De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

ALBINO LUCIANI EN FATIMA

Bijna veertig jaar geleden straalde over de Kerk en de wereld het korte maar onvergetelijke pontificaat van paus Joannes-Paulus I. Toen het derde Geheim van Fatima bekend gemaakt werd, begrepen abbé de Nantes en broeder Bruno onmiddellijk dat Albino Luciani de paus was naar wie in het Geheim verwezen werd  : «  een Bisschop in het Wit gekleed  » die verscheen «  in een immens Licht dat God is  ». Een nauwkeurige studie maakte duidelijk hoezeer het lot van paus Luciani inderdaad met Fatima verweven was.

IN het jaar 1977, toen het pontificaat van paus Paulus VI stilaan naar zijn einde liep, werden de open­baringen van Fatima nog altijd geheim gehouden en met misprijzen behandeld in de Kerk. De zestigste verjaardag van de verschijningen werd in Rome zo goed als doodgezwegen.

EEN BIJZONDERE GENADE

Albino Luciani, paus Joannes-Paulus I.

Albino Luciani, paus Joannes-Paulus I.

Maar precies in dat jaar begon Fatima, door een speciale genade van uitverkiezing, een gewichtige plaats in te nemen in het leven, de geest en het hart van Albino kardinaal Luciani, de toenmalige patriarch van Venetië. Op een avond in januari 1977 was hij in de gelegenheid om de lange toespraak te lezen die kardinaal Roncalli (de latere paus Joannes XXIII) op 13 mei 1956 gericht had tot de bede­vaarders van Fati­ma. De patriarch was er erg van onder de indruk. Hij schreef toen een ho­milie die hij op het feest van Driekoningen uitsprak in de basiliek van San Marco  :

«  Na de vespers zal een vrome traditie, ingesteld door kardinaal La Fontaine, ons allemaal – patriarch, geestelijkheid en alle gelovigen – in processie en tijdens het zingen van de litanieën van Loreto leiden tot aan de voeten van de Madonna Nicopeia, “ de Maagd die de overwinning bewerkt ”. In onze basiliek telt men meer dan veertig voorstellingen van de H. Maagd  ; maar de meest vereerde is de Nicopeia [een icoon versierd met kostbare edelstenen, in 1204 meegebracht uit Constantinopel – nvdr], die door de Venetianen sedert vele eeuwen aanroepen wordt en overladen met geschenken, offeranden en ex voto’s. Iedereen weet dat.

«  Wat misschien minder is geweten is het feit dat kardinaal Roncalli zichzelf een ideale boog voorstelde waarvan het beginpunt de Nicopeia zou zijn en het eindpunt Fatima, waardoor het Oosten en het Westen verenigd zouden zijn, de patriarch van Lissabon met die van Venetië, de Adria­ti­sche Zee met de Atlantische Oceaan. Hij vertolk­te die gedachte op 13 mei 1956, in het besluit van zijn ho­milie uitgesproken op het grote plein van Fati­ma, in aanwezigheid van het voltallige Portuge­se episcopaat en een half miljoen bedevaarders 1.

«  In 1977 is het precies de zestigste verjaardag van de verschijningen. In het spoor van mijn vereerde voorganger meen ik ook enkele woorden over Fatima te moeten zeggen, ter ere van de H. Maagd  » (Opera omnia, dl. 8, p. 12).

Zijn relaas van de verschijningen was gedetailleerd en boeiend. De kardinaal legde er zich in het bijzonder op toe om het buitengewone, miraculeuze karakter van het zonnewonder (13 oktober 1917) aan te tonen  :

«  De Maagd Maria is lang­zaam aan verdwenen, en plots roept Lucia luid  : “ Kijk naar de zon  ! ” Iedereen kijkt. De zon heeft zich een weg gebaand door de wolken. Ze gelijkt op een zilveren schijf, iedereen kan ze zomaar bekijken, ze verblindt niet. Het is alsof men een zonsverduistering bijwoont.

«  Plots stijgt een enorm geroep op  : “ Mirakel  ! Mirakel  ! ” De houding van de massa doet denken aan het Bijbelse beeld van het Godsvolk waaraan Jahweh verschijnt. Iedereen staart vol verbazing, met ingehouden adem en het hoofd ontbloot, naar de hemel  : de zon is losgekomen van het uitspansel, ze beweegt, ze “ danst ”, zoals de toeschouwers zeggen...  »

De tekst van de homilie werd gepubliceerd in het diocesaan tijdschrift van Venetië. Opvallend is dat de patriarch wel verschillende woorden van Onze-Lieve-Vrouw aanhaalde, maar dat hij zweeg over alles wat betrekking had op de devotie tot het Onbevlekt Hart van Maria. Vanwaar die gereserveerdheid  ?

Albino Luciani kende de stellingen van de Belgische jezuïet Edward Dhanis, die het getuigenis van zuster Lucia verdacht maakte, maar hij wist niet dat die stellingen op grondige wijze weerlegd waren, meer bepaald door de Portugese jezuïeten Da Fonseca en Veloso, door de Nederlandse montfortaan Hubert Jongen en door de claretijn Joaquín M. Alonso, de officiële expert.

OP BEDEVAART NAAR FATIMA

Vier maanden later, op 1 mei, schreef de patriarch aan zijn gelovigen om hen aan te moedigen zich van ganser harte aan te sluiten bij de viering van de zestigste verjaardag van de verschijningen. Hij moedigde zijn biechtvader, pater Leandro Tiveron, aan om een bedevaart van Venetianen naar Fatima te organiseren.

