De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

VATICANUM II

III. Een revolutionaire geest

«  AANPASSING AAN ONZE TIJD…  »

NA de verdedigers van het geloof veroordeeld te hebben als «  onheilsprofeten  » komt Paus Joannes XXIII stap voor stap tot de formulering van wat volgens hem de kerntaak van het Concilie moet zijn.

«  Vóór alles is het noodzakelijk dat de Kerk haar ogen nooit afwendt van de schat van de waarheid die haar door de vaders is overgeleverd. Maar zij moet ook met de huidige tijd rekening houden, die gewijzigde situaties en nieuwe levensnormen heeft doen ingang vinden en die nieuwe wegen heeft geopend voor het katholiek apostolaat.  »

De Paus vertrekt van de belofte dat de oude orde hoe dan ook bewaard zal blijven. Door een subtiel «  ja, maar  » gaat hij vervolgens over tot een reeks onduidelijke nieuwigheden op alle domeinen. Op het eerste gezicht lijkt het enkel te gaan om nieuwigheden inzake apostolaat, maar uit het vervolg blijkt dat de Paus ook de inhoud, de leer op het oog heeft  :

«  Het eenentwintigste Oecumenisch Concilie wil de katholieke leer, die als een gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid is geworden, in zijn geheel, onverminderd en niet verwrongen doorgeven. […] Nochtans hebben wij niet alleen de plicht deze kostbare schat te bewaren, alsof wij ons alleen met het verleden bezighouden, maar wij moeten ons moedig en zonder vrees aan het werk zetten dat door onze tijd wordt vereist, door verder te gaan op de weg die door de Kerk bijna twintig eeuwen gegaan is.  »

Opgepast  ! Hier volgt «  het eerste intellectueel vergif dat in de conciliaire dogmatiek ingespoten is  », verwittigt abbé de Nantes  :

«  We moeten deze veilige en onveranderlijke leer, die trouw dient gerespecteerd te worden, op zo’n manier uitdiepen en verklaren dat hij aan onze tijd wordt aangepast.  »

De onveranderlijke leer trouw respecteren… maar niettemin in een andere vorm gieten. Wat betekent dit  ? Dat men voortaan afstand mag nemen van de oude leerstellige formules, dat het licht op groen wordt gezet voor ” aanpassingen ”. Wat voor soort aanpassingen  ? Daarover blijft de Paus uiterst vaag.

Het vervolg vat alle schijnheiligheid en alle leugens van vier jaar conciliaire hervorming en veertig jaar postconciliaire ontsporing samen  :

«  Want de schat zelf van het geloof, dat wil zeggen de waarheden van onze eerbiedwaardige leer, is één zaak  ; een andere zaak is de wijze waarop deze waarheden geformuleerd worden, waarbij men niettemin [sic] dezelfde zin en betekenis moet behouden.  »

De plechtige opening van het Tweede Vaticaans Concilie op 11 oktober 1962.Foto  : de plechtige opening van het Tweede Vaticaans Concilie op 11 oktober 1962. De grote meerderheid van de 2540 concilievaders werd van bij het begin gegijzeld door een vastberaden minderheid van hervormingsgezinde progressisten die álles op de helling wilden zetten.

«  Het Concilie heeft zichzelf beschouwd als het college van de apostelen, rechtstreekse en geïnspireerde getuigen van Christus zelf. Sint-Jan heeft het Woord van Leven ” gezien ” en ” aangeraakt ” en hij heeft, met de hulp van de goddelijke inspiratie die aan de apostelen werd geschonken, verhaald wat hij Christus zelf heeft horen zeggen en zien doen. Maar noch Paulus VI, noch de kardinalen Alfrink, Suenens, Marty, enz., noch het Concilie in zijn geheel hebben Christus gezien of aangeraakt. Er heeft tijdens Vaticanum II geen verschijning of geen illuminatie plaatsgevonden  ! Iets dergelijks beweren is een eerste vorm van bedrog. Even bedrieglijk is het te doen alsof de H. Geest in de basiliek aanwezig was om de Vaders te inspireren op gelijke hoogte met de profeten van het Oude Testament en de apostelen van het Evangelie  » (CRC nr. 51, dec. 1971, p. 10).

