De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

BELGIË IN DE GROTE OORLOG

STORMLOOP TEGEN DE VESTING ANTWERPEN

15In de vooroorlogse plannen van de Belgische militaire staf nam Antwerpen een sleutelpositie in. De havenstad was uitgebouwd tot een bolwerk voorzien van een dubbele fortengordel, waarin zowel het leger als de hoogste burgerlijke gezagsdragers zich in geval van nood veilig konden terugtrekken. Tussen eind augustus en begin oktober 1914 slaagde koning Albert in een dubbele krachttoer  : eerst was hij de Duitsers te snel af door zijn troepen veilig en wel binnen de vesting te brengen, daarna kon hij het volledige veldleger onder de neus van de vijand doen ontsnappen in de richting van de kust.

De capitulatie van het fort van Walem

De capitulatie van het fort van Walem op 2 oktober 1914. De Duitsers bewezen militaire eer aan de commandant en de 150 overlevenden van het garnizoen. Schilderij door Alfred Bastien.

DE NATIONALE VLUCHTHEUVEL

IN het midden van de negentiende eeuw was binnen de Belgische legertop het concept gegroeid van een «  Réduit national  »  : een grote, versterkte vestingstad waarin regering en leger zich bij een aanval van een buitenlandse vijand zouden kunnen terugtrekken, om van daaruit actief weerstand te bieden in afwachting van hulp door de mogendheden die onze neutraliteit waarborgden. De keuze viel op Antwerpen, omdat de Scheldestad gemakkelijk te bevoorraden was en bovendien vlot bereikbaar voor de Britten, onze betrouwbaarste bondgenoot.

In 1859 werd de Grote Omwalling aangelegd, die het tracé volgde van de huidige Ring. Drie kilometer verder van het stadscentrum af werden acht forten gebouwd, genummerd van 1 tot 8, die de Antwerpse agglomeratie aan de zuid- en de oostzijde beschermden tegen een bombardement. In goede Belgische traditie waren de Antwerpenaren met al dat militair gedoe niet opgezet  : de Meetingpartij trok fel van leer tegen de versterkingen.

Tijdens de Frans-Pruisische oorlog van 1870 bleek dat de fortengordel niet meer zou voldoen  : de Pruisen hadden kanonnen waarmee ze Parijs van op 7 km afstand beschoten  ! Antwerpen was ontzet. Voor de oorlog had men Brialmont verweten dat de forten te ver van de stad lagen, nu verweet men hem dat ze te dichtbij opgetrokken waren…

Koning Leopold II was daarop de drijvende kracht achter een plan om de nationale vesting te voorzien van een buitengordel van twintig grote en kleinere bolwerken. Omdat de politieke wil ontbrak en het parlement niet met geld over de brug kwam, nam de uitvoering van dit plan echter tergend veel tijd in beslag. Tegen de eeuwwisseling waren er slechts acht forten gebouwd, waaronder die van Walem en Lier.

Pas in 1906, wanneer de internationale toestand merkelijk verslechtert, schiet België wakker. Met man en macht wordt gewerkt om van de buitengordel de voornaamste weerstandslinie te maken. Ze vormt uiteindelijk een ketting van forten en schansen en heeft een totale omtrek van zomaar eventjes 94 km.

Om effectief te zijn moet een versterking natuurlijk opgewassen zijn tegen de aanvalsmiddelen die de vijand inzet  : zij moet weerstand kunnen bieden aan de vuurkracht van de artillerie. «  Evolueert die technologie snel, zoals tussen 1860 en 1914, dan verouderen versterkingen van een bepaald type even snel  », schrijft Robert Gils, dé specialist van de Antwerpse fortificaties (Antwerpse forten 1914, Tielt, Lannoo, 2014, p. 29).

Rond 1885 is het duidelijk dat constructies in baksteen niet meer bestand zijn tegen het nieuwste soort geschut. Beton wordt noodzakelijk. Het eerste betonnen pantserfort dat in de buitengordel opgetrokken wordt, is dat van Sint-Katelijne-Waver  ; het is bestand tegen granaten van 21-cm-mortieren. Voor alle forten die na 1906 gebouwd worden, gebruikt men beton. De oudere bolwerken worden ermee verstevigd.

Maar het Duitse Krupp ontwikkelt steeds zwaardere mortieren. Gewoon beton begint bij een beschieting met geschut van 30 cm of meer te scheuren  ; enkel gewapend beton biedt een oplossing. Het Belgisch leger doet proefnemingen in Brasschaat en komt tot het besluit… dat het niet wenselijk is op dit nieuw type beton over te schakelen. Allicht is het (weer) een centenkwestie  : gewapend beton is vier keer duurder dan gewoon beton.

