De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

BELGIË EN ZIJN KOLONIE
HET GROTE PROJECT VAN LEOPOLD II

OP 10 januari 2018 werd een borstbeeld van Leopold II in het park van Vorst (bij Brussel) van zijn sokkel gehaald. De diefstal werd opgeëist door een Association Citoyenne pour un Espace Public Décolonial, die in een persbericht fel van leer trok tegen de tweede koning van de Belgen  : «  Het gaat hier om een duistere bladzijde uit onze geschiedenis. Dit is regelrechte struisvogelpolitiek en druist in tegen de waarden van een maatschappij die zich democratisch durft te noemen. Leopold II is verantwoordelijk voor de dood van miljoenen mensen…  »

Het incident is niet het eerste. Het ruiterstandbeeld van de koning op het Brusselse Troonplein werd in 2008, 2013 en 2015 met rode verf beklad. Van de figuur van een Congolees onderaan een gelijkaardig beeld in Oostende zaagden onbekenden in 2004 een hand af. Maar het gaat nog veel verder  : wie op het internet op zoek gaat naar “ de grootste massamoordenaars aller tijden ” komt Leopold II tegen, tussen Stalin en Pol Pot  !

Het is al langer ingeburgerd om enkel in uiterst negatieve bewoordingen over onze tweede koning en zijn Congostaat te spreken. Vraag is in hoeverre al die verontwaardiging gerechtvaardigd is. In zijn inleiding op het recent gepubliceerde werk van Pierre-Luc Plasman, Léopold II, potentat congolais. L’action royale face à la violence coloniale (Brussel, 2017) schrijft historicus Michel Dumoulin  : «  Er zijn er die historisch onderzoek verwarren met een ongenadig rekwisitoor uitgesproken in naam van de hedendaagse moraal, waarbij ze de clichés en de halve waarheden aaneenrijgen  » (p. 7). Het resultaat is dat Leopold II, vroeger voorgesteld als «  een reus van wie het genie niet begrepen werd  », vandaag de dag nog slechts «  een sinistere massamoordenaar  » is over wie zijn landgenoten zich diep horen te schamen. En meteen wordt ook al het koloniale werk dat de Belgen verricht hebben met hoon overladen en veroordeeld.

In dit artikel proberen we een genuanceerd beeld te schetsen van onze vorst en zijn levenswerk, op basis van ernstig historisch onderzoek en met respect voor de tijdscontext waarin hij moet gesitueerd worden. Naast het bovengenoemde boek nemen we de terecht geprezen studie van de Engelse historica Barbara Emerson als leidraad  : Leopold II of the Belgians  : King of Colonialism (Londen, 1979). Emerson kon niet alleen putten uit tot dan toe ontoegankelijke archieven  ; door haar nationaliteit was ze ook in staat het onderwerp van haar onderzoek met de nodige afstandelijkheid te benaderen.

PORTRET VAN EEN STERKE PERSOONLIJKHEID

Leopold II legde als constitutioneel monarch de eed op de grondwet af op 17 december 1865; hij was toen dertig jaar oud en liep over van grootse plannen. Emerson schetst een raak portret van de vorst  :

Zilveren muntstuk uit 1887 met de beeldenaar van Leopold  II en de titels die hij toen mocht dragen   : «   koning van de Belgen en soeverein van de Onafhankelijke Congostaat   ».

