De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

VATICANUM II

V. De verwerping van een eeuwenoude liturgische erfenis

EEN VEELBELOVENDE LITURGISCHE BEWEGING

DE oorsprong van de zogenaamde liturgische beweging ligt in Frankrijk  : onder het pontificaat van de Z. Paus Pius IX maakte dom Prosper Guéranger (1805-1875) van de benedictijnenabdij van Solesmes van de restauratie van de Romeinse liturgie zijn levenswerk. Zijn opzet was om aan zoveel mogelijk gelovigen de fundamenten van deze liturgie te doen kennen, zodat ze haar beter zouden begrijpen, lief-hebben en respecteren. Parallel daarmee ondernam Solesmes het herstel van de gregoriaanse zang in zijn oorspronkelijke zuiverheid. De grote invloed van dom Guéranger bleek uit het feit dat in Frankrijk alle gallicaanse missalen werden ingetrokken ten voordele van de Romeinse liturgie.

Alfredo kardinaal Ottaviani

Alfredo kardinaal Ottaviani  : «  Ik heb het altijd als mijn plicht beschouwd om de Opperherder te dienen in de waarheid en in de gerechtigheid  » (interview met Robert Serrou, december 1968). De Opperherder of de Kerk  ? Het drama van de voorman van de traditionalisten was dat de Pausen die hij wilde dienen een revolutie in de Kerk en een breuk met de traditie nastreefden.

Vijftig jaar later kreeg de liturgische beweging een nieuwe impuls dankzij dom Lambert Beauduin van de abdij Keizersberg bij Leuven die er een vurig pleidooi voor hield op het Congres van Mechelen in 1909. Deze benedictijn beriep zich op de woorden van de H. Pius X «  over de deelname van de chris tenen aan de heilige mysteries als onmisbare bron van leven  ». Abbé de Nantes  : «  De abdij Keizersberg publiceerde daarop tijdschriften die volledig gewijd waren aan de liturgie, om haar te verklaren aan parochiepriesters en gelovigen, om de viering ervan meer waardigheid te verlenen en om iedereen te helpen er beter aan deel te nemen. Dat was precies wat de H. Pius X, de grote Hervormer, wilde  » (CRC nr. 101, jan. 1976, p. 3). «  Omnia instaurare in Christo  »  !

Vanaf de jaren 1930 kreeg de liturgische beweging nog meer theologische en historische diepgang. Geleerden bestudeerden de geschiedenis van de liturgische instellingen, ontdekten vergeten riten, begrepen en verklaarden er de betekenis van. Een grote groep enthousiaste liturgiespecialisten verrichtte schitterend werk, waarvoor zij de volle steun kregen van Pius XII. Deze Paus schreef het charter van de liturgische beweging met de encycliek Mediator Dei, gepubliceerd op 20 november 1947.

«  Onder de impuls van dom Lambert Beauduin en tot aan dom Botte  », legt abbé de Nantes uit, «  werd de liturgische restauratie beheerst door twee of drie basisbeginselen  : de liturgie is volledig gericht op de cultus van God en de heiliging van het gelovige volk  ; zij is een middel dat dienstbaar is aan de goddelijke genade, het geloof van de Kerk, de naastenliefde, het christelijk leven van de gelovigen. Pius XII moedigde de liturgiespecialisten aan in die richting en dekte zelf met zijn gezag hervormingen zoals die van de Goede Week, terwijl hij ook bepaalde stoutmoedige beslissingen nam zoals het toelaten van het tweetalig rituaal van de sacramenten.

«  Maar deze liturgiespecialisten werden beroofd van hun hervorming  : hun beweging werd in een andere richting omgebogen, hun rangen werden geïnfiltreerd door personen die andere principes binnensmokkelden en die heel andere doelstellingen voorop stelden  » (CRC nr. 101, p. 4).

Het was het aggiornamento afgekondigd op het Tweede Vaticaans Concilie dat aan bepaalde personen met hersenschimmen of met verkeerde bedoelingen de kans gaf om hervormingen door te drukken die Pius XII in Mediator Dei had beoordeeld als «  afwijkingen  »  :

«  Wij bemerken niet zonder bezorgdheid en vrees dat sommigen te begerig zijn naar nieuwigheden en daardoor verdwalen buiten de wegen van de gezonde leer en de voorzichtigheid. Het is hun wil en hun verlangen om de heilige liturgie te vernieuwen, maar daarbij doen zij vaak een beroep op principes die, in theorie of in de praktijk, deze heilige zaak compromitteren en soms zelfs met dwalingen bezoedelen.

