DE KERK VAN DE APOSTELEN 
het verraad van de joodsgezinde christenen

« Allen bleven eensgezind volharden in het gebed, tezamen met enige vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders... » (Hd 1, 14). De jonge Kerk lijkt op het eerste gezicht een idyllisch beeld van eensgezindheid en heiligheid te bieden. In werkelijkheid echter waren de interne spanningen groot, zo groot zelfs dat ze aan de H. Petrus en de H. Paulus het leven zouden kosten.

Kerkje van het Primaatschap van  Petrus
Het kerkje van het Primaatschap van Petrus aan de oever van het meer van Tiberias. Op deze plek gaf de verrezen Heer aan Simon Petrus de opdracht: « Weid mijn schapen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: toen ge jong waart, deedt ge zelf uw gordel aan en zijt ge gegaan waarheen ge zelf hebt gewild. Maar wanneer ge oud zijt, zult ge uw handen uitstrekken, een ander zal u omgorden en u brengen waar ge niet heen wilt... » (Jo 21, 17-18). Petrus stierf de marteldood in Rome op 13 oktober 64.

« GIJ zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen » (Mt 16, 18). Jezus kan sterven volgens zijn heilsplan, zijn werk zal overleven zoals de Handelingen van de apostelen het ons doen kennen: een nieuw volk in de schoot van Israël, verwant aan de Tempel maar toch al gericht op een nieuwe cultus, die van Christus, gestorven en verrezen, die « meer dan de Tempel » is.

Het grote drama van het Kruis heeft een definitieve scheuring gebracht tusen het jodendom van het Oude Testament en de nieuwe gemeenschap van het Evangelie. Een onoverbrugbare kloof verplicht de gelovigen ertoe om te kiezen tussen de twee belijdenissen en zich los te maken van de Godsmoordenaars om het nieuwe geloof in een gekruisigde Messias te omhelzen.

De vijf eerste hoofdstukken van de Handelingen maken ons getuige van de schitterende groei van de nieuwe gemeenschap volgens de Geest van Jezus, de jonge Kerk, en de ontplooiing van wat Hij ingesteld heeft: de eerste christenen « bleven volharden in de leer der apostelen en de onderlinge gemeenschap, in het breken des broods en in het gebed » (Hd 2, 42). Het « breken des broods » beduidt de H. Eucharistie, door Jezus ingesteld tijdens het Laatste Avondmaal.

Deze gemeenschap onderscheidt zich door de volmaaktheid van haar levenswandel, zonder aarzeling of verdeeldheid. Met een eensgezind hart bereidt zij zich voor om de onvermijdelijke vervolgingen te ondergaan die haar succes over haar afroept. Want Jezus had het duidelijk gezegd: « Een dienaar is niet meer dan zijn heer. Heeft men Mij vervolgd, dan zal men ook u vervolgen » (Jo 15, 20).

Welnu, dit pijnlijke drama dat de nieuwe Kerk moest doormaken en dat het leven zou kosten aan een hele generatie christenen, onder wie de “steunpilaren van de Kerk”, kunnen wij herbeleven door aandachtig de Handelingen te lezen. Aandachtig, want het schaamtegevoelen van de eerste christenen zou de nieuwe calvarie liever met de mantel van de vergetelheid bedekt hebben.

DE REDENEN VOOR HET DRAMA

Het Evangelie dat de H. Petrus predikte, was eenvoudig en van een stralende nieuwigheid. Het was gericht aan iedereen en de kudde waarover hij was aangesteld moest in haar eenheid alle verloren schapen verenigen: zo luidde het verlangen van de Heer, dat Hij vaak had uitgedrukt en dat Lucas in zijn geschriften graag in herinnering bracht.

Toen nam Petrus het woord en zei: « Nu zie ik waarachtig dat er bij God geen aanzien van personen bestaat; maar dat al wie Hem vreest en gerechtigheid doet Hem welgevallig is, tot welk volk hij ook behoort » (Hd 10, 34-35).

Waarom dit universalisme zonder voorwaarden? Omdat de bron van het heil het verlossend Kruis is, het offer van de dienaar Gods, van het Lam Jezus, de ware Christus:

« Dit is het woord dat Hij aan de kinderen Israëls heeft verkondigd, toen Hij de blijde boodschap bracht van vrede door Jezus Christus: Hij is de Heer van àllen. Gij weet wat er na het doopsel dat Joannes gepreekt heeft van Galilea af door heel Judea is gebeurd. Hoe God Jezus van Nazareth met de H. Geest en met kracht heeft gezalfd; hoe Hij weldoende rondging en allen genas die door de duivel werden beheerst, omdat God met Hem was. En wij, wij zijn getuigen van alles wat Hij gedaan heeft in het land van de Joden en in Jeruzalem. Hem hebben zij aan het kruis geslagen en gedood; maar God heeft Hem de derde dag opgewekt en Hem laten verschijnen, niet aan heel het volk maar aan de getuigen door God voorbeschikt: aan ons, die met Hem gegeten hebben en gedronken na zijn verrijzenis uit de doden. En ons heeft Hij de opdracht gegeven aan het volk te prediken en te getuigen dat Hij door God is aangesteld als Rechter van levenden en doden... » (Hd 10, 34-42).