«  Leopold II wist wat hij wou en verwaarloosde niets om zijn doel te bereiken. Daarbij werd hij bijzonder geholpen door een uitzonderlijke intelligentie die gepaard ging met een grote mentale en fysieke energie. Zijn verbeeldingskracht was eindeloos, zijn brein verkeerde voortdurend in staat van alertheid. Veel van zijn ideeën leken voor zijn omgeving extravagant, maar dat belette niet dat hij altijd met beide voeten op de grond stond. Zijn talrijke verwezenlijkingen getuigen van zijn onwrikbare wil om zijn projecten ten uitvoer te brengen. Mislukkingen ontmoedigden hem niet, want voor hem was geen enkele nederlaag definitief. Zijn hardnekkigheid deed individuen én complete regeringen door de knieën gaan. Om zijn verbazingwekkende energie te dienen had hij nood aan personen die in staat waren voor hem te werken zonder de uren te tellen  ; bovendien moesten ze zijn ritme kunnen bijhouden. Zijn jeugdige, wat onhandige manier van doen verdween vrij snel en hij oefende weldra een bijzondere aantrekkingskracht uit. We bezitten talrijke getuigenissen van mannen die geconfronteerd werden met taken die zij als buitensporig of zelfs onmogelijk beschouwden, maar die zijn bureau verlieten vol geestdrift om zijn plannen uit te voeren  » (op. cit., Franse vert. 1980, p. 65).

De verhouding tussen de koning en zijn onderdanen was niet erg hartelijk. «  “ Ik ben de koning van een klein land met kleine mensen ”, grapte hij. Van hun kant voelden de Belgen zich weinig tot hem aangetrokken. […] Hij deed ook geen enkele moeite om door zijn volk geliefd te worden. “ Populariteit  ! Ik heb die ooit gehad, maar ze heeft me verlaten. Het is ebbe en vloed… ” De titel van koning van België zou hem beter gepast hebben dan die van koning van de Belgen, want hij werkte voor België en niet voor de Belgen  » (p. 66).

Een dynamische jonge vorst die als het ware opgesloten zit in zijn kleine koninkrijk dat hij niet rechtstreeks mag regeren en die verbeten een doel zoekt waarop hij zijn tomeloze energie en zijn talenten kan richten  : dat is Leopold II.

Koning Leopold opent de aardrijkskundige conferentie van Brussel, 12 september 1876.

Koning Leopold opent de aardrijkskundige conferentie van Brussel, 12 september 1876.

DE KOLONIALE DROOM

Het is allicht amper geweten dat ook Leopolds vader, koning Leopold I, al op zoek was naar een kolonie voor België. Het pas onafhankelijk geworden land verloor door de scheiding met Nederland al zijn afzetgebieden in de wereld en bovendien de goed uitgeruste Hollandse handelsvloot. Anderzijds had België de grootste bevolkingsdichtheid van Europa en was de industrialisatie vooral in Wallonië volop aan de gang. Leopold I was ervan overtuigd dat een kolonie voor ons land alleen maar grote economische voordelen zou opleveren  : een reservoir van grondstoffen, een afzetgebied voor de Belgische productie en een nieuwe thuis voor het bevolkingsoverschot. Maar ook toen al werden de koninklijke ideeën niet gedeeld door de politici, die bang waren dat buitenlandse avonturen het statuut van de Belgische neutraliteit in het gedrang zouden brengen.

«  De lijst van pogingen tot koloniale expansie onder Leopold I telt meer dan vijftig onvruchtbare pogingen  » (Emerson p. 30). Vader en zoon vonden elkaar in een gezamenlijk streven. Toen de gezondheid van onze eerste koning achteruit ging, begon de kroonprins geestesgenoten bijeen te brengen in een soort van studiebureau. Twee van zijn belangrijkste medewerkers na zijn troonsbestijging kwamen uit die studiegroep  : Auguste Lambermont en Emile Banning, allebei ambtenaar op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Als hertog van Brabant is Leopold ook een echte globetrotter. Hij reist om te leren. Hij is verder lid van de Parijse Société de géographie, waarvan hij de publicaties verslindt. Zijn medewerkers moeten voor hem een zo volledig mogelijk dossier over het koloniaal fenomeen bijhouden (zijn “ arsenaal ”).

