De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

VATICANUM II

VII. De strijd rond de collegialiteit

DE discussie over de collegialiteit begon op 4 oktober 1963, in de loop van de tweede zitting. Het was één van de langste en felste debatten van heel het Concilie  : 9 algemene vergaderingen, 119 toespraken, 56 schriftelijke tussenkomsten.

Waar ging het over  ? Het Eerste Vaticaans Concilie had het primaatschap van de Romeinse Opperherder en de pauselijke onfeilbaarheid gedefinieerd. Vaticanum II kon dit onderricht nuttig aanvullen door een definitie te geven van het sacramenteel karakter van het bisschopsambt  : de bisschopswijding als hoogste graad van het sacrament van het priesterschap. Deze definitie zou volledig in de lijn liggen van de kerkelijke traditie.

Maar de hervormers wilden deze theologie van het bisschopsambt vermengen met iets heel anders  : de collegialiteit, dat wil zeggen de aanspraak van de bisschoppen om een collegiaal gezag uit te oefenen over de universele Kerk, naast de H. Stoel. Dit zou onvermijdelijk leiden tot «  een diepgaande omvorming van de structuur zelf van de Kerk, die tot op vandaag monarchaal is en morgen dus… tweehoofdig  ! In het beste geval zou de Kerk een constitutionele monarchie worden, waarin de Opperherder zou moeten regeren met een Parlement van bisschoppen dat zelf soeverein is. In het slechtste geval zou de Kerk binnen de kortste keren geleid worden door de nationale bisschoppenconferenties, met de Paus als machteloze marionet, beroofd van de onmisbare diensten van de Vaticaanse Curie en van de middelen om zijn recht te laten gelden  » (abbé de Nantes, Brief nr. 156, 31 oktober 1963).

Maar ook voor de individuele bisschop vormde de collegialiteit een fundamentele bedreiging  : «  De Kerk is gebaseerd op het persoonlijk gezag van de bisschop in zijn bisdom en van de Paus over heel de Kerk. Hun macht is gekoppeld aan een sterk gezag en een persoonlijke verantwoordelijkheid. Met de collegialiteit zou de Kerk overgaan naar een parlementair bestuur, waarvan het kenmerk is dat het gezag er afhankelijk gemaakt wordt van stemmingen en dat de verantwoordelijkheid verdrinkt in de anonimiteit  » (ibid.). De bisschoppenconferenties zouden met hun dictatuur van de 51 % een einde maken aan de zelfstandigheid van de plaatselijke bisschop.

De democratische geest waarvan de nieuwe theorie van de collegialiteit doordrenkt was, kon in wezen niet ver-zoend worden met het katholiek geloof. Het is niet omdat men voor een bepaalde mening een meerderheid heeft dat die mening automatisch strookt met de leer van Christus  : «  Boven uw hoofden heerst het Woord van God  », aldus abbé de Nantes in een oproep tot de concilievaders. «  U bent slechts de behoeders van dit Woord. De Waar-heid van het geloof wijst de weg, en het is aan u om die Waarheid te respecteren en te dienen. Uw gezag is dat van een leergezag dat volledig afhangt van het geloof. Uw beslissingen en wensen moeten zich in de eerste plaats richten naar en overeenstemmen met de onveranderlijke dogma’s. Uw gezag is er om de geloofsschat te bewaren en vrucht te doen dragen, niet om hem te vervormen of te verraden  » (Brief nr. 158, 23 november 1963).

DE MACHTSGREEP VAN LEO-JOZEF SUENENS

De oratorische steekspelen tussen voor- en tegenstanders van de collegialiteit volgden elkaar onafgebroken op. Ze waren vaak moeilijk om volgen en zelfs duister voor de meerderheid van de concilievaders. De tegenstand tegen de nieuwe theorie werd nochtans met de dag groter, onder leiding van de kardinalen Spellman, Bacci en Ruffini. De aartsbisschop van Palermo bleef hardnekkig op het cruciale punt hameren  : «  De Kerk heeft als fundament niet Petrus én de apostelen  ! Alleen Petrus is de rots.  »

De hervormingsgezinden beseften maar al te goed dat de Schrift en de Traditie geen enkele ondersteuning boden voor hun pretenties. Ze besloten daarom een doorbraak te forceren.