«  De beginwoorden van de constitutie Dei Verbum tonen aan dat de concilievaders ervan uitgingen dat zij in rechtstreeks en geïnspireerd contact stonden met Gods Woord zelf, om in alle vrijheid een nieuwe Kerk te stichten  » (CRC nr. 51, p. 9). «  Voor de eerste keer in de geschiedenis van de Kerk beschouwden een Paus en een Concilie zich als nieuwe apostelen en een nieuwe H. Petrus  » (CRC nr. 50, p. 14).

HERVORMING IN DE UITOEFENING VAN HET LEERGEZAG

De Paus geeft blijk van een ontwapenend optimisme  :

«  We zien hoe in de loop van de tijden de meest tegenstrijdige meningen van de mensen de een na de ander verdwijnen, en hoe de dwalingen die ontstaan weer snel als een nevel voor de zon verdampen.  » Zomaar, helemaal vanzelf  ?  ! «  De Kerk heeft nooit opgehouden zich tegen deze dwalingen te verzetten. Ze heeft ze zelfs vaak met de grootste gestrengheid veroordeeld. Maar vandaag [altijd diezelfde tegenstelling !] maakt de Bruid van Christus liever gebruik van het geneesmiddel van de barmhartigheid dan van de wapens van de gestrengheid. Meer dan door te veroordelen wil zij de noden van deze tijd tegemoet komen door te wijzen op de kracht van haar leer.  »

De dwalingen «  zijn zo duidelijk in strijd met de juiste zedelijke normen en leveren zulke verderfelijke vruchten op dat de mensen ze vandaag reeds uit zichzelf veroordelen…  » Daarom heeft de Kerk er geen behoefte meer aan haar onderscheidingsvermogen uit te oefenen of haar oordeel uit te spreken  !

«  Zeker, de Kerk biedt aan de mensen van onze tijd geen vergankelijke rijkdommen, zij belooft niet slechts een aards geluk  ; maar zij schenkt de goederen van de hemelse genade die de mensen verheffen tot de waardigheid van kinderen van God[wat de Paus hier spreekt is echte bovennatuurlijke taal] en die van zo’n krachtige bescherming en hulp zijn om hun leven menswaardiger te maken [de toespraak glijdt af : het bovennatuurlijke wordt een middel tot aards geluk, in plaats van het ultieme doel van het menselijk bestaan te blijven]. Zij opent de bronnen van haar leer waardoor de mensen, door het licht van Christus verlicht [door zich te bekeren, zich te laten dopen en de sacramenten te ontvangen ?] geheel en al kunnen begrijpen wat zij in waarheid zijn, welke waardigheid zij bezitten en welk doel zij moeten nastreven. Tenslotte verspreidt zij door haar zonen overal de volheid van de christelijke liefde, en niets is immers beter in staat tweedracht op te ruimen, niets vermag doeltreffender de eenheid, de rechtvaardige vrede en de broederlijke eenheid van allen te bevorderen.  » We zijn vertrokken van het katholiek geloof en we zijn geëindigd in het maçonniek humanisme.

Om tot de «  eenheid van het mensdom  » te komen, moeten de christenen eerst onder elkaar de eenheid realiseren. Deze opdracht is volgens de Paus de belangrijkste doelstelling van het Concilie  :

«  Helaas heeft de gehele familie van de christenen deze zichtbare eenheid in de waarheid nog niet volledig bereikt. Maar de katholieke Kerk rekent het tot haar plicht ijverig mee te werken om het grote mysterie van die eenheid te verwezenlijken, die Jezus Christus op de vooravond van zijn offer zo vurig van zijn hemelse Vader heeft afgesmeekt.  »

