De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

VATICANUM III VOORBEREIDEN

II. De katholieke missies

Om de kritiek te weerleggen dat hij alleen maar negatief commentaar op het Tweede Vaticaans Concilie had, zette abbé de Nantes op een publieke bijeenkomst in Parijs op 14 oktober 1971 een groots opgezet project in de steigers  : het leggen van de grondslagen voor Vaticanum III, «  het Concilie van de restauratie van de Kerk en van de katholieke verzoening  ». Onder de algemene titel «  Préparer Vatican III  » zette hij in de daaropvolgende maanden zijn visie uiteen op de verschillende onderwerpen waarover het toekomstig Concilie zich zal moeten uitspreken.

H. Franciscus XaveriusDe H. Franciscus Xaverius schrijft geknield een brief aan zijn overste Sint-Ignatius. Houten biechtstoelpaneel in de voormalige jezuïetenkerk Sint-Carolus Borromeüs te Antwerpen.

Francisco de Yasu de Azpilcueta y Xavier (1506-1552) is één van de grootste missionarissen die de Kerk ooit voortgebracht heeft. Hij verkondigde het Evangelie in Azië, van India tot Japan, en stierf op 46-jarige leeftijd op het eiland Shang Ch’uan, in het zicht van het keizerrijk China.

«  Eén van de duidelijkste tekenen van de levenskracht van de Kerk is haar missionaire bezieling. Men geeft slechts wat men zelf in overvloed bezit, men overtuigt slechts de anderen van datgene waarvan men zelf volkomen overtuigd is  » (abbé Georges de Nantes).

DE prediking van het Evangelie door diegene die voor deze zending is uitgekozen, voorbereid en gezalfd door de H. Geest van de Kerk, is het allereerste werk van het christelijk apostolaat. Dit werk bestaat hoofdzakelijk uit de verkondiging van het enig zaligmakende heil dat voor alle mensen verworven is door de éne Verlosser, Jezus Christus, de Eniggeboren Zoon van God.

Vanaf het eerste woord van deze prediking springt een essentieel en absoluut verschil in het oog tussen Christus enerzijds en gelijk welke mens anderzijds, tussen zijn godsdienst en alle mogelijke andere godsdiensten, tussen zijn Kerk en gelijk welke menselijke gemeenschap. Dit verschil betreft niet de graad van volmaaktheid maar het wezen zelf. Want «  er bestaat geen redding in iemand anders  » en dus is er «  buiten de Kerk geen heil  ». Dat is het fundament van de evangelische prediking.

Daardoor valt de mensheid uiteen in twee groepen  : zij die het goddelijk Woord gehoord hebben – ongeacht of zij het aangenomen hebben of niet – en zij die het nog niet gehoord hebben. En vermits wij samenlevingen vormen waarin alles in zekere zin gemeenschappelijk wordt, zijn er vanaf het begin twee geografische ruimten ontstaan  : de wereld waarin Christus gekend is en de heidense wereld die nog niet geëvangeliseerd is. “ Nog niet ”, omdat het voor zich spreekt dat de Eniggeboren Zoon van God eenmalig mens geworden is opdat de uitverkorenen uit alle naties tenslotte verenigd zouden worden in één enkele, ware Kerk.

Deze twee geografische ruimten zijn bepalend voor een verschil in het apostolaat van het goddelijk Woord. Aan hen die met het Woord reeds in aanraking zijn gekomen verstrekt de Kerk, die temidden van hen ingeplant is, op gezagvolle wijze prediking  : systematisch onderricht van de katholieke leer aan de gelovigen, onafgebroken oproepen aan hen die weigeren te geloven ondanks het licht. Zij die nog niet met het Woord in aanraking zijn gekomen zijn het voorwerp van missionering, waarbij Jezus Christus aan hen wordt bekendgemaakt met het oog op hun bekering en de uitbouw van de Kerk in hun midden.

Vermits deze «  missies  » plaatsvinden in landen waar nog geen plaatselijke hiërarchie bestaat, behoren zij tot het domein van de Paus. Sinds 1622 is het de Sacra Congregatio de Propaganda Fide («  Heilige Congregatie voor de Voortplanting van het Geloof  ») die instaat voor het bestuur over de gebieden waar de Kerk nog niet officieel ingesteld is en waar zij slechts aanwezig is in de persoon van religieuzen die er naartoe gezonden zijn, de «  missionarissen  ».

Eén van de duidelijkste tekenen van de levenskracht van de Kerk is haar missionaire bezieling. Men geeft slechts wat men zelf in overvloed bezit, men overtuigt slechts de anderen van datgene waarvan men zelf volkomen overtuigd en tevreden is. Omdat de ware godsdienst volheid van genade en waarheid is, kan het niet anders of hij maakt het geestelijk geluk en zelfs de tijdelijke welvaart uit van de volkeren die hem aangenomen hebben. De christelijke landen, vurig en welvarend, worden in hun beste vertegenwoordigers (hun elite) de propagandisten en verspreiders van de Weg, de Waarheid en het Leven. Vanaf het moment dat de Christenheid geboren werd, is zij missionair geweest. En hoe hoger haar beschaving stond, hoe meer zij tegelijkertijd haar geloof, haar cultuur en alle soorten menselijke weldaden uitgestraald en verspreid heeft.