Op 15 oktober stelde kardinaal Suenens, die één van de vier moderatoren was, plotseling de afsluiting van het debat voor bij zitten of rechtstaan. De vergadering stond als één man recht en gaf daarmee te kennen dat ze er genoeg van had. Maar helemaal op het einde van de zitting kondigde dezelfde Suenens aan dat er ’s anderendaags zou overgegaan worden tot een «  oriënterende stemming  ». De secretaris-generaal, Mgr. Felici, viel uit de lucht. Ook curiekardinaal Tisserant, de voorzitter, wist van niets. Suenens schreef hierover later  : «  Ik vroeg aan enkele theologen (Philips, Prignon, Moeller en Congar) om enkele testvragen te formuleren. Toen ik deze in mijn bezit had, kondigde ik – totaal onverwacht en vooral zonder Mgr. Felici op de hoogte te stellen, die het initiatief zou geblokkeerd hebben [sic] – op een dag waarop ik het voorzitterschap waarnam, rustig aan dat er weldra een vragenlijst met vijf informatieve vragen zou uitgedeeld worden aan de concilievaders, ten behoeve van de theologische commissie [lees : om de theologische commissie onder leiding van kardinaal Ottaviani een hak te zetten]  » (Terugblik en verwachting. Herinneringen van een kardinaal, Lannoo 1992, p. 120).

Paulus VI keurde het initiatief eerst af, maar veertien dagen later slaagde de Belgische kardinaal in zijn opzet en vond de stemming over de vijf oriënterende vragen plaats.

«  Terwijl men eindeloos gediscussieerd had over de collegialiteit zonder dat iemand van de voorstanders een klare en duidelijke definitie van die term had kunnen geven, moest er plots gestemd worden over vijf voorstellen waarin de collegialiteit kant en klaar gedefinieerd werd als een soeverein gezag, gelijk aan en onderscheiden van het gezag van de Paus  ! Op woensdagmorgen 30 oktober werd het lot geworpen  : de Vaders stemden kort na elkaar de vijf voorstellen, waarin op een handige manier een gradatie aangebracht was. Dit kwam neer op de goedkeuring van de Revolutie in de Kerk  », schreef abbé de Nantes de dag na de stemming (Brief nr. 156, 31 oktober 1963).

Suenens zei hierover later zelf  : «  Het was een grote overwinning ten gunste van de vragenlijst. Ieder woord ervan was gewogen [!]. De beroepstheologen zullen er nuances in vinden die hun nut zullen hebben voor de medeverantwoordelijkheid van de bisschoppen met en onder [sic] Petrus, nuances die nuttig zullen zijn voor iedere toekomstige oecumenische dialoog  » (Terugblik en verwachting, p. 121). Met andere woorden  : het primaatschap van Petrus, door Christus gewild en gevestigd, moest zoveel mogelijk geminimaliseerd worden om alle soorten ketters en schismatieken te plezieren. Inspiratie van de H. Geest  ? Neen  : inspiratie van de Boze Geest  !

OP HET KRUISPUNT VAN DE WEGEN  :
DE H. MAAGD MARIA

Het enige obstakel op de weg van de revolutie waarvoor het Concilie koos, was de Onbevlekte Maagd Maria. Enkele dagen vóór de fameuze oriënterende stemming over de vijf voorstellen in verband met de collegialiteit was aan de Vaders een kapitale vraag voorgelegd  : «  Moet het voorbereidend schema over de Maagd Maria ja dan neen het laatste hoofdstuk worden van de constitutie over de Kerk  ?  » Achter die vraag verborg zich het dispuut tussen “ minimalisten ” en “ maximalisten ”. De eersten wilden de devotie tot de Allerheiligste Maagd zoveel mogelijk terugschroeven en aan banden leggen  ; het was hun bedoeling om Maria «  op haar te plaats zetten  », zoals zij het met een ongelooflijke brutaliteit formuleerden. De laatstgenoemden daarentegen wilden Onze-Lieve-Vrouw zo hoog mogelijk verheffen.