In de herfst van 1912 vinden op een eiland in de Zwarte Zee schietproeven plaats waarop de Russen drie Franse officieren hebben uitgenodigd en één Belg  : kolonel Victor Deguise, de latere commandant van de vesting Antwerpen. Het is zonneklaar dat onze fortengordel niet bestand is tegen de nieuwste zware artillerie. Deguise verstuurt zijn verslag op 14 maart 1913 naar minister van Oorlog De Broqueville. Maar het is te laat  : de ruwbouw van de forten, in ongewapend beton, is voltooid.

DE DUITSERS TE SNEL AF

De versterkte vesting Antwerpen

De versterkte vesting Antwerpen, omgeven door twee fortengordels (bron  : R. Gils). De buitengordel bestond uit een keten van forten en schansen met een totale omtrek van bijna 100 kilometer.

In augustus 1914 stormen de Duitse troepen door ons land op weg naar Frankrijk. Achtereenvolgens vallen de Position fortifiée de Liège en de Getelinie, maar niet zonder felle tegenstand van het Belgisch leger. De vijand verliest kostbare dagen, terwijl juist snelheid het sleutelwoord is van het aanvalsplan van Von Schlieffen.

Koning Albert, opperbevelhebber van het leger, geeft blijk van grote realiteitszin en militair doorzicht. Hij voorziet de geweldige zeisbeweging van de Duitse rechtervleugel en zet alles op alles om ons veldleger – zes infanteriedivisies en één cavaleriedivisie – van de vernietiging te redden door het tijdig binnen de vesting Antwerpen terug te trekken.

Dat doorzicht en die voorzichtigheid zijn jammer genoeg niet iedereen gegeven. Minister van Oorlog Charles de Broqueville is het er absoluut niet mee eens dat het leger zich zo snel terugplooit op Antwerpen  ; waarom ons niet eerst verschansen in loopgraven aan de Dijle en daar de vijand tegenhouden  ? De baron getuigt zo van een zware onderschatting van de aanvalskracht van de superieure Duitse troepen, die ons als een pletwals onder de voet zouden lopen. Het is het zoveelste punt van discussie tussen de minister en de koninklijke opperbevelhebber, en dat gebrek aan overeenstemming zal de besluitvorming op het hoogste niveau nog lang vergiftigen.

Ook de geallieerden hebben kritiek op onze vorst. De Franse militaire attaché in Brussel, commandant Génie, vindt dat de koning te weinig militaire durf aan de dag legt  ; aanvallen is de boodschap, volgens de doctrine die in het Franse hoofdkwartier van kracht is  : «  l’offensive à outrance  », «  de aanval tot het uiterste  »  ! Deze «  ongelooflijk dwaze theorie stelt dat het de geestdrift en de wil van de chef zijn die de overwinning uitmaken  ; al de rest is niet van belang  ! Men moet zijn artillerie achterlaten, naar voren stormen, de vijand bij de keel grijpen, hem demoraliseren enz.  » (abbé de Nantes, conferenties over de Grote Oorlog, 2. Août 1914, le baptême du feu, oktober 1993). Deze doctrine zal Frankrijk helaas honderdduizenden doden kosten.

Joffre, de Franse opperbevelhebber, geeft aan Albert als zijn mening te kennen dat de oprukkende Duitsers in Midden-België – het gaat om het reusachtige Eerste Leger van Von Kluck  ! – slechts een onbelangrijk afleidingsmanoeuvre vormen waarvoor men niet bang hoeft te zijn… Hij zit er glad naast, zoals onze vorst maar al te goed beseft.

Albert weigert risico’s te nemen. Zeer tot ongenoegen van de Fransen, die willen dat ons leger zich naar het zuiden begeeft en tussen Samber en Maas met hen aansluiting zoekt, geeft de koning op 18 augustus het bevel tot terugtrekking binnen de nationale vesting Antwerpen. Het is maar net op tijd  : de aanstormende Von Kluck kan enkele dagen later enkel vaststellen dat het Belgisch leger hem ontsnapt is. «  De vernietiging van dit leger behoorde tot de taak van Kluck. Hij had gehoopt die te kunnen volbrengen door zich tussen de Belgen en Antwerpen te dringen en hen te omsingelen voor zij zich op hun versterkte basis zouden hebben teruggetrokken. Hij was te laat. De terugtocht van koning Albert had zijn leger gered en het zou naderhand een bedreiging vormen voor de achterhoede van Kluck tijdens diens opmars naar Parijs  » (Barbara Tuchman, The Guns of August, New York, 1962, Ndl. vert. p. 299).