Het Evangelie van Marcus, leerling en secretaris-redacteur van Petrus, illustreert deze waarheid. Vóór het drama van Golgotha weigerde Petrus (Mt 16, 22) een dergelijke roeping voor Jezus en zijn Kerk te aanvaarden. Wat hij gezien heeft, bracht hem echter tot inzicht, en hij kreeg de zending mee « zijn broeders te bevestigen » in dat geloof (Lc 22, 32). Hij zal die zending vervullen, op zijn manier, voorzichtig, soms passief, soms krachtdadig. Hij zal het doen tot het martelaarschap toe, zonder ooit zijn missie te verloochenen.

In antwoord op de oproep van de apostelen is een bewonderenswaardige gemeenschap gevormd die van zichzelf weet dat zij het « restant » van Israël is, het waarachtige en definitieve volk Gods, erfgenaam van de beloften en levend in de verwachting van de terugkomst van de Heer. Zoals in de tijd van de “Meester van de gerechtigheid” van de Essenen 1 aanvaardt men dat het geloof in Christus betekent dat men moet breken met het eigen volk, want de Kerk is het nieuwe Israël.

Maar deze gemeenschap kan zich niet beschouwen als het kleine getal van de uitverkorenen, de geredden uit het volk, de trouwe aanhangers van het Verbond die de profetieën juist interpreteren, zonder de oude orde te willen bewaren: de Wet, de eredienst die zo prachtig hun heiligheid bewezen hebben door de nieuwe Kerk te doen geboren worden. De Joden die Christus vermoord hebben zijn goddeloos, zeker, maar de eeuwige wet van Mozes en de eredienst in de Tempel zijn voortreffelijk en goddelijk!

Op die manier had de jonge Kerk in het begin twee cultusplaatsen: op de Tempelberg ging zij verder met het verrichten van alles wat de Wet voorschreef, met inbegrip van de offers; op de berg Sion, in « de grote opperzaal » (Mc 14, 15) 2 waar Jezus aan de vooravond van zijn Lijden de sacramenten van het priesterschap en de Eucharistie had ingesteld, stichtte zij de godsdienst van Christus.

Had Jezus zelf zich niet onderworpen aan de besnijdenis en aan heel die gewijde orde?

Wie had op dat moment kunnen zeggen dat heel dit eerbiedwaardig verleden voorgoed de rug zou moeten toegekeerd worden? Alleen de Geest, geschonken aan de Kerk, zou het haar duidelijk maken.

DE VOORTEKENEN VAN EEN TRAGEDIE

De vervolging sloeg niet zonder onderscheid toe maar trof allereerst de “hellenisten”, enerzijds Joden uit de diaspora en zelfs inwoners van de Grieks-Romeinse steden aan de oevers van het meer van Tiberias, anderzijds “Godvrezende” heidenen die door de joodse religie aangetrokken waren tot Jeruzalem en daar bekeerd op de dag van Pinksteren. Tot dan toe had er een schitterende eensgezindheid bestaan die alle verschillen deed vergeten.

Maar: « Toen in die dagen het getal der leerlingen steeds maar bleef stijgen, begonnen de hellenisten tegen de Hebreeën 3 te mopperen dat hùn weduwen bij de dagelijkse verzorging ten achter werden gesteld. Daarom riep het twaalftal de menigte der leerlingen bijeen en zei: “ Het is niet goed dat wij het woord Gods verwaarlozen om aan tafel te dienen. Kiest dus, broeders, uit uw midden zeven mannen van goede naam, vol van de Geest en van wijsheid. Hen zullen we aanstellen voor deze taak, terwijl wij zelf zullen voortgaan met het gebed en de dienst van het woord. ” Het voorstel vond bijval bij heel de menigte » (Hd 6, 1-5).

