De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

VATICANUM III VOORBEREIDEN

V. Het Concilie en het jodendom

DE conciliaire Verklaring Nostra Ætate handelt over «  De houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten  ». Het gaat om een erg korte tekst, één van de kortste van alle documenten die door Vaticanum II gepubliceerd werden [in de uitgave van de Constituties en decreten van het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie door het Katholiek Archief, Amersfoort 1967, neemt de Verklaring slechts 4½ bladzijden in beslag – nvdv].

Nummer 61 van de Franse reeks Unam Sanctam (Parijs, Éditions du Cerf, 1966) is volledig gewijd aan de Verklaring en is van kapitaal belang. Toen de tekst gestemd was en afgekondigd op 28 oktober 1965 konden de initiatiefnemers van het hele project hun vreugde niet meer op en lieten ze in Unam Sanctam in hun kaarten kijken.

EEN JOODS COMPLOT

De Klaagmuur in Jeruzalem

De Klaagmuur in Jeruzalem, in feite de westelijke ondersteuningsmuur van de reusachtige esplanade waarop Herodes de Grote “ zijn ” Tempel liet optrekken. De Joden geloven dat de shekina of goddelijke Tegenwoordigheid na de verwoesting van de Tempel is overgegaan van het Heilige der Heiligen op de Muur, die zij daarom vereren. Wij christenen weten echter dat God de Tempel voorgoed verlaten heeft op het moment waarop zijn Zoon aan het kruis stierf, en dat Christus nu aanwezig is in alle tabernakels ter wereld. Onbegrijpelijk, ongehoord is het dus dat de pausen Joannes-Paulus II en Benedictus XVI de Klaagmuur vereerd hebben en net zoals de Joden een papiertje met een gebedsintentie tussen de stenen gestopt hebben  !

Eerst en vooral steken de initiatiefnemers niet meer weg wie in heel deze zaak in feite aan de touwtjes getrokken heeft. In de inleiding van US 61 schrijft pater Henry  : «  De Verklaring over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten situeert zich nu in het hart van het Concilie. Zij symboliseert “ Vaticanum II ”. Niets was nochtans minder voorzien… Het zijn dus de gebeurtenissen – de meesters waardoor God ons onderricht en gidst – die het schema en nadien de Verklaring beheersten. Welke gebeurtenissen  ? Op 18 januari 1960 vroeg de Joodse Wereldorganisatie een audiëntie aan Paus Joannes XXIII… Deze ontmoeting vormde het begin van een reeks ontvangsten  : de United Jewish Appeal op 17 oktober, professor Jules Isaac, en anderen. Daarop besloot de paus tot de voorbereiding van een Decreet over de Joden.  »

Eigenaardige “ gebeurtenissen ”, vreemde “ meesters waardoor God ons onderricht en gidst ”  !

Van zijn kant onderstreepte kardinaal König, de aartsbisschop van Wenen, dat «  vanaf het begin  » de voornaamste interesse uitging naar de uitwerking van een «  Decretum de Judaeis  ». De andere paragrafen (over het hindoeïsme, het boeddhisme, de islam) vormden «  geen enkele moeilijkheid  ». Alleen paragraaf 4, «  De joodse godsdienst  », gaf aanleiding tot «  lange en levendige discussies  » (commentaar van de kardinaal in de Éditions du Centurion, p. 199).

Wanneer men de historiek van de Verklaring door pater Georges Cottier, O. P. , doorneemt (US, 37 78), wanneer men de chronologie op pp. 285-286 onderzoekt, dan dringt een vanzelfsprekendheid zich op  : belangrijke Joden en machtige internationale joodse organisaties hebben onafgebroken contact gezocht met “ de goede paus Joannes ”, en nadien met het Concilie. Ze hebben verkregen wat ze met hun inspanningen wilden bereiken dankzij kardinaal Bea – alweer hij  ! – die later gedecoreerd werd met de gouden medaille van de B’nai B’rith, de hoogste onderscheiding vanwege de hoogste joodse instelling…