Vanaf 20 augustus trekken onze soldaten Antwerpen binnen. Velen zijn niet om aan te zien  : doodop, ongewassen, ondervoed. Ook talrijke vluchtelingen uit de door de Duitsers overrompelde gebieden stromen toe, met hun gruwelijke verhalen over wraakacties en massamoorden door ulanen en doodskophuzaren. De chaos en de ongerustheid in de Scheldestad zijn groot, ondanks de officiële leuze dat de nationale vesting oninneembaar is. Enkel de komst van de koning en de regering geeft wat moed. De vorst en zijn gezin nemen hun intrek in het Koninklijk Paleis op de Meir, de diensten van de ministeries worden ondergebracht in ondermeer de Stadsfeestzaal en het Koninklijk Atheneum. Antwerpen is de tijdelijke hoofdstad van het belaagde koninkrijk geworden, terwijl Brussel tot open stad verklaard is.

De Duitsers achtervolgen het veldleger niet en laten bij Antwerpen enkel een observatiekorps achter om hun bevoorradingslijnen te beschermen. Hun einddoel ligt immers in het zuiden  : Parijs  ! Op dezelfde 20ste augustus trekt het Eerste Leger van Alexander von Kluck Brussel binnen. Drie dagen en drie nachten lang marcheren zijn 320.000 soldaten colonne na colonne door de stad, perfect in het gelid en onder het zingen van het «  Heil dir im Siegerkranz  » ter ere van de keizer. Het is een grimmige parade van een bijna onvoorstelbare macht en grandeur, aangegaapt door een verbijsterde menigte. Op het stadhuis wordt de Duitse vlag gehesen en in Berlijn luiden in triomf de klokken.

Duitsers op de Grote Markt in Brussel

Duitsers op de Grote Markt in Brussel.

DE UITSCHAKELING VAN NAMEN EN DE SLAG AAN DE GRENZEN

Terwijl Von Kluck triomfantelijk door de Belgische hoofdstad trekt, hebben ook het Tweede Leger van Von Bülow en het Derde van Von Hausen niet stilgezeten. De troepen van Von Bülow trekken langs de Maas van Luik naar die andere versterkte vesting, Namen. Op 20 augustus begint de aanval op de fortengordel. De Duitsers hebben echter hun les geleerd  : de Dikke Bertha’s die bij Luik hun waarde hebben bewezen, worden meteen ingezet en schieten het ene fort na het andere in puin. In overeenstemming met de bevelen van de koning geeft generaal Michel op 23 augustus aan de vierde legerdivisie, die Namen moest verdedigen, de opdracht om zich uit de voeten te maken. De ontsnapping is een huzarenstukje  : het veldleger trekt naar het zuiden, in de richting van Couvin, door een smalle corridor die op sommige plaatsen slechts 5 km breed is  ; ten westen is het Tweede Leger ontplooid, ten oosten nadert het Derde Leger. Net voor de strop rond Namen volledig gesloten is, bereiken de Belgen het Franse Cinquième Armée van generaal Lanrezac dat – eindelijk – ons land ter hulp gekomen is.

Koning Albert

Koning Albert op de binnenkoer van het Koninklijk Paleis op de Meir in Antwerpen, samen met de generaals Jungbluth en Hanoteau.

De vierde legerdivisie zal tenslotte in Rouen arriveren, begin september in Le Havre inschepen voor Oostende en van daaruit in Antwerpen de rest van het veldleger vervoegen. Dankzij Michel kan koning Albert zo over zeventienduizend extra soldaten beschikken  !

De vesting Namen houdt nog hardnekkig stand tot 25 augustus. Alweer verliezen de Duitsers twee kostbare dagen…

Terwijl Von Bülow vervolgens naar Charleroi opmarcheert, nadert Von Hausen Dinant. Het is daar dat de Saksers van het Derde Leger meer dan zeshonderd onschuldige burgers executeren en van het Maasstadje de zwaarst getroffen martelarenstad van België maken…

De confrontatie tussen Duitsers en Fransen is onvermijdelijk geworden. Van 20 tot 25 augustus woedt de Slag aan de grenzen, een reeks opeenvolgende veldslagen waarvan de strijdtonelen Lotharingen, de Belgische Ardennen, Charleroi en Bergen zijn. Het wordt voor Frankrijk, dat enkel het offensief kent, een gruwelijke catastrofe. «  Met zwaaiende sabel en met al het vuur waar het Franse leger trots op was, hadden de officieren hun compagnieën tot de aanval geleid – tegen een vijand die zich ingegraven en zijn veldgeschut gebruikt had. Het Feldgrau, in mist en schaduwen opgegaan, had de veel te zichtbare pantalon rouge verslagen  » (B. Tuchman, op. cit., p. 322).

