De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

EEN BOOT UIT DE TIJD VAN JEZUS

HETMEER van Gennesareth, in Galilea, verschilt vandaag de dag weinig van hoe het er in de tijd van Jezus moet uitgezien hebben. Op de drukke stad Tiberias na, een toeristische plaats aan de westkant van het meer, zijn de oevers onbebouwd en dus ongerept gebleven. Als men bij Tabgha, waar het wonder van de broodvermenigvuldiging plaatsvond, uitkijkt over het weidse wateroppervlak en in de verte de ruïnes van Kafarnaüm ziet liggen, kan men zich zo de woorden van het Evangelie voor de geest halen  : «  Op zekere dag ging Hij met zijn leerlingen in een boot, en zei tot hen  : “ Laat ons oversteken naar de andere kant van het meer… ”  » (Lc 8, 22).

In het Yigal-Allonmuseum van kibboets Ginnosar, aan de noordwestkant van het meer van Gennesareth

In het Yigal-Allonmuseum van kibboets Ginnosar, aan de noordwestkant van het meer van Gennesareth, bevindt zich de in 1986 ontdekte boot die dateert uit de tijd van Jezus.

EEN OPZIENBARENDE VONDST

Het was vlakbij Tabgha dat de broers Moshe en Yuval Lufan, vissers uit de joodse kibboets Ginnosar, op een ochtend in 1986 de resten van een houten boot ontdekten. Het was lange tijd uitzonderlijk droog geweest, en het waterpeil van het meer was gezakt zoals nog maar zelden gebeurd was. Moshe en Yuval waren in hun vrije tijd amateur-archeologen, die rondom het meer regelmatig op zoek gingen naar interessante oude voorwerpen.

In de modder die door het terugtrekken van het water bloot was komen te liggen, zagen zij iets omhoog steken dat de omtrek had van een boot. Een snel onderzoek maakte hen duidelijk dat zij een belangrijke vondst gedaan hadden. Ze verwittigden onmiddellijk de Israel Antiquities Authority, die ter plaatse kwam en bevestigde dat het inderdaad om een kapitale ontdekking ging  : nog nooit tevoren was er een oud vaartuig ontdekt in het meer van Gennesareth.

Met de hulp van vrijwilligers van de kibboets begonnen de archeologen onmiddellijk met de opgraving. De opdracht was niet gemakkelijk. De resten moesten voorzichtig uit de modder gehaald worden vooraleer het waterpeil terug zou stijgen. Bovendien moest het hout, dat volledig verzadigd was van water en sponsachtig aanvoelde, constant vochtig gehouden worden  : uitdroging zou fataal zijn. Men werkte de klok rond, twaalf dagen en nachten. Vervolgens werd de boot voorzichtig naar de kibboets gebracht en daar ondergedompeld in een container gevuld met chemicaliën, waarin hij zeven jaar bleef rusten. Elke cel van het hout werd op die manier versterkt met scheikundige bestanddelen, waarna het mogelijk was het vaartuig uit de vloeistof te halen en het te laten drogen. Uiteindelijk kreeg het de ereplaats in het Yigal Allon Museum van kibboets Ginnosar, waar het sindsdien voor het publiek tentoongesteld is.

Shelley Wachsmann, een bekend nautisch archeoloog van Texas A&M University, leidde het onderzoek van de boot en publiceerde zijn bevindingen in The Sea of Galilee Boat. An Extraordinary 2000 Year Old Discovery (Plenum Press 1995), een werk dat leest als een spannende roman.

De boot is 8 m lang en 2,3 m breed. Hij heeft een platte bodem, wat hem ideaal maakte voor visserij dicht bij de oever. Hij was voorzien van een mast en een zeil, maar kon ook door vier roeiers voortbewogen worden. De constructie vertoonde duidelijke overeenkomsten met andere vaartuigen gebouwd in dit deel van het Middellandse-Zeegebied in het begin van onze tijdrekening. Koolstofdatering bevestigde de ouderdom van de vondst  : de boot bleek te dateren uit 15 v. Chr. (met een foutenmarge van 80 jaar plus of min), net als een olielamp en een kookpot die in het schip teruggevonden werden.

SCHAALMODEL VAN DE ACHT METER LANGE BOOT.

SCHAALMODEL VAN DE ACHT METER LANGE BOOT. Onder het brede achterdek bevond zich een grote ruimte waarin de vissersnetten konden opgeborgen worden, maar waar iemand ook kon slapen zonder het gemanoeuvreer van de vissers te hinderen – zoals Jezus deed vlak vóór de storm op het meer begon.