«  Met de geest en het hart terugkeren naar de bronnen van de gewijde liturgie is zeker een wijze en lofwaardige zaak, want de studie van deze discipline is van groot nut, om met meer diepgang en zorg de betekenis van de feestdagen te doorgronden, de zin van de formules en de ceremoniën die in zwang zijn. Maar het is niet wijs en niet lofwaardig om alles altijd te willen terugvoeren naar de oudheid. Zo verlaat men de rechte weg als men bij voorbeeld aan het altaar zijn primitieve rol van tafel wil teruggeven, als men de zwarte kleur radicaal wil schrappen uit de waaier van liturgische kleuren, of de heilige beeltenissen en beelden wil verwijderen uit de godshuizen, of de goddelijke Verlosser op het Kruis wil afbeelden zonder de tekenen van de afschuwelijke pijnen die Hij geleden heeft…

«  Zo’n manier van denken en handelen zou de buitensporige en ongezonde passie voor oude dingen doen herleven waaraan het onwettig concilie van Pistoia (1786) zich bezondigde, en zou de talrijke dwalingen doen ontwaken die aan de basis lagen van dit vals concilie én eruit voortvloeiden, tot groot onheil voor de zielen.  »

CONTINUÏTEIT OF BREUK  ?

Op het Tweede Vaticaans Concilie was het schema over de liturgie het eerste dat in de aula voorgesteld en bediscussieerd werd. De modernistische minderheid was erin geslaagd om, met de steun van pater Annibale Bugnini, secretaris van de betreffende voorbereidende commissie, een aantal van haar ideeën in het schema te doen opnemen. Anders dan de andere voorbereidende schema’s beantwoordde dat over de liturgie daardoor in hoge mate aan de verlangens van de hervormingsgezinde partij.

Kardinaal Frings (Keulen) opende het debat op 22 oktober 1962 met een lofprijzing op het schema. Hij beweerde dat het «  bijna een testament van de grote Paus Pius XII was  ». De vraag was natuurlijk wat de draagwijdte was van dat «  bijna  ». Lag het schema werkelijk volledig in de lijn van de liturgische vernieuwing die door de H. Pius X en door Pius XII gewild was  ? Kardinaal Frings suggereerde dit, om het akkoord van de traditioneel ingestelde meerderheid los te krijgen…

De verdedigers van het geloof lieten zich echter niet onbetuigd  : zij maakten duidelijk dat er veeleer sprake was van een breuk en legden de vinger op de vele theologische dwalingen die het document bevatte. Zo veroordeelde Mgr. Vagnozzi, apostolisch legaat voor de Verenigde Staten, het schema «  omdat het slecht was opgesteld en vol slordige definities zat. Hij stelde voor het opnieuw te bewerken op basis van de encycliek Mediator Dei van Pius XII en verwees hiervoor naar de Theologische commissie, die onder leiding stond van kardinaal Ottaviani  » (Xavier Rynne, Brieven uit Vaticaanstad, deel 1, 1963, p. 98). Hij werd bijgevallen door kardinaal Ruffini (Palermo), Mgr. Dante (pauselijk ceremoniemeester en secretaris van de Congregatie van de riten), Mgr. Staffa (secretaris van de Congregatie van de seminaries en de universiteiten), Mgr. Parente (assessor van het H. Officie), de Amerikaanse kardinalen Spellman (New York) en McIntyre (Los Angeles), kardinaal Siri (Genua).

Verschillende sprekers legden de nadruk op het belang van de handhaving van de eeuwenoude Latijnse liturgie voor het bewaren van de eenheid in de Kerk. Mgr. Dino Staffa  : «  Er wordt gezegd dat wij de heilige liturgie moeten aanpassen aan de gewijzigde tijden en omstandigheden. Maar we moeten ook naar de gevolgen kijken. Het gelaat van de maatschappij verandert snel, en zal zelfs nog sneller veranderen. Wat de massa van de mensen vandaag aangenaam vindt, zal over dertig of vijftig jaar ongepast lijken. We moeten dus besluiten dat na 30 of 50 jaar alles of bijna alles van de liturgie opnieuw zal moeten veranderd worden. Dat is het logisch gevolg van het genoemde uitgangspunt, maar het is niet erg aanvaardbaar voor de heilige liturgie, niet erg bruikbaar voor de waardigheid van de Kerk, niet erg veilig voor de integriteit en de eenheid van het geloof, niet erg gunstig voor een eenvormige discipline. Terwijl de wereld met de dag meer neigt naar eenheid, vooral in de manier van werken en leven, gaan wij van de Latijnse Kerk dan de bewonderenswaardige liturgische eenheid verbreken en verdelen over landen, regio’s en zelfs provincies  ?  » (24 oktober 1962).

Lijnrecht tegenover deze concilievaders stonden onder meer de kardinalen Léger (Montréal), Meyer (Chicago), Feltin (Parijs) en Alfrink (Utrecht), die zich uitspraken voor allerlei veranderingen zoals het gebruik van de volkstaal in de mis, de veralgemeende invoering van de communie onder twee gedaanten en de concelebratie.