Dé grote schuldige voor deze ramp is généralissime Joseph Joffre, «  die onverstoorbaar zijn Plan XVII volgde ondanks de invasie van België, die de aanstormende massa’s Duitsers negeerde en niets deed om hen een strobreed in de weg te leggen – tot het te laat was. Hij en niemand anders is het die de Slag aan de Grenzen verloren heeft  » (abbé de Nantes, conferentie Août 1914, le baptême du feu). Maar in plaats van zichzelf deemoedig op de borst te kloppen ontslaat Joffre een hele reeks bevelhebbers wegens gebrek aan «  élan  »  !

In Bergen staan de Britten voor het eerst tegenover de legers van de Kaiser. De British Expeditionary Force, die honderdduizend beroepssoldaten telt en onder leiding staat van veldmaarschalk French, is half augustus aan land gegaan in Frankrijk en heeft de opdracht om het Franse leger steun te bieden… maar niet tegen elke prijs  ! De Britten moeten in de eerste plaats aan zichzelf denken  ; zo heeft minister van Oorlog lord Kitchener bevolen en zo handelt ook French. Wanneer Von Kluck en Von Bülow gezamenlijk inbeuken op het Franse Vijfde Leger en Lanrezac niet anders kan dan achteruit trekken om aan de totale vernietiging te ontkomen (wat hem op ontslag door Joffre zal komen te staan) maakt ook het Britse expeditieleger haastig rechtsomkeer  ; de eerste confrontatie met de Duitsers kost het Verenigd Koninkrijk achtduizend doden, gewonden en vermisten – voor French meer dan genoeg  !

TWEE BELANGRIJKE UITVALLEN

Antwerpen gebombardeerd door een zeppelin

In de nacht van 24 op 25 augustus 1914 werd Antwerpen gebombardeerd door een zeppelin, die ondermeer op de Stadswaag veel slachtoffers maakte. Eén van de vele illustraties uit die tijd.

In de nacht van 24 op 25 augustus wordt Antwerpen gebombardeerd door een zeppelin  ; er vallen tien doden en er is heel wat schade. De mensen zijn er danig door geschokt. Voortaan wordt de stad elke nacht volledig verduisterd.

Op hetzelfde moment beveelt de koning een uitval tegen het Duits observatiekorps dat bij Antwerpen achtergelaten is. Sophie De Schaepdrijver is nogal negatief over dat initiatief, dat zij afdoet als voortvloeiend uit een patriottische opwelling van de generale staf (De Groote Oorlog. Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen, 2013, p. 101). Maar de koning wist heel goed wat hij deed  : zorgen voor verlichting van de Duitse druk op de geallieerden, die na de nederlaag bij Bergen nog altijd achteruit trekken. Al is de samenwerking tussen onze artillerie en onze infanterie gebrekkig, toch mag de operatie succesvol genoemd worden. Mechelen wordt veroverd en de Belgen dringen door tot vlakbij Leuven en Brussel, waardoor paniek uitbreekt bij de vijand. De verliezen aan onze kant zijn hoog  : bijna vierduizend gesneuvelden, gewonden en krijgsgevangenen. Koning Albert bereikt echter zijn doel, want de Duitsers zien zich verplicht troepen te onttrekken aan de aanvalsgolf richting Frankrijk om het Belgisch leger onder controle te krijgen.

Het is in de nasleep van die eerste uitval dat Leuven door het keizerlijk leger geplunderd en in brand gestoken wordt. «  Furor teutonicus  », de razernij van de Teutoonse barbaren… Er vallen 248 burgerslachtoffers, 1081 huizen gaan in de vlammen op. De Duitsers ontzien ook de Sint-Pieterskerk en de universiteitsbibliotheek met haar onschatbare handschriften en wiegendrukken niet. Onder het mom van wraak op «  francs-tireurs  » wordt het intellectueel centrum van het katholicisme in België van de kaart geveegd. Welke rol speelt het Pruisisch protestantisme in deze systematische vernietiging  ?

Leuven

Onder het voorwendsel dat burgers hen beschoten hadden, ontbonden de Duitsers al hun duivels tegen de stad Leuven. Het intellectueel centrum van het katholicisme in België werd vanaf 26 augustus 1914 acht dagen lang systematisch verwoest. Bijna 250 mensen, onder wie verschillende geestelijken, werden omgebracht.