Het archeologisch onderzoek bracht verder aan het licht dat het schip door de eigenaars herhaaldelijk gerepareerd werd. Men vond niet minder dan twaalf verschillende houtsoorten terug  ! De boot was oorspronkelijk vervaardigd uit cederhout en eikenhout, maar later werden herstellingen uitgevoerd met gerecycleerd hout  : wilg, aleppo-den, judasboom, vijgenboom enz. Telkens opnieuw herstelden de vissers, die allicht eenvoudige, om niet te zeggen arme Galileeërs waren, hun vaartuig met sloophout dat ze her en der op de kop tikten. Tenslotte, na vele tientallen jaren gebruik – Wachsmann spreekt van zestig jaar – had het geen zin meer nog reparaties uit te voeren. Het nog bruikbare hout werd verwijderd en de eigenaars brachten de boot bij de kust tot zinken. Modder bedekte hem en belette dat bacteriën het hout verslonden.

DE HISTORISCHE JUISTHEID VAN DE EVANGELIES BEVESTIGD

Het geraamte van de boot

Het geraamte van de boot bestond uit eikenhout van de berg Tabor, de bekleding uit planken van cederhout. Omdat het vaartuig heel lang dienst moest doen, herstelden de eigenaars het met hout dat ze her en der gingen zoeken. De archeologen troffen in het totaal twaalf verschillende houtsoorten aan.

Het moet dit type boot zijn geweest waarmee de apostelen hun vissersberoep uitoefenden, en waarop Jezus meevoer telkens als hij het drukke Kafarnaüm – waar Hij woonde in het huis van Petrus – wou verlaten om zich terug te trekken op «  een eenzame plaats  » (Mc 6, 31), aan de overkant van het meer.

«  De charme van de bijbelse archeologie  », schreef Sharon Begley in Newsweek, «  bestaat er ten dele in overeenkomsten te ontdekken tussen de archeologische overblijfselen en de Schriften. De boot van Galilea levert verschillende dergelijke overeenkomsten. Het vaartuig, vervaardigd uit een geraamte van eik en een bekleding van ceder, was 7,9 m lang en 2,2 m breed. De voor- en de achtersteven hadden waarschijnlijk een dek van grote afmetingen. Marcus 4, 37 beschrijft het tafereel van een in paniek geraakte leerling die naar Jezus toeloopt  ; deze bevond zich “ in het achterste deel van het schip, ingeslapen op een kussen ”. De leerling roept hem toe dat er een grote storm op het meer is opgestoken. “ Jezus antwoordt  : Vrede  ! Kom tot rust  ! En… het kwam tot een grote kalmte ”  » (Finding The Real Ship of Zion  ? in Newsweek van 13 oktober 1991).

Broeder Bruno zette Begley op haar nummer door eerst en vooral de juiste vertaling van het aangehaalde citaat te geven  :

«  “ Ze maakten Hem wakker, en zeiden tot Hem  : Meester, raakt het U niet dat wij vergaan  ? Nu stond Hij op, gebood aan de wind en sprak tot het meer  : Zwijg, wees stil  ! De wind ging liggen, en het werd heel stil ” (Mc 4, 38-39). Men kan zich het gebeuren levendig voorstellen. Zoiets vindt men niet uit. Waarom dan liegen over deze tekst, zoals de auteur van het artikel zich veroorlooft door te schrijven dat het de “ in paniek geraakte leerling ” was aan wie Jezus het stilzwijgen oplegde  ? Omdat atheïstische pseudo-wetenschappelijkheid troef is, al zijn de historische gegevens nog zo duidelijk betuigd. Sint-Marcus zegt iets helemaal anders  : het was aan de stormwind en de ontketende zee dat Jezus stilte oplegde.

«  Het is de H. Marcus die we moeten geloven. De archeologie reikt er ons vandaag een nieuw bewijs van aan  : de exacte juistheid van zijn historisch getuigenis wordt zelfs bevestigd door de keuze van de voorzetsels  ! Jezus bevond zich “ in de achtersteven ”, Grieks “ en tè prumnè ”, lezen we. Dus niet “ aan de achtersteven ” – de klassieke Bijbelvertaling – maar “ erin ”, zoals Marcus het later hoorde vertellen door Petrus, de baas van de boot  : “ Een hevige storm brak los, en de golven sloegen over de boot, zodat deze vol water kwam. Hij zelf lag in de achtersteven op een kussen te slapen ” (Mc 4, 37-38). Ondertussen stond Petrus aan het roer boven op het brede achterdek, dat de teruggevonden boot ons vandaag duidelijk toont. Jezus sliep in de ruimte onder dat dek, beschut tegen de golven en de wind, waar hij de manoeuvres van de stuurman niet kon hinderen  » (CRC nr. 279, januari 1992).