Met zijn intimi onderzoekt hij de meest uiteenlopende mogelijkheden voor een koloniaal project  : een deel van Borneo, Sumatra, Formosa, de Nieuwe Hebriden, de Fiji-eilanden  ! Zonder resultaat. Maar het woord “ opgeven ” staat niet in Leopolds woordenboek. Zijn fixatie op het verwerven van overzees gebied overheerst bij hem alles. Als 24-jarige bracht hij ooit van een reis naar Athene een stuk marmer van de Acropolis mee naar huis  ; hij liet er een afbeelding van zichzelf op bevestigen en een opschrift  : «  België heeft een kolonie nodig.  » Hij schonk de presse-papier als statement aan de minister van Financiën, Frère-Orban, die later een van zijn premiers zou worden.

Tussen 1860 en 1870 begint heel Europa zich echter te interesseren voor zwart Afrika. Het is de tijd van de grote ontdekkingsreizigers, met voorop de Britten  : de Royal Geographical Society bekostigt de ondernemingen van John Speke, Richard Burton, Samuel Baker, Verney Lovett Cameron. Niet veel later doorkruisen de Duitsers de Afrikaanse savanne, gevolgd door de Fransen. De opzienbarende vondst van diamanten in Transvaal, in 1867, doet vermoeden dat de ondergrond van het continent wellicht onschatbare rijkdommen verbergt. En dan is er in 1870 de opening van het Suezkanaal, waardoor de toegang tot de Oost-Afrikaanse kusten enorm vergemakkelijkt wordt.

Heel Europa maakt zich klaar om aan de race naar Afrika mee te doen. Uit plat kapitalistisch winstbejag  ? Een gemakkelijke uitleg, maar we mogen het materialisme van onze eigen tijd niet zomaar projecteren op het verleden. De voornaamste drijfveer is het sterke vooruitgangsgeloof van de 19de eeuw, dat de ontsluiting van zwart Afrika als een plicht van de ontwikkelde landen ziet  : «  De beschavende zending maakt de kern uit van de motivatie tot Europese overzeese expansie  », schrijft Plasman heel terecht (op. cit., p. 21). Godsdienstige motieven zijn er trouwens ook. In 1868 sticht Mgr. Lavigerie de missiecongregatie van de Witte Paters, die zich de bekering van de Afrikaanse bevolking tot doel stelt. De protestanten van hun kant lopen warm voor de Schotse zendeling David Livingstone, die een groot deel van zijn leven in het Afrikaanse binnenland doorbrengt en de strijd tegen de Arabische slavenhandel predikt.

In tegenstelling tot de Belgen, die van geen enkele belangstelling voor het donkere continent blijk geven, volgt Leopold gepassioneerd de voortgang van de exploratie van Afrika’s terra incognita. Langzaam maar zeker rijpt bij hem de idee om een stuk van Afrika te verwerven. Voor hemzelf of voor België  ? Voor Leopold is dat een zinloze vraag  : hijzelf is België. «  Zijn reizen en zijn overwegingen hebben zijn lotsbestemming alsmaar sterker verbonden met die van zijn vaderland  » (Plasman, p. 17). Nemen we zijn beruchte uitspraak  : «  Ik wil de gunstige gelegenheid niet laten voorbijgaan om voor ons een stuk van die heerlijke Afrikaanse taart te verkrijgen  » (brief aan senator Ernest Solvyns, 17 november 1877). Wie is «  ons  »  ? Tegelijkertijd de koning én België  ! Dat het koloniale streven van Leopold II enkel zou ingegeven zijn door persoonlijke hebzucht en heerszucht, is een grove misvatting. Hij wou de grenzen van zijn in alle betekenissen “ enge ” landje openbreken en de jonge natie die nog maar pas op de landkaart verschenen was een groots toekomstperspectief bieden.

DE AARDRIJKSKUNDIGE CONFERENTIE VAN BRUSSEL

In december 1875 maakt de Britse ontdekkingsreiziger Cameron bekend dat hij voor rekening van zijn vaderland bezit heeft genomen van de Lualaba, de bovenloop van de Congostroom. De regering-Disraeli wijst dit geschenk echter af  : Groot-Brittannië is, althans op dat precieze moment, niet geïnteresseerd in Centraal-Afrika. Londen is volledig in de ban van India, waarvan koningin Victoria een jaar later keizerin zal worden.