De moed van onze soldaten staat buiten kijf en verdient alle lof. Maar hoeveel meer hadden wij kunnen bereiken als het leger beter voorbereid, getraind en omkaderd was  ! Het zit de koning bijzonder hoog. Op 6 september rollen er koppen aan de militaire top  : stafchef Selliers de Moranville, de poulain van De Broqueville, moet vertrekken, waarop de minister van Oorlog ook het ontslag van onderstafchef De Ryckel vraagt. Omdat er geen overeenstemming bereikt wordt over een nieuwe stafchef, wordt bij wijze van compromis enkel een nieuwe onderstafchef benoemd  : kolonel Wielemans, een diplomatisch man die goede contacten heeft met officieren dicht bij de koning en die de kabinetschef van De Broqueville is.

Tijdens de Slag aan de Marne (6-13 september) heeft een tweede uitval plaats door vier legerdivisies, meer dan de helft van onze effectieven. Het doel is Leuven, dat we echter niet kunnen innemen. Maar het onderliggend opzet van de koning, namelijk de Duitsers verplichten troepen in ons land te houden en zo het Frans-Britse front ten noorden van Parijs ontlasten, slaagt wél  : «  De 40.000 manschappen van het [Duitse] 9de Reservekorps, die op 8 september vertrokken waren naar Saint-Quentin, keerden op hun stappen terug op 10 september. Pas twee dagen later, toen duidelijk geworden was dat de Belgische uitval mislukt was, kreeg het reservekorps opnieuw bevel om koers te zetten naar het zuiden, waar het te laat zou zijn om een rol van belang te spelen in de Slag aan de Marne  » (Luc De Vos e. a., 14-18. Oorlog in België, Leuven, Davidsfonds, 2014, p. 144; cursief door ons).

Op 13 september is het «  mirakel van de Marne  » een feit. Het Duitse leger slaagt er niet in de Fransen te verslaan en wordt tot staan gebracht. Het grote omsingelingsplan van Alfred von Schlieffen heeft gefaald. Als het Belgisch leger met zijn acties vanuit de vesting Antwerpen geen Duitse troepen had weggehouden uit Frankrijk, als de legers van de Kaiser over die extra soldaten hadden kunnen beschikken, dan was de geschiedenis misschien anders verlopen…

DE FORTEN IN HET VIZIER

De bewegingsoorlog loopt ten einde en maakt plaats voor een nieuwe en nog onbekende verschrikking  : de loopgravenoorlog.

De zich ingravende Duitsers kunnen zich geen groot vijandelijk leger in de rug veroorloven. De vesting Antwerpen moet uitgeschakeld worden, en nog wel snel ook. Stafchef Von Moltke geeft opdracht een belegeringsleger uit te bouwen dat onder het bevel komt van generaal Hans von Beseler. Het bestaat uit vier divisies, twee landweerbrigades en twee cavalerieregimenten, in het totaal honderdduizend man, en verzamelt zich ten zuiden van Mechelen.

«  Het belegeringsleger beschikt – naast zijn veldartillerie – over een machtige belegeringsartillerie. Er zijn 173 vuurmonden, onderverdeeld in 24 kanonnen van 10 cm, 16 kanonnen van 13 cm, 72 kanonnen en houwitsers van 15 cm en 48 mortieren van 21 cm. Het zwaarste geschut, negen mortieren van 30,5 cm en vier mortieren van 42 cm, is een technologische verrassing  » (R. Gils, Antwerpse forten 1914, p. 49). Die laatste zijn de fameuze Dikke Bertha’s die Luik en Namen al op de knieën gekregen hebben.

Op 27 september begint de Duitse aanval. Het opzet is een doorbraak te forceren in het zuidoosten van de buitengordel, tussen het fort van Walem en dat van Lier. Onder dekking van de oprukkende infanterie wordt de belegeringsartillerie verplaatst tot op ongeveer 10 km van de Belgische forten – buiten het bereik van hun koepelgeschut dat slechts 8,4 km ver reikt…

Fort Walem en fort Sint-Katelijne-Waver worden het eerst bestookt. De Duitsers beschikken over uitstekende verrekijkers en hebben telefonisch contact met verspieders in verschillende kerktorens. Er hangen ook “ varkens ” in de lucht, grote waarnemingsballons van waaruit het kanonvuur wordt aangestuurd. De eerste ontploffing weerklinkt in het dorp Sint-Katelijne-Waver tijdens de hoogmis om kwart na elf. Het is het begin van een orkaan van oorlogsgeweld. «  Onophoudelijk klinkt het doffe gedreun van kanonnen gevolgd door de gierende inslagen van granaten, daverende explosies, fonteinen van opspuitend puin en zand, geratel van mitrailleurs, het nijdige geblaf van geweervuur  » (Paul Verbraeken in Gazet van Antwerpen, bijlage over Onze Groote Oorlog, deel 1, 22 maart 2014). De hele bevolking van het getroffen dorp slaat op de vlucht. «  Te voet, met kar en paard, met stootkarren, met kinderkoetsen, iedereen vluchtte weg en dat voor een bevolking waarvan de meeste mensen nog niet veel verder dan Mechelen waren geweest  » (ibid.).