OTTAVIANI BUITENSPEL GEZET

Op 30 oktober nam kardinaal Ottaviani zelf het woord voor een dramatische verdediging van de Traditie. «  Zijn deze Vaders van plan een revolutie te ontketenen  ?  », vroeg hij zich luidop af. De liturgie moest beschouwd worden als heilige grond, die met omzichtigheid benaderd diende te worden. «  In artikel 37 van het schema staat dat “ het ordinarium van de mis herzien moet worden, ofwel in zijn algemene structuur, ofwel in zijn afzonderlijke delen ”. Wat betekenen die woorden  ? Wil men soms heel de mis ondersteboven gooien  ? Zijn wij er op uit om verbazing of zelfs schandaal te verwekken bij het christenvolk door veranderingen aan te brengen aan een zo eerbiedwaardige ritus, die reeds zoveel eeuwen bestaat en zo vertrouwd geworden is  ? Het is volkomen onaanvaardbaar de ritus van de heilige mis te behandelen als een stuk weefsel dat men aanpast aan de mode volgens de fantasie van elke generatie  !  »

Omdat de nieuwlichters schermden met het gezag van Pius XII, herinnerde Ottaviani hen aan één van de beslissingen van deze Paus  : «  De Opperherder heeft op het internationaal liturgisch congres van Assisië in 1956 gezegd  : “ De Kerk heeft ernstige motieven om in de Latijnse ritus van de mis de onvoorwaardelijke verplichting voor de celebrant om het Latijn te gebruiken krachtig te handhaven. ” Als u zich beroept op het gezag van Pius XII, citeer hem dan niet alleen wanneer het u goed uitkomt.  »

Mgr. Dino Staffa

Mgr. Dino Staffa, secretaris van de Congregatie van de seminaries en de universiteiten, was een strijdlustig verdediger van de traditionele leer. In 1963 was hij de bezieler van een decreet dat van katholieke universiteiten eiste dat ze de goedkeuring van het Vaticaan zouden vragen vooraleer een eredoctoraat uit te reiken  ; aanleiding was het eredoctoraat dat de Amerikaanse Saint Louis University had gegeven aan Hans Küng, expert op het Concilie. «  Veel periti vertellen onzin  », aldus Staffa. «  Als wij hem een eredoctoraat geven, dan lijkt het alsof we zijn ideeën goedkeuren.  »

De hervormingsgezinden begonnen ongemakkelijk op hun stoel over en weer te schuiven, want ze begrepen dat de «  waakhond van de Kerk  » indruk maakte op de hoge vergadering. Plots stak kardinaal Tisserant zijn polshorloge onder de neus van kardinaal Alfrink, die op 30 oktober dagvoorzitter was  : Ottaviani had de reglementaire spreektijd van tien minuten overschreden. De Nederlander begreep de boodschap en beging de brutaliteit om zijn belletje te laten rinkelen en de pro-prefect van het H. Officie zonder meer te onderbreken  : «  Eminentie, uw tijd is om  !  » Tien minuten om twintig eeuwen traditie te verdedigen  ! Toen Ottaviani in zijn heilige verontwaardiging toch verder ging met spreken, gaf Alfrink aan een technicus de opdracht om de microfoon af te sluiten  ; de kardinaal sprak verder zonder dat iemand nog kon horen wat hij zei, tot het gelach hem duidelijk maakte wat er aan de hand was (zie Ralph W. Wiltgen, The Rhine Flows into the Tiber, New York 1967).

«  De pro-prefect van het H. Officie werd gelijkgeschakeld met de aanwezige bisschoppen  : niet méér gezag dan de bisschop van Cuernavaca  !  », schreef abbé de Nantes (Brief nr. 195).

Vernederd en gekwetst verliet kardinaal Ottaviani de tribune, onder het spottend applaus van de hervormers. «  Ik kom niet terug naar deze vergadering zolang ik geen genoegdoening gekregen heb  », verklaarde hij.

Maar de Paus nam hem niet in bescherming en de kardinaal kwam twee weken later terug in de aula zonder genoegdoening verkregen te hebben…

Joannes XXIII was helemaal niet onder de indruk van de machtsgreep tegen de behoeder van het geloof. Integendeel  : de richting die het Concilie onder druk van de clan van de hervormers uitging, leek hem juist een bijzonder goed voorteken. Tijdens de algemene audiëntie daags na de vernedering van kardinaal Ottaviani sprak hij  : «  De genade van de Heer leidt het Concilie. Hoewel iedereen de grootste vrijheid heeft om zijn mening uiteen te zetten [sic] komt men tot heilige en vruchtbare overeenstemming, zonder dat een schaduw van vijandigheid of van passie de debatten overschaduwt. Het is dus duidelijk dat de genade van de H. Geest het hart vervult van de bisschoppen, de theologen en iedereen die voor deze indrukwekkende vergadering werkt. We kunnen daarom zeggen dat we een werkelijk gezegende periode doormaken.  »

Toen de verdedigers van de traditie aan de Paus gerechtigheid kwamen vragen tegen de brutaliteiten en de onwettigheden van de nieuwlichters, antwoordde hij gewoon dat «  het op het concilie van Trente veel erger was geweest  : toen had een Latijnse bisschop de baard van een Griekse bisschop uitgetrokken.  » Ja, maar omdat hij een deel van de baard van Mgr. Zanettino had uitgetrokken werd de bisschop van Cava uit het Concilie gestoten.