Koning Leopold leest in The Times (zijn dagelijkse lectuur) de geestdriftige verslagen van Cameron over het gebied waar hij doorheen getrokken is  : het is van een «  unspeakable richness  ». Tegelijkertijd beschrijft de ontdekkingsreiziger ook de gruwel van de slavenhandel. Kort daarna gaat Leopold op reis naar Engeland en regelt er een ontmoeting met Cameron om meer details te vernemen. In het kader van een heus charmeoffensief bezoekt de koning ook de belangrijkste leden van de Royal Geographical Society en benadrukt zijn filantropische drijfveren. Op 4 juni 1876 schrijft hij over zijn reis aan zijn nicht Victoria  : «  Ik heb geprobeerd de voornaamste figuren te ontmoeten die belangstelling koesteren voor de vestiging van de beschaving in Afrika. Er is daar een groot werk te verrichten en ik zou vereerd zijn eraan bij te dragen.  »

Op 12 september 1876 opent Leopold in zijn koninklijk paleis de aardrijkskundige conferentie van Brussel, waarvan hij zelf de organisatie tot in de puntjes geregeld heeft. Een internationaal gezelschap van wetenschappers en ontdekkingsreizigers wisselt van gedachten over de ontsluiting van Afrika en de strijd tegen de slavenhandel.

Afrika rond 1870, toen enkel een koloniale kustzone bekend was. Geleidelijk aan legden de grote ontdekkingsreizigers het binnenland bloot (uit R. Geivers, Nieuwe Historische Atlas).

Tegenwoordig wordt het motief van de strijd tegen de slavenhandelaars niet ernstig genomen  ; men beschouwt het als een schaamlap om de echte drijfveer – de voorgenomen plundering van Afrika’s rijkdommen – te camoufleren. Ook hier weer verplaatsen de critici zich onvoldoende in de tijdsgeest van de 19de eeuw. «  Slavernij verloor elke legitimiteit. Het Verenigd Koninkrijk stond aan de spits van de abolitionistische strijd, met in 1807 de afschaffing van de slavernij op de Britse Antillen en in 1833 de Slavery Abolition Act  » (Plasman p. 21). Allicht heeft koning Leopold zijn voordeel gedaan met zich op te werpen als kampioen van de bestrijding van de Arabische slavenhandelaars, maar dat betekent niet dat die beweegreden hem niet ter harte ging.

Zijn plannen reiken echter veel verder. Om die te realiseren stelt hij de oprichting voor van «  wetenschappelijke en medische posten  » op de routes die naar het Afrikaanse binnenland leiden. Verder moet er een organisme komen dat de Afrikaanse humanitaire actie coördineert en de nodige fondsen verzamelt. De conferentie volgt hem en besluit tot de oprichting van de Association internationale africaine (AIA), waarvan onze vorst bij acclamatie voorzitter wordt. Het is voor Leopold een briljant succes over de hele lijn. «  De koninklijke tactiek bestond erin Centraal-Afrika te openen voor Europa door de creatie van een onschuldig ogende internationale structuur, die in werkelijkheid gewoon een dekmantel was voor zijn persoonlijke politiek  » (Emerson p. 80).

Alleen de Britse regering rook onraad. Was de strijd tegen de mensenhandelaars niet eerder de zaak van staten dan van een internationale vereniging  ? En deed dat plan van die posten niet erg denken aan de werkwijze van de Britten in India  ? Londen had natuurlijk gelijk, maar het Britse voorbehoud zou Leopold alleen maar aansporen tot nog meer behendigheid.