DE CRISIS VAN DE MISSIES

Elke missionering veronderstelt, om het met een moderne uitdrukking te zeggen, een “ verschil in potentieel ” tussen hen die missionarissen uitzenden en hen naar wie ze gezonden worden. Het verschil ligt in de godsdienst die de missionarissen meebrengen en die de ware godsdienst is, oneindig superieur aan alle andere mogelijke religies. Het verschil ligt ook in de beschaving die op deze godsdienst gebaseerd is en waarmee geen enkele andere beschaving te vergelijken is.

Al lang geleden heeft het Westen zijn beschaving willen scheiden van het christendom dat er de bron van is. Vol hoogmoed hebben wij onze techniek en onze cultuur overal op de aardbol verspreid als een puur wereldlijk en menselijk succes. De volkeren hebben geleerd deze verworvenheden te kopiëren en erin te delen, zonder tegelijkertijd ook ons geloof te aanvaarden en over te nemen. Wij wilden de strikte scheiding van Kerk en staat  : dit laïcisme is door hen overgenomen, en wij hebben deze ontwikkeling aangemoedigd en gevleid. De wereld heeft daardoor afgeleerd de christenen te beschouwen als de enigen die écht beschaafd zijn, en zij heeft de ware beschaving niet meer als fundamenteel christelijk gezien. Onze godsdienst werd losgeweekt van onze westerse successen, en daardoor is men de missies gaan beschouwen als overbodig voor de menselijke vooruitgang.

Minder lang geleden is de Kerk ertoe gekomen te twijfelen aan zichzelf en aan de unieke schat van haar goddelijke Openbaring. Zij begon de andere godsdiensten en de plaatselijke culturen te bewonderen. De idee van de gelijkheid van alle mensen en andere revolutionaire dogma’s hebben onweerstaanbaar geleid tot een soort van relativisme. Het gevolg was dat de christelijke godsdienst zijn uniek karakter verloor en dat zijn historische superioriteit in twijfel getrokken werd.

De prijs die voor deze dwaling betaald moest worden was de crisis van de missies. Eerst en vooral begon de recrutering in de christelijke landen achteruit te lopen  ; missieroepingen kunnen immers alleen maar geboren worden wanneer een volk in zijn godsdienst gelooft als in de enige ware en heilzame religie. Vervolgens kregen de missionarissen geen toelating meer om Christus, enige Heer en Verlosser van personen en volkeren, in zijn volheid te prediken. Tenslotte raakten de heidenen ervan overtuigd dat zij toegang konden krijgen tot de westerse beschaving zonder verplicht te zijn onze godsdienst over te nemen. Wat zij wél overnamen was onze ideologie van de gelijkheid, en die gebruikten ze om hun eigen religies en zelfs hun barbaarse praktijken recht van bestaan te geven. Op die manier zijn wij eigenlijk de missionarissen van de menselijke hoogmoed geworden.

DE «  NIEUWE MISSIOLOGIE  »

In die situatie kwam een aantal vernederde missionarissen in de verleiding om zich te verzoenen met de moderne wereld, om gemakkelijker door die wereld aanvaard te worden. Het was de periode waarin het liberalisme de Kerk binnendrong, in de tweede helft van de 19de eeuw, en deze nieuwe denkrichting was daarvan de exponent… Zij begonnen met van zichzelf apostelen van de moderne techniek en van de democratische politiek te maken. Vervolgens legden zij zich toe op het aanmoedigen en vleien van de verzuchtingen van de autochtone bevolking, om zo het Evangelie uiteindelijk “ geloofwaardig ” te maken en de prediking ervan aanvaardbaar.

Deze zgn. «  nieuwe missiologie  » berustte op drie principes. Ten eerste wees zij het zogezegd te gemakkelijke argument af dat tot dan toe de suprematie van de blanken verbonden had met hun ware godsdienst  ; ze beschouwde dus zoals iedereen de technische en politieke “ vooruitgang ” als moderne veroveringen die los stonden van de godsdienst. Ten tweede weigerde zij het Evangelie te zien als de enig mogelijke en definitieve oplossing voor het probleem van de menselijke lotsbestemming  ; zij veroordeelde dus het “ fanatisme ” en de “ bekeringsijver ” van vroeger. En ten derde wou zij de meest uiteenlopende religies en praktijken a priori als waardevol respecteren, zonder ernaar te streven deze te vervangen door de ene christelijke godsdienst.