Voor de Hoge Raad klaagt Stefanus, één van de zeven, de voortdurende rebellie van de Joden aan, vanaf het begin van de heilsgeschiedenis. Zijn toespraak is onweerlegbaar (Hd 7). En het bewijs dat hij de waarheid spreekt, de bevestiging van zijn woorden volgt spoedig: zijn martelaarschap maakt een einde aan de christelijke zending in Jeruzalem. « Nog op diezelfde dag brak er een hevige vervolging tegen de kerk van Jeruzalem los » (Hd 8, 1). Vanaf dat moment zal er alleen nog sprake zijn van evangelisatie buiten de hoofdstad.

De hellenisten, verjaagd uit Jeruzalem, verspreiden zich over Samaria, keren terug naar hun steden en wekken overal een grote belangstelling en bekering van heidenen op! Petrus en Joannes – de apostelen waren in de heilige stad gebleven (Hd 8, 1) – haasten zich ter plaatse en schenken al deze nieuwgekomenen de H. Geest. Aan zichzelf overgeleverd blijft Petrus onzeker (Hd 10, 17), tot overtuigende tekenen hem in deze richting voortstuwen. Bij de honderdman Cornelius gekomen, op bevel van de H. Geest, houdt hij een toespraak die door een tweede “Pinksteren” kracht bijgezet wordt:

« Nog was Petrus aan het woord, toen de H. Geest op allen neerdaalde die naar de toespraak stonden te luisteren. De gelovigen uit de besnijdenis [de tot het christendom bekeerde Joden of Hebreeën], die met Petrus waren meegekomen, stonden verbaasd dat de gave van de H. Geest ook over de heidenen was uitgestort; want ze hoorden hen in talen spreken en God verheerlijken. Toen hernam Petrus: “ Zou iemand het water kunnen weigeren en deze mensen niet dopen, die toch de H. Geest hebben ontvangen juist zoals wij? ” En hij beval hen te dopen in de naam van Jezus Christus » (Hd 10, 44-48).

Maar terwijl de missionarissen getuige zijn van de onweerstaanbare verspreiding van het Evangelie, bevestigd door de zichtbare tegenwoordigheid van de H. Geest, denkt men in Jeruzalem na... Men blijft voorzichtig, men is bang voor ontrouw aan de wet van Mozes. Het universalisme heeft iets dat al te verwarrend is, en omdat men de mirakels niet met eigen ogen ziet, maakt men zich zorgen en vraagt om uitleg. Na de uiteenzetting door Petrus toont Jeruzalem dan wat meer vertrouwen (Hd 11, 18), maar toch vreest men een duister gevaar.

Zo verlopen de jaren 31 tot 35, waarin wij Paulus na zijn bekering zien optrekken naar Jeruzalem om er Petrus te ontmoeten en Jacobus « de Jongere » (Mc 15, 40), « broeder van de Heer » (Ga 1, 19), die in de hoofdstad een belangrijke figuur is. Paulus wordt in hun gemeenschap ontvangen.

Dan komt de tijd dat Petrus te vaak op zending ver weg is en zelfs uit Jeruzalem wordt verjaagd door de vervolging – zeker na zijn ontsnapping uit de kerker van Herodes in het jaar 44. Het hoofd van de apostelen moet dan het gezag laten aan Jacobus. Petrus waardeerde hem als « broeder van de Heer », en misschien voelde hij aan dat Jacobus populairder was, meer geschikt dan hijzelf voor de rol van leider van een gemeenschap die heel erg op haar privileges stond. Dat feit van zich op de achtergrond te plaatsen zou immense gevolgen hebben.

Tevoren was Petrus in Jeruzalem heel trouw aan de joodse wet, terwijl hij elders zeer verzoenend stond tegenover de bekeerlingen uit het heidendom. Zijn verwijdering uit Jeruzalem leidt bij de joods-christenen tot een soort van wantrouwen en achterdocht aangaande de activiteit van Petrus in de vreemde.

Zo ziet men een verschil tot stand komen tussen enerzijds Jeruzalem en de joods-christelijke gemeenschappen die er zich op oriënteren, en anderzijds de verderaf gelegen gemeenschappen van bekeerde heidenen of “hellenisten”. In hun eisen gaan die van Jeruzalem ervan uit dat Petrus aan hun kant staat, terwijl de heiden-christenen zich gewoonweg niet kunnen voorstellen dat hij tegen hen zou zijn. Zal Petrus gedwongen worden om te kiezen tussen hen die zich beroepen op de « broeder van de Heer » en Jezus gekend hebben met « de ogen van het vlees », en Paulus, de achteraf bijgekomen apostel met zijn christenen uit het heidendom?

GELDT DE MOZAÏSCHE WET NOG VOOR EEN CHRISTEN?