EEN BEDROEVEND GEBREK AAN REACTIE

Vanaf het begin van zijn pontificaat droomde Joannes XXIII ervan om «  een woord van liefde tot de Joden  » te spreken (US, 39). Hij was het die de liturgische gebeden van Goede Vrijdag met betrekking tot de Joden schrapte. In oktober 1961 ontving Paus Roncalli, wiens tweede voornaam Giuseppe was, een groep Amerikaanse Joden met volgende woorden  :

«  Ik ben Jozef, uw broeder. Er bestaat zeker een groot verschil tussen hem die enkel het Oude Testament aanvaardt en hem die daar het Nieuwe aan toevoegt als opperste wet en richtlijn. Maar dit verschil maakt geenszins de broederlijkheid ongedaan die gegrondvest is op een gemeenschappelijke oorsprong  : zijn wij niet allemaal zonen van dezelfde Vader in de hemel  ? Onder ons allen moet altijd de liefde schitteren, een actieve liefde  » (US, 40).

Naïviteit of een doelbewuste strategie  ?

Kardinaal Bea stelde het schema voor op 18 september 1964, bij het begin van de derde zitting van Vaticanum II. Hij deed dat op een handige manier, door bij voorbaat alle tegenstand in een ongunstig daglicht te stellen  : het zou gaan om politieke tegenstanders tegen een godsdienstig schema  ! Hij vervolgde met een in de Kerk nooit gehoorde lofbetuiging aan het adres van het jodendom, waarvoor de christenen waardering en liefde moesten opbrengen. Het Concilie had de opdracht om de ondankbaarheid en zelfs de eeuwenoude haat van de christenen jegens hun joodse «  broeders  » af te keuren. Zo kreeg al wie niet akkoord ging met het semitisme van de Bea-lobby al snel het etiket opgekleefd van antisemiet en aanhanger van de verbrandingsovens van Hitler  !

Voordien al had Paus Paulus VI bijgedragen tot de triomf van de joodse lobby door tijdens zijn bedevaart naar het Heilig Land (4-6 januari 1964) zijn vrede te schenken aan de Israëlische regering  : Shalom  ! Shalom  ! Zijn encycliek Ecclesiam Suam (6 augustus 1964) bevatte een warme aanbeveling om «  een dialoog aan te gaan met de zonen van het joodse volk, die onze liefde en eerbied waardig zijn  » en «  die de ene en opperste God vereren zoals wij  » (par. 67). Tenslotte had hij op 12 september, kort voor het begin van de derde zitting van het Concilie, het Secretariaat voor de niet-christelijke godsdiensten opgericht, dat hij aankondigde als «  iets dat duidelijk een Pinksterbetekenis heeft  » (US, 53).

Bea hield opnieuw een pleidooi voor “ zijn ” schema op 25 september. De 28ste en de 29ste lieten de tegenstanders hun eenzame stem horen  : kardinaal Tappouni, in naam van de Oosterse Kerken, en kardinaal Ruffini, die protesteerde met heel zijn kennis van de onafgebroken Traditie van de Kerk. Maar Lercaro, Heenan, Cushing en de overgrote meerderheid van de Amerikanen waren voorstander van de Verklaring. Ook de Paus verzekerde Bea ervan dat «  de tekst over de Joden niet zou gekortwiekt worden of inhoudelijk minder sterk gemaakt  » (US, 62).

Op 20 november werd een eerste keer gestemd  ; men telde 99 neestemmen, 242 jastemmen-met-voorbehoud en 1651 onvoorwaardelijke jastemmen.

Tussen de derde en de vierde zitting van het Concilie publiceerde Mgr. Carli, de moedige bisschop van Segni, een doorslaggevende studie over de joodse kwestie met betrekking tot de leerstellige traditie van de Kerk. Maar zijn inspanning kon het tij niet keren (US, 71).

Op 15 oktober 1965 werd de herwerkte tekst in zijn geheel goedgekeurd met 1763 keer ja tegen 250 keer neen. Op 28 oktober werd de Verklaring afgekondigd. De aanwezigheid van Paulus VI die dag deed de oppositie slinken tot nog slechts 88 tegenstanders  ! In zijn toespraak had de Paus het over «  hen die door eenzelfde afstamming in Abraham met ons verenigd zijn, vooral de Joden, die zeker niet het voorwerp zijn van afkeuring en wantrouwen maar van respect, liefde en hoop  » (US, 78).

