik liever dat men niet spreekt over het recht van God, alsof het zijn bedoeling zou zijn te domineren  ; we hebben het beter over de wil van God om alle mensen te redden, wat voor hen allemaal de zoete plicht schept om aan die roeping te beantwoorden.

DE RECHTEN VAN DE MENS IN DE PLAATS VAN HET CHRISTELIJK RECHT

Het eerste bezwaar tegen het christelijk recht is natuurlijk dat het… christelijk is. Het richt heel het menselijk leven in op basis van het geloof in Christus, de verwelkoming van zijn openbaring, de onderwerping aan zijn Kerk. «  Omnia instaurare in Christo  »  : woord van Sint-Paulus, devies van de H. Pius X. En zelfs als aan het politiek gezag de volledige (aardse) soevereiniteit wordt toegekend, dan wordt dat gezag toch omkaderd, gedomineerd, gecontroleerd door het gezag van God – geen abstracte God, niet de God van de deïstische filosofen, maar Jezus Christus, Zoon van God, die zijn wet dicteert door gezagsdragers die boven alle anderen staan  : die van de Kerk. Dat was en is de betekenis van de pauselijke tiara, en het is helaas precies om die reden dat de pausen vanaf Paulus VI hem niet meer willen dragen.

Er zijn in de geschiedenis verschillende voorbeelden van vorsten die probeerden aan dat kerkelijk oppergezag te ontkomen door de vertegenwoordigers ervan te vermoorden. In de roemrijke Kerk van Engeland was het de H. Thomas Becket die gedood werd omdat hij zich verzette tegen de dwingelandij van Hendrik II Plantagenet, terwijl de H. Thomas More onthoofd werd omdat hij niet wilde toegeven aan de tirannie van Hendrik VIII. Sommige heersers kozen voor het schisma om hun wil te kunnen doordrijven, wat leidde tot de stichting van nationale kerken onder de knoet van het tijdelijk gezag  : de Griekse scheuring van 1054, het Russisch schisma van 1448.

In de moderne tijden begon het bezwaar van afhankelijk te zijn van Christus door iedereen aangevoeld te worden… Iedereen stond er op zijn eigen meester te zijn, volledig autonoom, met geen andere wet dan die van de persoonlijke ontplooiing.

Op het kruispunt van beide revoltes, die van de staat en die van het individu, verscheen een nieuw en overtuigd seculier humanisme. Het stelde voor om de mens op zichzelf te beschouwen als bron van rechten, fundament van zijn eigen waardigheid en bezitter van zijn eigen absolute vrijheid. Het was eenvoudigweg de transfer van het soevereine koningschap van Jezus Christus naar de Mens, naar elke mens.

Een ander bezwaar tegen het christelijk recht was dat het alle andere religies afwees en weigerde het gezag ervan te erkennen. Was het niet vervelend en arbitrair om het natuurrecht, gemeenschappelijk aan alle mensen, in wetten te gieten door te verwijzen naar één enkele godsdienst, een godsdienst die zegt geopenbaard te zijn en die zijn eigen bepalingen en wetten toevoegt aan een natuurlijke orde voor iederéén  ? Men vond het dringend nodig om het christelijk etiket te verwijderen van de universele menselijke religie.

Tenslotte en vooral  : de filosofie wilde zich in toenemende mate losmaken van de theologie. Tegelijkertijd ging het burgerlijk recht de weg van een totale laïcisering op. De Rede moest volstaan om de universele menselijke natuur te definiëren en er de grote morele en juridische eigenschappen van te bepalen. Er was geen nood meer aan God om het menselijk recht te grondvesten, geen behoefte meer aan Christus om elke mens de vrijheid te schenken, geen nood meer aan de Kerk om de onafhankelijkheid van de personen tegenover de gezagsdragers te waarborgen…

DE TRIOMF VAN DE FILOSOFEN

Dat alles leidde er op een dag toe dat het christelijk denken de goddelijke bron van het menselijk recht de rug toekeerde en de Mens uitriep tot allereerste bron en uitgangspunt van alle wetten. Tegenover de Mens stonden de hele wereld én God – dat wil zeggen alle burgerlijke en kerkelijke autoriteiten.