Als profeten en stichters van deze nieuwe missionering worden de Vlaamse lazarist pater Vincent Lebbe (1877-1940) en de Franse priester Jules Monchanin (1895-1957) beschouwd. Hun droom was die van Lamennais, Sangnier en Maritain, maar dan uitgebreid tot de heidense wereld. We weten dat laatst genoemde denkers grote invloed hebben uitgeoefend op verschillende prelaten die een sleutelrol speelden op het Tweede Vaticaans Concilie, kardinaal Montini (de latere Paulus VI) op kop. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het jongste Concilie de nieuwe missiologie – die tot dan toe slechts door een (invloedrijke) minderheid aangehangen werd – officieel aanvaard heeft… en helaas nog veel verder is willen gaan.

VATICANUM II GEEFT DE DOODSTEEK AAN DE MISSIES

Ook op het domein van de missies wou het Tweede Vaticaans Concilie alles omvormen en vernieuwen. Het charter van deze vernieuwing was het decreet Ad gentes divinitus over de missieactiviteit van de Kerk.

Ondanks al het vreugdegeschal dat zoals gewoonlijk de afkondiging van dit decreet begeleidde, liep de totstandkoming ervan helemaal niet van een leien dakje. Een fundamenteel meningsverschil kwam aan het licht – niet tussen integristen en progressisten, maar tussen de missionarissen zelf enerzijds en de ideologen van de hervormingsgezinde partij anderzijds. Deze laatsten bekeken alles vanuit hun ivoren toren van de utopie en beschuldigden de missionarissen ervan niet uit te stijgen boven hun «  kleingeestige en beperkte  » zorgen en belangen (Unam Sanctam nr. 67, p. 108). Maar de missionarissen wisten waarover ze spraken omdat het hun roeping en hun leven was  ; zij voorzagen en waarschuwden dat de nieuwe theorieën zouden uitlopen op de ondergang van de missies en de ontmoediging van de missionarissen, wat de feiten nadien maar al te duidelijk aangetoond hebben.

De strijd was hardnekkig, maar uiteindelijk haalde de Hervorming het, door de wil van Paus Paulus VI en een meerderheid die zich helemaal niet bewust was van wat er op het spel stond.

MISSIES OF ZENDING  ?

De terminologie is in alle revoluties van groot belang. De nieuwlichters op het Concilie wilden absoluut af van het concrete woord “ missies ” en propageerden de abstracte term “ missionering ” of “ zending ”. Ze kregen echter tegenwind van de missionarissen  :

«  Bepaalde missiebisschoppen vreesden dat een te brede en te vage opvatting van de missionering alleen maar zou afleiden van de eigenlijke missionaire inspanning en de crisis van de roepingen slechts zou aanwakkeren. Het missiemilieu in het algemeen toonde enige ongerustheid ten overstaan van de ontwikkeling van ideeën zoals die van “ Kerk in staat van missionering ” en “ missionaire parochies ”. De uitbreiding van de benaming “ missionair ” tot gebieden waar de Kerk reeds uitgebreid ingeplant was vatten zij op als een echt schandaal  : dit was, zo zeiden ze, een grove misvatting over de “ technische ” betekenis van het woord missionering, waardoor de eigenheid van de missieroepingen ontkend werd en recrutering en ontwikkeling gecompromitteerd werden  » (Marie-Joseph Le Guillou, O.P.).

Wat bracht de hervormingsgezinde clan hiertegen in  ? «  Talrijk waren echter zij die, in het besef dat zij deel uitmaakten van het college van bisschoppen en daarvan ook de wereldwijde missionaire verantwoordelijkheid deelden, wensten dat er een verband werd gelegd tussen de missies en de zending van de Kerk. Volgens hen moest er een plechtige bevestiging komen van de eigenheid van zowel de missies als van de missionaire roeping  ; er moest aangetoond worden dat het doorheen de missies dezelfde Ene Kerk is die in actie treedt…  »

De missionarissen lieten zich evenwel niet in de doeken doen door deze fraaie redeneringen en mooie beloften. Door van de missies de zaak van iedereen te maken zouden zij de zaak van niemand worden. Door ze “ opnieuw te situeren in het hart van de Kerk ” zou men ze wegtrekken van de streken ver weg. Hun reden van bestaan en de grootheid die hen eigen was zouden voorgoed verdwijnen.

De missies van gisteren stonden tegenover de missionering van morgen. De missies van gisteren zijn het werk van christelijke landen die hun missionarissen uitzenden naar de heidenen in verre landen om hen te bekeren  ; heel concreet zijn het onze Europese landen die missionarissen uitsturen naar gebieden aangeduid door de Congregatie van de Propaganda fide om er de Kerk in te planten. De missionering van morgen is de zending in de wereld van “ dienaars van het Woord ” voor een evangelisatie die nooit eindigt en altijd moet voortgezet worden, los van elke poging tot bekering of project om kerkelijke instellingen op te richten  ; eigenlijk weet men op de duur niet meer wat men eigenlijk gaat doen…

De missionarissen protesteerden fel, ook al probeerde men hen gerust te stellen dat zij bij de nieuwe visie niets zouden verliezen. En zij hadden gelijk. Overal waar de missionarissen bezweken voor de zinsbegoocheling van “ de Zending ” zijn “ de missies ” in elkaar gestuikt.