Het gaat er om te weten of de Wet met al zijn werken en veelvuldige voorschriften tot niets meer dient, dan wel of men om christen te zijn het jodendom en zijn instellingen moet adopteren. Concreet: moet men gedoopt zijn en ook besneden? Moet men bij een maaltijd een heiden, ook als hij bekeerd is, nog altijd als « onzuiver » beschouwen en dus weigeren samen met hem te eten? Kleine details waarin het echter om een hele theologie draait.

Petrus, de bezorgde verantwoordelijke voor de eenheid, de herder van de ene kudde, temporiseert en wint tijd dankzij de geografische en etnische spreiding van de twee partijen... In Antiochië leeft hij « op zijn Grieks », maar daarvan laat hij in Jeruzalem niets merken!

Op een dag ontdekken joods-christenen in Antiochië de onschuldige plantrekkerij; ze spreken over verraad, en Petrus beeft voor hen. De felle tussenkomst van Paulus, waarvan de echo bewaard bleef in de Brief aan de Galaten,overtuigt Petrus ervan om een einde te maken aan de dubbelzinnigheid; nutteloos zijn nu de Wet en de voorschriften ervan voor de heidenen die het doopsel vragen:

« Maar toen Kefas te Antiochië was gekomen weerstond ik hem openlijk, omdat hij in het ongelijk was. Want voordat er enkele lieden van Jacobus [de Jongere] waren gekomen, at hij in gemeenschap met de heiden-christenen; maar na hun komst trok hij zich terug en zonderde hij zich af uit vrees voor de besnedenen; ook de overige [hellenistische] Joden veinsden met hem mee, zodat zelfs Barnabas in hun veinzerij werd meegesleept. Welnu, toen ik zag dat ze niet oprecht handelden in overeenstemming met de waarheid van het Evangelie, sprak ik tot Kefas in het bijzijn van allen: Wanneer ge zelf naar heidense gebruiken leeft en niet naar joodse, ofschoon ge een Jood zijt, waarom dwingt ge dan de heidenen op joodse wijze te leven? » (Ga 2, 11-14).

Gesterkt door de goedkeuring van Petrus stort Paulus zich vervolgens op de verovering van de heidense wereld. Het is daar dat de joods-christenen hem zullen achtervolgen...

Ondanks de moeilijkheid om een juiste chronologie van al deze discussies op te stellen, blijkt wel dat Petrus in het begin een grote vrijheid gaf aan de zending van Paulus tijdens de eerste reis van de “apostel van de heidenen”, en dat hij door zijn verzoenende houding gedaan kreeg dat Paulus door de andere apostelen als een broeder beschouwd werd. Petrus hield zich bezig met het apostolaat bij de Joden buiten Jeruzalem. Hij was het die zich bekommerde om de nieuwe gemeenschappen van de diaspora, en zo kon hij de rol van buffer spelen tussen joods-christendom en “paulinisme”.

Onze Vader, abbé de Nantes, verwittigde er ons wel voor dat we geen onbesuisde aanhangers van Paulus mogen zijn! De joods-gezinden hadden veel redenen om ongerust te zijn en het respect voor de wet van Mozes en zelfs het primaatschap van hun Kerk van Jeruzalem op te leggen. Ongetwijfeld begrepen ze slechts onvolmaakt dat het Nieuwe Verbond aan zichzelf genoeg had, maar uiteindelijk zou de Kerk toch veel van het Oude Testament bewaren. Het zal zeker slechts een secundaire toevoeging zijn, maar een die men niet mag verwaarlozen zonder ten onder te gaan! « Meent niet dat Ik gekomen ben om de Wet en de profeten op te heffen. Ik ben niet komen opheffen maar volmaken » (Mt 5, 17).

Anderzijds betekende het wel een hele ommekeer voor de mensen die kennis hadden van of misschien zelfs geleefd hadden in de gemeenschappen van de “zonen van het Licht” [in Qumrân] of van de Doper, die de wet van Mozes zo volmaakt mogelijk onderhielden – geen Farizeeërs zoals Sint-Paulus maar vrome en oprechte Essenen. Zij zegenen de Wet, die door Paulus veroordeeld wordt! De reden is, vreemd genoeg maar duidelijk betuigd van het begin (Hd 2, 46) tot het einde (Hd 21, 17-26), dat Jezus de kwestie hangende gelaten had van het dubbele lidmaatschap van hen die het geloof zouden omhelzen terwijl ze ondertussen « ijveraars voor de Wet » (Hd 21, 20) bleven. Laten we bescheiden blijven. Wie had toen kunnen begrijpen dat de twee partijen tot overeenstemming zouden komen in een hogere waarheid, die de Kerk van de H. Geest geleerd heeft!