Op een dag vroeg de pater  :

– Eminentie, zou u akkoord gaan om ons te vergezellen  ?

– Ja, zeker, het is een verlangen dat ik al geruime tijd koester. Het is een geheime belofte die ik aan de Madonna gedaan heb.

Kort daarna belde de kardinaal naar de markiezin van Cadaval, een oude vriendin van Venetiaanse afkomst die gehuwd was met een lid van de Por­tugese aristocratie. Hij wou haar vragen om de bedevaart ter plaatse in goede banen te leiden.

– Eminentie, antwoordde ze, dat kan ik niet. Ik ben helemaal niet gekwalificeerd om die opdracht op mij te nemen. U zou in contact moeten treden met de patriarch van Lissabon, ofwel u richten tot het Vaticaan.

De kardinaal onderbrak haar  :

– Neen, dat is onmogelijk  ! Ik wil niets regelen met het Vaticaan. In het Vaticaan huist de duivel.

Er kan geen twijfel over bestaan dat Albino Luciani inderdaad die indrukwekkende uitspraak gedaan heeft 2. Wellicht dacht hij daarbij aan wat hij wist over de financiële verduisteringspraktijken van de Milanese maffia die toen oppermachtig was in het Vaticaan (zie het artikel De moord op de Goede Herder in Verrijzenis nr. 3, mei-juni 2001).

De bedevaart van de Venetianen vond plaats van 9 tot 11 juli 1977. Omdat hij het vliegtuig waarin zijn medepelgrims plaats genomen hadden, gemist had, vertrok de kardinaal op zaterdag 9 juli met een nachtvlucht vanuit Rome. Hij landde in de vroege ochtend in Lissabon en bereikte per auto Fatima, juist op tijd om als hoofdcelebrant de plechtige Mis op te dragen op het reusachtige plein van de Cova da Iria, waar het beeld van de H. Maagd in processie rondgedragen werd. Tijdens zijn preek zei hij het volgende  :

«  Beminde broeders en zusters, vandaag gaat mijn groot verlangen in vervulling om in Fatima te zijn om onze goede Moeder Maria te bedanken voor alle genaden waarmee zij mijn leven sinds mijn kinderjaren overladen heeft. Het is met veel emotie dat ik hier tot u spreek, op de plek waar de H. Maagd verschenen is aan de herdertjes Jacinta, Francisco en Lucia. […]

«  In ons hart weerklinken de woorden van de engel aan de kinderen  : “ Ik ben de Engel van de vrede, bid samen met mij  : Mijn God, ik geloof, ik aanbid, ik hoop en ik hou van U. Ik vraag U vergiffenis voor de mensen die niet geloven, niet aanbidden, niet hopen en niet van U houden. ” En de woorden van de H. Maagd  : “ Bid, bid veel, kinderen, en doe offertjes voor de zondaars. Veel zielen gaan naar de hel omdat niemand zich voor hen offert of voor hen bidt. Bid elke dag het rozenhoedje om het einde van de oorlog en de vrede te bekomen. ” […]

«  Tijdens haar laatste verschijning, op 13 oktober 1917, zei de Madonna tot de herdertjes  : “ Ik ben Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans. Ga verder met elke dag het rozenhoedje te bidden. De oorlog gaat eindigen en de soldaten zullen terug naar huis komen. Wanneer jullie het rozenhoedje bidden, zeg dan na elk mysterie  : O mijn Jezus, vergeef ons onze zonden, behoed ons voor het vuur van de hel en neem in uw Paradijs alle zielen op, vooral diegene die uw barmhartigheid het meest nodig hebben. ” De woorden en de vragen van de H. Maagd aan de herdertjes zijn als een noodkreet die in elke verschijning terugkomt tijdens dat jaar dat voor de mensheid zo vervuld was van onheil. Onze-Lieve-Vrouw vraagt te bidden, boete te doen en offers te brengen tot eerherstel voor de beledigingen haar Zoon Jezus en haar Onbevlekt Hart aangedaan...  » (opgetekend door Camillo Bassotto in “ Il mio cuore è ancora a Venezia ”  : Albino Luciani, 1990, pp. 114-115).

Tijdens zijn bedevaart werd kardinaal Luciani bijzonder gesticht door de vroomheid van de Portugezen, van wie er velen op hun knieën de “ boeteweg ” aflegden, zoals Lucia voor de eerste keer had gedaan in 1919 om de genezing van haar moeder te bekomen. In de namiddag, toen hij de groep van zijn stadsgenoten terug vervoegd had, begaf hij zich naar de basiliek om te bidden op de graven van Francisco en Jacinta. Daarna volgde hij als een eenvoudige geestelijke samen met zijn medepelgrims de staties van de kruisweg van de Hongaren, op de heuvel die de Cova da Iria scheidt van Aljustrel. «  Ik ben te weten gekomen  », aldus Luisa Vannini di Gorizia, een van de bedevaarders, «  dat hij een groot deel van de volgende nacht in gebed heeft doorgebracht  » (Bassotto, op. cit., p. 115).

ONDERHOUD MET ZUSTER LUCIA

Zuster Lucia

Zuster Lucia in de karmel van Fatima in 1980.