IN ZEE MET STANLEY

We schreven al 1 dat Henry Morton Stanley na een tocht dwars door het Afrikaanse regenwoud op 17 september 1877 aankwam in Boma, aan de monding van de Congo. Hij was erin geslaagd ter hoogte van de evenaar van de oostkust naar de westkust te trekken, langs de Congostroom. Het nieuws sloeg in Europa in als een bom, maar Leopold was niet verbaasd  : hij was perfect op de hoogte van de expeditie en wist dat Stanley een redelijke kans op slagen had.

De koning moest nu snel handelen. De AIA had ermee ingestemd alle vrijheid te laten aan een uitvoerend comité, waarvan alle sleutelposten in handen van Belgen waren en waarvan de initiatieven bekostigd werden met het persoonlijk fortuin van de vorst. Stanley was de man die hij moest hebben. «  Ik ben van mening dat we een contract moeten afsluiten met die handige en ondernemende Amerikaan en dat ik me moet engageren hem gedurende vijf jaar 100.000 dollar per jaar te geven om op de Congo een nederzetting te stichten, van waaruit zover mogelijk op en rond die grote rivier kan uitgewaaierd worden.  »

De ontdekkingsreiziger, die in Londen als een held onthaald werd, was evenwel zinnens het Congobekken aan het Britse rijk te schenken. Maar opnieuw sloeg Whitehall het aanbod af. Bovendien keek de Engelse high society neer op Stanley, die als onwettig kind een miserabele jeugd had doorgemaakt en door zijn emigratie naar de VS erg “ on-Brits ” werd bevonden… Gefrustreerd ging de Anglo-Amerikaan daarop in op de uitnodiging van Leopold om naar Brussel te komen. Eind 1878 kwam een overeenkomst tot stand tussen Stanley en een nieuw vehikel voor de plannen van onze vorst, het Comité d’études du Haut-Congo, een vennootschap met een kapitaal van 1 miljoen frank. De ontdekkingsreiziger moest drie handels­posten stichten in de omgeving van de Stanley Pool (een verwijding in de benedenloop van de Congo) en de commerciële mogelijkheden van de bovenloop onderzoeken.

Deze keer vertrekt Stanley vanaf de westkust. Hij is goed geëquipeerd  : onder zijn orders staan zo’n vijfenzeventig Europeanen en hij beschikt over een kleine vloot van twaalf schepen. Hij heeft ook dynamiet, waarmee hij dieper in het binnenland moeilijke doorgangen zal vrijmaken. «  Bula Matari  », de Stenenbreker zoals de autochtonen hem noemen, wordt dan ook overal met ontzag ontvangen.

Op 13 juni 1880 tekent Stanley in Vivi, de eerste post aan de Congo die hij sticht, een contract met de inlanders  : het Comité d’études verwerft «  het absolute landbouw- en handelsmonopolie in de hele sector rondom de factorij, met uitzondering van de gronden die onmisbaar zijn voor het welzijn van de inboorlingen  » (Emerson p. 93). Een mijlpaal voor het project van Leopold II. Maar er dreigt gevaar in de persoon van Pierre Savorgnan de Brazza, een ontdekkingsreiziger die in opdracht van Frankrijk vanuit het noorden onderweg is naar de Congo. Stanley vordert langzaam en doet wat hem opgedragen is. Hij sticht een tweede post in Isangila en een derde in Manyanga, op nog slechts 150 km van de Pool. Hij sluit tegelijkertijd de gevraagde verdragen.

Als enige reactie van zijn opdrachtgever krijgt hij te horen dat hij moet opschieten. Leopold wil dat Stanley zo vlug mogelijk nu ook posten sticht aan de bovenloop, honderden kilometers verderop  ! De Anglo-Amerikaan wordt er woest van  : «  Dit uitputtend werk stelt mijn gezondheid vreselijk op de proef. Bij elk bericht moet ik opnieuw afwijken van de route die bij het begin werd vastgesteld… Altijd maar nieuwe wijzigingen aan de plannen  » (12 juni 1881).