Door opnieuw aan te knopen met de Joden, die uitgeroepen werden tot onze broeders in Abraham, verloochende het Concilie het Kruis van Christus en zijn Evangelie. Basta  ! De joods-christelijke verzoening moest hoe dan ook doorgedrukt worden en was wel een verloochening waard…

DE DRIE GEZICHTEN VAN ISRAËL

Om de tekst te begrijpen moet men eerst en vooral oog hebben voor een kwestie van woordenschat die aan de basis ligt van belangrijke leerstellige keuzes. Het is essentieel dat men drie gezichten van Israël onderscheidt, drie realiteiten die door de Verklaring opzettelijk door elkaar gehaspeld worden  :

Israël, volk van God van het Oude Testament, tot aan de tijd van Christus. De goddelijke zending van dit volk is de voorbereiding van de komst van de Messias, waarin het zijn voltooiing zal vinden. Dit Israël is opgevolgd door de Kerk  : zij is de enige, wettige en exclusieve erfgename van de gewijde zending van Israël.

2° Het joodse volk, sinds de tijd van Christus. Dit volk is geroepen tot bekering en doopsel, zoals alle andere volkeren, maar met een bijzondere hoogdringendheid en voorkeur omdat het door zijn aloud patrimonium dichter staat bij het heil dan gelijk wie anders – terwijl het tegelijkertijd ook meer tegengesteld en rebelser is dan alle anderen door zijn recent erfgoed.

3° Het talmoedisch jodendom, godsdienst van de Joden die het Evangelie geweigerd hebben als een ketterij, de Verlosser verworpen als een bedrieger en die de Kerk vervolgd hebben omdat zij hun heilig erfgoed voor zichzelf opgeëist heeft. Ook vandaag nog blijft het jodendom de godsdienst van het joodse ras en voedt het zijn hoogmoed.

De Kerk eert Israël in de eerste betekenis, omdat zij er de voortzetster van is, de erfgename, de mooie vrucht. Zij is in waarheid het nieuwe Israël, het Heilige Jeruzalem, het Volk van God.

De Kerk houdt van Israël in de tweede betekenis. Zij betracht er de bekering van, als die van oudste zonen die wel opstandig zijn maar nog altijd bemind.

De Kerk verdedigt zich tegen Israël in de derde betekenis. Zij beschermt haar collectieve identiteit, haar wezen en haar rechten tegen de pretenties, de ondernemingen, de haat en de vervolgingen van het talmoedisch jodendom. Op dit vlak is de tegenstelling absoluut. Het is ja of neen, zonder dat er een compromis mogelijk is. Ofwel mondt de lichamelijke afstamming van Abraham uit in Christus, die haar geestelijk en universeel maakt en zo de katholieke Kerk vormt  ; in dat geval beroept het jodendom zich volledig onterecht op de Bijbel en is het schuldig aan vervalsing van zijn eigen geloof. Ofwel zet het jodendom in alle wettigheid de cultus van de Tempel van Jeruzalem verder, blijft het trouw aan de Torah van Mozes en is het de bewaarder van het uitverkoren Ras in de verwachting van de Messias die dit ras de overheersing van de wereld moet schenken  ; in dat geval hadden zijn gezagsdragers en zijn volk gelijk het Evangelie af te wijzen, Jezus ter dood te veroordelen en de Kerk te bestrijden. Het is het een of het ander  !

Vaticanum II wou tegen elke prijs de Kerk verzoenen met het jodendom in de derde betekenis, door deze onmogelijke toenadering gelijk te schakelen met de oproep tot de bekering van de Joden in de tweede betekenis, een traditionele en heilige oproep, en door te hameren op de gemeenschappelijke erkenning van de erfenis van Israël in de eerste betekenis…

Zoiets was enkel mogelijk door heel de kerkelijke traditie te verwerpen. Dat was niet moeilijk in een klimaat van hervorming, vernieuwing en “ alles moet anders ”. Maar het Concilie, dat er prat op ging zich te herbronnen in het Evangelie, moest daartoe wel bewust de Schriften vervalsen. De Kerk is een meesteres in de leugen geworden, in de schijnbare eenstemmigheid van haar universeel Leergezag  !