Kardinaal Santos, de aartsbisschop van Manila, verdedigde het behoud van een apart schema, door de nadruk te leggen op de belediging die de H. Maagd zou aangedaan worden als men haar verwees naar het laatste hoofdstuk van Lumen Gentium, dat wil zeggen naar de achterste plaats.

Kardinaal König, de aartsbisschop van Wenen en één van de aanvoerders van de hervormers, verdedigde de samenvoeging van beide schema’s door de oecumenische noodzaak te onderstrepen. Zijn persoonlijke theoloog, Karl Rahner, was onmiddellijk na het einde van de eerste zitting al van leer getrokken tegen het oorspronkelijke schema over Onze-Lieve-Vrouw  : «  Als deze tekst wordt aangenomen, zal er een onvoorstelbaar kwaad berokkend worden vanuit oecumenisch oogpunt. Alle resultaten die verworven zijn op het domein van de oecumene dankzij het Concilie en in verband met het Concilie zouden tot niets herleid worden  » (aangehaald in Ralph W. Wiltgen, The Rhine Flows into the Tiber, New York 1967, p. 90).

Pater Sebastiaan Tromp

De Nederlandse jezuïet pater Sebastiaan Tromp, theoloog, hoogleraar aan de Gregoriana en auteur van verschillende publicaties, was secretaris van de voorbereidende commissie en nadien van de theologische commissie. Als rechterhand van kardinaal Ottaviani was hij de inspirator en mederedacteur van verschillende schema’s, die echter allemaal verworpen werden door de progressistische clan op het Concilie.

De omvorming van het schema tot laatste hoofdstuk van Lumen Gentium was volgens Rahner «  het gemakkelijkste middel om uit het schema alles te verwijderen wat theologisch onvoldoende ontwikkeld is  », lees  : wat voor de protestanten onaanvaardbaar is, zoals de titel «  Middelares van alle genaden  », waarvoor nochtans driehonderd bisschoppen uitdrukkelijk geijverd hadden van bij de voorbereiding van het Concilie  ! Heel terecht merkte Mgr. Grotti, titulair bisschop van Tunogaba, tijdens de debatten op  : «  Bestaat de oecumene er in de waarheid te belijden of ze te verbergen  ? Wat moet het Concilie uitleggen, de katholieke leer of de leer van onze afgescheiden broeders  ? De waarheid verbergen kwetst ons en kwetst hen die van ons gescheiden zijn. Het kwetst ons omdat wij overkomen als schijnheilig. En het kwetst hen die van ons gescheiden zijn omdat het hen zwak doet lijken en kwetsbaar voor de waarheid.  »

Onze geestelijke vader schreef  : «  Blijkbaar is het de hoogste tijd om een einde te maken aan een cultus die zogezegd niet tot Christus leidt. We zouden ons moeten houden aan de vaststaande en aloude gegevens van de H. Schrift en de Traditie, en op dit domein bijgevolg de ontwikkeling van de theologie moeten afremmen en op onze stappen terugkeren, afstand nemen van de spontane devotie en sceptisch zijn over de gevoelens van het volk – helemaal in tegenspraak dus met de algemene pretenties van het Concilie  ! De reden  ? De oecumene dwingt ons ertoe, we mogen onze protestantse broeders niet voor het hoofd stoten.  »

Verschillende Vaders bleven besluiteloos, want het argument van een kaakslag voor de H. Maagd schrok hen erg af. Wie zou het halen  ? De zogezegd eensgezinde vergadering bleek plotseling verdeeld in twee onverzoenlijke kampen. Als ze vrij zouden geweest zijn van elke dwang, dan zouden de concilievaders zeker de vernedering van de Maagd Maria afgewezen hebben, maar het Systeem was te machtig en dreef hen voort zonder dat ze het beseften. Er volgde een stemming, en Maria kwam op de laatste plaats terecht op veertig stemmen na (1114 tegen 1074). Bij het bekendmaken van deze uitslag viel in de aula een doodse stilte.