BEKERING OF NIET  ?

Vroeger was het duidelijk  : het doel van de missies was de bekering van de heidenen. Daarover gaat het niet meer in het conciliedecreet, wél over de «  dienst van het Woord  » die zich richt tot elke mens en die geen onderscheid van plaats maakt. Men beweerde dat men zo de missionering «  terugbracht tot in het hart van de Kerk  ». In werkelijkheid werden de missies op die manier beroofd van hun basis die tot dan niet bediscussieerd werd  : de redding van de zielen en de voortgang van de Kerk in een wereld die nog gebukt ging onder het juk van Satan. Het Concilie stelde echter dat heel het Volk van God een missionaire roeping heeft in zijn eigen omgeving, en dat het ganse episcopaat op collegiale wijze verantwoordelijk is voor “ de Zending ”. De essentie van de missionering, het brengen van de Blijde Boodschap aan de heidenen, wordt op die manier van bijkomstig belang.

Het is het vergif van Lumen gentium dat in deze nieuwe visie binnengeslopen is  : waar vroeger het uiteindelijke doel van de Kerk was de mensen tot God te voeren via Christus, gaat het sinds Vaticanum II om het realiseren van de solidariteit binnen een verzoende en broederlijke mensheid. Deze louter aardse bekommernis heeft geleidelijk aan de plaats ingenomen van de religieuze doelstelling. De “ Zending ” van de Kerk in conciliaire zin is het verwezenlijken van de eenheid van het mensdom  : «  Alle christengelovigen, waar zij ook leven, moeten door het voorbeeld van het leven en door het getuigenis van het woord de nieuwe mens, die zij door het doopsel hebben aangedaan, en de kracht van de H. Geest, waardoor zij door het vormsel versterkt zijn, zo openbaren dat de anderen bij het zien van hun goede werken de Vader verheerlijken en een vollediger begrip krijgen van de ware zin van het menselijk leven en de algemene band van de eenheid van de mensen  » (Ad gentes divinitus nr. 11). En verderop  : «  De christengelovigen moeten werken en met alle anderen samenwerken aan de juiste ordening van de economische en sociale aangelegenheden. […] Laten de gelovigen bij dit werk vurig verlangen op bedachtzame wijze hun bijdrage te leveren voor de ondernemingen die door private en publieke instellingen, door regeringen, door internationale organen, door de verschillende christelijke gemeenschappen en door de niet-christelijke godsdiensten bevorderd worden  » (nr. 12).

Maar waarom moeten er dan nog missies zijn, als de noodzaak niet meer bestaat om de zielen te redden van de ondergang en de volkeren uit de klauwen van Satan  ? De verontruste missionarissen eisten dat het Concilie van geheel de Kerk materiële en geestelijke hulp zou krijgen, maar eerst en vooral dat het belang, de hoogdringendheid, de absolute noodzaak zelfs van de missies op een overtuigende manier zou afgekondigd worden. Tenslotte gaven de hervormers toe en lieten in het conciliair decreet het prachtige nr. 7 inschuiven  : «  … Allen moeten zich, na Christus door de prediking van de Kerk te hebben erkend, tot Hem bekeren en bij Hem en bij de Kerk, die zijn lichaam is, door het doopsel worden ingelijfd. Christus zelf immers heeft uitdrukkelijk de noodzakelijkheid van het geloof en het doopsel afgekondigd. […] Daarom rust op de Kerk de noodzakelijkheid om te evangeliseren en heeft zij tegelijkertijd daartoe het heilige recht.  »

Maar onmiddellijk daarop keert de tekst weer snel terug naar het zuiver aards mondialisme  : «  … deze vernieuwde mensheid, die doordrongen is van broederlijke liefde, oprechtheid en vredesgezindheid en waar alle mensen [!] naar streven  » (nr. 8). «  Het Evangelie is in de geschiedenis van de mensheid, ook de tijdelijke, waarlijk het zuurdeeg van de vrijheid en de vooruitgang geweest en toont zich altijd door als het zuurdeeg van broederlijkheid, eenheid en vrede  » (ibid.). Waar gaat het nu eigenlijk over  : godsdienst, beschaving of revolutie  ?

HET «  AGGIORNAMENTO  »

Het Concilie speelde zich af in de jaren van de dekolonisatie, waarin scherp geageerd werd tegen het blanke ras, de westerse landen hun kolonies overzee opgaven en socialistische en revolutionaire ideologieën de overhand kregen. In plaats van tegen de stroom op te roeien besloot Vaticanum II zich in de stroming te werpen en er zich te laten door meevoeren.