Deze ontrouw heeft betrekking op drie punten  : het Verbond, de godsmoord en het antisemitisme.

HET VERBOND

Om deze plotse en vreemde «  dankbaarheid van de Kerk ten aanzien van het joodse volk  » (US, 238) te rechtvaardigen, herinnert Nostra Ætate aan «  de band waardoor het volk van het Nieuwe Verbond geestelijk verbonden is met de stam van Abraham.  » De Kerk van Christus heeft het Oude Testament ontvangen van het joodse volk en wij, de christenen, zijn zo in waarheid «  zonen van Abraham naar het geloof  » geworden. Goed. De continuïteit is gelegen op het geestelijke vlak. Israël is in Christus de Kerk geworden, door zijn Kruis.

Maar de breuk, die voortkwam uit de misdaad van gans het joodse volk dat zijn Messias verworpen heeft, wordt door het Concilie verzacht en de consequenties ervan verdonkeremaand. Daartoe leent Vaticanum II zich tot een spel van opzettelijk onvolledige citaten. En vervolgens, om elke tegenstand de mond te snoeren, durft dit Concilie benadrukken dat de prediking van het Woord Gods met de grootste nauwkeurigheid dient te gebeuren  : «  Laten allen ertegen waken in de catechese en in de verkondiging van het woord van God ook maar iets te leren wat niet met de evangelische waarheid en met de geest van Christus overeenstemt.  » Onvoorstelbaar  : deze aanbeveling is bedoeld om heel de Kerk ertoe te dwingen de conciliaire vervalsing te aanvaarden als de exacte geopenbaarde waarheid, en omgekeerd om de waarheid die maar al te duidelijk vervat is in de Heilige Schriften en doorheen alle tijden onderwezen werd door de kerkelijke Traditie te verbieden als een vervalsing  !

We verduidelijken. Is het joodse volk in zijn huidig talmoedisch jodendom nog altijd het volk van het Verbond, het Volk Gods  ? Ja of neen  ? Sint-Paulus antwoordt  : Neen, maar het blijft bemind door God. Het Concilie schrapt het “ neen ” en het “ maar ”, citeert de rest en besluit  : Ja, volgens Sint-Paulus blijft dit volk bemind door God en blijft het dus Volk van God. Israël in de derde betekenis is onze broeder.

De tekst haalt de Romeinenbrief aan en “ citeert ” twee fragmenten… maar laat daarbij alles weg wat niet binnen de nieuwe conciliaire theorie past  ! Hieronder geven we de volledige tekst, met tussen rechte haken de opzettelijk gecensureerde onderdelen  :

Romeinen 9, 3-5  : «  [Zelf zou ik van Christus gescheiden willen zijn ter wille van mijn broeders, mijn stamverwanten naar het vlees,] zij die toch Israëlieten zijn, aan wie het kindschap, de heerlijkheid en het Verbond, de Wet, de eredienst en de Beloften toebehoren. Tot hen behoren de Vaders en van hen stamt Christus af naar het vlees[, Hij die God is, boven alles gezegend in eeuwigheid. Amen !]  »

Om de Joden niet voor het hoofd te stoten heeft de Verklaring de laatste woorden weggelaten, waarvan alle exegeten erkennen dat ze van kapitaal belang zijn omdat ze plechtig de goddelijkheid van Christus verkondigen en Hem op die manier onttrekken aan gelijk welk ras. In plaats daarvan schrijft Nostra Ætate enkel  : «  de Zoon van de Maagd Maria  », wat de goddelijkheid van Jezus niet onderstreept en hem volkomen deel doet uitmaken van het joodse ras.

Romeinen 11, 28-29  : «  [Zeker, met betrekking tot het Evangelie zijn ze vijanden om uwentwil (de heidenen) ; maar] met betrekking tot de uitverkiezing zijn zij de welbeminden omwille van de Vaderen. Want nooit heeft God berouw over genadegaven en roeping.  » De weglating spreekt hier boekdelen  !