In diezelfde periode, de achttiende eeuw, wou de filosofie de mens nog maar enkel kennen in zijn abstracte essentie, los van elke biologische of sociale afhankelijkheid. Het moderne “ idealisme ” greep terug naar een oude traditie, die van Boëtius en Aristoteles, die het individu lieten primeren op de groep. Die tendens werd door de Verlichting nog geaccentueerd  : filosofisch gezien mocht de mens niet afhankelijk zijn van God, niet onderworpen aan sociale gezagsdragers, niet vervat in relaties tussen personen. In zijn roemrijk isolement was de Mens autonoom, onafhankelijk en absoluut.

Het was een tijdvak waarin men vol was van de menselijke rede en waarin men in opstand kwam tegen de “ onverklaarbare ” tradities, de “ niet te rechtvaardigen ” ongelijkheden en privileges, de “ eindeloze meanders ” van de gebruiken en geplogenheden. De hele complexiteit van het sociaal weefsel van het Ancien régime werd gezien als tegengesteld aan het ideaal van een samenleving van vrije, gelijke en broederlijke mensen geregeerd door de Rede. Het was dringend nodig de waardigheid van elke mens uit te roepen en zijn recht op de volledige ontplooiing van zijn wezen.

De Verklaring van de rechten van de Mens was het antwoord op deze verwachting. Zij somde de soevereine eisen van het individu in het sociale leven op, noodzakelijk voor de volkomen realisatie van de menselijke persoon. Daarbij werd volledig abstractie gemaakt van zijn plichten, de godsdienstige zowel als de burgerlijke. De Mens, zonder God en zonder meester, heeft de hele mensengemeenschap en de wereld tot zijn dienst.

Om de Verklaring in de praktijk een schijn van realisme te geven, heeft men de gewoonte ze vergezeld te doen gaan van twee geruststellende toevoegsels, die het ongelooflijk hoogmoedig en egoïstisch karakter van de Verklaring wat moeten verzachten. Men zegt dan vooreerst dat aan elk recht ook plichten verbonden zijn  ; de agressieve opeising van de rechten van het individu wekt zo de indruk dat zij Gelijkheid en Broederlijkheid onder alle mensen waarborgt. Ten tweede stelt men dat ieders vrijheid eindigt waar die van zijn buur begint, om te onderstrepen dat er geen gevaar is voor onderwerping van de zwakke aan de sterke.

Maar als die toevoegsels echt ernstig zouden genomen worden, dan zou de Verklaring van de rechten van de Mens al snel terug terecht komen in het heel bijzonder en concreet domein van het burgerlijk recht  : de uitoefening van de individuele rechten zou dan ondergeschikt worden aan de beslissingen van het politiek gezag.

Neen  ! Zo gemakkelijk mag men niet raken aan het monument dat de Mens heeft opgericht voor zijn eigen glorie… De Rechten van de Mens gaan vooraf aan de burgerlijke wetgeving en zijn volkomen vreemd aan de godsdienstige wetten. Ze zijn heilig en onaantastbaar en dringen zich dus op aan elk gezag, van welke oorsprong het ook is en op welke autoriteit het zich ook beroept. Niets kan er tegen op. Met de Verklaring begint het rijk van de Mens, zonder God in de Hemel en zonder meesters op aarde.

De filosofen en de vrijmetselaars van de achttiende eeuw wisten heel goed wat ze wilden bereiken  : «  écraser l’Infâme  » (Voltaire), de door hen verafschuwde en gehate Jezus Christus, Koning der Koningen en Heerser der heersers, van zijn troon stoten… De Rechten van de Mens zijn volledig in de plaats gekomen van het christelijk recht. En daarmee is het apocalyptisch tijdperk van de grote geloofsafval aangebroken.

In wezen zijn de Rechten van de Mens het product van de aloude opstandigheid tegen het koningschap van Christus  : «  Nolumus Christum regnare super nos  !  », wij willen niet dat Christus over ons heerst  ! Overal waar dit antichristelijk humanisme zegeviert, begint men met de koningen te guillotineren en de priesters te vervolgen en te vermoorden.

OVER HET ASOCIAAL KARAKTER
VAN DE RECHTEN VAN DE MENS

De Blijde Boodschap van het heil, geopenbaard door Jezus Christus en beleefd door de Kerk, voerde elke mens naar zijn eeuwige lotsbestemming langs de wegen van de gerechtigheid en de naastenliefde, zonder de menselijke orde af te wijzen.