Uiteindelijk sloten alle traditionalisten zich aan bij het schema dat, na goedkeuring van een aantal amendementen, de constitutie Sacrosanctum Concilium werd. Dit document werd nagenoeg unaniem aangenomen, met 2158 stemmen tegen 19, en op 4 december 1963 afgekondigd door Paus Paulus VI.

COMPLOT VOOR EEN MACHTSGREEP

Abbé de Nantes stelde vast dat de principes die in de constitutie worden uiteengezet voor een groot gedeelte traditioneel zijn. Toch zijn er twee gevaarlijke nieuwigheden  : de macht die wordt toegekend aan de “ bisschoppenconferenties ” en het gebruik van de volkstaal. Daarom waarschuwde hij vanaf januari 1964, in zijn Brief nr. 163, tegen het ondermijnend misbruik dat van de constitutie volgens hem zou gemaakt worden – wat door de trieste feiten van de daaropvolgende decennia uitgebreid bevestigd werd.

De nieuwigheden werden in het conciliedocument binnengesmokkeld met een welbepaald doel  : de basis leggen voor een machtsgreep tegen de Romeinse curie.

In het begin van de jaren 1960 begreep de modernistische maffia dat zij de eeuwenoude liturgie niet op een revolutionaire manier zou kunnen veranderen zolang de Congregatie van de riten in Rome de macht inzake liturgie in handen had. Hoe moest het obstakel uit de weg geruimd worden  ? Door een nieuwigheid in te voeren in artikel 22 van Sacrosanctum Concilium.

Dit artikel begint met de bevestiging van de traditionele leer  : «  De regeling van de heilige liturgie hangt uitsluitend af van het gezag in de Kerk, welk gezag berust bij de Apostolische Stoel [de Paus en de Congregatie van de riten die in zijn naam het gezag uitoefent] en, over-eenkomstig de wettelijke voorschriften, bij de bisschop [elke bisschop individueel, in zijn eigen bisdom].  »

Maar in paragraaf 2 sluipt een nieuwlichterij binnen, namelijk een nieuw, een ander gezag  : «  Krachtens door het recht verleende volmacht komt de regeling van de liturgie binnen vastgestelde grenzen ook toe aan de verschillende bevoegde territoriale bisschoppenconferenties die wettig zijn ingesteld.  »

Verbluffende vaststelling  : «  Wanneer, in 1963, door deze constitutie beslist wordt om de regeling van de liturgie “ ook ” toe te vertrouwen aan de bisschoppenconferenties, heeft het Concilie deze nieuwe entiteiten dogmatisch en juridisch nog niet erkend  ! Ze bestaan met andere woorden nog niet  ! “ Sacrosanctum Concilium ” loopt vooruit op wat nog fel bediscussieerd zal worden en slechts met moeite aangenomen…  »

Onze geestelijke vader begreep in 1963 al perfect wat er in de keukens van de modernisten bekokstoofd werd  : een echt complot, dat door de historici vandaag ontdekt wordt bij het systematisch analyseren van de archieven van bisschoppen en experts. Zo schreef Mgr. Spülbeck, bisschop van Meissen en lid van de liturgische commissie, op 11 mei 1963 aan kardinaal Döpfner, aartsbisschop van München  : «  Wij hebben gisteren onze werkzaamheden beëindigd. Ook al zijn onze verzoeken niet volledig ingewilligd, toch is de deur blijven openstaan voor alles. We mogen niet méér vragen als we tweederde van de stemmen in de aula willen behalen. Het essentiële zijn de rechten en de bevoegdheden van de lokale bisschoppenconferenties, die in ons project een beslissende rol spelen  » (Giuseppe Alberigo, Histoire du Concile Vatican II, 1959-1963, dl. 3, p. 212).

De tekst van de conciliaire constitutie vermeldt deze bisschoppenconferenties (“ de bevoegde territoriale kerkelijke autoriteit van art. 22 par. 2 ”) haast op elke bladzijde. Het komt erop neer dat zij het zijn die uiteindelijk álles beslissen, naar eigen willekeur en in de praktijk los van elke bevoogding door Rome (dat wil zeggen de Congregatie van de riten, waarvan men absoluut verlost wil zijn) én van de wil van de plaatselijke bisschop (die het zwijgen wordt opgelegd in naam van de collegialiteit).

«  Zoals iedereen weet  », aldus abbé de Nantes, «  kan een vergadering onmogelijk een leerstellige synthese voorstellen of wetten voorbereiden. Het zijn permanente secretariaten en commissies van experts die het gehele werk in handen hebben dat de geesten stuurt en de beslissingen bepaalt. Het gevolg is dat een netwerk van commissies zich op die manier als een spinnenweb over de ganse Kerk begint uit te strekken.  » De individuele bisschoppen worden vleugellam gemaakt en onderworpen aan de dictatuur van anonieme “ experts ” (art. 25), geestelijken zowel als “ kundige leken ” (art. 44).

DE LITURGIE DOOR HET VOLK

De fundamentele ondeugd van de constitutie is dat zij alles wil veranderen door de democratie in te voeren in de liturgie.