«  De bisschoppen van de missie erkennen de vanzelfsprekende noodzaak van het “ aggiornamento ”, van een nieuwe oriëntering die authentiek en oprecht moet zijn. Het gewicht van het historisch verleden foltert hen en ze zouden zich ervan willen bevrijden. Zij weten maar al te goed wat men de missie verwijt  : kolonialisme en neokolonialisme, nationalisme, imperialisme en vermenging met de politiek, dit alles verbonden met de westerse zelfgenoegzaamheid en de hoogmoed van het ras. Het Concilie moet dit schandaal voor eens en voor goed uitroeien. De aanwezigheid van de missie temidden van de niet-christelijke volkeren kan enkel een aanwezigheid in de liefde zijn […] door dienstbaarheid, naastenliefde en dialoog, en door zich ter beschikking van allen te stellen  » (J. Schutte, in Unam Sanctam nr. 67, pp. 112-113).

Onder het voorwendsel om te stoppen met racisme, kolonialisme enz. dwong het Concilie de missionarissen zichzelf de armen en de benen af te hakken, en de tong. Absoluut verbod om iets in te voeren van onze westerse geest, onze riten, onze zeden. Omgekeerd alles aanvaarden, alles respecteren van de autochtonen bij wie men terechtkomt, niet meer om hen te bekeren of met gezag tot hen te prediken, maar om hen te dienen  : «  De waarachtige missionaire aanpassing betekent en vereist een dubbele beweging  : gastvrij onthalen en “ zich begeven naar ”  » (ibid., p. 113). Ontvangen meer dan geven  !

Een dergelijk aggiornamento, dat steunt op westerse zelfkritiek en het cultiveren van schuldgevoelens, gooit de traditionele missionering volkomen omver. De “ nieuwe ” missionaris moet zich door de autochtone bevolking laten onderrichten over alle inheemse waarden  ; hij komt om hen te bewonderen en hen te dienen. Deze monsterlijke omkering van de opdracht die Jezus zijn apostelen gegeven heeft, wordt uiteengezet in hoofdstuk II van Ad gentes, artikel 1  : «  Het christelijk getuigenis  ». «  De Kerk moet in deze menselijke groeperingen aanwezig zijn door haar kinderen die daar thuis zijn of daarheen worden gezonden […] Zij moeten zich in waardering en liefde bij die mensen aansluiten, zich leden weten van de groepering van mensen waaronder zij leven en door de verschillende betrekkingen en werkzaamheden van het menselijk leven deelnemen aan het culturele en sociale leven. Zij moeten vertrouwd zijn met hun nationale en godsdienstige tradities. Zij moeten […] de mensen leren kennen waaronder zij leven en met hen omgaan, opdat zij in een oprechte en geduldige dialoog vernemen welke rijkdommen de milde God aan de volkeren heeft uitgedeeld  », enz. enz.

Wat blijft hier over van de opdracht van Jezus  : «  Gaat en onderwijst alle volkeren, en doopt hen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest  »  ?

DE GEVOLGEN

De steile val van de katholieke missies is het onmiddellijk gevolg geweest van het Tweede Vaticaans Concilie. Zeker, de moeilijkheden dateren van vroeger  ; verkeerde oplossingen werden al vóór het Concilie gepropageerd en op verschillende plaatsen in de praktijk gebracht. Maar Vaticanum II nam ze allemaal over en kondigde ze af met het soevereine gezag dat men tot op vandaag, en volkomen ten onrechte, aan dit «  pastoraal  » Concilie toekent.

DE RESTAURATIE VAN DE MISSIES DOOR VATICANUM III

Een plechtig eerherstel van de katholieke missies dringt zich vandaag op, net als de algemene reorganisatie ervan. Het Derde Vaticaans Concilie zal die opdracht op zich nemen. Wat de essentie betreft, is er niets veranderd tegenover vroeger  : de missies zijn nog altijd even noodzakelijk.

DOGMATISCHE BEVESTIGING  : BUITEN DE KERK GEEN HEIL

Rahner, Ratzinger, Congar en anderen hebben op het Tweede Vaticaans Concilie getracht om de missies op een zeer hoog niveau te situeren, tot in de schoot van de H. Drie-eenheid, namelijk in de goddelijke “ zendingen ”van het Woord en van de H. Geest. Laten we hun inspanningen accepteren als een vooruitgang van de theologie, al dient opgemerkt dat de Kerk altijd al gemediteerd heeft over het woord van Christus  : «  Zoals mijn Vader mij gezonden heeft, zo zend ik u  » (Jo 20, 21). Het is zeker een verhevener visie dan die van de missionarissen die door de congregatie van de Propaganda naar verre streken gestuurd werden. Maar beide visies sluiten elkaar niet uit, mogen elkaar niet uitsluiten. De hooggestemde beschouwingen van Vaticanum II over «  de Zending  » leidden er ten onrechte toe dat de reële noodzaak om het Evangelie vanuit de christelijke landen naar verafgelegen gebieden te brengen voor de bekering van de heidenen uit het oog verloren werd, en zelfs afgewezen. Vaticanum III zal beide visies met elkaar in overeenstemming brengen.