Op maandagmorgen 11 juli begaf kardinaal Luciani zich met zijn bedevaarders naar Coïmbra, waar hij de Mis concelebreerde in de kapel van de karmel. Daarop «  liet zuster Lucia langs haar overste om weten dat ze vurig verlangde hem te spreken  ; de patriarch, tegelijk verrast en blij, antwoordde dat hij graag zuster Lucia wou begroeten  » (Bassotto p. 115).

Het is een plechtig ogenblik. Het is Onze-Lieve-Vrouw die dit onderhoud tussen haar dienaar en haar boodschapster wou doen plaatsvinden, want in zijn uiterste bescheidenheid had de kardinaal zelf er helemaal niet aan gedacht om een gesprek te ­vragen.

Kende de zieneres de patriarch van Venetië of toch minstens zijn reputatie  ? Men kan dat veronderstellen. Want de markiezin van Cadaval was sinds 1970 de gewone tolk van zuster Lucia  : zij bezocht haar tweemaal per maand, dankzij een speciale toelating van de H. Stoel, om haar te helpen met haar briefwisseling. Vermits de markiezin een hoge achting voor de kardinaal had, is het dus mogelijk dat zij zuster Lucia gesproken heeft over zijn deugden en verdiensten.

Alleen kardinalen hebben door een bijzonder privilege het voorrecht om de clausuur van de karmel te betreden. Kardinaal Luciani ging daarom alleen naar binnen en vroeg aan zijn secretaris, don Diego Lorenzi, om op hem te wachten. «  Ik kom vlug terug  », zei hij hem.

Heel opmerkelijk  : «  Zuster Lucia zou hem bij de verwelkoming “ H. Vader ” genoemd hebben  », lezen we bij Andrea Tornielli (Papa Luciani. Il parroco del mondo, 1998, p. 113).

Patriarch van Venetië.

Patriarch van Venetië.

De patriarch van Venetië verstond vrij goed Portugees  : «  Ik heb de taal in grote lijnen geleerd alvorens ik enkele weken in Brazilië doorbracht  » (Albino Luciani in het katholiek weekblad Gente Veneta, 23 juli 1977). Daarom trok de markiezin zich terug «  van zodra het gesprek te persoonlijk werd  », zoals ze mij zei tijdens mijn ontmoeting met haar in februari 1993. De kardinaal bleef dus alleen met zuster Lucia voor een lang onderhoud dat bijna twee uur duurde.

Toen hij de karmel verliet, waren zijn medepelgrims al aangekomen bij hun restaurant  ; de prelaat kwam er erg laat toe. «  Hij ging bijna recht tegenover mij zitten  », aldus Luisa Vannini. «  Hij was karig met zijn woorden, grapte wat over zijn onderhoud met de zuster, at weinig en snel. Op zijn ongewoon bleek gezicht kon ik zijn levendige emotie lezen. Alle priesters die langs hem kwamen, begroetten hem. Sommigen stelden hem vragen om iets te weten te komen over zijn lang gesprek, maar het viel me op dat hij niet antwoordde en dat zijn glimlach, die altijd zo spontaan was, nu als het ware bevroor. Ik had de indruk dat kardinaal Luciani een emotionele schok had meegemaakt en dat hij nog onder de invloed daarvan was  » (verslag van Luisa Vannini in de archieven van het heiligdom van Fatima).

Juffrouw Vannini voegt daar nog aan toe dat de patriarch beloofd had haar een kort onderhoud toe te staan. «  Ik wou hem over mijn leven spreken. Hij verontschuldigde zich echter met de woorden  : “ Nu kan ik niet, ik zal het in Venetië doen. Ik moet teruggaan naar Fatima, ik wil met de Madonna spreken. ” Hij heeft werkelijk “ spreken ” gezegd. “ Zuster Lucia heeft mijn hart bezwaard met een grote zorg. Vanaf nu kan ik Fatima niet meer vergeten. ” Die woorden heeft hij tegen mij gezegd, ik herinner het me nog heel goed, toen hij het restaurant verliet om in de auto te stappen die de markiezin van Cadaval hem ter beschikking had gesteld om naar Lissabon terug te keren  » (Bassotto, op. cit., p. 116).

«  EEN GROTE ZORG  »

Tijdens de tocht naar Lissabon, na een kort oponthoud in Fatima, bad kardinaal Luciani het rozenhoedje met zijn secretaris en een andere geestelijke. In de Portugese hoofdstad wou hij niemand ontmoeten. Hij was ontroerd, hoewel hij al het mogelijke deed om dat te verbergen.

Alvorens de redenen voor zijn ontroering te ontsluieren, moeten we de draagwijdte onderstrepen van bepaalde vertrouwelijke opmerkingen die hij later deed aan zuster Vincenza, de religieuze die voor hem zorgde in Venetië. Die opmerkingen bewijzen hoezeer hij onder de indruk was gekomen van de persoonlijkheid en de heiligheid van de zieneres. Na zijn ontmoeting met haar wist hij wat hij moest denken van de theorieën van Dhanis  : hij kon niet meer twijfelen aan de absolute waarheid van het getuigenis van Lucia.