De dag daarop zijn ook fort Koningshooikt, het spoorwegfortje van Duffel en de schansen Dorpveld en Bosbeek het mikpunt van de Duitse artillerie. In het totaal zullen de zuidoostelijke versterkingen 1400 ton aan projectielen over zich heen krijgen  ! De toegebrachte schade is dan ook enorm. In fort Sint-Katelijne-Waver zijn de vernielingen zo groot dat de commandant de toelating verkrijgt om het te ontruimen, met de opdracht het na het bombardement opnieuw te bezetten – wat echter nooit zal lukken.

Grondplan van het fort van Walem bij Mechelen.

Grondplan van het fort van Walem bij Mechelen. Het fort, opgericht in 1878, was van baksteen en werd in de jaren 1890 versterkt met beton.

HELDHAFTIG VERZET

Overlevenden beschrijven het geluid van een binnenkomend schot van een Dikke Bertha als dat van «  een aanrollende trein die met angstwekkende snelheid nadert.  » Na een inslag schudt elk fort «  als was de vloer van elastiek  ». Een officier schrijft in zijn dagboek  : «  We waren verplicht met de armen gekruist te blijven en de dood gelaten af te wachten. Elke zes minuten een obus die je al van ver hoorde aankomen en die je riskeerde te verpletteren  : het is een doodsstrijd waaraan maar geen einde komt.  »

Op 30 september zijn de verdedigers in de forten murw beschoten. Von Beseler stelt de aanval van de infanterie vast voor 1 oktober om 16 uur. De Duitse stafchef Von Moltke is ter plaatse aangekomen om persoonlijk getuige te zijn van de val van Festung Antwerpen.

Sophie De Schaepdrijver schenkt nauwelijks aandacht aan het verzet van de troepen in de forten (waarvan ze overigens op p. 100 verkeerdelijk zegt dat ze «  van gewapend beton  » waren). Wij willen dat wel doen, om eer te betuigen aan al deze militairen die het slachtoffer waren van kortzichtige politici en niettemin in een uitzichtloze positie meer dan hun plicht deden.

Generaal Hans von Beseler

Generaal Hans von Beseler kreeg de beschikking over 173 kanonnen en 100.000 infanteristen om Antwerpen op de knieën te dwingen. Duitse propagandabriefkaart.

Op het afgesproken uur zwijgen plots de kanonnen en stormen de Duitsers naar voren. Ze boeken snel terreinwinst, maar hun aanval stokt als ze onder het vuur van de kanonnen in de forten komen.

De vijand bezet het verlaten fort Sint-Katelijne-Waver. De zwaar beschadigde schans Bosbeek wordt door de verdedigers verlaten. Maar Walem biedt hardnekkig weerstand en in Dorpveld blijven de overlevende soldaten verder vechten vanuit de laagste bunkerkamer terwijl de bovenbouw al in handen van de pinhelmen is.

Ondertussen heeft koning Albert het bevel gegeven voor een gedeeltelijke evacuatie naar Oostende. In de nacht van 1 oktober worden gewonden, krijgsgevangenen en allerlei voorraden per trein, over de spoorwegbrug van Temse, naar West-Vlaanderen gebracht. Dit zal zeven dagen doorgaan, onder de neus van een Duitse divisie die zich bij Sint-Amands ingegraven heeft, maar van de hele operatie niets merkt.

Op 2 oktober plaatsen de Duitsers mijnen tegen de schans van Dorpveld. Alvorens zich over te geven houdt de commandant met dertien man nog enkele uren stand achter een stapel beschuitdozen  !

Een poging van twee Belgische legerdivisies om de Nete over te steken en hulp te bieden, mislukt. Op dezelfde dag worden Koningshooikt en Tallaart noodgedwongen ontruimd.

Walem blijft zich fel verdedigen. Het fort is al vier dagen lang onophoudelijk beschoten, overdag met tussenpozen van amper zeven minuten. Tegenvuur kan enkel gegeven worden op de waarnemingsplaatsen van de vijand, vermits de houwitsers zelf te veraf staan. Drie dagen tevoren heeft een voltreffer de kruitkamer van het fort doen ontploffen, met talrijke doden en zwaar verbrande gewonden tot gevolg. Op 1 oktober val-len de Duitsers het fort aan, maar de vestingkanonnen maaien hen neer. Commandant De Witte en zijn mannen houden de hele nacht stand en kunnen beletten dat ook maar één vijand de gracht oversteekt. Het gevolg is een nog veel heviger bombardement  : 18 schoten per minuut  ! De vernielingen nemen toe, alle geschutskoepels worden buiten gebruik gesteld. Duitse artillerie opgesteld in de intervallen tussen de forten geeft de genadeslag  ; om 17 uur laat de commandant de resterende kanonnen vernietigen en de witte vlag hijsen.