Gedurende eeuwen hebben de christenen spontaan aanvaard dat er geen eeuwig en zelfs geen tijdelijk heil bestond tenzij in het geloof in Jezus Christus en de aansluiting bij de Kerk. Dit geloof steunde op het Evangelie, dat hierover formeel is. Het was de doorslaggevende reden voor de missieroepingen. Deze overtuiging ging echter gepaard met een dogmatische vaagheid wat de interpretatie van dit beginsel betrof  : men aanvaardde uitzonderingen op de regel, men sprak over “ doopsel van verlangen ” en “ doopsel in het bloed ”. Men wist dat God alle mensen wilde redden en dat de heidenen door Hem zouden geoordeeld worden volgens de graad waarin zij de Wet kenden.

De al te strikte interpretatie van het axioma “ Buiten de Kerk geen heil ” is altijd veroordeeld geweest door het kerkelijk leergezag. Maar het beantwoordde niettemin aan zulk een rotsvaste overtuiging dat het bepalend is geweest voor massa’s missieroepingen, die geleid hebben tot heldhaftige levens en vaak tot het martelaarschap. Het Concilie van morgen zal dit beginsel opnieuw moeten proclameren en bovendien verduidelijken. Het zal dat naar onze mening moeten doen door de twee grote zones van evangelisatie van de mensheid van elkaar te onderscheiden  :

a) Ondubbelzinnige toepassing in de landen van de Christenheid. Christus zelf kennen betekent gedwongen worden om in alle klaarheid te kiezen tussen zijn licht en de duisternis, tussen het heil of de verdoeming. Voor hem die Christus ontmoet heeft, bestaat er slechts redding in het geloof  ; ongeloof betekent veroordeling. Op dezelfde manier leidt kennis van de Kerk tot een beslissende keuze, en niemand kan gered worden die de Kerk heeft leren kennen en haar toch van zich afstoot. Anders en positiever gezegd  : alle mensen van goede wil, alle harten die door de H. Geest naar het licht geleid worden, zijn innerlijk ongeduldig om de Kerk te ontmoeten  ; ze zijn helemaal klaar om haar te erkennen als het heil dat zij zoeken en om er binnen te gaan. In en door de Kerk richt Christus zich rechtstreeks tot elke mens om hem het heil aan te bieden. Als de mens weigert dan betekent dit dat hij door zijn eigen schuld de voorkeur geeft aan de duisternis boven het licht.

Deze categorische bevestiging vormt het fundament waarop de geloofsverkondigers in onze christelijke landen zich moeten baseren.

b) Mysterieuze toepassing in de heidense gebieden. Het beginsel dat er alleen maar redding is in Christus en door Hem, en dus in de Kerk en door haar, duldt geen uitzondering. Het is absoluut. Maar om het goed te begrijpen en juist te interpreteren moet men het verbinden met het geheel van de geopenbaarde waarheden. Wanneer het gaat om de mensenmassa’s die nooit over Jezus Christus of de Kerk hebben horen spreken, zal het heil dat God hen voorstelt voor hen een onzichtbare band betekenen met Christus en de zichtbare Kerk. Dit betekent dat de missieprediking eigenlijk overal in de wereld op onzichtbare wijze verwacht wordt, omdat er overal al heidenen zijn die zich bevinden in dit spoor van het heil dat alleen maar christelijk en katholiek kan zijn.

In verband hiermee zal het Concilie een ernstige dwaling moeten aanklagen, namelijk dat de valse religies kunnen beschouwd worden als “ sacramenten van het heil ”, als werkzame middelen om redding te verkrijgen. De zielen die door de H. Geest in het spoor van het heil geplaatst zijn, zullen nooit rust vinden tenzij in de Ene Kerk  !

Vaticanum III zal bijgevolg het grote nut van de missieprediking verduidelijken.

Aan hen die reeds gerechtvaardigd zijn zal deze prediking de schatten van de Kerk schenken. Alle missionarissen zijn tot hun ontroering dergelijke voorbestemde zielen tegengekomen die al op voorhand christelijk waren.

Aan hen die goed ingesteld zijn maar zonder hulp van buitenaf nog niet de bovennatuurlijke daad konden stellen die hen gerechtvaardigd zou hebben, brengt zij de hulp van de sacramenten. Wat hen betreft heeft de missionaris het besef dat hij echt hun redder is  !

Aan de tegenstanders en de vervolgers geeft zij een aangrijpende verwittiging, zoals Jezus die gaf aan de Farizeeën, en voor deze personen is dit zelfs de grootste vorm van naastenliefde die op zichzelf zou volstaan om de missies te wettigen. Het is hun laatste kans, en de Kerk heeft niet het recht hen die te weigeren. De missionaris mag nooit aarzelen om het Evangelie te prediken, in de voetsporen van Christus.