Op het schaalmodel van de boot is te zien dat de bemanning uit tenminste vijf personen moet bestaan hebben  : vier roeiers en een stuurman. Ook daarnaar vinden we in het Evangelie een interessante verwijzing terug, wanneer Jezus de apostelen Jacobus en Joannes roept  : «  Een weinig verder zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Joannes zijn broer, die ook in een boot waren en de netten herstelden. Aanstonds riep Hij hen. En ze lieten hun vader Zebedeüs in de boot met de bemanning achter, en volgden Hem  » (Mc 1, 19-20). «  De bemanning  » is meervoud en omvat minstens twee personen, dus met de eigenaar en zijn zonen erbij maakt dat vijf.

Dat alles betekent natuurlijk niet dat precies dit vaartuig de boot van Jezus was – al spreken toeristische gidsen ten behoeve van de christelijke pelgrims graag over de Jesus Boat. Maar dat onze Verlosser in een gelijkaardig schip het meer van Gennesareth bevaren heeft, staat buiten kijf.

DE ZEESLAG VAN MIGDAL

In de boot vond Wachsmann ook een metalen pijlpunt terug. En daarmee weten we dat het vaartuig getuige was van een belangrijke historische gebeurtenis die zich afspeelde op het meer, veertig jaar na het mirakel van het stillen van de storm.

In het jaar 67 – het jaar waarin Sint-Paulus in Rome onthoofd werd, op bevel van Nero maar door joods verraad – kwam na Caesarea ook heel Galilea massaal in opstand tegen de Romeinen. In het kader van die revolte bestormden de inwoners van Migdal, een plaats halverwege tussen Tiberias en Kafarnaüm, een Romeins kamp. De stad Migdal is ook bekend als Magdala, waar Maria Magdalena vandaan kwam (Mc 15, 40). Het was een belangrijke stad, bekend om zijn visproductie en bovendien om zijn scheepswerven. Flavius Josephus, de joodse geschiedschrijver die de opstand beschreven heeft in zijn werk De joodse oorlog, gebruikt de Griekse naam van de stad  : Taricheiai (Tarichaea), «  de plaats waar vis werd gezouten  », en de rabbijnen spraken later van migdal nûnayâ, «  toren van de vissen  ». In de ruïnes van de stad vond men een interessant mozaïek terug uit de eerste eeuw na Christus, dat nu bewaard wordt in Kafarnaüm  ; het stelt een schip voor, dat er net zo uitziet als onze teruggevonden boot  : een mast met een zeil en vier roeispanen.

Flavius Josephus beschrijft hoe de Romeinse generaal Vespasianus en zijn zoon Titus in september 67 een vergeldingsaanval uitvoerden tegen Migdal/Magdala en de stad innamen. De rebellen die konden ontsnappen, probeerden met boten over het meer te vluchten. Maar Vespasianus stuurde hen zijn troepen achterna, met boogschutters op vlotten. Het kwam tot een grote zeeslag waarbij de opstandelingen tot de laatste man werden uitgeschakeld  : «  Het meer kleurde rood van het bloed, en overal dreven dode lichamen rond  » (De joodse oorlog III, 10). Josephus spreekt over 6700 doden, waarbij allicht ook de Joden zijn geteld die in de stad zelf over de kling werden gejaagd.

De door Wachsmann in de zgn. Jesus Boat teruggevonden pijlpunt is van het model dat gebruikt werd door vreemde hulptroepen die in het Oosten meevochten met de Romeinse legioenen. Zo is de boot in het museum van kibboets Ginnosar ook de stilzwijgende getuige van de joodse oorlog, die leidde tot de val en de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70, precies zoals Jezus het voorspeld had  : «  Voorwaar, Ik zeg u  : dit geslacht gaat niet voorbij eer dit alles is geschied  » (Mc 13, 30).

redactie KCR
HIV nr. 58, juli-augustus 2012, pp. 8-10