Om aan God onze Vader de cultus te wijden die wij hem verplicht zijn, hebben wij een Bemiddelaar  : Onze Heer Jezus Christus. «  Het is Jezus Christus in hoogsteigen Persoon die de heilige liturgie opdraagt als enige en soevereine priester. Dit dogma sluit het menselijk offer niet uit, integendeel, het geeft zijn diepe betekenis aan het sacrament van het priesterschap in de Kerk. De functie van de priester is te handelen “ in persona Christi ”, als plaatsvervanger van de Heer zelf. De priesterwijding, en zij alleen, verleent aan de uitverkorenen van God de macht om de goddelijke cultus van het H. Misoffer op te dragen, de zonden te vergeven en de sacramenten toe te dienen  » (CRC nr. 53, pp. 11-12).

Wat het Concilie gedaan heeft, is pogen om het onderscheid uit te wissen tussen het priesterschap en het gelovige volk.

Vanaf artikel 10 van de constitutie is de bocht in de richting van de democratie duidelijk  : de bemiddelaar, dat wil zeggen de priester die Jezus Christus vertegenwoordigt, is uit de tekst verdwenen  ; wat overblijft zijn “ de gelovigen ”. «  Allen, door geloof en doopsel kinderen van God geworden, komen samen, loven God in de gemeenschap van de Kerk, nemen deel aan het offer en nuttigen de maaltijd des Heren  » (art. 10).

«  De liturgie is op die wijze geen zaak van het priesterschap meer  », schrijft abbé de Nantes. «  Ze wordt losgeweekt van de idee van het middelaarschap tussen God en zijn zondig volk. Het gaat niet meer om het opdragen van een cultus aan God door zijn priesters om het gelovige volk te heiligen, maar om het werk van een priester-Volk dat volmaakt en heilig is en dat zuivere lof aan God brengt.  »

Volgens de traditie is de liturgie een ritueel  : de priester spreekt gewijde en door iedereen gekende formules uit die vrij zijn van dwaling en bijgeloof, waardoor de riten hun geldigheid verwerven en hun bovennatuurlijk effect  : zij verspreiden de genade.

«  Wat heeft men op het Concilie uitgevonden  ? Dat deze riten voor het volk ontoegankelijk en onbegrijpelijk waren. Daarom moest de liturgie voortaan het werk van Christus zijn door middel van “ zijn Lichaam ”  : het gelovige volk.  »

ACTIEVE DEELNAME VAN EEN ANDER GENRE

De H. Pius X en Pius XII hebben zeker de “ actieve deelname ” van de gelovigen aangemoedigd, maar altijd met hetzelfde doel voor ogen  : om meer intiem deelachtig te worden aan de goddelijke mysteries.

Pius XII spoorde de gelovigen aan om de mystieke schoonheid van de riten te waarderen en om de ceremonies te volgen «  met een aandacht en een vurigheid die hen nauw verenigen met de Soevereine Priester  », zodat zij deel zouden hebben, «  in zoverre dat dit menselijk gesproken mogelijk is, aan de gevoelens waardoor de goddelijke Verlosser bezield was toen Hij het offer van zichzelf aanbood.  » De Paus wenste bij voorbeeld dat de gelovigen de gebeden in hun moedertaal zouden bidden terwijl de priester ze in het Latijn opzegde.

Niettemin eiste de Paus dit niet als een absolute noodzaak, wel integendeel. «  Een groot aantal christenen kunnen het Romeinse missaal niet gebruiken, zelfs niet als het in de volkstaal geschreven is, en iedereen is niet bekwaam om de liturgische riten en formules juist te begrijpen. Deze mensen kunnen aan het eucharistisch offer deelnemen en genieten van de weldaden ervan dankzij een andere methode, die voor sommigen gemakkelijker blijkt te zijn, zoals b.v. het vroom mediteren van de mysteries van Jezus Christus of het verrichten van andere godsdienstige oefeningen. Ook is het mogelijk om andere gebeden te bidden die van de heilige riten verschillen naar de vorm maar er naar de natuur volkomen mee overeenstemmen  » (Mediator Dei).

Het Concilie droomde echter van iets helemaal anders  : «  De herders moeten er waakzaam op toezien dat bij het liturgisch handelen niet slechts de wetten betreffende de geldigheid en geoorloofdheid van de viering worden onderhouden, maar ook [maar vooral !] dat de gelovigen er met begrip, actief en met vrucht aan de elnemen  » (art. 11).