Zonder de betekenis van een axioma dat op zichzelf volstaat te zeer te forceren, of juist te weinig, zal de hernieuwde overtuiging dat er geen heil is dan in Jezus Christus en door zijn Kerk volstaan om nieuwe roepingen te verwekken. En misschien zal dit zelfs het voorspel zijn tot de bekering van de hele wereld.

PASTORALE ORGANISATIE  : DE ZICH UITBREIDENDE CHRISTENHEID

Het katholiek geloof lijkt velen van ons misschien wel waarachtig, maar tegenwoordig ondoeltreffend. Men heeft ons ervan overtuigd dat alle volkeren van de wereld goed genoeg kunnen leven en bloeien zonder dat ze Christus of de Kerk nodig hebben. De moderne wereld bouwt zichzelf immers op zonder God. De moderne wereld verwerpt ook de Christenheid  : Europa uit misprijzen voor zijn eigen verleden, de andere landen omdat ze alleen geïnteresseerd zijn in de materiële vruchten.

Het kan niet anders dan dat Vaticanum III op dit vlak bewust reactionair zal zijn. Met meer doorzicht dan de publieke opinie zal het komende Concilie verkondigen  : niets menselijks kan stevig gebouwd worden op een ander fundament dan Christus. De mensen zullen altijd Christus nodig hebben voor het eeuwig leven, de samenlevingen zullen altijd de Kerk nodig hebben voor hun vrede en hun welvaart hier op aarde. Het Concilie zal dan ook alle projecten van “ geestelijke dekolonisatie ” en “ deseuropeïsering van de Boodschap ” verwerpen als waardeloze utopieën.

Christus heeft de Kerk ingesteld, en de Kerk heeft de Christenheid gebouwd. Er zal nooit een waarachtig christelijke en werkbare missionering bestaan dan vertrekkend van de Christenheid. Elke andere visie is utopisch.

Het Concilie moet dus eerst en vooral de Christenheid rehabiliteren. Zolang het Evangelie zijn functie en zijn eer van fundament van de westerse beschaving niet zal teruggevonden hebben zal het elders niet “ geloofwaardig ” zijn. Zolang de Kerk de Christenheid, die haar eigen vrucht is, zal veroordelen, zal zij geen enkele vrucht dragen bij de heidenen. «  Zoek eerst het rijk Gods en zijn gerechtigheid, en dit alles zal u worden geschonken als toegift  » (Mt 6, 33). De Kerk moet tegen de heidense volkeren kunnen zeggen  : kijk naar de Christenheid, kijk naar de volkeren die het Evangelie hebben aangenomen, en bewonder de weldaden die ze daardoor ontvangen hebben  !

Ingaand tegen de menselijke hoogmoed zal Vaticanum III tot de westerlingen zeggen  : jullie zijn enkel maar groot dankzij Christus en de Kerk die jullie hebben gemaakt tot wat jullie zijn. En tot de andere volkeren zal het Concilie zeggen  : de weg naar jullie heil loopt doorheen jullie onderwerping aan deze bewonderenswaardige Christenheid, die alle schatten van de hemel én van de aarde bezit om ze met jullie te delen.

a) Evangelisatie van de nog primitieve heidenen. Een blik op de wereldkaart maakt duidelijk dat er nog (of terug) immense gebieden zijn die simpelweg de behoefte hebben om van ons, in de naam van Christus, de steun van de economie en de politiek te krijgen om, doorheen deze tijdelijke goederen, de onzichtbare goederen van het ware geloof te verwerven. Deze evangelisatie moet voortgezet worden zoals ze altijd al verlopen is, en met zoveel succes. Het Evangelie dringt tot deze volkeren door samen met de beschaving. De missionaris is hier vergezeld van de soldaat en de handelaar, en vaak ook van de avonturier. Alle gebreken van het systeem zijn bekend  ; ze zijn onvermijdelijk en toch van secundair belang. Het is het enige systeem dat realistisch is.

Maar wat moet onderdrukt worden is de wanorde van vroeger, toen de missionarissen het slachtoffer waren van de rivaliteiten en de vervolgingen van andere ontwikkelde personen die met hen meegekomen waren  : socialistische ambtenaren, maçonnieke gouverneurs, protestantse zendelingen. En ook aan de moderne wanorde moet een eind komen  : missionarissen die hun invloed willen vestigen door de wereld waar ze vandaan komen te beschuldigen van verraad aan het Evangelie en die de autochtonen oproepen om tegen het westen te strijden. «  Elk rijk dat innerlijk verdeeld is, zal ten onder gaan.  »

b) Evangelisatie van de ontwikkelde heidenen. Ten opzichte van de landen die van ons de beschaving reeds ontvangen hebben, maar zonder het christendom, zal de Kerk haar missie-inspanningen moeten aanpassen  : een hoge vorm van intellectualisme én een verdieping van het contemplatieve leven. De evangelisatie zal in die landen missionarissen moeten hebben die bekwaam zijn om het debat ten gronde aan te gaan  : wetenschappelijke kritiek van de niet-christelijke beschaving, kritiek van de valse godsdiensten en ideologieën die deze beschaving op gelijke voet willen plaatsen met het christendom.