Het kamp van de hervormers had het heel even bijzonder benauwd gehad. Zoals één van hen, Charles Moeller, theoloog van kardinaal Léger, toegaf  : «  De stemming van vandaag legt een diepe verdeeldheid in de vergadering bloot op leerstellig vlak. Als we morgen dezelfde magere meerderheid hebben, en dus dezelfde verdeeldheid, kunnen we alleen maar onze koffers pakken  » (Giuseppe Alberigo, Histoire du Concile Vatican II, 1959-1963, dl. 3, p. 112).

DIJKBREUK

De dag daarop legde de «  kudde van de bisschoppen  » (Sint-Basilius) zich definitief neer bij de visie van de Europese progressisten. De vijf voorstellen van kardinaal Suenens werden gestemd met een verpletterende meerderheid. «  Wij hebben gewonnen  », vertrouwde Paulus VI de moderatoren van het Concilie toe. Die dag, 30 oktober 1963, was naar het zeggen van abbé de Nantes «  één van de somberste in de geschiedenis van de Kerk.  » Want hoewel deze stemming op zich geen enkel gezag had en geen enkele waarborg van onfeilbaarheid, engageerde ze het Concilie niettemin in een noodlottige richting.

«  De stemming van 30 oktober had slechts betrekking op oriëntaties. Een theologie van de collegialiteit bestond nog helemaal niet op het Concilie  » (Philippe Levillain, La mécanique politique de Vatican II, Parijs 1975). Een bekentenis die kan tellen. Verschillende sprekers stelden het ontbreken van elke theologische basis voor de nieuwe theorie aan de kaak, zo onder meer de moedige bisschop van Segni, Mgr. Carli. Zijn toespraak maakte indruk, zonder dat de Vaders echter op hun stappen terugkeerden. Na de schandalige behandeling die de Moeder Gods te beurt was gevallen ging alles snel achteruit  : vermoeidheid maakte zich meester van de verdedigers van de traditie en het geloof, terwijl de nieuwlichters steeds hardere eisen stelden.

Mgr Luigi Maria Carli

Mgr. Luigi Maria Carli, bisschop van het Italiaanse Segni, werd door de hervormers en hun aanhang verketterd als «  één van de meest uitgesproken conservatieven op het Concilie  » (Time). Hij wees er met klem op dat de theorie van de collegialiteit in tegenspraak was met de woorden en de wil van Christus, die de Kerk op Petrus en op Petrus alléén gegrondvest heeft.

Op 8 november werd de kwestie van de hervorming van de Curie aangesneden. Kardinaal Frings van Keulen nam het woord om een rekwisitoor tegen het H. Officie af te steken  : «  De praktijken en handelwijzen van het H. Officie zijn niet in overeenstemming met de moderne tijd. Mede daardoor verwekken zij schandaal in de wereld  ! […] De hervorming van de Curie is noodzakelijk  : laten we ze dan ook doorvoeren  !  »

«  Caveamus  !  » De beangstigde waarschuwing van kardinaal Browne, vice-voorzitter van de Theologische Commissie, weerklonk uiteindelijk in de Sint-Pietersbasiliek. «  Laten wij voorzichtig zijn, eerbiedwaardige Vaders  ! Op het moment waarop wij een revolutie zonder voorgaande ontketenen en duizend jaar juridische en mystieke inspanningen met het oog op de eenheid van bestuur en de samenhang van de Kerk van tafel vegen, laten wij toch goed nadenken  ! De voorstellen over de collegialiteit houden een mede-regeren in. Als ze geaccepteerd worden, dan is het niet langer Petrus die de kudde leidt, maar de kudde Petrus – sed oves Petrum.  »

«  Zwijg  », riepen Frings en consoorten. «  U staat de Hervorming in de weg die wij willen  ! Gehoorzaam ons, want wij hebben de meerderheid  !  »

Er werd geapplaudisseerd in de aula. Wie had zoiets ooit voor mogelijk kunnen houden  ? «  Tweeduizend jaar katholiek geloof hadden ons tot de vaste overtuiging gebracht dat het gezag in de Kerk een leergezag is. Wee ons als men ons morgen verplicht ons te onderwerpen aan een gezag dat ontsnapt aan de controle van het geloof, dat weigert zijn bewijzen van rechtgelovigheid te leveren en dat zich baseert op de meerderheid van de stemmen om zich op te dringen…  » (abbé de Nantes, Brief nr. 158, 23 november 1963).