Op een ochtend, toen hij zijn kop koffie dronk, zei hij tegen zuster Vincenza  : «  Zuster Lucia zal na haar dood gekend en bemind zijn in heel de wereld, zoals de H. Bernadette van Lourdes het is. De ganse wereld zal op de hoogte zijn van de buitengewone feiten en de bekeringen bewerkt door Onze-Lieve-Heer en door de Madonna in antwoord op de gebeden van zuster Lucia. Toen de eenzaamheid haar het zwaarst viel en de vijandigheid van haar omgeving op zijn hoogtepunt was, ten tijde van de verschijningen zelf, was de H. Maagd op zichtbare wijze bij haar. “ Lucia, je lijdt veel ”, zei ze tot het meisje, “ maar verlies de moed niet. Ik zal je nooit in de steek laten. Mijn Onbevlekt Hart zal je toevlucht zijn en de weg die je tot God zal voeren ”  » (Bassotto p. 116).

Bij een andere gelegenheid zei hij  : «  Zuster Lucia is een buitengewone vrouw, sterk en betrouwvol. Ze heeft het karakter van een boerenmeisje en beschikt over een onvoorstelbaar geheugen. Ze spreekt met korte, losse zinnen die recht naar de kern van de problemen en de feiten gaan. Op 70-jarige leeftijd heeft ze de frisheid van een jong meisje bewaard. Ze heeft heldere ogen. Ze is eenvoudig, spontaan, kalm en vriendelijk. […] Ze spreekt openhartig en zoekt niet naar haar woorden. Ze is grondig overtuigd van wat ze zegt en ze zegt het met gedrevenheid  » (ibid.).

We dienen hier op te merken dat de kardinaal in het verslag dat hij zelf over zijn onderhoud schreef en dat gepubliceerd werd in Gente Veneta uitdrukkelijk aanstipte  : «  Zuster Lucia heeft me niet gesproken over de verschijningen.  » Dat betekent dat zij hem niet expliciet het derde Geheim geopenbaard heeft  ; ze hield zich aan de zeer strikte orders van het H. Officie die haar verbod oplegden het te onthullen. Bassotto bevestigt dat trouwens  : «  Toen men aan kardinaal Luciani vroeg of zuster Lucia hem over het Geheim gesproken had, antwoordde hij van niet  » (p. 114).

Hoe dient dan de zo levendige emotie van de patriarch verklaard te worden  ? Wat is het “ geheim ” dat de zieneres hem meegedeeld heeft en dat hem zo diep geschokt heeft  ?

EEN PERSOONLIJK GEHEIM

In februari 1978, bij het begin van de Vasten, ging Albino Luciani preken in zijn geboortestreek, in Canale d’Agordo. Zijn broer Edoardo en zijn schoonzus, die hem thuis ontvingen, merkten op dat hij er zorgelijk uitzag en in zichzelf gekeerd. Op 27 februari, tijdens het avondmaal, zag zijn schoonzus dat hij zeer bleek was en angstig leek. Hij verontschuldigde zich, nam zijn brevier en trok zich zonder enige verklaring te geven terug op zijn kamer. De avond daarop scheen hij zich opnieuw slecht te voelen. Mevrouw Luciani vroeg hem of het voedsel dat zij hem voorzette hem misschien niet goed bekwam, maar de kardinaal antwoordde  : «  Ik was aan het denken aan wat zuster Lucia mij in Coïmbra gezegd heeft.  » Hij herhaalde nog twee keer  : «  Zuster Lucia heeft me gezegd...  », zonder zijn zin af te maken (Regina Kummer, Albino Luciani, papa Giovanni Paolo I. Una vita per la Chiesa, 1988, p. 542).

Edoardo Luciani heeft dat getuigenis nog vaak hernomen, ondermeer in een handgeschreven brief die hij op 1 maart 1996 richtte aan een van onze zusters van het Maison Sainte-Marie.

Tijdens diezelfde missie in zijn geboortedorp werd de patriarch ondervraagd door enkele jongeren. «  Een van hen wou weten of hij ooit verloofd was geweest. “ Neen ”, antwoordde hij, “ vanaf mijn jeugd heb ik altijd priester willen zijn. ” Een ander vroeg of het hem zou bevallen tot paus verkozen te worden. Er trok een schaduw over het gelaat van de kardinaal. Hij zweeg een ogenblik, wat de jongeren verbaasde. Toen zei hij  : “ Bid de Heer en de Maagd Maria opdat de patriarch geen paus zou worden ”  » (Kummer, ibid.).

Op een foto die in die tijd genomen werd, in Canale, ziet men de kardinaal naast Mgr. Bramezza en verschillende priesters staan. In tegenstelling tot alle anderen glimlacht hij niet. De diepe ernst die zijn gelaat uitstraalt, is indrukwekkend. «  Hij heeft de blik van iemand die weet dat hij gaat sterven  », is het commentaar van Regina Kummer (op. cit., p. 542). Zijn verwanten en vrienden werden bijzonder getroffen door de woorden die hij tot afscheid sprak  ; ze zagen er zijn testament in  : «  Ook wij zijn pelgrims op weg naar de Hemel… De Heer laat ons niet in de steek, Hij schenkt ons zijn genade om tot de heiligheid te komen  » (ibid.).

Had de patriarch het voorgevoelen van zijn naderende dood  ? Zeker. En don Lorenzi, zijn secretaris, was ervan overtuigd dat er een verband was tussen zijn intuïtie en de openbaringen die zuster Lucia hem gedaan had (tijdschrift Madre di Dio, februari 1980).

Edoardo Luciani bewaarde in zijn hart de kostbare herinnering aan de laatste gebaren en woorden van zijn geliefde broer. «  Alles is duidelijk geworden toen wij alle toespelingen die mijn broer tijdens verschillende gesprekken deed verzameld hebben. De zieneres had hem iets aangekondigd dat niet alleen te maken had met de Kerk, maar ook met zijn eigen leven, met het lot dat God hem bereidde  » (Il Sabato, 28 augustus 1993).