De Verklaring van de Rechten van de Mens staat in fel contrast daarmee. Zij keert zich tegen elke vorm van onderwerping en elk soort van hiërarchie. Zij stelt de menselijke gemeenschap radicaal in vraag door het individu op te hemelen, een individu dat ontdaan is van alle relaties, kwalificaties en verantwoordelijkheden, een asociaal wezen, ongodsdienstig en fundamenteel on-menselijk. Om een boutade te citeren  : “ een weeskind dat sterft als celibatair… ”

De ervaring wijst het uit en het verstand bewijst het  : een dergelijk systeem legt het publiek gezag volledig lam  ; bovendien wordt het burgerlijk recht erdoor overklast en uitgeschakeld. Gelijk welke concrete mens die uitgeroepen wordt tot bezitter van zoveel onvervreemdbare en heilige rechten kan niet anders dan een rebel worden  : hij zal zich ogenblikkelijk verzetten tegen elk gezag dat beslist over zijn subjectieve rechten en plichten in de maatschappij voor de dienst van de anderen, volgens de eisen van het algemeen welzijn. De Mens die aldus op een voetstuk wordt geplaatst, misprijst het burgerlijk recht.

De Rechten van de Mens vormen een onleefbaar gegeven in welke maatschappij ook. Niettemin worden ze uitgeroepen tot iets dat heilig en onschendbaar is, zonder dat voor die bewering een objectieve basis bestaat. Heel anders is het gesteld met de rechten van de christen om zijn eigen heil te bewerkstelligen, volgens alle wetten en voorschriften van Christus en de Kerk  ; die vertegenwoordigen een eis die heel nauwkeurig is en onbetwistbaar in de ogen van de christenen, juist zoals ze bezwaarlijk in vraag gesteld kan worden door iemand anders. Want die rechten zijn van goddelijke oorsprong en ze moeten door gelijk welk menselijk gezag gerespecteerd worden als een heilige plicht.

WAT KOMT DE KERK DOEN IN DIE
TEMPEL VAN DE DUIVEL  ?

Dankzij de Franse Revolutie en alle revoluties die in haar spoor hebben plaatsgevonden zijn de Rechten van de Mens de onaantastbare ideologie van de moderne wereld geworden. De aanhangers van Satan zijn er in geslaagd Christus van zijn troon te stoten, zoals zij geprogrammeerd hadden.

En de Kerk  ? Tijdens het Tweede Vaticaans Concilie heeft zij haar nederlaag erkend. Sterker nog  : zij heeft de nieuwe ideologie zelfs volmondig onderschreven. Paulus VI liet er in zijn afsluitende toespraak geen twijfel over bestaan  : «  Er is geen sprake geweest van een botsing, een gevecht, een banvloek  »; we hebben ons verzoend in «  de cultus van de mens  », de Kerk heeft haar «  nieuw humanisme  » afgekondigd, zij erkent «  de zoon van de aarde  » als haar nieuwe God, heer en meester over alle dingen.

Maar het seculier humanisme dat de Kerk tijdens het Concilie omarmd heeft, is in de praktijk een kadaver, zoals de geschiedenis sinds 1789 aangetoond heeft. Hoopte de Kerk dat kadaver terug leven in te blazen door er iets van haar eigen vitaliteit in te blazen  ? Het is zijzelf die wegkwijnt en langzaam sterft, en dat is niet meer dan gerechtigheid.

Al diegenen die weigeren een knieval te doen voor de Mens worden vandaag verpletterd, tot in de Kerk toe. Omgekeerd ontvangen zij die voor de nieuwe ideologie door de knieën gaan macht, eer, populariteit en rijkdom. En het teken dat de Rechten van de Mens hun bron vinden in de duivel, is dit  : vanaf het ogenblik dat iemand dat puur wereldlijk pact ondertekent, brengt hij de Tegenstander van God geen enkele schade meer toe, hij is niet meer in staat de macht van Satan af te remmen of zijn expansie in de wereld een halt toe te roepen. Omgekeerd heeft zo iemand ook geen macht meer om het goede te doen en kan hij de Kerk geen enkele waardevolle dienst meer leveren.

Wat ons betreft, nooit zullen wij de Mens verheerlijken, nooit zullen wij onze steun geven aan de afkondiging van zijn waardigheid en zijn rechten. Want alleen de wil van God is groot en de eer van de mensen ligt in hun dienstbaarheid aan Hem.