In Rom 11, 17-24, maakt Sint-Paulus duidelijk dat de takken van de tamme olijfboom – de Joden – zijn weggekapt «  om hun ongeloof  »en dat de heidenen als een wilde olijf in hun plaats zijn geënt. Hij voorspelt ook dat «  die anderen weer zullen worden geënt wanneer ze niet volharden in hun ongeloof  ». Vaticanum II verdraait de waarheid en de geschiedenis door te schrijven  : «  De Kerk… wordt gevoed vanuit de wortel van de goede olijfboom, waarop de wilde olijftakken, de heidenen, zijn geënt.  » Alsof wij met het huidige Israël (derde betekenis) een gemeenschappelijke stam zouden delen waaruit Joden en christenen gelijkelijk voedsel putten  !

Het Concilie wil absoluut benadrukken dat er een groot «  gemeenschappelijk geestelijk erfgoed van christenen en Joden  » bestaat. Maar de Heilige Schriften verklaren op honderden plaatsen dat dit erfgoed precies ontrukt is aan Israël naar het vlees om gegeven te worden aan de Kerk, die het enige en unieke Israël geworden is en de draagster van het goddelijk Verbond. «  Deze heilige kerkvergadering wil de wederzijdse kennis en waardering van beiden, welke vooral verkregen worden door bijbelse en theologische studies en door broederlijke gesprekken, ondersteunen en aanbevelen.  » De fameuze dialoog… Een beetje zoals wanneer een priester twee vrouwen die dezelfde man beminnen, de een als wettige echtgenote en de ander als maîtresse, zou aansporen elkaar te omhelzen en met mekaar in vrede te leven  !

Gaat Vaticanum II er prat op de trouwe vertolker van Sint-Paulus te zijn  ? Dat het dan de tekst van 1 Thessalonicenzen 2, 14-16 durft citeren  : «  De Joden, die de Heer Jezus en de profeten hebben gedood, en ook ons hebben vervolgd  : zij zijn God niet welgevallig, en alle mensen vijandig. Ze verhinderen ons tot de heidenen te spreken om hen te redden. Zo maken ze in ieder opzicht de maat hunner zonden vol. Dan komt de Toorn over hen ten einde toe.  »

Er zijn geen twee zuster-godsdiensten. Er is enkel een ware en een valse godsdienst, er is enkel het Gezegende en het Vervloekte  : «  Jacob heb Ik bemind, maar Ezaü heb ik gehaat  » (Rom 9, 13). Wanneer God toch nog doorgaat met zijn eertijds uitverkoren volk lief te hebben, in de afkeer voor de antichristelijke godsdienst ervan, dan is dat om het aan te sporen zich te bekeren.

DE GODSMOORD

Het vervelende kiezelsteentje in heel dit mooie systeem is het Kruis. Hinderlijk, lastig Kruis van Christus  ! Vaticanum II heeft erg zijn best gedaan om het aan de kant te laten en uit zijn blikveld te verwijderen. Maar in heel deze kwestie kan men er niet náást kijken. Als de Joden werkelijk hun God en Redder veroordeeld en doen sterven hebben – terwijl ze juist gekozen, voorbereid en geïnspireerd waren om Hem te onthalen – dan bestaat er voor hen geen vrede zonder dat zij vergiffenis vragen en zich bekeren. Zij werden geschapen en in de wereld gebracht om getuigenis af te leggen van hun Messias Jezus, maar in plaats daarvan hebben zij Hem verworpen, aan het kruishout geslagen en tot op vandaag veracht zonder enige blijk van berouw. Wat kan men hen anders zeggen dan de woorden van Jeremias  : «  Jerusalem, Jerusalem, convertere ad Dominum Deum tuum… Jeruzalem, Jeruzalem, keer terug naar de Heer uw God  !  »

Het Concilie wou daarentegen absoluut de onschuld van het jodendom bewijzen. De versie van Nostra Ætate uit 1964 verbood te zeggen dat de Joden «  schuldig aan godsmoord  » waren. In de definitieve tekst werden deze woorden weggelaten. De projoodse lobby had kritiek op de term “ godsmoord ” zelf, en werd daarin helaas bijgetreden door iemand als kardinaal Ruffini, die stelde «  dat men God onmogelijk kan doden  » (tussenkomst op 28 september 1964). Pater Cottier is in Unam Sanctam nr. 61 orthodoxer wanneer hij schrijft  : «  De uitdrukking is volkomen correct  : diegene die gedood wordt in zijn menselijke natuur is immers een goddelijke persoon  » (US, 257). Vanzelfsprekend  ! Als Maria de «  Moeder van God  » is, dan zijn zij die de dood gewild hebben van Jezus die God is in waarheid schuldig aan godsmoord.