Het is vooral in deze streken dat het ernstige probleem van de heidense ideeën en riten een definitieve oplossing zal moeten krijgen. De hedendaagse Kerk heeft gestreefd naar een niet-traditionele en zeer brede oplossing, die er in bestond om bepaalde secundaire vormen van de oude cultus over te nemen, in de hoop dat daardoor het christendom gemakkelijker zou doordringen. Dit blijkt een vergissing te zijn, om verschillende redenen. De eerste reden ligt in het gevaar voor syncretisme, vermenging van godsdiensten, of zelfs de schijn daarvan. De tweede reden is de ongunstige indruk die dit wekt op de plaatselijke bevolking, van wie de ijdelheid gestreeld wordt door de overname van hun tradities maar die er al snel een teken van onbekwaamheid van onzentwege in ziet. De derde en belangrijkste reden ligt in de onweerstaanbare verwestersing van onze planeet  ; de hele wereld neemt de “ verworvenheden ” van het Westen over, van Coca-cola tot blue jeans, terwijl al de rest verglijdt tot het niveau van plaatselijke folklore. Door zich van het Westen af te keren, schoten de missionarissen zichzelf in de voet.

c) Evangelisatie van de afvallige volkeren. Naarmate de Kerk zich steeds verder uitbreidde zijn er grote open wonden ontstaan in haar sociaal lichaam. Het gaat hier niet om de “ ontkerstende ” christelijke landen  : de plaatselijke clerus beschikt over alle middelen om ze terug te kerstenen. Het gaat ook niet om landen die in ketterij of schisma vervallen zijn  : de Kerk moet naar deze streken mensen sturen die bekwaam zijn om ten gronde het debat aan te gaan. Het gaat wél om landen die het slachtoffer zijn van vervolging. Moeten we wachten op een verandering van regime  ? Of op hun ineenstorting na een succesvolle “ kruistocht ”  ? Moeten we steeds opnieuw predikers naar hen toe zenden die bereid zijn het martelaarschap te ondergaan  ? Het Concilie zal deze knoop doorhakken, maar volgend principe dient voor ogen gehouden te worden  : het zou een dwaling zijn een heel volk te verwarren met zijn atheïstische leiders. De Kerk weet dat zij in het bezit is van de Weg, de Waarheid en het Leven. Zij weet ook dat het echte geluk van de volkeren alleen maar mogelijk is wanneer zij over volledige vrijheid beschikt. Het is dus normaal dat zij een proces van bevrijding van de onderdrukte volkeren in gang zet.

Samengevat  : de missies moeten aanleunen bij de Christenheid en zullen groeien naarmate deze zich uitbreidt door Kruistochten en Kolonisatie. Al de rest is dromerij van intellectuelen die elke band met de realiteit op het terrein kwijt zijn.

DE MISSIONARISSEN VAN DE TOEKOMST

Het is onvermijdelijk dat de missionaris, van wie Vaticanum II het ideale beeld geschetst heeft (Ad gentes divinitus nrs. 23-26), een man zal blijven “ met een eigen roeping ” voor de evangelisatie ver van huis. Het is een dwaling gebleken te denken dat wereldpriesters voor een beperkte tijd op missie kunnen gestuurd worden om daar een tijdelijke hulpverlening te verzorgen.

Nog voor lange tijd zal de missionaris de avonturier van God blijven, de sterke man die alles geeft en bereid is tot het martelaarschap. Het nieuwe moet zijn dat deze missionaris des te nuttiger en doeltreffender zal zijn naarmate hij over een stevige wetenschappelijke, filosofische en theologische cultuur beschikt. Hij moet zijn nieuwe christenheid immers kunnen beschermen tegen de subversieve ideeën die vanuit Europa binnenwaaien en die over formidabele financiële en technische hulpmiddelen beschikken.

De missie-instituten zullen ook nog voor lang het meest volmaakte werktuig van de missionering blijven. Zij zullen voor het kader van de jonge Kerken moeten zorgen, ook al heeft men voor de plaatselijke hiërarchie iets te vroeg voor geestelijken van autochtone afkomst gekozen.

De congregatie van de Propaganda tenslotte is nog altijd het best geplaatst om de algemene leiding van de missies op zich te nemen. Vaticanum II heeft op dit punt, ondanks het dwepen met de collegialiteit, tenslotte een heilzame reflex gehad (nr. 29). Het is alleen vanuit Rome dat de nodige impulsen kunnen vertrekken, zowel om de krachten te organiseren als om de Christenheid op te roepen de missies met alle middelen te steunen.

abbé Georges de Nantes & broeder Bruno van Jezus
Hij is verrezen  !
nr. 48, nov-dec 2010, pp. 3-9