De opwinding in de geesten neemt rond het jaar 49 alleen maar verder toe. Er groeit een zekere argwaan ten opzichte van Petrus, en we zien de ster van Jacobus de Jongere rijzen. Na het incident van Antiochië, waarin Petrus en Paulus aantonen dat ze het met elkaar eens zijn, zwijgen de joodsgezinden... tijdelijk.

HET CONCILIE VAN JERUZALEM

Ten gevolge van ernstige incidenten in Antiochië en op andere plaatsen houdt de christelijke gemeenschap een eerste “concilie” in het jaar 49. De hoofdfiguren van de verschillende tendensen zijn aanwezig: de leiders van 1° de missies onder de heidenen, Paulus en Barnabas; 2° van de missies onder de Joden, Petrus; 3° van de Kerk van Jeruzalem, de Moederkerk, Jacobus.

Na de discussie zet Petrus zijn theologie uiteen, die hij weergeeft als erkend door iedereen. Hij besluit in het voordeel van de stelling van Paulus:

« Broeders, gij weet dat God reeds lang geleden mij onder u heeft uitverkoren opdat de heidenen door mijn mond het woord van het Evangelie zouden horen en zouden geloven. En God, die de harten doorgrondt, heeft voor hen getuigd door hun de H. Geest te schenken, juist als aan ons. Ook heeft Hij op geen enkel punt onderscheid gemaakt tussen ons en hen, maar hun harten gereinigd door het geloof. Welnu dan, zoudt gij God willen uitdagen met een juk op de hals der leerlingen te leggen dat noch onze vaderen noch wij zelf hebben kunnen dragen? Neen. Wij geloven dat wij worden gered door de genade van de Heer Jezus Christus, juist zoals zij » (Hd 15, 7-11).

Paulus en Barnabas lichten vervolgens hun apostolische arbeid toe (Hd 15, 12). Tenslotte staat Jacobus recht om aan de joodsgezinde gelovigen zijn mening op te leggen, die er een is van eendracht. In tegenstelling tot wat sommige exegeten zeggen is zijn toespraak niet het bewijs van zijn soeverein gezag over de andere apostelen, maar enkel over de joods-christenen die zich gemakkelijk op hem beroepen. Hij is het die hen ontwapent, niet zonder enkele toegevingen te doen:

« Broeders, luistert naar mij. Simon heeft u uiteengezet hoe God reeds vroeger genadig op de heidenen heeft neergezien om zich uit hen een volk te kiezen tot eer van zijn Naam. Welnu, hiermee stemmen de woorden der profeten overeen, zoals er geschreven staat: “Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David oprichten, haar puinen herstellen en haar weer overeind doen staan, opdat de rest der mensen de Heer zou zoeken, met alle volken waarover mijn Naam is uitgeroepen...” Daarom ben ik van oordeel dat men het aan de heidenen die zich tot God bekeren niet moeilijk moet maken. Maar wel moet men hun voorschrijven dat ze zich onthouden van wat door de afgoden besmet is, ook van ontucht, van verstikt vlees en van bloed » (Hd 15, 13-20).

Op die manier wordt dankzij Jacobus de vrede gered, en vooral dankzij Petrus die zich plechtig garant heeft gesteld voor Paulus.

Een schrijven wordt naar de andere Kerken gestuurd en zo weten we dat in Antiochië net als in Jeruzalem de eensgezindheid wordt gerealiseerd op basis van de theologie van Paulus én Petrus... met behoud van enkele aanbevelingen die heel mozaïsch van geest zijn. Daaruit blijkt, aldus abbé de Nantes, dat « alles niet loyaal en beslissend verliep op dat concilie, waar de joods-christenen zich beriepen op Jacobus tegen Petrus, die zij te gematigd vonden, en tegen Paulus, hun voornaamste tegenstander. Wat men niet had kunnen verkrijgen tijdens de officiële vergadering kaartte men opnieuw aan in de postconciliaire coulissen – toen al! – om zijn doel te bereiken: de anderen, dat wil zeggen de bekeerde heidenen, buiten werken of in een vernederende toestand houden, en zo de enige echte christenen blijven, roemrijke zonen van Abraham en volgelingen van Mozes. »

Want de gemeenschap van Jeruzalem is ziek. Zij is aan handen en voeten gebonden aan haar mozaïsme en gaat ongetwijfeld te zeer op in de utopische discipline van de Essenen; zij leeft temidden van een jodendom waarvan de bezetenheid voortdurend toeneemt; zij is misschien ook vol bitterheid over de vaststelling dat haar traditie opgegeven wordt door de Kerken overal ter wereld. Jeruzalem overleeft, maar zonder roem. Het lijkt er op dat Jacobus en anderen al hun energie hebben opgebruikt in de strijd tegen de vijandigheid en de rancune van bepaalde gelovigen en in het behoud van de eenheid die in 49 bezegeld was. Want elk seizoen komen agitatoren van ver terug naar de hoofdstad om te vertellen over de enorme misdaden van Paulus, “de valse apostel”.