Is er werkelijk godsmoord gepleegd  ? Dan zijn het niet de Joden  ! Het Concilie pleit hen vrij van deze beschuldiging in drie stappen  : slechts enkelen van hen waren bij de affaire betrokken  ; zij deden het niet met opzet en evenmin zeer bewust  ; het zijn «  trouwens  » de zonden van ons allemaal die de dood van Christus veroorzaakt hebben en niet de Joden.

Om deze visie door te drukken moet de Concilieverklaring opnieuw de tekst van het Evangelie verdraaien  :

«  Hoewel de gezagsdragers van de Joden met hun aanhangers de dood van Christus hebben doorgedreven…  » De uitdrukking is zwak, en met opzet. Pater Cottier zelf geeft dit toe  : «  De Joden zijn verantwoordelijk in die zin dat ze de dood van Jezus gewild en met geweld afgedwongen hebben. Dat is een objectief feit waarvan wij de historische waarheid staande houden  » (US, 258).

«  … kan toch datgene wat tijdens zijn lijden werd bedreven noch alle toen levende Joden zonder onderscheid noch de Joden van onze tijd worden aangerekend.  » Door dit te zeggen verwerpt het Concilie heel het formele onderricht van het Evangelie van Sint-Jan en van de Handelingen der Apostelen. De Heilige Schrift getuigt maar al te duidelijk van de verharding van heel dat Volk, dat solidair gebleven is met de gezagsdragers die Jezus veroordeelden en met de massa die zijn dood toejuichte. In plaats van berouw te hebben, onderschreven alle Joden van die tijd, onderschrijven alle Joden van alle tijden dit verdict, in de mate van hun kennis ervan, met uitzondering van de bekeerlingen.

«  Alhoewel de Kerk het nieuwe volk van God is…  » Het is vreemd dat deze bevestiging in de vorm van een concessieve bijzin geformuleerd wordt – alsof de schrijvers ervan er beschaamd voor zijn. De Kerk is het nieuwe volk van God, en dat betekent dat er een onverzoenlijke oorlog woedt tussen het jodendom en de Kerk. Want deze aanspraak, die voor ons essentieel is, zal nooit door hen aanvaard worden, zolang ze niet met ons opnieuw één Volk zijn geworden.

«  … mogen de Joden toch niet als door God verworpen noch als vervloekt worden voorgesteld, alsof dit uit de H. Schrift zou volgen.  » De Kerk heeft er altijd aan herinnerd dat niemand hier op aarde vervloekt of verworpen is  ; iedereen is geroepen om zich te bekeren en de Kerk binnen te gaan door het doopsel. Maar wat het Concilie wil suggereren en wil doen geloven als de juiste interpretatie van de Schriften is iets helemaal anders  : dat het officiële en collectieve jodendom, de joodse Natie, de Synagoog, zijn God en Messias heeft kunnen ter dood veroordelen en doorheen de eeuwen in deze trouweloosheid heeft kunnen volharden zonder schuldig te zijn aan godsmoord.

In het artikel «  De historiek van de Verklaring  » in Unam Sanctam nr. 61 gaat pater Cottier zelfs zo ver dat hij de joodse gezagsdragers niet alleen verontschuldigt maar zelfs rechtvaardigt  : zij hebben Jezus uit de weg geruimd uit godsdienstige gehoorzaamheid aan hun «  authentiek  » [sic] jodendom. De leden van het Sanhedrin hebben hun plicht gedaan, alleen maar hun plicht, heel hun plicht, om de rechtgelovigheid van de mozaïsche Wet te redden  ; want wat Jezus over zichzelf zei, was voor hen onvoorstelbaar en vereiste een extreem strenge straf. Deze redenering maakt van Christus een ketter die terecht ter dood werd veroordeeld volgens de Wet  : «  In de mate waarin het jodendom trouw blijft aan zichzelf en zich niet wil openstellen voor een hogere oproep van God, kan het Jezus alleen maar verwerpen – vroeger zowel als vandaag. Het ideaal van Jezus is onaanvaardbaar voor het authentieke jodendom… Dat is het diepe onbegrip dat nog altijd levendig is en dat aan de basis lag van de strijd waarin Jezus is bezweken [sic !]  » (US, 260).