«  De Kerk is Eén, Heilig, Katholiek en Apostolisch  », brengt abbé de Nantes in herinnering. «  Bidden dat zij in die Eenheid zou blijven en dat alle mensen van goede wil zich bij haar zouden aansluiten is dus zeker een uitstekend gebed. Maar bidden opdat de Kerk ” eindelijk de eenheid zou terugvinden ” met de andere zogenaamde ” kerken ” en gemeenschappen die zich christelijk noemen – maar die in feite formeel ketters en schismatiek zijn – is, volgens de Kerk van Christus, een absoluut afkeurenswaardig gebed dat ruikt naar ketterij.  »

«  Het Concilie dat nu begint  », besluit de Paus, «  is als een schitterende dageraad die opgaat boven de Kerk…  »

Hoe onwezenlijk klinkt deze lofzang voor wie vandaag het ruïnenveld dat de Kerk geworden is, overziet…

Op de avond van deze noodlottige openingsdag van Vaticanum II verliet onze geestelijke vader de kerk van Villemaur waar hij met zijn parochianen de oefeningen van de Rozenkrans gebeden had. Zijn huishoudster liep op hem toe en zei  : «  De Paus veroordeelt u. – Wat  ? – Ja, ik heb zijn toespraak op de radio gehoord. Het is helemaal het tegengestelde van wat u ons van op de preekstoel zegt…  »

Toen abbé de Nantes nadien de tekst van de openingstoespraak las, begreep hij dat een nieuwe geest als een stormwind in de Kerk opgestoken was. Later schreef hij  :

«  Het rotsblok is losgekomen van de berg. Het rolt nu met het geluid van de donder naar beneden, en er is niemand die werkelijk weet in welke afgrond het te pletter zal slaan… De tweeduizend conservatieve concilievaders die van goede wil zijn, hadden door de Paus moeten toevertrouwd worden aan de échte geloofsleraren, die onder hen aanwezig zijn. In plaats daarvan werden ze overgeleverd aan de propaganda en de druk van een progressistische clan die met de dag arroganter optrad  » (Brief nr. 184).

DE OKTOBERREVOLUTIE

Op zaterdag 13 oktober begon het Concilie met zijn eerste werkvergadering, onder het voorzitterschap van kardinaal Tisserant. Op de agenda stond de verkiezing van de leden van de tien conciliaire commissies die in de plaats kwamen van de voorbereidende commissies. Zij zouden ontwerpvoorstellen indienen en de veranderingen verwerken die in het verloop van de debatten in de aula zouden voorgesteld worden. Zestien leden van elke commissie moesten door de concilievaders aangeduid worden, terwijl de Paus zich het recht voorbehield om acht aanvullende leden te benoemen.

De inzet was van groot belang  : kardinaal Ottaviani hoopte, terecht, dat de leden van de ontslagnemende preconciliaire commissies terug aangesteld zouden worden, om continuïteit te verzekeren tussen het enorme voorbereidende werk dat verricht was en het verloop van het Concilie zelf. De lijst van deze leden werd dus aan de Vaders overgemaakt, en de overgrote meerderheid van hen – die weinig bekend was met dit soort procedures – zag er geen enkel beletsel in. Maar de clan van de hervormers had het zo niet begrepen en stuurde bewust aan op een breuk.

Op het moment dat Mgr. Pericle Felici, de secretaris-generaal van het Concilie, aankondigde dat men tot de stemming zou overgaan, stond kardinaal Liénart (Rijsel) plotseling recht. Hij verklaarde dat hij en ook anderen verveeld zaten met de kwestie, omdat zij niet de tijd hadden gehad om zich te informeren [o huichelarij !]. Hij vroeg daarom om uitstel «  zodat we meer tijd hebben om aandacht te besteden aan de bekwaamheden van de kandidaten  ». (Afgesproken) applaus in de aula. Liénart deed ook een voorstel  : elke nationale bisschoppenconferentie zou lijsten van kandidaten voor de verschillende commissies moeten opstellen.