DEMOCRATIE AAN DE TOP…

De invoering van de democratie in de Kerk is het onderwerp van hoofdstuk 3 van Lumen Gentium  : «  Over de hiërarchische inrichting van de Kerk en in het bijzonder over het episcopaat  ».

Al vanaf de eerste zin wordt de toon gezet  : «  Christus, de Heer, heeft in de Kerk verscheidene ambten inge-steld, die op het welzijn van het gehele lichaam zijn gericht. De bedienaars immers staan krachtens de gewijde macht waarover zij beschikken in dienst van hun broeders  » (nr. 18). «  Deze eerste zin, hoe handig geformuleerd ook, draagt in zich heel de tegenspraak die de democratische instellingen kenmerkt  », schrijft onze geestelijke vader. «  Het volk is koning, zijn herders komen pas op de tweede plaats als dienaren  ». Onder de geveinsde nederigheid van de “ dienstbaarheid ” verbergt zich een aanvechting van het goddelijk recht van het gezag in de Kerk. «  Als een kerkvorst zich niet wil laten bedienen dan heeft dit enkel te maken met een individuele beslissing ingegeven door eenvoud. Dit mag geen weerslag hebben op de functie en mag het gezag niet aantasten. Niemand zal ontkennen dat de functie gericht is op het welzijn van de ondergeschikten, maar het is verkeerd en gevaarlijk om het ambt altijd voor te stellen als een “ dienst ” van de gemeenschap  : de leider is niet de knecht van zijn onderdanen  !  » (CRC nr. 52, p. 5).

De idee van collegialiteit, ingevoerd als een compensatie of een aanvulling van de idee van het primaatschap, was van bij het begin vergiftigd door deze democratische geest. «  De aanhangers van de nieuwe theorie wilden het gezag onpersoonlijk maken in een collectivistische en parlementaire zin. Tevoren was de Paus de opperste en onmiddellijke leider van iedereen, bisschoppen zowel als gewone gelovigen. Elke bisschop, onderworpen aan de Paus, was herder van een bepaald gebied en over de mensen die er woonden. De bijeenkomsten van bisschoppen, synoden of concilies, regionaal of oecumenisch, vormden een buitengewoon voorbeeld van persoonlijk gezag  : iedereen nam vrij en volledig deel aan de dogmatische definities en de disciplinaire beslissingen van allen  » (CRC nr. 52, p. 6).

Na eraan herinnerd te hebben dat de apostelen als een «  college of bestendige groep  » (nr. 19) rondom Christus verenigd waren, onderstreept de constitutie «  de collegiale aard en opvatting van de orde van de bisschoppen  » (nr. 22). Deze «  orde van de bisschoppen vormt, wanneer zij in gemeenschap is met de Paus van Rome als haar hoofd en nooit zonder dit hoofd, het onderwerp van de hoogste en volledige macht over de gehele Kerk, doch kan deze macht niet zonder instemming van de Paus van Rome uitoefenen  » (ibid.).

Neen, protesteert abbé de Nantes  : «  Geen enkel kerkelijk gezag is collegiaal in de Rooms-katholieke Kerk. Er zijn enkel persoonlijke vormen van gezag, die door Paus of bisschop op vrije en verantwoordelijke manier worden uitgeoefend.  »

Resultaat van deze “ vernieuwing ”  : de instelling van een Synode met permanent secretariaat in Rome, onder het voorwendsel de Paus te “ helpen ” om «  de daadwerkelijke zorg voor de gehele Kerk  » (nr. 23) te dragen  ! Met andere woorden  : een parlement, dat de Paus op de vingers kijkt en druk uitoefent, en dat onophoudelijk probeert zijn wil aan de Opperherder op te leggen.