Kortom, het is allemaal een misverstand tussen de Joden die trouw waren aan hun godsdienst en de Nieuwlichter Jezus, die zich slecht heeft doen begrijpen en die zich in zware tegenspraak met de goddelijke Wet heeft begeven. Daarom heeft Hij de dood verdiend en kan het niet anders dan dat zijn Kerk door «  het authentieke jodendom  » altijd beschouwd wordt als een onrechtmatige overweldiger  !

HET ANTISEMITISME

De Joden worden dus niet meer veroordeeld. Blijft enkel over de christenen te veroordelen omdat ze te lang de Joden veroordeeld hebben  ! Nostra Ætate  :

«  De Kerk, die alle vervolgingen tegen wie ook verwerpt, betreurt bovendien de haat, de vervolgingen en de uitingen van antisemitisme die, wanneer en door wie ook, tegen de Joden zijn gericht.  »

Het Concilie doet aan semitisme, het neemt stelling ten gunste van het etnisch, politiek en religieus racisme van het jodendom. Wat hebben wij daarop te zeggen  ?

Ten eerste  : het staat historisch vast dat het antisemitisme het gevolg en niet de oorzaak is van het joods racisme. Pater Cottier erkent dat en geeft er het bewijs van (pp. 265-272). Het antisemitisme dateert niet van Christus, het is een universeel en constant feit dat voortvloeit «  uit de neiging, eigen aan het jodendom, om zichzelf van de anderen af te scheiden  ; deze “ autosegregatie ” is de voorwaarde zelf voor zijn overleving  » (p. 266). Het joods racisme vóór Christus was van godsdienstige aard en dus gewettigd  ; de antisemitische vervolgingen maakten toen martelaren (de Maccabeeën). Maar het latere racisme, uit de tijd na Christus, heeft geen enkele religieuze wettigheid meer en is een bedreiging voor de vrede in de wereld…

Ten tweede  : theologisch en historisch is het niet de Kerk die de Joden vervolgt maar het jodendom dat de christenen vervolgt. Ook op dit punt is pater Cottier volstrekt loyaal  : «  Het jodendom sloot zich af voor de christelijke prediking en beschouwde het ontluikend christendom als een ketterse sekte. Het heeft het christendom overeenkomstig behandeld, door het krachtdadig te bestrijden  » (p. 267). Die strijd ging ook in de moderne tijden door, zoals kardinaal Ruffini terecht op het Concilie opmerkte  : «  De Kerk heeft niet tot vandaag gewacht om te bewijzen dat haar liefde zich ook tot de Joden uitstrekte. Maar het zijn eerder de Joden die moeten aangespoord worden om de christenen, en in het bijzonder de katholieken, niet te haten. De vrijmetselarij, door de Kerk veroordeeld om haar dwalingen en de strijd die zij altijd tegen de godsdienst gevoerd heeft, wordt in hoge mate gesteund door de Joden  » (28 september 1964).

Maar het Concilie wou niet weten van deze eeuwenoude joodse agressie en heeft ervoor gekozen de aanklager te worden van de christelijke repressie, die gelijkgesteld werd met het nazisme en op die manier hatelijk gemaakt werd voor de hele wereld.