Abbé de Nantes  : «  De woorden “ maar ook ” zetten een kruis over wat vroeger gedaan werd en kondigen aan dat het bijkomstige, ontwikkeld en opgelegd door de Hervorming, het essentiële zal vervangen – dat nochtans de goddelijke… actie is  !  »

De breuk van het Concilie met de traditie is klaar en duidelijk  : «  Voor de specialisten van Vaticanum II betekent de uitwendige, natuurlijke, moderne deelname alles  ; de intieme communicatie met God is in hun ogen niets… en de intieme actie van God die zich aan de zielen geeft door middel van de sacramentele riten wordt verwaarloosd.  »

In zijn boek «  Ein neues Lied für den Herrn  » (1995) schreef kardinaal Ratzinger dat diegenen die aan «  de actieve deelname de betekenis van een uiterlijk activisme gegeven hebben, het Concilie op een verkeerde manier geïnterpreteerd hebben.  » Maar artikel 19 van de constitutie stelt uitdrukkelijk dat «  de herders zich met ijver en geduld moeten wijden aan de liturgische vorming van de gelovigen en hun actieve, inwendige en uitwendige deelname.  »

«  De uitwendige deelname die door het Concilie gewild werd  », zo vervolgt de stichter van de katholieke Contrareformatie in de twintigste eeuw, «  komt er op neer dat de gelovige heel zijn wezen moet richten niet op God, niet op Jezus Christus, nog minder op de Allerheiligste Maagd Maria, maar op de liturgie, dat wil zeggen op het “ circus ” dat de hervormers ervan gemaakt hebben.  » De priester wordt gedegradeerd tot een animator, een acteur die ervoor moet zorgen dat het volk “ tot leven komt ”  !

DE LITURGIE VOOR HET VOLK

Om de “ deelname ” van het volk te vergemakkelijken en te ontwikkelen vroeg het Concilie om «  een algemene vernieuwing van de liturgie  » en droeg zij de experts op om «  de teksten en riten zo op te stellen dat zij het heilige dat zij in tekenen aanduiden duidelijker tot uitdrukking zouden brengen  » (art. 21). Dat kwam neer op het toelaten van veranderingen en wijzigingen, want volgens de constitutie «  bestaat de liturgie uit een deel dat onveranderlijk is, als van Godswege ingesteld, en uit veranderlijke delen, die in de loop van de tijden kunnen wisselen  » (ibid.). Een grote onvoorzichtigheid waarmee het licht op groen werd gezet voor de meest revolutionaire experimenten…

«  Hoewel de heilige liturgie bovenal eredienst aan de goddelijke majesteit is, toch bevat zij ook een aanzienlijke onderrichting voor het gelovige volk  » (art. 33). «  Dat “ hoewel ” is een bekentenis  : het volk wordt gescheiden van zijn God  », legt abbé de Nantes uit. Inderdaad wordt het fundamenteel theocentrisme van de liturgie in concurrentie gebracht met iets totaal nieuws  : een anthropocentrisme, dat voor de experts in feite de essentie uitmaakt. De cultus van God zal meer en meer verwaarloosd worden ten voordele van de “ onderrichting ” van het volk.

Augustin kardinaal Bea

Augustin kardinaal Bea (rechts) in gesprek met de protestantse theoloog Edmund Schlink, de officiële waarnemer van de Evangelische Kerk van Duitsland. Bea was een Duits jezuïet die in 1924 naar Rome gezonden werd waar hij carrière maakte. Joannes XXIII creëerde hem kardinaal in 1959 en benoemde hem het jaar daarop tot eerste voorzitter van het nieuwe Secretariaat voor de bevordering van de christelijke eenheid, dat een sleutelrol zou spelen op het Concilie.

«  De riten moeten van een nobele eenvoud zijn  ; zij moeten doorzichtig zijn door hun beknoptheid en onnodige herhalingen vermijden  ; zij moeten aangepast zijn aan het bevattingsvermogen van de gelovigen  » (art. 34). «  Op die manier heeft Vaticanum II op voorhand een blanco volmacht gegeven aan iedereen die altijd maar verder wil gaan in de geest van het Concilie door te vereenvoudigen, te schrappen, aan te passen en te innoveren, met de bedoeling om de goddelijke liturgie altijd maar gemakkelijker, opener en begrijpelijker te maken… tot er alleen maar een louter menselijk gebeuren overblijft  » (CRC nr. 53, p. 8).

Het is niet een zogenaamd post-concilie dat de zuivere bedoelingen van het Concilie verraden heeft  : het is het Concilie zelf dat de deur wagenwijd heeft opengezet voor de meest godslasterlijke vertoningen  !

WEG MET HET LATIJN  !

Kardinaal McIntyre van Los Angeles legde de vinger op de wonde toen hij zei  : «  De aanval op de Latijnse taal in de liturgie is onrechtstreeks, maar écht, een aanval op de onwrikbaarheid van de heilige dogma’s  » (Acta I, 1, p. 370).

Het bewijs dat het Latijn op leerstellig vlak veel zekerder is, ligt in het feit dat alle dogmatische definities in het Latijn geformuleerd zijn. De dominicaanse theoloog Yves Congar gaf in zijn «  Journal du Concile  » toe dat hij het moeilijk had om in het Latijn over oecumene te spreken omdat die taal hem belette de “ nuances ” van zijn gedachten uit te drukken. Met het Latijn kon hij niet knoeien.