… EN AAN DE BASIS

De keerzijde van de medaille voor de bisschoppen is het verlies van gezag in het eigen bisdom. Want het nieuwe parlementaire en collectieve gezag over de universele Kerk overstijgt uiteraard het persoonlijk gezag van elke bisschop over zijn diocees… Om dit verlies aan gezag nog sterker in de verf te zetten, werden de nationale bisschoppenconferenties in het leven geroepen als een nieuwe graad van hiërarchie… maar «  absoluut zonder enig fundament, als ik voortga op de onmogelijkheid waarin theologen en juristen zich bevinden om er een stevige basis voor te vinden  », schreef abbé de Nantes in december 1962. Vijfenveertig jaar later is dit fundament nog altijd niet gevonden, maar de bisschoppenconferenties zijn een verworvenheid en beheersen het terrein.

De bisschoppen zelf zijn geen vrije en verantwoordelijke herders meer, maar parlementariërs en plaatselijke uitvoerders van de beslissingen die door de Grote Vergadering genomen worden… waar de drukkingsgroepen de lakens uitdelen. Abbé de Nantes  : «  Vóór het Concilie oefenden de bisschoppen een reële en persoonlijke macht uit over een beperkt grondgebied. Nu oefenen zij over immense oppervlakten en over een onbegrensde wereld een karikatuur van macht uit, zonder werkelijk gezag.  »

Dat alles vormt een zeer ernstige aanslag op de goddelijke constitutie van de Kerk die monarchaal en niet democratisch is. Pater Congar kon triomferen  : «  Vaticanum II is de Oktoberrevolutie in de Kerk.  »

HET ETIKET “ VERGIF ”

Tijdens de derde zitting van het Concilie, die plaats vond van september tot november 1964, werden de verschillende hoofdstukken van Lumen Gentium na mekaar gestemd, telkens met een overweldigende meerderheid, ondanks de verbeten strijd van de traditionalisten.

Op 16 november 1964 was het de beurt aan het hoofdstuk over de collegialiteit. Mgr. Felici legde toen in naam van de Paus een Nota explicativa prævia op (Voorafgaande verklarende nota), voor een “ juiste interpretatie ” van dit hoofdstuk. De Nota bracht in ondubbelzinnige bewoordingen het pauselijk primaatschap in herinnering, en was door de verdedigers van het geloof met veel inspanning verkregen, allicht met het dreigement dat ze anders niet zouden stemmen.

De Nota vernietigde het nieuwe grondwettelijk charter van de Kerk, punt na punt  :

1° Neen, het College van de bisschoppen is geen college in de strikt juridische zin, tenzij het verenigd is in een oecumenisch concilie  ;

2° Neen, dit College is niet de erfgenaam van de buitengewone macht van het “ College van de apostelen ”;

3° Neen, de bisschopswijding volstaat niet om de kwaliteit van lid van dit College te verwerven, de hiërarchische gemeenschap met het hoofd en de leden van het college is noodzakelijk  ;

4° Neen, dit College stelt geen enkele grens aan het gezag van de Paus. Integendeel, het kan strikt gezien alleen maar onder welbepaalde voorwaarden op collegiale wijze handelen, en altijd onder leiding van de Paus.

Het leek wel een etiket met de vermelding “ vergif ” dat op de fles van de collegialiteit moest gekleefd worden  ! Maar kortte het iets  ? «  De fles is in de handel gebracht, met haar ronkende garantie  : “ Vaticanum II, dogmatische constitutie ”. Het etiket “ vergif ” slaapt in de schuif van de apothekers… Het heeft zijn rol vervuld, namelijk het geruststellen van de behoudsgezinden. Het heeft verder geen nut. Het vergif zelf heeft zijn brevet gekregen van conformiteit met het katholiek geloof, en het werd uitgedeeld aan de kinderen van de Kerk die aan hun Moeder brood vroegen  » (CRC nr. 281, p. 6).

Het revolutionair beginsel van de collegialiteit vergiftigt al vijfenveertig jaar het leven van de Kerk. De Paus verkeert in de onmogelijkheid om in te gaan tegen de wensen van de bisschoppen verenigd in vergadering, waar het – zoals in elke democratische vergadering – nooit de besten zijn die aan het langste eind trekken…

Broeder Matthieu van Sint-Jozef
Hij is verrezen  !
nr. 34, Jul-Aug 2008, pp.6-9