Liénart had niet het recht om op deze manier tussenbeide te komen en de dagorde ondersteboven te gooien. Er was een zekere weifeling merkbaar. Maar onmiddellijk nam kardinaal Frings (Keulen) het woord om de vraag van zijn Franse collega te steunen, zich daarbij ook beroepend op Döpfner (München) en König (Wenen). Tisserant, de voorzitter, aarzelde. Tenslotte ging hij op het verzoek in  ; er werd besloten dat de verkiezing zou worden uitgesteld tot 16 oktober. Nauwelijks een kwartier na de opening van de vergadering verliet de grote massa van de bisschoppen in wanorde de basiliek om zich doelloos over het Sint-Pietersplein te verspreiden… Alles was zo vlug gebeurd dat veel concilievaders amper begrepen hadden wat er precies aan de hand was  !

Het optreden van Liénart en Frings kon maar op één manier geïnterpreteerd worden  : het was een bewuste daad van rebellie tegen de leiding van de Kerk, tegen de curie en tegen de Paus. Op deze dertiende oktober 1962 werd het Concilie de facto een parlementaire democratie, die zichzelf bestuurde met behulp van de nationale bisschoppenconferenties als even zovele partijen. De vergelijking met 17 juni 1789 ligt voor de hand  : toen riep in Frankrijk de derde stand zich uit tot Nationale vergadering en eiste een soeverein gezag op dat gelijk was aan dat van de koning.

Onnodig te zeggen dat de Vaders zich tussen 13 en 16 oktober in een koortsachtige vergadercarrousel stortten om te trachten lijsten met kandidaten op te stellen. De sereniteit was volledig zoek, om plaats te maken voor het getouwtrek en de agitatie van een vulgaire electorale campagne…

Op 16 oktober vond de verkiezing plaats. De resultaten waren vier dagen later bekend en werden onmiddellijk door Joannes XXIII bekrachtigd  : 57 % van de leden van de voorbereidende commissies werden afgevoerd, 43 % nieuwelingen werden verkozen. De progressistische staatsgreep was geslaagd. Al het voorbereidende werk dat gedurende twee jaar gepresteerd was, werd van de tafel geveegd om plaats te maken voor ” iets nieuws ”.

«  Eind oktober was alles in kannen en kruiken voor de hervormers  », zei abbé de Nantes in 1966. «  Als ik concilievader was geweest, dan was ik de 20ste oktober naar huis vertrokken.  »

Paus Joannes XXIII en kardinaal Ottaviani

Paus Joannes XXIII in gesprek met kardinaal Ottaviani. De pro-prefect van het H. Officie deed al het mogelijke om de revolutie in de Kerk tegen te houden maar kreeg geen enkele steun van een Opperherder die de clan van de hervormers voortdurend de hand boven het hoofd hield.

EEN NIEUWE TOREN VAN BABEL

Op de ochtend van die 20ste oktober werd aan de Vaders in de conciliaire aula een merkwaardige tekst voorgelegd  : een «  Boodschap aan de wereld  » vanwege de concilievaders, een soort van echo op de openingstoespraak van de Paus  :

«  Wij voelen ons solidair met al diegenen die, bij gebrek aan voldoende hulp, nog niet tot een echt menswaardig leven zijn kunnen komen. In onze werkzaamheden willen wij daarom een belangrijk gedeelte wijden aan alle problemen die te maken hebben met de waardigheid van de mens en een waarachtige gemeenschap van de volkeren… Wij doen een beroep niet alleen op onze broeders die wij als herders dienen, maar ook op al die broeders die in Christus geloven en op alle mensen van goede wil… opdat zij samen met ons aan het werk zouden gaan om in deze wereld te bouwen aan een rechtvaardiger en meer broederlijke samenleving. Want dat is wel degelijk het plan van God…  »

«  Wat in deze tekst opvalt  », schreef abbé de Nantes, «  is het louter aardse perspectief en het ontbreken van elke verwijzing naar de bovennatuur. Die samenwerking van alle mensen, zonder onderscheid van geloof of ideologie, aan de opbouw van een aardse stad waaruit alle wanorde en alle onrechtvaardigheid gebannen zijn is in feite het ordewoord van de ” strijdende ” vleugel van de Kerk van Frankrijk, van hen die wij ” progressisten ” noemen. Voor hen betekent het een geweldige promotie dat een conciliaire vergadering hun persoonlijke ideeën en uitdrukkingen zomaar overneemt  » (Brief nr. 125, 8 december 1962).