HET GESTOOK VAN DE VALSE BROEDERS

Het drama doemt op uit de schaduwen waarin de herinnering van de eerste christenen het begraven had. De protestantse controverse heeft er de elementen van door elkaar gehaald, door te beweren dat Petrus nooit naar Rome gegaan was. De tragedie kan nu echter in al haar waarachtigheid gereconstrueerd worden, voor een groot deel dankzij Culmann – een protestant! Zijn studie over het martelaarschap van Petrus 4 was het startpunt voor een onderzoek dat uitliep op een schitterende ontdekking: die van het gebeente van de prins van de apostelen... in Rome.

Door Paulus op te hemelen ten koste van Petrus, en meer nog ten koste van Jacobus, verhinderde men zichzelf om de Schriften ten volle te begrijpen. Daarin vinden we nochtans het onbetwijfelbaar bewijs van de grote campagne van de joods-christenen tegen de heiden-christenen.

De twist die in Jeruzalem op vreedzame wijze geregeld was, laait terug op in de verafgelegen gemeenschappen, die minder goed ingelicht zijn en die, bij afwezigheid van de apostelen, het oor lenen aan de alsmaar leugenachtiger campagnes van de zogenaamde aanhangers van Jacobus en de andere « steunpilaren ». In de opeenvolgende brieven van Sint-Paulus kan men deze strijd volgen. Het gaat er om te weten of het geloof in de gekruisigde Christus de werken van de Wet, in het bijzonder de regels van rituele zuiverheid, vervangt. Er zijn drie standpunten: 1° het radicale standpunt van Paulus, die de moraal van de Tien Geboden behoudt maar de joodse riten afschaft; 2° dat van de joodsgezinden, die de joodse en de christelijke wet boven elkaar plaatsen; 3° dat van de apostelen in Jeruzalem, die het radicalisme van Paulus verbinden met het naleven van de joodse riten in de joods-christelijke gemeenschappen.

De joodsgezinden betwisten Paulus het recht om soeverein te beslissen in naam van zijn persoonlijke openbaringen – hij die Christus nog niet eens gekend heeft! Tegen Paulus beroepen zij zich op de andere apostelen. Het concilie van Jeruzalem heeft hen in het ongelijk gesteld en hen het zwijgen opgelegd in de hoofdstad en in de gemeenschappen van Petrus. Maar daarop zaaien zij tweedracht in de Kerken die Paulus gesticht heeft en die, volgens het “conciliair” akkoord, enkel van hem afhangen!

Abbé de Nantes onderstreept dat de apostelen akkoord gaan in 49. Het decreet dat in hun naam gepubliceerd wordt, onderscheidt de twee strekkingen: de joodsgezinde en de hellenistische, en bovendien blijkt duidelijk uit het relaas in de Handelingen dat het de koppige en ongehoorzame joodsgezinden in het ongelijk stelt. Jacobus en Paulus zijn dus in eenheid met elkaar, en het bewijs daarvoor is de leer die zij uiteenzetten in hun beide gelijktijdig geschreven brieven: in de Brief aan de Galaten zet Paulus zijn Evangelie uiteen en gaat hij fel tekeer tegen de joodsgezinden; Jacobus van zijn kant verduidelijkt zijn leer van het geloof en de werken, en bekritiseert ook de joodsgezinden, niet als tegenstanders maar als extremistische aanhangers die hij ondubbelzinnig afkeurt:

« Wie is er onder u wijs en verstandig? Hij tone door eerzame wandel zijn werken, met wijze zachtmoedigheid gepaard. Maar zo gij bittere naijver en twist ronddraagt in uw hart, zet gij u dan niet op tegen de waarheid, en liegt gij dan niet tegen haar? » (Jc 3, 13-14). En verderop: « Vanwaar dan die strijd en dat getwist onder u? » (Jc 4, 1).

De spanningen nemen voortdurend toe. In elk van de steden waar Paulus passeert bekeren zich Joden en Grieken. De apostel spant zich in om niet te vitten over delicate onderwerpen. Maar van zodra de « valse broeders » aankomen, breekt de crisis uit: meningsverschillen, rivaliteiten, achterdocht jegens Paulus, druk op de heidenen om zich te laten besnijden enz. De apostel is bezorgd, en terecht: « Zo gij elkander bijt en verslindt, ziet dan toe dat gij niet door elkaar wordt verteerd » (Ga 5, 15).