«  IK BEN BUITEN GEVAAR  »

Paus Paulus VI overleed op 6 augustus 1978. Aan de vooravond van zijn vertrek naar Rome, waar hij moest deelnemen aan het conclaaf, stapte kardinaal Luciani door een volkswijk van Venetië. Enkele kinderen riepen hem vrolijk toe  : «  Kijk daar  ! De volgende paus  !  » Albino Luciani antwoordde glimlachend  : «  O nee, dat zal ik niet zijn, maar iemand anders. Kom, laten we voor die ander samen een weesgegroetje bidden.  » Ondanks zijn ontkenning moet de kardinaal wel gedacht hebben dat de waarheid uit een kindermond komt, tenminste toch wanneer hij van zuster Lucia vernomen had – en alles wijst er op dat dit inderdaad zo was – dat hij de volgende paus zou zijn…

In Rome, op 10 augustus, nam de patriarch van Venetië samen met zijn secretaris, don Lorenzi, zijn intrek in het internationaal college van de augus­tijnen, vlakbij de colonnade van Bernini. Hij sloot discreet aan bij de commu­nauteit van de religieuzen, als was hij een simpele broeder.

’s Morgens begaf hij zich naar de algemene congregaties van de kardinalen, maar «  hij deed al het mogelijke om in de schaduw te blijven  », volgens kardinaal Gouyon (J. Bourdarias, Les fumées du Vatican, 1979, p. 137). In de namiddag nam hij geen deel aan de consultaties onder de kardinalen met het oog op het conclaaf. Hij trok zich terug bij de augustijnen om de conferenties voor te bereiden van een retraite die hij weldra zou moeten houden voor de clerus van Venetië. Vervolgens wandelde hij in zijn eentje rond in de tuin van het college om zijn brevier te lezen en het rozenhoedje te bidden.

Op 22 augustus wees senator Innocenti di Coneg­liano de patriarch er in een vriendschappelijk gesprek op dat bepaalde journalisten verkondigden dat hij de uitverkorene van het H. College zou worden. Luciani protesteerde en zei «  dat dit nieuwtje nergens op steunde en dat, als het bewaarheid zou worden op het conclaaf, het voor hem een tragedie zou zijn  » (aangehaald in Humilitas, juli 2001, p. 8).

Twee dagen later nodigde kardinaal Thiandoum, de aartsbisschop van Dakar, Albino Luciani uit om samen met hem te eten bij de zusters Madri Pie. «  Er zijn pronostieken die aantonen dat het H. College voor u zou kunnen stemmen  », zei de aartsbisschop. «  Dat gaat me helemaal niet aan  », repliceerde de patriarch, die daarop zorgelijk werd en in gepeins verzonk (Bourdarias, op. cit., p. 127).

Diezelfde 24ste augustus schreef hij haastig enkele korte brieven. Die aan dokter Gianni Urbani luidde als volgt  : «  Zelfs al is het uiteindelijk de Heer die de Kerk leidt, toch is het heel belangrijk dat de Plaatsvervanger van Christus een waarachtige man Gods is. Door de stem die men uitbrengt bijdragen tot de keuze van zo iemand, met de vinger een persoon aanwijzen en tot de Heer zeggen  : “ Neem deze ”, het is een grote verantwoordelijkheid die diepe indruk op mij maakt. Gelukkig ben ik zeker dat ik die persoon niet zal zijn, ondanks wat fabeltjes van journalisten. “ Dat is allemaal slechts ijdel kabaal ”, zou de H. Pius X gezegd hebben  » (Opera omnia, dl. 9, pp. 503-504).

Aan zijn nichtje Pia Luciani schreef hij  : «  Ik weet niet hoelang het conclaaf zal duren. Het is moeilijk om diegene te vinden die in staat zal zijn de confrontatie aan te gaan met zoveel problemen die heel zware kruisen zullen zijn. Gelukkig ben ik zelf buiten gevaar. Het is al een zware verantwoordelijkheid zijn stem uit te brengen in die omstandigheden  » (ibid.). «  Toen ik die regels las  », onderstreepte Pia later, «  begreep ik zijn bezorgdheid en zijn angst  : de angst van iemand die weet dat hij wellicht de uitverkorene zal zijn  » (Kummer, op. cit., p. 560).

Regina Kummer geeft volgend commentaar  : «  De nadruk waarmee Albino Luciani er voortdurend op hamerde dat hij “ buiten gevaar ” was, lijkt voor hem een manier geweest te zijn om zichzelf gerust te stellen, een poging om zich te bevrijden van een angst die hem verstikte. Als hij werkelijk zelf niet geloofd had in zijn mogelijke uitverkiezing, waarom zou hij die dan aangevoeld hebben als een gevaar  ? […] Neen, hij was niet “ buiten gevaar ”. Integendeel, het gevaar was dreigend nabij. Hij wist het, of tenminste  : hij zag het onder ogen, en hij probeerde zijn gevoelens voor de zijnen te verbergen  » (ibid., p. 29, 563).

EEN GEÏNSPIREERD CONCLAAF

Het conclaaf begon in de late namiddag van vrijdag 25 augustus 1978. Toen de patriarch vertrok naar het Vaticaan, zei don Lorenzi hem  : «  Eminentie, morgen rond deze tijd zal u al veel stemmen ten gunste van uzelf verzameld hebben.  » Luciani antwoordde  : «  Hoe dan ook, als ze me paus maken zal ik weigeren. Ik zal hen zeggen  : “ Beste kardinalen, het spijt me, kies iemand anders ”  » (Humilitas, april 2002, p. 6).