Het is M. Simon die gelijk heeft wanneer hij opmerkt  : «  Voor de Kerk van alle tijden wordt een jood gedefinieerd door zijn godsdienst. Als hij zich bekeert, houdt hij op een jood te zijn, en het uiteindelijke doel is precies de bekering van Israël. Het kerkelijk antisemitisme is bij manier van spreken voorlopig en voorwaardelijk  » (cf. US, 272). Zeer juist. Als de Kerk de Joden de toegang tot het H. Doopsel zou verboden hebben, dan zou zij blijk gegeven hebben van een niet te verontschuldigen antisemitisme en een hatelijk racisme. Zo’n verbod zou volstaan hebben om haar “ katholicisme ” in diskrediet te brengen. Maar de Kerk heeft zoiets nooit uitgevaardigd of gepratikeerd, zij heeft integendeel het bewijs geleverd van de grootst mogelijke naastenliefde door de godsmoordenaars vergiffenis te schenken en haar deuren open te zetten voor de vijanden en moordenaars van haar Stichter. Eigenlijk volstaat dit om Vaticanum II vol afkeer te verwerpen, een Concilie dat de naastenliefde van de Kerk (van vroeger  !) niet wil kennen en haar er integendeel van lijkt te beschuldigen, samen met haar ergste criticasters, meegewerkt te hebben aan de verbrandingsovens van de nazi’s  !

BESLUIT

De Verklaring Nostra Ætate is in volledige tegenspraak met de traditionele leer van de Kerk. Het nagenoeg volledige Leergezag heeft met dit document op plechtige wijze afstand gedaan van de aanspraak van de Kerk dat zij alleen de redding van de zielen betekent, de toekomst van de mensheid, het nieuwe menselijk ras. Met betrekking tot het jodendom houdt de Verklaring een dodelijke aarzeling in over het feit dat de Kerk op wettige wijze afstamt van Abraham en recht heeft op de erfenis van Israël.

Het Concilie heeft de katholieke leer alleen maar kunnen tegenspreken door zich te verlagen tot een schaamteloze vervalsing van de Heilige Schriften – die men nochtans ging “ terugvinden ” en “ herstellen in hun verloren zuiverheid ”  ! Ik kan vandaag alleen maar katholiek priester blijven door me solidair te verklaren met de 99 concilievaders van Vaticanum II die Nostra Ætate verwierpen. En als de Kerk nog onfeilbaar en katholiek is dan is dat omdat de Paus en het Concilie hun onzekerheid, hun scepsis en hun bedrog toegegeven hebben door die 99 moedigen niet te durven afkeuren. Maar die 99 Vaders keurden hèn af omdat ze geen begrip meer hadden van wat hun Leergezag betekende en het zomaar te grabbel gooiden  !

VATICANUM III  :
EEN OPROEP TOT DE KINDEREN VAN ISRAËL

Het Derde Vaticaans Concilie zal rekening houden met de profetische verwittigingen van Sint-Paulus. De Kerk haast zich om de heidenen te bekeren, en maakt daarbij gebruik van de immense superioriteit van de christenheid op het “ barbarendom ”. Maar zij is ervan verwittigd dat er een tijd zal komen dat, op het moment waarop het Evangelie aan heel de aarde gepredikt is, «  de naastenliefde van velen zal bekoelen  ». Dan breekt de grote geloofsafval van de christenen aan. De naties die voortkomen uit het heidendom zullen zich massaal afkeren van de Kerk door een soort ziekte van het geloof, die ongeneeslijk en besmettelijk is. Die tijden lijken vlakbij…

De Kerk weet dat ze dan zal gered worden, niet door het jodendom, verre van  ! En niet door het moderne Israël, de politieke en materialistische staat die zichzelf geconstrueerd heeft in Palestina, neen  ! Maar door de miraculeuze toestroom van Joden die bekeerd zijn tot Christus, in grote aantallen die in staat zijn om een nieuw en krachtig bloed te injecteren in een stervende christenheid. Daarom zal Vaticanum III met profetische kracht een «  Oproep tot de kinderen van Israël  »publiceren. Deze tekst, die van veel meer broederlijkheid zal getuigen dan het «  Decretum de Judaeis  » van kardinaal Bea, zal hen oproepen om Christus te erkennen, de waarachtige en unieke Zoon van Abraham, de Messias van Israël en de Hoop van de volkeren. Vaticanum III zal misschien plaatsvinden op het keerpunt van de tijden en de laatste dageraad aankondigen  : de terugkeer van de Joden, voorspel tot het grote Rijk van Christus, vóór het einde van de tijden.

abbé Georges de Nantes & broeder Bruno van Jezus
Hij is verrezen  !
nr. 54, nov-dec 2011, pp. 9-14