HET MARTELAARSCHAP VAN DE APOSTELEN

Sint-Lucas heeft al die intriges niet willen vertellen. En toch, in het licht van de brieven van Sint-Paulus, komen we ze in de Handelingen zelf op het spoor.

Het hoogtepunt is de terugkeer van Paulus in Jeruzalem (Hd 21). We zien hoe Jacobus en « de priesters » hem ontvangen en hem proberen te beschermen tegen de haat van de joodsgezinden. Zelf lijken ze zich niet goed rekenschap te geven van de radicale theologie van Paulus. De vijand daarentegen is scherpzinniger! Onvermijdelijk denkt men aan een complot waarbij de joodsgezinden de haat van de niet-christelijke Joden op de persoon van Paulus gericht hebben, en hen daarbij hun eigen grieven in de mond gelegd hebben: « Israëlieten te hulp! Dit is de man die overal iedereen leert tegen het volk, tegen de Wet en tegen deze plaats [de Tempel]. Ook heeft hij heidenen in de Tempel gebracht en deze plaats ontwijd » (Hd 21, 28).

Het is zonneklaar dat aan de haat van de Joden jegens de christenen nog een ander soort haat toegevoegd is, veel preciezer en gericht tegen hen die zich vrijmaken van de wet en de traditie en tegen hun leider: Paulus.

Tijdens de daaropvolgende gevangenschap van Paulus verdubbelen de valse broeders hun inspanningen. Het bewijs ervoor vindt men in de vreselijke woedeaanval van Paulus aan hun adres: « Opgepast voor de honden, opgepast voor de slechte werkers, opgepast voor de versnijding! » (Fil 3, 2).

Zelfs in Rome stoken de joods-christenen wanneer Paulus daar in de kerker zit: « Sommigen preken Christus uit nijd en strijd, maar anderen toch ook met een zuivere mening. Dezen preken Christus uit liefde, omdat ze weten dat ik voor de verdediging van het Evangelie gevangen zit; anderen echter uit partijzucht en met de verkeerde bedoeling, om daardoor mijn boeien nog te verzwaren. Maar wat doet het er toe? Hoe dan ook, met of zonder bijbedoeling, wanneer Christus maar wordt gepreekt! » (Fil 1, 15-18).

Rome was inderdaad de zetel van een christelijke gemeenschap toen Sint-Paulus er aankwam voor zijn eerste gevangenschap. Deze gemeenschap was echter joodsgezind. Paulus was dan ook heel voorzichtig: « Allereerst breng ik door Jezus Christus dank aan mijn God voor u allen, omdat in heel de wereld uw geloof wordt geroemd. [...] Want ik verlang u te zien om tot uw stichting een of andere geestelijke gave u mede te delen; of liever nog: om in uw midden tezamen de troost te genieten van ons beider geloof, het uwe zowel als het mijne » (Rm 1, 8-12).

Desondanks zou de komst van Paulus hier meer dan elders de haat ontketenen. De apostel had namelijk al moedig een standpunt ingenomen om zijn eigen gelovigen, die zich in Rome kwamen vestigen, te sterken in hun geloof:

« Ik vermaan u, broeders, scherp te letten op hen die tweespalt en aanstoot verwekken tegen de leer welke gij hebt ontvangen; gij moet geen omgang met hen hebben. Want zulke lieden dienen niet Christus onze Heer maar wel hun eigen buik [een allusie op hun fanatieke verdediging van de besnijdenis]. Ze misleiden argeloze harten door vrome praat en gefleem. [...] Ik wil dat gij niet slechts wijs zijt in het goede maar ook bestand tegen het kwaad. Dan zal de God van de vrede de Satan spoedig onder uw voeten verpletteren » (Rm 16, 17-20).

« Geen twist, geen ijverzucht » (Rm 13, 13): we begrijpen waarom dit woord het Leitmotiv van de apostelen is geworden, van alle apostelen!

In 62 is Jacobus de Jongere de marteldood gestorven in Jeruzalem, kort na het langskomen van Paulus, en misschien wel omwille van zijn publieke uiting van vriendschap jegens de apostel van de heidenen. De eerste brief van Petrus, die zeker authentiek is, dateert uit die tijd. Petrus heeft er een oproep tot de naastenliefde van gemaakt; hij voorziet de beproevingen en bereidt zich voor op het komende offer.

Het offer komt inderdaad voor hem: op 13 oktober 64. En voor Paulus, in het jaar 67. Een buitengewoon document, een brief van de H. Clemens (de derde opvolger van de H. Petrus) gericht aan de christenen van Corinthe, leert ons dat Petrus en Paulus de marteldood zijn gestorven als slachtoffers van de haat en de jaloezie van de valse broeders.