+abbé Georges de Nantes
mei 1979
Hij is verrezen  ! nr. 83, september-oktober 2016

RECHTEN VAN DE MENS EN ISLAM

Jean-Louis Harouel (°1944), rechtshistoricus en socioloog, publiceerde in het voorjaar een ophefmakend boek  : «  Les Droits de l’Homme contre le peuple  » («  De Rechten van de Mens tegen het volk  »). Wij citeren uit een interview verschenen op de website van Atlantico (14 mei 2016)  :

«  De religie van de Rechten van de Mens heeft het communisme vervangen in de rol van utopie met een godsdienstig karakter, die verondersteld wordt op aarde de heerschappij van het goede te vestigen. Zij heeft zichzelf tot opdracht gegeven een volmaakte samenleving tot stand te brengen. Dat wil zij bereiken door de oude wereld te vervangen door een nieuwe, kosmopolitische wereld die enkel en alleen op de rechten van het individu gebaseerd is.

«  Het spreekt voor zich dat de religie van de mensenrechten een zeer gevaarlijke handicap vormt voor Frankrijk [voor alle landen van Europa] in de confrontatie met de massa-islam die zich
op ons grondgebied bevindt. De Rechten van de Mens verbieden ons land immers om de islam in zijn ware gedaante te zien en er ons vanuit een politiek standpunt tegen te wapenen
.

«  Gebruik makend van het verbod op discriminatie en het respect voor de godsdienstvrijheid [door Vaticanum II opgelegd aan de katholieken als een absoluut mensenrecht !] gaat de islam, die een beschaving vertegenwoordigt die helemaal tegengesteld is aan de Europese [neen : de christelijke !] beschaving, verder met zijn grote doelstelling  : veroveren en domineren.

«  In West-Europa heeft de islam ten volle geprofiteerd van de Rechten van de Mens. Het is immers daarop dat de moslims zich beroepen voor hun eisen op het vlak van kledij, voeding enz. In werkelijkheid gaat het om een politieke machtsovername, het zich toe-eigenen van grondgebied, het beheersen van steeds meer sectoren van de maatschappij. Omdat de islam in zich het politieke, het juridische en het religieuze verenigt, betekent elke toegeving aan de islam als godsdienst ook een toegeving aan het politieke en juridische luik ervan. Het resultaat is dat de Europese landen langzaam maar zeker veranderd worden in moslimlanden.

«  Als de moslims slechts een tiende ondergaan hadden van wat de katholieken vanwege de Republiek ooit hebben ondergaan, dan zouden ze zeker reden tot klagen hebben.

«  De islam als massareligie is slechts enkele decennia in Frankrijk aanwezig, maar men heeft hem behandeld met een welwillendheid en een sympathie die schril afsteken bij de vijandigheid, de brutaliteit en de hardheid waarvan de staat lange tijd blijk heeft gegeven ten aanzien van de katholieke godsdienst.  »

Vijftig jaar geleden, ten tijde van de dekolonisering, waarschuwde abbé de Nantes er al voor  : «  Jullie willen niet tegen De Gaulle stemmen om Algerije te behouden  ? Dan zullen jullie de mohammedaanse militanten in jullie steden en dorpen zien opduiken om alles in brand te steken...  »

Sjeik Joessoef al-Quadrawi sprak in 2002 profetische woorden  : «  Met jullie democratische wetten zullen wij jullie koloniseren. En met onze koranwetten zullen wij jullie domineren.  »

De onafwendbaar lijkende veroveringstocht van de islam is een straf die wij verdienen als rechtmatig loon voor de godslastering die de Verklaring van de Rechten van de Mens en de godsdienstvrijheid zijn. «  Zolang men niet klaar en duidelijk bepaald heeft wat de christelijke beschaving is en wat de soevereiniteit van Christus-Koning inhoudt, en zolang men zich niet de middelen gegeven heeft om beide op te leggen, blijft men steken in een verblinding die de opgang van de islam onvermijdelijk maakt. Want het is Christus, onze Koning, die men sedert de Franse Revolutie beledigt met dat hele gedoe van de mensenrechten. Het koningschap van Christus is niet zomaar een droom of een losstaand idee, het is de realiteit. Het is Christus of de duivel  !  » (broeder Bruno van Jezus-Maria).