Brazza wint de wedloop naar de Pool, maar Stanley slaagt erin ten zuiden van de grote verwijding een belangrijk stamhoofd aan zijn kant te krijgen. In maart 1882 is een grote handelspost klaar, met woonhuizen, magazijnen, huizen voor de zwarten en stallen. Leopoldstad is geboren. Op hetzelfde moment arriveert een honderdtal nieuwe rekruten. Er zijn veel Belgen bij, maar ook buitenlanders, om het internationaal karakter te onderstrepen… Leopold betaalt «  hun reis, het logement en hun levensonderhoud  ». Bovendien ontvangt Stanley een grote voorraad ruilmiddelen voor zijn onderhandelingen met de chefs.

HANDELSPOSTEN VOLSTAAN NIET MEER

Is de koning van de Belgen nu tevreden  ? Amper, zo blijkt  : «  Het is absoluut noodzakelijk  », schrijft Leopold, «  dat u in naam van het Studiecomité zoveel mogelijk grond koopt en dat u, van zodra het mogelijk is, zonder een minuut te verliezen alle leiders van de stammen tussen de monding van de Congo en de Stanley Falls [de watervallen aan het begin van de bovenloop] onder de soevereiniteit van het Comité plaatst.  »

De monding van de Congostroom op een kaart uit 1895. Leopolds Congostaat verwierf net voldoende grondgebied op de rechteroever om een uitgang naar de zee te hebben. We zien ook de drie eerste handelsposten die Stanley stichtte  : Vivi, Isangila en Manyanga. Aan de Stanley Pool liggen recht tegenover mekaar Leopoldstad en Brazzaville.

Leopold heeft namelijk begrepen dat handelsposten niet volstaan  : die zijn voor zijn einddoel waardeloos als het gebied waarop ze zich bevinden in handen is van een andere mogendheid. Het voorbeeld van Frankrijk, dat het door Brazza veroverde gebied onmiddellijk onder zijn “ bescherming ” neemt, geeft hem gelijk.

Stanley sticht nog een vijfde post voorbij de Pool, maar wordt dan ziek en moet terugkeren naar Europa. In het najaar van 1882 heeft hij in Brussel een ontmoeting met de koning, die hem smeekt de zo goed begonnen onderneming niet op het kritieke moment de rug toe te keren. Brazza heeft niet de intentie om in de nabije toekomst terug naar Afrika te gaan, dus moet er gebruik gemaakt worden van zijn afwezigheid. Het magnetisme van Leopold werkt, want Stanley gaat door de knieën en belooft om al in november opnieuw naar het evenaarswoud te reizen.

Overeenkomstig zijn nieuwe inzichten veranderde de koning voor deze nieuwe expeditie het geweer van schouder. «  Hij spande zich nu in om soevereine territoriale rechten te verkrijgen. Het kwam er voortaan op aan de inlandse stamhoofden ertoe te brengen gronden aan hem af te staan, maar daartoe moest hij hen een reden geven. Leopold beloofde dus de vrijheid van handel  » (Emerson p. 99). Hij had begrepen dat hij om te slagen de kampioen van de vrijhandel moest worden.

Vervolgens «  schafte hij het Comité d’études af en creëerde de Association internationale congolaise (AIC), een fictief organisme waarachter uitsluitend de koning schuilging, onder de dekmantel van de anonimiteit. De naam van de nieuwe vereniging heeft bovendien het voordeel dat er verwarring zal ontstaan tussen de AIA en de AIC. De nieuwe structuur geniet dus van het filantropisch prestige van de AIA en kan gebruik maken van het imago van vrijblijvend internationalisme  » (Plasman pp. 24-25).

EEN VOS TUSSEN DE WOLVEN

De manier waarop Leopold II gebruik maakt van de rivaliteit tussen de grote Europese mogendheden om zijn project tot een goed einde te brengen is een buitengewoon staaltje van vernuft en sluwheid.