’s Anderendaags, bij de tweede stemronde, kwam al een groot aantal stemmen op de patriarch van Venetië terecht. «  Toen we rond vier uur in de namiddag naar de Sixtijnse kapel gingen voor de derde stemming  », vertelde kardinaal Malula later, «  kwam ik patriarch Luciani tegen. Ik omhelsde hem omdat de oriëntaties van het conclaaf al aantoonden dat er iets op til was. Hij zei me  : “ Tempestas magna est super me ”, “ Er hangt mij een grote storm boven het hoofd ”  » (G. Huber, Jean-Paul Ier ou la vocation de Jean-Baptiste, 1979, p. 98).

Toen tijdens het tellen van de stemmen van de vierde ronde alsmaar meer kardinalen op hem bleken gestemd te hebben, werd hij volgens het getuigenis van de Braziliaanse kardinaal Lorscheider «  heel bleek  ». Anderen zagen hoe hij verschillende keren zijn gezicht tussen zijn handen verborg.

Zijn rechterbuur, kardinaal Willebrands, fluisterde hem in het oor  : «  Moed  ! Wanneer de Heer iemand een last op de schouders legt, dan schenkt Hij ook de genade om het gewicht ervan te dragen.  » De linkerbuur van de patriarch, kardinaal Ribeiro van Lissabon, zei zachtjes  : «  Heb geen schrik, in heel de wereld zijn er zoveel mensen die nu bidden voor de nieuwe paus  » (Huber, op. cit., pp. 97-98).

«  Toen zijn uitverkiezing steeds duidelijker werd  », aldus kardinaal Dearden van Detroit, «  werden zijn gelaatstrekken meer gespannen. Maar toen toonde hij plots een soort van overgave, of beter een grote sereniteit  » (ibid.).

Kardinaal Felici, deken van het college van kardinalen, ging naar de patriarch toe om hem een omslag te overhandigen  : «  Een boodschap voor de nieuwe paus.  » Luciani  : «  Dank u, maar dat staat nog niet vast.  » Toen de patriarch de omslag open deed en er een kleine kruisweg in vond, ging hij verder (alsof hij hoopte dat kardinaal Felici in het van hinderlagen vergeven Rome zijn Simon van Cyrene zou zijn)  : «  De weg van de pausen wordt gekenmerkt door het Kruis. Help deze arme Plaatsvervanger van Christus om het Kruis te dragen. Help hem om de Calvarie te beklimmen, voor het goed van de Kerk, het goed van de zielen en het goed van de mensheid  » (aangehaald in John Paul I. The Smiling Pope, door een karmelietes, 1985, p. 63).

De eerste verschijning van de nieuwe paus op het balkon van de Sint-Pieter, 26 augustus 1978. Uiterst links staat de Franse kardinaal Villot, de staatssecretaris van Paulus VI, die een sinistere rol zou spelen in de eerste uren na het overlijden van Joannes-Paulus I.

De eerste verschijning van de nieuwe paus op het balkon van de Sint-Pieter, 26 augustus 1978. Uiterst links staat de Franse kardinaal Villot, de staatssecretaris van Paulus VI, die een sinistere rol zou spelen in de eerste uren na het overlijden van Joannes-Paulus I.

Op het einde van de telling bleek Albino Luciani bijna unaniem tot paus verkozen te zijn. Eén van de kardinalen riep uit  : «  Et exaltavit humiles  !  » («  En God heeft de nederigen verheven  »).

Later zou Albino Luciani aan Mgr. Bosa, vicaris-generaal van Venetië, toevertrouwen dat hij niet met eenstemmigheid verkozen was, maar «  bijna unaniem  ». De Italiaanse journalist Gianni Valente lichtte twintig jaar later een tipje van de sluier op  : «  De laatste personen om zich te schikken in de keuze voor Luciani waren enkele Europese bisschoppen, ondermeer de Oostenrijker Franz Koenig, die een maand later de grote gangmaker zou worden van de uitverkiezing van Karol Wojtyla. De aartsbisschop van Madrid, Vicente Enrique y Tarancon, heeft dat verklapt door te vertellen over de bijeenkomst die in zijn kamer plaatsvond met vertegenwoordigers van het conciliair progressisme, zoals Suenens, Alfrink, Koenig  : “ Wij hebben met elkaar gesproken ”, zei hij, “ omdat wij voelden dat het met het conclaaf de verkeerde richting uitging ”  » (30 giorni, augustus 1998, p. 10).

Toch legden ook de progressisten zich uiteindelijk opmerkelijk snel neer bij wat een onweerstaanbare stuwing leek. «  Wij verwachtten ons aan een lang conclaaf  », aldus kardinaal Lorscheider. «  Maar de gewone tegenstellingen tussen conser­vatieven en progressieven werden helemaal on­dersteboven gekeerd. Er is werkelijk een provi­dentiële tussenkomst van de H. Geest geweest  » (30 giorni, augustus 1998, p. 13).