De voorzitter van de vergadering, kardinaal Liénart, liet de aanwezigen weten dat zij een kwartier [ ! ] de tijd hadden om kennis te nemen van de tekst en eventuele amendementen voor te stellen. Het was duidelijk dat ” men ” de «  Boodschap aan de wereld  »ongewijzigd wilde doordrukken, «  om het Concilie te helpen in de goede richting te vertrekken  ».

Verschillende sprekers verbaasden zich erover dat in een dergelijke tekst geen melding werd gemaakt van de vervolgde christenen achter het IJzeren Gordijn. Eén van hen was een Oekraïense bisschop, die sprak in naam van zijn vijftien collega’s die aan de strafkampen ontsnapt waren en in de Sint-Pieter aanwezig waren  :

«  Het is onmogelijk dat het Concilie zich richt tot ” alle mensen van goede wil ” alsof er op aarde alleen maar zulke mensen zijn. Ik vraag met aandrang dat er melding zou gemaakt worden van de vervolgde Kerk. Om slechts over Oekraïne te spreken, hoe kan men zwijgen over de miljoenen katholieken die omgebracht zijn of gedeporteerd naar concentratiekampen, zonder enige hoop op terugkeer  ? Over de 5945 kerken en kapellen die door het Rode Leger verwoest zijn  ? Over het Oekraïense episcopaat dat volledig kapot gemaakt is in de gevangenissen of in de ballingschap, samen met 1500 priesters  ?  »

Doodse stilte in de basiliek. Het bureau dat de zitting voorzat, beraadde zich kort… waarna Liénart het voorstel verwierp. Moskou zou zich anders ongetwijfeld beledigd hebben gevoeld  ! Toen de «  Boodschap aan de wereld  » moest goedgekeurd worden door zitten en opstaan, bleven de bisschoppen van Oekraïne en zij die uit China verdreven waren ostentatief neerzitten. Alle anderen gaven hun zegen aan een tekst waarvan hen was gezegd dat de Paus hem had goedgekeurd…

Wie was de auteur van de tekst  ? Later is gebleken dat het idee afkomstig was van de Franse dominicaan Chenu, die een tekst had geschreven waaraan ook meegewerkt was door zijn ordegenoot Congar. «  Ik ben er de propagandist van geweest. Ik heb het ontwerp vermenigvuldigd en opgestuurd naar een aantal invloedrijke bisschoppen zoals Suenens, Döpfner, Montini, Liénart  ; en ook naar enkele theologen, zoals Hans Küng, die het in het Latijn vertaald heeft en in zijn vriendenkring heeft doen circuleren  » (Jean Puyo interroge le P. Congar, 1975, p. 128).

De oorspronkelijke tekst «  was gebaseerd op de beginselen van de natuurlijke zedenleer om hem zo geschikt te maken voor een dialoog met niet-christenen. Maar hij was toch niet aangepast aan een concilie omdat Christus, de Heiland, er niet in genoemd werd [!]  » (Rynne, op. cit., p. 91). Alles moest bijgevolg herschreven worden… Kardinaal Liénart legde de definitieve versie voor aan de Paus, die de tekst goedkeurde en besliste dat hij ter stemming moest voorgelegd worden aan de concilievaders.

Uiteindelijk wekte de «  Boodschap aan de wereld  »niet echt veel belangstelling op. Ze werd snel begraven en men sprak er gelukkig niet meer over. Maar het verbazingwekkende is dat twee Franse progressisten, die kort tevoren nog als weinig aanbevelenswaardig bekend stonden, er in slaagden om het Concilie voor hun kar te spannen  !

DE OFFICIËLE WAARNEMERS EN HET PACT VAN METZ

De aanwezigheid van een grote groep niet-katholieke «  waarnemers  » op het Concilie was een geheel nieuw feit in de annalen van het Rooms-katholicisme. Joannes XXIII sprak hen hartelijk toe bij de officiële ontvangst op 13 oktober, twee dagen na de ope-ning van het Concilie, nadat ze hem door Mgr. Willebrands (secretaris van het Secretariaat voor de eenheid) waren voorgesteld als «  onze broeders in Christus  ».