De Franse “ verovering ” van een stuk van Centraal-Afrika, dankzij Brazza, alarmeert allereerst Portugal, dat zijn aloude rechten in het gebied bedreigd ziet en de steun zoekt van Groot-Brittannië. Maar Lissabon heeft een slechte reputatie omdat het niet geneigd is de slavenhandel stop te zetten én omdat het een krachtige protectionistische politiek voert. Ook Frankrijk heeft wat dat laatste punt betreft een lange traditie. Leopold profiteert van de situatie  : «  Om de steun van de andere mogendheden te verkrijgen moet hij de kampioen van de vrijhandel worden. Vanaf 1883 wordt de formule “ een staat zonder douane ” steeds vaker herhaald  » (Plasman p. 25).

De plannen voor een Brits-Portugees verdrag leiden tot een hele reeks verwikkelingen. Frankrijk vreest dat Londen uit is op expansie aan de Congostroom en dat Leopold te zwak is om zijn pas verworven bezittingen te verdedigen. De koning maakt handig gebruik van die vrees  : als Frankrijk hem zijn gang laat gaan, krijgt het bij een mogelijke mislukking als eerste de kans om de veroverde gebieden over te nemen. Parijs hapt toe en erkent Leopolds aanspraken. Het is echt een meesterzet van de vorst. Het voorkeursrecht is immers ook een voortdurende bedreiging voor de Britten  : als Leopold door gebrek aan steun mislukt, dreigt hun aartsvijand Frankrijk met het Congobekken aan de haal te gaan.

Dan bemoeit Bismarck zich met de kwestie. Het jonge verenigde Duitsland heeft nog geen kolonies en wil zich door de Britten en de Fransen niet de kaas van het brood laten halen in Afrika. De wedijver en het onderlinge wantrouwen tussen de Grote Drie speelt Leopold in de kaart. Wanneer hij merkt dat Berlijn ernstig overweegt om de bezittingen van de AIC te erkennen, zendt hij de kanselier een document waarin hij voor het eerst, maar nog vrij vaag, de gewenste contouren van de beoogde staat beschrijft  : het hele Congobekken en verder bepaalde territoria «  waar de handel in de zwarten het hevigst woedt. Die gebieden aan de nieuwe staat geven is het beste middel om het kwaad bij de wortel uit te roeien.  » Dat hij hoog spel speelt, beseft Leopold zeer goed

Bismarcks mond valt open wanneer hij zich de grandioze pretenties van de koning realiseert. Het gaat om een gebied zo groot als heel West-Europa  ! Toch is de kanselier het plan niet ongenegen, niet omwille van het filantropisch argument, maar omdat de schepping van een staat in Afrika die een tegengewicht zou vormen voor de Franse en Britse ambities gunstig is voor Duitsland. Bovendien wordt de vrijhandel er gewaarborgd, wat goed is voor de Duitse economie. Op 23 juni 1884 kondigt Bismarck in de Rijksdag aan dat hij de oprichting van een onafhankelijke staat in Congo steunt op voorwaarde dat de Duitsers er vrijheid van handel genieten.

Een maand later verblijven zowel de koning als Stanley in Oostende. Op een avond roept Leopold de ontdekkingsreiziger bij zich en toont hem een grote kaart van Afrika die tegen de muur is vastgemaakt. Als antwoord op de vraag wat “ redelijke ” grenzen voor een Congostaat zouden zijn, bakent Stanley met grote potloodstrepen een immense oppervlakte af, van de monding van de stroom in het westen tot aan het Tanganyikameer in het oosten en van de 4de breedtegraad in het noorden tot de 6de in het zuiden  : nagenoeg het hele hart van Centraal-Afrika.