Ook abbé de Nantes schreef in die zin  : «  We moeten wel degelijk van een mirakel spreken in verband met dat snelle, unanieme conclaaf en die algemene voldoening in de universele Kerk, alsof de verkiezing en de nederige verschijning van de nieuwe paus over de wereld een genade van vernieuwing hebben doen gaan – ik zou bijna zeggen een exor­cisme  : iedereen voelt zich beter, gelukkiger, meer verenigd. In zekere zin  : bevrijd  » (CRC nr. 133, september 1978, p. 3).

DE PAUS VAN HET ZOENOFFER

Familiebijeenkomst bij papa Luciani in het apostolisch paleis.

Familiebijeenkomst bij papa Luciani in het apostolisch paleis.

Even dacht de nieuwe paus er aan om zich Pius XIII te noemen. Hij koesterde een grote verering voor de H. Pius X en hij wist dat zijn heilige voorganger ooit gezegd had dat de pausen met de naam Pius het meest geleden hadden. Hij liet de gedachte echter schieten, omdat hij vreesde, zoals hij later aan een familielid toevertrouwde, «  dat bepaalde groepen in de Kerk van die keuze gebruik zouden maken  » (“ Onderhoud met Antonia Luciani ” in 30 giorni, maart 1992, p. 50).

Na de naam Joannes-Paulus aangenomen te hebben, verscheen de nieuwe Opperherder van de Kerk om halfzeven’s avonds op de loggia van de Sint-Pietersbasiliek. De duizenden toegestroomde gelovigen waren onder de indruk en soms zelfs ondersteboven van de sterke emotie van de paus en zijn zo vriendelijke glimlach.

«  Wat velen voor de rest van hun leven zou bijblijven  », schreef David Yallop, «  was zijn glimlach, de blijdschap die hij uitstraalde. Welk een contrast met de sombere ernst van Paulus VI  ! Toen de nieuwe paus de zegen Urbi et orbi, voor de Stad en voor de wereld, aanhief, was het alsof na een eindeloze reeks van donkere dagen plotseling een verblindend helder zonlicht doorbrak  » (In God’s Name, Ndl. vert. 1984, p. 74).

«  De glimlach van Joan­nes-Paulus I  », aldus Rai­mondo Manzini, «  was de openbaring en de uitdrukking van zijn zachtheid, zijn goedheid en zijn on­verstoorbare eenvoud. Een glimlach die haast niet te verklaren was op het ogenblik waarop hij de emotie onderging zo’n verpletterende taak op de schouders gelegd te krijgen. Die emotie bestormde zijn ziel als een ondergrondse rivier van beklemming en ongerustheid, maar het geloof, de nederigheid en de zekerheid van de steun van de Allerhoogste slaagden er­in de golven tot bedaren te brengen  » (Osserva­tore romano, 28 september 1980).

De paus tijdens het Angelus.

De paus tijdens het Angelus.

In zijn eerste boodschap aan de katholieken over de hele wereld, op 27 augustus, gaf Joannes-Paulus I uiting aan zijn diepe vrees  : «  Onze ziel is nog terneergeslagen bij de gedachte aan het verschrikkelijke dienstwerk waarvoor wij uitverkozen zijn. Zoals Petrus hebben wij de indruk onze voeten op het gevaarlijke water gezet te hebben terwijl een geweldige wind alles opzweept  ; samen met hem hebben wij geroepen  : “ Heer, red mij  ! ”  »

Maar hij vond terug vertrouwen door zijn ogen op te slaan naar de Onbevlekte  : «  De Allerheiligste Maagd Maria, koningin van de apostelen, zal de stralende ster van ons pontificaat zijn.  »

In diezelfde toespraak kan men ook als het ware zijn testament lezen  : «  Het Evangelie roept alle gelovigen op om hun eigen krachten, en hun leven zelf, ten dienste te stellen van onze broeders, in naam van de liefde van Christus  : “ Er is geen grotere liefde dan zijn leven te geven voor diegenen die men liefheeft ” (Jo 15, 13). Op dit plechtig ogenblik willen wij alles wat we zijn en alles waartoe we bekwaam zijn toewijden aan dat hoogste doel, tot aan onze laatste ademtocht, in het bewustzijn van de opdracht die Christus ons heeft toevertrouwd  : “ Bevestig uw broeders ” (Lc 22, 32).  »

Albino Luciani wist dat hij voor het martelaarschap bestemd was – tenminste, dat mag men veronderstellen. Veel van zijn vertrouwelijke opmerkingen lijken wel degelijk te verwijzen naar de mysterieuze profetie die zuster Lucia hem gedaan had.

Kardinaal Sin van Manila had hem bij de aanvang van de derde stemming gezegd  : «  Ik ben er zeker van dat u de nieuwe paus zal zijn.  » Na zijn uitverkiezing vertrouwde Joannes-Paulus I hem toe  : «  U bent een profeet geweest, maar mijn pontificaat zal kort zijn  » (Kummer, op. cit., p. 572).

Daags na zijn uitverkiezing sprak hij met zijn vriend kardinaal Felici  : «  Ik heb op mijn bureautafel de kruisweg geplaatst die u me gegeven hebt. Hij is al begonnen.  » Toen de kardinaal-deken hem deed opmerken dat boven de kleine Via Crucis de verrezen Christus triomfeerde, antwoordde de paus  : «  Ja, maar na de dood  » (The Smiling Pope, pp. 62-63).