Bovendien vormt het Latijn een obstakel voor het naturalisme van de progressisten, die geheel het christelijk mysterie willen overbrengen naar het tijdelijke, aardse domein. Zij gebruiken een woordenschat die bewust dubbelzinnig is en waarin het geloof nog enkel op louter menselijke zaken wordt toegepast. Abbé de Nantes  : «  De liefde wordt puur lichamelijk in de christelijke prediking zelf  ; de zaligheid is nog slechts het verhoopte geluk in een aardse toekomst  ; de vrede die God alleen schenkt, wordt op een gevaarlijke manier verward met datgene waartoe pacifistische slogans oproepen  ; de rechtvaardigheid is nog slechts een dringende sociale eis, die niet de bekering van de militant vereist maar zijn engagement in de strijd – een strijd die niets meer te maken heeft met het geestelijk gevecht.  »

Door zijn verheven, gewijd karakter voert het Latijn ons binnen in het domein dat voorbehouden is aan God. De Latijnse woorden voor liefde, vrede en rechtvaardigheid sluiten naadloos aan bij het universum van de godsdienst, de H. Schrift en de kerkelijke traditie. «  Het begrip caritas roept automatisch een zuivere en edelmoedige liefde van bovennatuurlijke oorsprong op. Het woord justitia verwijst naar het onovertroffen Romeinse recht en is doordrongen van wijze matiging, terwijl het tegelijkertijd ook de evangelische schakering van een werkelijk religieuze deugd heeft, die van de rechtvaardigen en de nederigen. De term pax spreekt over de dingen van de ziel, over staat van genade en vereniging met God, en in die zin prijkt het trouwens ook boven de toegangspoort van talloze abdijen. Het woord libertas komt vaak in onze gebeden voor, maar altijd in de context van strijd tegen en overwinning op de duivel, nooit in de betekenis van losbandigheid  » (Brief nr. 94, oktober 1961).

Maar het Tweede Vaticaans Concilie gaf toe aan de eis van de progressisten en offerde het Latijn op.

«  Sacrosanctum Concilium  » volgt altijd hetzelfde bedrieglijk procédé  : eerst “ wij houden sterk vast aan… ”, en dan “ maar wij voorzien alle wettige middelen om er een eind aan te maken ”  ! Artikel 36, paragraaf 1  : «  Het gebruik van de Latijnse taal moet, behoudens de bepalingen van het particulier recht, in de Latijnse ritussen bewaard blijven.  » Daarmee is elke nietsvermoedende traditionalist gesust. Paragraaf 2  : «  Maar omdat het gebruik van de landstaal dikwijls zeer nuttig kan zijn voor het volk [is dat volk dan zo dom ?] moet er een ruimere plaats aan kunnen gegeven worden.  » En wie beslist daarover  ? «  De bevoegde territoriale kerkelijke autoriteit van art. 22, par. 2  », dat wil zeggen “ de bisschoppenconferenties ”, dat wil zeggen de “ experts ” die deze conferenties naar hun hand zetten. «  En daarmee is de enorme werf opengesteld van de liturgische boeken in alle mogelijke talen en dialecten  », besluit abbé de Nantes.

Andere nieuwigheid  : de invoering in de liturgie van de plaatselijke Kerken van tradities, gebaren en uitdrukkingen die deel uitmaken van het patrimonium van een bepaald land. Ter attentie van de behoudsgezinden wordt onderstreept dat de Kerk niet schippert over «  het geloof of het welzijn van heel de gemeenschap.  » Maar desondanks «  wenst de Kerk geen starre gelijkvormigheid op te leggen in de liturgie  » (art. 37). Het vervolg is een aansporing om zich open te stellen voor alle culturen en alle folklore, die door de Kerk «  ongeschonden in ere worden gehouden en soms zelfs in de liturgie toegelaten, mits ze verenigbaar zijn met…  » Met wat  ? Met het katholiek geloof, de katholieke cultus, de katholieke zeden  ? Helemaal niet. Maar wél «  met de beginselen van de ware en echte liturgische geest  »… Voor men het weet, glijdt men af in syncretisme en interreligie.

DE EISEN VAN DE OECUMENE

«  Artikel 48 legt de nadruk op wat van primordiaal belang is vandaag  : “ de actieve deelname aan de heilige handeling ”, met andere woorden het uitwendig activisme. Alsof de oude liturgie en de intieme deelname aan de goddelijke mysteries aan de gelovigen niet gaven wat ze kwamen zoeken  : berouw om hun zonden, aanbidding, vereniging (communie) met Christus, waarborg op het eeuwig leven in de Hemel. Neen, volgens het Concilie waren zij “ als buitenstaanders of zwijgende toeschouwers ”. Daarom moet de mis veranderen  » (abbé de Nantes).

«  Het misoffer moet zijn volle pastorale uitwerking krijgen  » (art. 49) en daarom «  moet het vaste misritueel worden herzien  » (art. 50)  : vereenvoudiging, inkorting, weglating van «  onnutte toevoegingen  » (  ?), herinvoering van wat vroeger geschrapt was… Wat is de boodschap  ? Dat álles op de helling mag gezet worden. En wat is de onderliggende agenda  ? De bevordering van de oecumenische geest.