DE ERKENNING VAN DE ONAFHANKELIJKE CONGOSTAAT

Door in de Duitse hoofdstad een internationale bijeenkomst samen te roepen wil Bismarck een aantal bindende afspraken omtrent de kolonisatie van Centraal-Afrika laten maken… en Duitsland op de kaart zetten als nieuwe kolonisator. De conferentie van Berlijn, geopend op 15 november 1884, ontvangt vertegenwoordigers van vijftien landen. Voor België zetelen twee vertrouwelingen van de koning, Auguste Lambermont – die wordt aangesteld tot rapporteur en in die functie de gesprekken in de gewenste richting kan sturen – en Emile Banning. Stanley is er ook, als technisch adviseur van de Amerikaanse delegatie. Washington, waar de strijd tegen de slavernij tot dogma is verheven, heeft trouwens vlak voor de opening van de conferentie de AIC erkend.

De Conferentie van Berlijn, met Otto von Bismarck op het voorplan, maar met Leopold II als meesterdiplomaat in de coulissen.

Britten en Duitsers vinden elkaar in hun streven om het Congobekken uit de handen van de Portugese en Franse protectionisten te houden. Londen, tevoren zo wantrouwig tegenover de plannen van Leopold, vreest dat «  de Franse expansie in Afrika de Engelsen zal beroven van potentiële markten en de politieke en militaire macht van Frankrijk zal vergroten  » (Emerson p. 113). Dan liever de AIC als buffer tegen het Franse gevaar.

Nu doet alleen Portugal nog moeilijk. De AIC heeft uiteraard een uitweg naar de zee nodig, maar die is nog altijd in Portugese handen. Lissabon probeert druk uit te oefenen door schepen naar de monding van de Congo te sturen, wat voor de Grote Drie echter een brug te ver is. Portugal moet buigen en een verdrag met de AIC sluiten, waarbij een strook grondgebied ten noorden van de monding aan de Association van Leopold wordt afgestaan.

Op 25 februari 1885 werd de slotakte van de conferentie ondertekend. Kolonel Maximilien Strauch, een intimus van Leopold, zette als voorzitter van de Association internationale congolaise zijn handtekening onder de documenten, waarmee de nieuwe staat door alle mogendheden officieel erkend werd. «  Op het einde van de ondertekeningsessie werd de naam van de koning vernoemd. Het hele gezelschap veerde recht om hem met een warm applaus te bedenken. Ondanks zijn afwezigheid in Berlijn had hij de hele conferentie gedomineerd  » (Emerson p. 117).

De Onafhankelijke Congostaat heeft zijn eigen vlag  : op een blauwe achtergrond (de duisternis waarin zwart Afrika verkeert) schittert de gele ster van de beschaving. Het land heeft ook zijn eigen monarch  : Leopold II is er «  koning-soeverein  » van, een titel die door het Belgische parlement in een sfeer van gelatenheid en onverschilligheid wordt goedgekeurd. Nog altijd halen de Belgen hun schouders op voor de “ wilde ” plannen van hun excentrieke vorst. Kort voor de conferentie van Berlijn verklaarde Frère-Orban nog  : «  België heeft geen kolonie nodig. De Belgen hebben geen belangstelling voor overzeese ondernemingen. Ze geven er de voorkeur aan hun krachten en hun kapitaal te besteden in bekende landen en minder onzekere omstandigheden.  »

Leopold heeft het ondenkbare gedaan gekregen, behendig laverend tussen de argwaan van de grote mogendheden enerzijds en de vijandig gezinde publieke opinie in eigen land anderzijds. Maar hij heeft aan zijn onderneming wel bijna heel zijn persoonlijk fortuin besteed én dat van zijn zus Charlotte, de geesteszieke weduwe van de onfortuinlijke keizer Maximiliaan van Mexico.

De vraag is nu of de droom niet zal uitdraaien op een nachtmerrie.

redactie KCR
Hij is verrezen  ! nr. 96, november-december 2018


(1) Zie het artikel «  Congo vóór de Belgen  : een volk in de schaduw van de dood  » in Hij is verrezen  ! nr. 95, september-oktober 2018, pp. 13-18