«  IK ZAL TERUGKEREN NAAR FATIMA  »

Op 3 september vond de plechtige inauguratie van zijn pontificaat plaats. Voor het begin van de ceremonie trok Joannes-Paulus I zich geruime tijd terug in de crypte van de Sint-Pietersbasiliek, waar hij bad aan de voet van het graf van de H. Petrus – net zoals de H. Pius X het vlak na zijn uitverkiezing had gedaan. Buiten wachtte de mensenmassa. Kardinaal Felici kwam dichterbij en fluisterde de nieuwe Opperherder de liturgische wens in het oor  : «  Mocht de Heer u gelukkig maken op deze aarde  !  » Daarop antwoordde de paus glimlachend  : «  Ja, uiterlijk gelukkig, maar als u zou weten, Eminentie, wat er binnen in mij omgaat...  » (Kummer, p. 28).

Diezelfde dag drukte Joannes-Paulus I op het einde van zijn homilie zijn tedere devotie tot de Onbevlekte Maagd Maria uit  :

«  Wij vatten onze apostolische dienst aan met het aanroepen van de Moeder Gods, Maria, “ Salus populi Romani ” en “ Mater Ecclesiae ”, als schitterende ster die ons pad zal verlichten. De liturgie vereert haar trouwens heel bijzonder in deze sep­tembermaand.

«  Mocht de Maagd die met moederlijke tederheid ons leven als kind, als seminarist, als priester en als bisschop geleid heeft, verder onze stappen verlichten en sturen opdat wij, die de stem van Petrus geworden zijn en ogen en geest gericht hebben op haar Zoon Jezus, met blijde kracht onze geloofsbelijdenis aan heel de wereld zouden verkondigen  : “ Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. ”  »

Diezelfde dag ontving hij het eerbetoon van de kardinalen met zijn innemende hartelijkheid. Tot ieder van hen sprak hij een vriendelijk woord. En vooral, hij vroeg om gebeden  : «  Eminentie, denk eraan om een Ave Maria voor de paus te bidden  » (Huber, op. cit., p. 138).

Wij weten niet of hij tijdens de drieëndertig dagen van zijn pontificaat kennis nam van het derde Geheim van Fatima en wat zijn bedoelingen daaromtrent waren. Zonder twijfel wou hij eerst en vooral de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw van Fatima terug wekken bij de gelovigen.

De gedachte aan het Portugese bedevaartsoord en aan zuster Lucia liet hem niet los. Hij sprak erover met don Germano Pattaro, een Venetiaans theoloog die hij naar Rome geroepen had om zijn raadgever te zijn  :

«  Het is een zaak die me heel het jaar al bezwaart. Ik ben er mijn innerlijke vrede en geestelijke rust bij verloren. Sinds die bedevaart is Fatima niet uit mijn gedachten geweest. Wat zuster Lucia me gezegd heeft, ligt als een gewicht op mijn hart. Ik probeerde mezelf ervan te overtuigen dat het slechts een illusie was. Ik heb gebeden om het te vergeten. Ik zou alles hebben willen toevertrouwen aan een geliefd persoon, aan mijn broer Edoardo, maar ik ben er niet toe gekomen. Die gedachte was te belangrijk, te hinderlijk, te zeer tegengesteld aan mijn hele wezen. Ik kon het niet geloven, en toch is uitgekomen wat zuster Lucia voorzien heeft. Ik ben hier. Ik ben paus.

«  Als ik in leven blijf, zal ik terugkeren naar Fatima om de wereld en meer in het bijzonder de volkeren van Rusland toe te wijden aan de H. Maagd, volgens de aanwijzingen die zij aan zuster Lucia gegeven heeft  » (Bassotto, op. cit., p. 116).

«  Als ik in leven blijf…  » Maar hij bleef niet in leven. Paus Joannes-Paulus I stierf in de nacht van 28 op 29 september 1978, door moordenaarshan­den (zie De moord op de Goede Herder in Verrijzenis nr. 3, mei-juni 2001).

«  Ik voor mij interpreteer de dood van Joannes-Paulus I als een zoenoffer door God aanvaard voor de redding van zijn Kerk en de vrede in de wereld. Zoals die andere mysterieuze dood, die van de patriarch van Leningrad, die stierf in het bureau, in de armen zelf van de paus na van hem vergiffenis gekregen te hebben, mij het profetisch teken lijkt van de bekering van Rusland door de terugkeer van de communisten tot het ware geloof en de vereniging van de oosterse schismatieken met de Roomse Kerk  » (abbé Georges de Nantes, CRC nr. 134, oktober 1978, p. 2).

broeder François van Maria ter Engelen
Hij is verrezen  ! nr. 79, januari-februari 2016
uittreksels uit «  Jean-Paul Ier, le Pape du Secret  » (2003)


(1) Men zou uit deze passage verkeerdelijk kunnen opmaken dat de latere paus Joannes XXIII een grote devotie voor Fatima had. In werkelijkheid zette hij de woorden van de engel en de verschijningen naar zijn hand  : hij zag er vooral de aankondiging in van «  iets ongewoons en goddelijks, een bries die voorafgaat aan een nieuw Pinksteren  ». Fatima als wegbereiding voor Vaticanum II dus  !

(2) Men zou uit deze passage verkeerdelijk kunnen opmaken dat de latere paus Joannes XXIII een grote devotie voor Fatima had. In werkelijkheid zette hij de woorden van de engel en de verschijningen naar zijn hand  : hij zag er vooral de aankondiging in van «  iets ongewoons en goddelijks, een bries die voorafgaat aan een nieuw Pinksteren  ». Fatima als wegbereiding voor Vaticanum II dus  !