In de inleiding van de constitutie werd al discreet gezinspeeld op de oecumenische doelstellingen van de hervormers van de liturgie  : «  Het heilig concilie stelt zich ten doel […] te bevorderen wat kan bijdragen tot de eenheid van allen die in Christus geloven  » (art. 1). Naar het zeggen van pater Gy, raadgever van de voorbereidende commissie over de liturgie, had men «  in het voorbereidend schema alles geïntegreerd wat vanuit evangelisch standpunt waardevol was in de liturgische perceptie van de hervormers  », dat wil zeggen lutheranen en calvinisten (La Maison-Dieu, nr. 76, 1963, p. 17).

De Novus Ordo Missæ die na het Concilie zou worden afgekondigd, in 1970, zou volledig beantwoorden aan de oecumenische bekommernissen van de constitutie Sacrosanctum Concilium. Pater Annibale Bugnini gaf dit ronduit toe toen hij op 19 maart 1965 uitleg gaf bij de wijzigingen die waren aangebracht aan de plechtige gebeden van Goede Vrijdag  :

Mgr. Pericle Felici

Mgr. Pericle Felici speelde een belangrijke rol op het Concilie als algemeen secretaris. In 1967 creëerde Paulus VI hem kardinaal. Op de twee conclaven van 1978 was hij het die als kardinaal-deken van op de loggia van de Sint-Pietersbasiliek het «  Annuntio vobis gaudium magnum…  » uitsprak.

«  In het oecumenisch klimaat van het Tweede Vaticaans Concilie heeft men van verschillende zijden opgemerkt dat bepaalde uitdrukkingen van de Orationes sollemnes van Goede Vrijdag pijnlijk klinken voor hedendaagse oren. Het is altijd hard te moeten raken aan eerbiedwaardige teksten [wat een hypocrisie !] die gedurende eeuwen de christelijke vroomheid met zoveel nut hebben gevoed, en die ook vandaag nog de geestelijke geur dragen van de heldhaftige tijden van de primitieve Kerk. Vaak is dit werk dan ook “ met de dood in het hart ” moeten gebeuren, wanneer het ging om het opofferen [sic] van uitdrukkingen en concepten die zo dierbaar zijn en waarmee we zo vertrouwd waren. Hoe zouden we geen spijt hebben over het Ad sanctam matrem Ecclesiam catholicam atque apostolicam revocare dignetur van het zevende gebed  ? “ Verwaardig u om de ketters en de scheurmakers terug te voeren tot onze heilige moeder de katholieke en apostolische Kerk… ” Ook hierin werd de Kerk geleid door de liefde voor de zielen [maar blijkbaar niet door bekommernis om hun eeuwige redding] en [vooral !] door het verlangen om alles te doen om voor onze afgescheiden broeders de weg naar de eenheid gemakkelijker te maken. Met dat doel voor ogen wilde zij elke steen wegnemen die al was het maar de schaduw van een risico zou kunnen vormen dat zij zich zouden stoten of onaangenaam verrast zouden worden  » (Documentation catholique, 1965, kol. 605-606).

Maar deze weglatingen en verminkingen «  brengen schade toe aan de waarheid en aan het geloof  », zoals Mgr. Staffa tijdens de debatten terecht opmerkte. Hij kantte zich krachtig tegen de pretentie van het Concilie om «  met alle mogelijke middelen  » de vereniging met de “ afgescheiden broeders ” te bevorderen.

Artikel 53  : «  De “ gemeenschappelijke voorbede ” of het “ gebed van de gelovigen ”, na het evangelie en de homilie, moet worden hersteld…  » Deze gemeenschappelijke voorbede bestond in de primitieve Kerk maar werd geschrapt uit de Romeinse ritus vanaf het einde van de vijfde eeuw. Zij bleef enkel bewaard in het officie van Goede Vrijdag, in de vorm van de hierboven aangehaalde «  plechtige gebeden  »… die door de conciliaire Hervorming vervalst werden. De reden waarom de voorbeden terug ingevoerd werden in de liturgie van de zon- en feestdagen ligt voor de hand  : om het volk een zogezegd «  priesterlijke  » functie te kunnen toekennen (zo staat het trouwens letterlijk in de inleiding op het nieuwe missaal). In de praktijk zijn deze voorbeden in veel gevallen misbruikt voor het spuien van een materialistisch, syndicalistisch en progressistisch gedachtegoed.

«  Het sacrament van het priesterschap wordt afgehandeld in vijf regels. Dit is zo belachelijk dat het de onverschilligheid van het Concilie aantoont voor het onderwerp  : de priesters. Maar bestond er eigenlijk een clerus vóór Vaticanum II  ? Nergens in deze conciliaire constitutie over de liturgie bemerkt men er een spoor van…  »

BESLUIT

«  Sacrosanctum Concilium  » is bewust opgezet als een programma voor «  de verschrikkelijkste liturgische revolutie uit de geschiedenis van de Kerk  » (abbé de Nantes). Om de handtekening van de traditionalisten onder dit document te krijgen werd het volgestopt met geruststellende principes en verheven standpunten. Maar de progressisten wisten dat het een vrijgeleide was om eindelijk hun gangen te kunnen gaan…

Broeder François van Maria ter Engelen
Hij is verrezen  !
nr. 32, Maa-Apr 2008, pp. 3-9