«  De Duitsers betreden het fort. Twee Duitse compagnies bewijzen de eer wanneer de honderdvijftig overgebleven manschappen [van de oorspronkelijke vijfhonderd], gewapend en in goede orde, hun fort verlaten. Kapitein-commandant De Witte mag zijn sabel behouden maar moet met enkele kanonniers de nacht in het Fort doorbrengen omdat de Duitsers vrezen dat het ondermijnd is  » (Gils, op. cit., p. 89).

Het laatste fort dat zich overgeeft, is dat van Lier. Er is nu een bres van 25 km in de buitengordel geslagen.

EEN OPMERKELIJKE OPERATIE

Antwerpen

Toen het Duitse bombardement op Antwerpen begon, vluchtte een zee van mensen naar het Steenplein om over de brug te ontsnappen. Het leidde tot een nooit geziene chaos.

De vijand is door de fortengordel gebroken en nadert de Nete, waar twee divisies van ons veldleger zich verschanst hebben in haastig gegraven loopgrachten. De onrust bij de ministers neemt toe, zij denken aan vertrekken uit de gedoemde stad. De Broqueville wil dat de koning in dat geval meegaat, maar die weigert beslist en verklaart dat hij het lot van zijn leger wil delen. Zesentwintig jaar later zal precies hetzelfde gebeuren wanneer Leopold III na de Achttiendaagse Veldtocht weigert met zijn ministers naar Frankrijk te trekken  !

Tussen de vorst en de minister vindt een dramatische confrontatie plaats. «  De discussie was bijzonder bitter. Zij stonden lijnrecht tegenover elkaar, hun standpunten waren onverzoenbaar en de minister vertrok ei zo na met slaande deuren… Men stevende af op een breuk  » (M. Thielemans en E. Vandewoude, Le Roi Albert au travers de ses lettres inédites, Brussel, 1982, p. 100).

De koning is ervan overtuigd dat de Britten Antwerpen niet in de steek zullen laten. En inderdaad, op 3 oktober, twee volle maanden na het uitbreken van de oorlog, krijgt de vesting eindelijk hulp van onze voornaamste garant, het Verenigd Koninkrijk. Die dag arriveert Winston Churchill, eerste Lord van de Admiraliteit, met het bericht dat de Scheldestad kan rekenen op… 1800 Britse mariniers. Wil Londen daarmee de van kapitaal belang geachte Antwerpse haven uit vreemde handen houden  ? Churchill voelt zich geroepen iets aan ons “ defaitisme ” te doen  : we moeten tot elke prijs Antwerpen verdedigen, we moeten de vesting behouden tot er Britse versterkingen aankomen enz. Gemakkelijk gezegd, maar ondertussen hebben de Duitsers in de «  wedloop naar de zee  » al het zuiden van de provincie West-Vlaanderen bereikt en dreigen zij een wig te drijven tussen de British Expeditionary Force en onze strijdmacht.

De aankomst van de Britse mariniers kan niet beletten dat de Netestelling na felle gevechten valt en dat de Duitsers oprukken naar de binnenste fortengordel. Er is nog meer slecht nieuws, want de koning ontvangt het bericht dat de vijand klaar staat om ten westen van Antwerpen de Schelde over te steken, waardoor een omsingeling van de nationale vesting dreigt. Er is nog een kleine kans om de soldaten te laten ontkomen uit de greep van de Duitsers. De Hogere Oorlogsraad, voorgezeten door de vorst, beslist op 6 oktober tot de volledige terugtrekking van het veldleger. Churchill, totaal onrealistisch, hoopt nog met de hulp van bijkomende Britse troepen de Duitsers weer terug over de Nete te werpen (cf. Thielemans en Vandewoude p. 527)  !

In de nacht van 6 op 7 oktober trekt het veldleger zich terug uit de nationale vesting, «  één van de opmerkelijkste operaties uit de Belgische militaire geschiedenis  » (P. Verbraeken, Onze Groote Oorlog). Alles gebeurt in het grootste geheim. Duizenden en duizenden soldaten trekken midden in de nacht, doorheen de verduisterde stad, met hun kanonnen en paarden naar de pontonbrug bij het Steen. De Belgische genie heeft die brug al begin augustus klaargelegd  ; een duidelijk bewijs dat het verwijt van amateurisme aan het adres van ons leger vaak onterecht is. Ook gelijkaardige bruggen bij Burcht, Hemiksem en Rupelmonde worden voor de evacuatie gebruikt, net als de bestaande spoorwegbrug van Temse. Om zeven uur in de ochtend is heel ons veldleger, op de tweede divisie na, op de linkeroever. De Duitsers hebben van de hele ontsnapping niets gemerkt  !