De twee waarnemers van de Russisch-orthodoxe kerk vóór de Sint-Pietersbasiliek.

De twee waarnemers van de Russisch-orthodoxe kerk vóór de Sint-Pietersbasiliek. Zij moesten in Moskou wachten tot Joannes XXIII in zijn openingstoespraak ondubbelzinnig verklaard had dat het Concilie geen veroordelingen meer zou uitspreken en kregen dan pas toelating van het Politbureau om naar Rome af te reizen.

«  Zij hadden de status van eregasten in ” hun vaderhuis ”, zoals de Paus het uitdrukte, en zij kregen dezelfde geheime schemata in handen als de Vaders, ze kregen de beste plaatsen toegewezen in de vergaderruimte en konden gebruik maken van de vertaaldienst, die door sommige van hun gastheren zo node gemist werd  » (Rynne, op. cit., p. 80).

Er waren ondermeer vertegenwoordigers van de anglicanen, de lutherse wereldfederatie, het presbyteriaans wereldverbond, de evangelische kerk van Duitsland, de methodistische wereldraad, de quakers en de wereldraad van kerken. Roger Schutz en Max Thurian van Taizé behoorden tot de speciale gasten van het Secretariaat voor de eenheid, net zoals de lutherse theoloog Oscar Cullmann en Dr. Berkouwer van de Vrije (vrijzinnige) Universiteit van Amsterdam.

Pas de dag voordien waren, onverwacht voor het grote publiek en de meeste concilievaders, ook twee afgevaardigden van het Russisch-orthodox patriarchaat van Moskou in Rome aangekomen. De aanwezigheid van deze lakeien van het Sovjetregime – de Russisch-orthodoxe kerk was slechts een marionettenkerk die volledig gecontroleerd werd door het Kremlin – schokte de Oekraïense bisschoppen die zwaar vervolgd werden om hun trouw aan Rome  ; ze kwamen bijeen om een protest op te stellen tegen de Sovjetvervolging van de ” Kerk van de stilte ”, maar het Staatssecretariaat van het Vaticaan oefende zware druk op hen uit om geen officiële verklaring te publiceren. Toen één van hen er toch voor zorgde dat hun protest in de Italiaanse pers uitlekte, was Mgr. Willebrands gedwongen om in een persconferentie te verzekeren dat het Vaticaan niet onderhandeld had met de Sovjetunie…

Dit was een manifeste leugen, zo bleek later  : twee maanden vóór de opening van het Concilie had curiekardinaal Tisserant in opdracht van de Paus – en op initiatief van kardinaal Montini, de latere Paulus VI – in Metz een geheime ontmoeting met de metropoliet van Leningrad, Nikodim, die een geheim agent was van de KGB. In het Tisserant-Nikodimpact dat door beiden ondertekend werd beloofden de Sovjets in te gaan op de pauselijke wens en orthodoxe prelaten als waarnemers naar het Concilie te sturen, op voorwaarde dat er geen veroordeling van het communisme zou uitgesproken worden en dat Rusland of de Sovjetunie op geen enkele manier ter sprake zou worden gebracht. De Paus droeg Tisserant op er over te waken dat dit pact zeer strikt zou nageleefd worden  ; tijdens de zittingen van het Concilie werd elke poging om de kwestie van het communisme ter sprake te brengen door de kardinaal in de kiem gesmoord (al deze gegevens werden openbaar gemaakt in een fameuze brief van Mgr. Georges Roche d. d. 14 mei 1984, gepubliceerd in verschillende tijdschriften).

Op het moment dat Joannes XXIII in zijn openingstoespraak verklaarde dat het Tweede Vaticaans Concilie, anders dan vroegere concilies, volledig vrij was van «  de onrechtmatige inmenging van de staatsautoriteiten  » was de hoge vergadering in werkelijkheid gemuilkorfd op bevel van de verschrikkelijkste tirannie uit de wereldgeschiedenis…

Broeder Bruno van Jezus
Hij is verrezen  ! nr. 31, Jan-Feb 2008, pp. 3-7