« DOOR JALOEZIE EN TWEEDRACHT »

In zijn editoriaal van juli 1977 zei abbé de Nantes: « Ik mediteer over het voorbeeld van onze gelukzalige apostelen en ik ben diep onder de indruk van de schrikwekkende omstandigheden van hun martelaarschap. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat wij in een gelijkaardige catastrofe zullen meegesleurd worden. » Een toespeling op de twisten onder de traditionalisten, die op verschillende punten herinneren aan wat er binnen de primitieve christelijke gemeenschap gebeurde...

Vervolgens citeerde onze Vader uitvoerig de Brief van Clemens aan de christenen van Corinthe en schreef:

« Hij bezwoer hen om op te houden met zichzelf schade te berokkenen en de Kerk in gevaar te brengen met hun tweedracht. De jaloezie en de haat onder broeders zullen altijd fataal zijn voor de Kerk. Om dat te onderstrepen haalt de H. Clemens zeven voorbeelden uit het Oude Testament aan: Kaïn die Abel doodt uit jaloersheid; Ezaü die opstaat tegen Jacob; Jozef verkocht door zijn broers; Mozes die door een medejood verklikt wordt aan Farao; Aäron en zijn zus Myriam die afgunstig zijn op Mozes; Dathan en Abiron die tegen hem in opstand komen; Saül die gegrepen wordt door een moordende razernij tegen David.

« Dan gaat Clemens over tot voorbeelden uit een recenter verleden, een verleden dat nog warm is van de afgunst onder christenen, opperste schande!

« “Maar om de oude voorbeelden terzijde te laten: bekijken we nu de meer recente atleten, de genereuze voorbeelden van onze eigen generatie. Het is door het gevolg van de jaloezie en de nijd dat zij die de hoogste en meest rechtvaardige steunpilaren waren en die streden tot de dood vervolgd werden. Richten we onze blik op de uitzonderlijke apostelen: Petrus, die ten gevolge van een onrechtvaardige jaloersheid niet enkele maar veelvuldige kwellingen leed en die, na zijn getuigenis te hebben afgelegd, heengegaan is naar het glorierijke verblijf dat hem verschuldigd was.

« “Het is als gevolg van jaloezie en tweedracht dat Paulus de prijs van het geduld heeft getoond. Zevenmaal geketend, verbannen, gestenigd, tot heraut geworden in Oost en West, heeft hij voor zijn geloof een schitterende roem verworven. Na de gerechtigheid geleerd te hebben aan de hele wereld [...] heeft hij zo de aarde verlaten en is hij heengegaan naar de heilige plaats.

« “Deze mannen van wie het leven heilig was, werden vervoegd door een grote menigte uitverkorenen die, ten gevolge van de jaloezie, veel smaad en folteringen moesten ondergaan en die onder ons een schitterend voorbeeld nalieten...” »

Robinson heeft aangetoond dat deze brief moet gedateerd worden vóór de verwoesting van de Tempel van Jeruzalem in het jaar 70, want net als Paulus in de Brief aan de Hebreeën spreekt Clemens over de praktijk van de joodse eredienst die nog doorgang vindt in de Tempel 5.

Zo weten we dat onder keizer Nero de verklikking aan de basis lag van de vervolging, en dat zij tegelijkertijd aan heel de Kerk duidelijk maakte dat de waarheid verbonden was met Petrus.

Een laatste apostel bleef over om de waarheid helder te verkondigen: Johannes. In kapittel 11 van het Boek van de Openbaring toont hij de « twee getuigen, fakkels die voor de heerser der aarde staan », Petrus en Paulus, voorzien van de macht van Mozes de wetgever en Elias de profeet, martelaren die verheerlijkt zijn door de almacht van God « ten aanschouwen van hun vijanden ».

broeder Bruno van Jezus-Maria
HIV nr. 65, september-oktober 2013, pp. 5-10


(1) Zie het artikel Sint-Jan de Doper, van Qumrân tot Bethanië in Hij is verrezen! nr. 64, juli-augustus 2013.

(2) Zie het artikel De moeder van alle kerken in Hij is verrezen! nr. 61, januari-februari 2013.

(3) De Hebreeën zijn de eigenlijke Palestijnse (christelijke) Joden, die het Aramees als moedertaal hebben. De hellenisten spreken Grieks.

(4) Oscar Culmann, Petrus. Jünger, Apostel, Märtyrer, Zürich 1952.

(5) John A. T. Robinson, Redating the New Testament, Cambridge 1976.