Kort na zijn troepen verlaat ook de koning Antwerpen. Hij geeft generaal Deguise de opdracht om de aftocht te dekken met het vestingleger, de tweede divisie en de Britten (die ondertussen met tienduizend zijn). Zijn orders zijn duidelijk. Waarom De Schaepdrijver dan spreekt over «  de onduidelijke order de aftocht te dekken  » (p. 104) is ons een raadsel. Dat de vestingtroepen «  verder aan hun lot werden overgelaten  » (ibid.) is manifest onjuist en werpt volkomen onterecht een smet op de koning en de commandant. Deguise kent zijn taak. Hij laat de vestingsoldaten de binnenste fortengordel bezetten en stelt de tweede divisie en de Britten op in de intervallen ertussen. Wanneer een Duitse gezant de overgave komt vragen en dreigt met een verwoestend bombardement van de stad, krijgt hij een kordaat “ neen  ! ” te horen. Kort daarop maakt commandant Deguise het onheilspellende nieuws bekend  : «  Ik heb de eer ter kennis van de bevolking te brengen dat het bombardement van de Antwerpse agglomeratie en omstreken nakend is.  »

DE VAL VAN ANTWERPEN

Velen kwamen met hun schamele bezittingen terecht in het neutrale Nederland.

De nakende val van het nationaal bolwerk dreef tienduizenden Belgen op de vlucht. Velen kwamen met hun schamele bezittingen terecht in het neutrale Nederland.

Om middernacht begint de meedogenloze beschieting van de stad. Zesendertig uur lang regent het dood en vernieling. De Sinjoren krijgen vierduizend obussen en 140 zeppelinbommen over zich heen  ! Antwerpen brandt. Er komt een reusachtige vluchtelingenstroom op gang. Een zee van mensen en rijtuigen blokkeert de toegangswegen naar de kaaien en op het Steenplein zelf wordt geduwd en getrokken om zo vlug mogelijk over de reddende brug de linkeroever te bereiken. De veerboten naar Sint-Anneke kunnen om het kwartier zo’n tweehonderd personen evacueren, maar ook roeiboten, trekschuiten en mosselbarken worden bestormd.

Ooggetuige en kroniekschrijver Jozef Muls schrijft over «  een teugelloze menigte, die ter plaatse golfde als een oogst in de storm, en haar gramschrap uitschreeuwde, klaagde en verwensingen toestuurde  ». Ook de New York Times beschrijft het tafereel  : «  De doorgang naar de pontonbrug leek op de mond van een veel te smalle trechter waarlangs alle ellende van een hele natie stroomde.  »Naar schatting honderdduizend vluchtelingen steken die dagen over de brug de Schelde over.

Een weinig bekend feit  : het zijn niet de Belgen maar de Britten die het eerst de strijd staken. Vanuit Londen komt op 9 oktober het bevel dat de troepen van Churchill onmiddellijk moeten vertrekken. Zes dagen na zijn aankomst verdwijnt de drukdoende First Lord of the Admiralty alweer uit Antwerpen…

Bekleed met een mandaat van de koning besluit Deguise daarop de tweede legerdivisie het bevel tot terugtrekking te geven. Hijzelf begeeft zich met de resterende vestingsoldaten naar de linkeroever en laat de pontonbrug opblazen. De militairen vernietigen hun wapens en munitie opdat die niet in handen van de vijand zouden vallen. Liever dan in Duitse krijgsgevangenschap te belanden, trekken de meeste soldaten de grens met het neutrale Nederland over, waar ze overeenkomstig de internationale afspraken geïnterneerd worden.

De meesterzet om een heel leger veilig en wel terug te trekken is met succes bekroond. Het stadsbestuur zendt daarop een afvaardiging van burgers naar generaal Von Beseler die in Kontich verblijft. «  De generaal blaft hen toe  : “ Hoezo geen militairen meer  ? Ein solche Festung und kein General  ! ” (“ Zo’n vesting en geen generaal  ! ”). Zijn Pruisische officierentrots is gekwetst. Tot dan hadden de Duitsers echt verwacht de koning, de Belgische regering en het hele Belgische leger in Antwerpen gevangen te nemen  » (P. Verbraeken, Onze Groote Oorlog).

redactie KCR