De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

SCHERPENHEUVEL
BOLWERK VAN DE CONTRAREFORMATIE

Het loont de moeite om een artikel te wijden aan het belangrijkste Mariaheiligdom van ons land. De geschiedenis van Scherpenheuvel is bijzonder boeiend en de basiliek zelf is vol van een religieuze symboliek die slechts door weinigen gekend is. Veel gegevens hebben we gehaald uit het interessante en rijk geïllustreerde boek dat Luc Duerloo en Marc Wingens in 2002 publiceerden  : «  Scherpenheuvel, het Jeruzalem van de Lage Landen  » (Leuven, Davidsfonds). Zij noemen het genadeoord terecht een uniek voorbeeld van totaalkunst in dienst van de katholieke Contrareformatie in de Nederlanden.

DE ZUIDELIJKE NEDERLANDEN  : EEN OVERWONNEN VOLK  ?

DNederlandse opstand tegen Filips II van Spanje, die begon in 1568, was een uitputtingsslag die tachtig jaar duurde. Bij het begin van de zeventiende eeuw, halverwege de oorlog, was de scheiding van de Nederlanden zich aan het voltrekken. Het Noorden, alsmaar steviger in de greep van de calvinisten van Holland en Zee­land, scheurde zich geleidelijk los van Spanje en zou een zelfstandige republiek worden. Het katholieke Zuiden bleef de Habsburgse kroon trouw onder de aartshertogen Albrecht en Isabella.

De Nederlandse historicus Pieter Geyl, auteur van de monumentale «  Geschiedenis van de Nederlandse stam  » (6 delen, 1930; heruitg. 1962), keek meewarig naar de zuidelijken, die hij «  een overwonnen volk  » noemt, «  onderworpen en afgestreden, verarmd en uitgeput  » (deel 2, p. 393). «  De Zuidelijke Nederlanden  », oordeelt Geyl, «  waren geen baas meer over hun eigen ziel  » (p. 394).

Kanunnik Floris Prims heeft zich in een interessant werk uit 1938, «  De wording van het nationaal bewustzijn in onze gewesten  », fel verzet tegen de zienswijze van Geyl. «  Dit beantwoordt in de verste verte niet aan de mening die deze “ zuidelijken ” van zichzelf en hun land hebben gehad. Geyl grieft ons diep met zijn smadende voorstellingen  », want ze zijn «  in tegenspraak met ieder archiefstuk van die tijd en met ieder Zuid- Nederlands druksel, zoveel er zijn  » (p. 94).

Prims haalt onder meer het onderzoek door Maurits Sabbe aan («  Brabant in ’t verweer  », 1933)  : «  In Holland is in het begin van de 17de eeuw een nationale geest gegroeid uit de gemeenschappelijke strijd der verschillende provincies tegen Spanje, uit politieke overwinningen en economische successen gezamenlijk bevochten, doch het meest bindende cement van dit nationalisme was de gemeenschappelijke godsdienst. Hetzelfde is, mutatis mutandis, in Zuid-Nederland het geval.  » De voornaamste eenheidsfactor «  was het katholiek godsdienstig gevoel, dat Vlamingen, Brabanders en Walen niet alleen samen bond, maar ook rondom hun vorsten verenigd hield.  »

Het godsdienstig element, «  het allerbelangrijkst element van het samenhorigheidsgevoel dat nationalisme heet  » (Prims, p. 96), werd door de antiklerikale historici van de 19de eeuw bewust over het hoofd gezien.

Verloren de Zuidelijke Nederlanden hun vrijheid  ? De tijdgenoten dachten er helemaal anders over  : zij beklagen de noorderlingen die onder de calvinistische dictatuur moeten leven. Wanneer de eerder tolerante Oldenbarnevelt, de raadpensionaris van Holland en sterke man van het Noorden, door zijn vijanden wordt terechtgesteld, dicht men in Antwerpen  : «  Och, Barneveld is dood, ’t Is al verkeken. De liberteit is uit Holland geweken.  » Het Zuiden steunt de katholieke Spaanse legers «  en betracht niets zozeer als de vernietiging van het protestantse juk, dat zovele katholieken in het Noorden beklemt en aan de katholieke zuiderbroeders zoveel wee berokkent  » (Prims, p. 98). Want vergeten we niet dat de welvaart van de Zeven Provinciën in hoofdzaak steunt op het feit dat zij de Schelde ­hardnekkig blijven blokkeren en zo Antwerpen economisch wurgen, tot profijt van Amsterdam  !

ALBRECHT EN ISABELLA

Op 6 mei 1598 kwam de Spaanse Infante Isabella, dochter van Filips II, door de Akte van Afstand in het bezit van de Zuidelijke Nederlanden. De koning, die zijn einde voelde naderen, schonk haar en de man die haar echtgenoot zou worden, aartshertog Albrecht van Oostenrijk, het geheel van de Nederlanden als bruidsschat. Ook het Noorden dus, want van een erkenning van de onafhankelijkheid van de rebelse provincies kon geen sprake zijn. Maar de facto zouden de aartshertogen enkel over het Zuiden regeren. Onze gewesten werden op die manier onafhankelijk, op voorwaarde dat het echtpaar niet kinderloos zou overlijden  ; in dat geval zouden de zuidelijke provincies opnieuw onder een Spaanse vorst komen.

«  In de Zuidelijke Nederlanden is aartshertogin Isabella op een ongemeen geestdriftige wijze, zo door de menigte als door de Staten, ontvangen geworden. Dochter van de koning, kleindochter van keizer Karel, is zij landseigen van stam en bloed. In haar is men de oude dynastie getrouw, ondanks alles wat er is voorgevallen  » (Prims, p. 93).

Portretten van de aartshertogen Albrecht en Isabella door (het atelier van) Frans II Pourbus (Den Bosch, Noord-Brabants Museum).

Vanuit het paleis op de Koudenberg in Brussel, waar zij hun intrek namen, tekenden de aartshertogen hun beleid uit. Dat hun onderdanen daarin een voortzetting van het “ Spaanse juk ” zouden gezien hebben, is onzin. Prims merkt op dat de Staten van Vlaanderen zich bij de nieuwe situatie afvroegen «  “ of het wel raadzaam was deze landen af te scheiden van de andere landen van Zijne Majesteit en aan eigen krachten over te laten ”  » (p. 93). Hun voorzichtigheid is ingegeven door de afkeer van het protestantisme en het gevaar dat van het Noorden uitgaat.

Een van de belangrijkste streefdoelen van de aartshertogen is de katholieke heropstanding in hun gebieden. De jaren van Albrecht en Isabella zijn de beslissende jaren voor de Contrareformatie in de Habsburgse Nederlanden.

Om de besluiten van het Concilie van Trente (1545-1563) en nog specifieker die van het provinciale concilie van Mechelen (1607) uit te voeren, moeten in de eerste plaats bekwame bisschoppen en abten worden aangesteld. De benoemingen zijn in handen van Albrecht en Isabella en zij kiezen hun kandidaten met grote zorg  ; zowel de tijdgenoten als latere historici zijn daar vol lof over.

Ook het materiële krijgt de volle aandacht van de bewindvoerders. Zij steunen met gulle hand de wederopbouw van kerken en kloosters, die zwaar te lijden hebben gehad van de Beeldenstorm. «  In een aantal gevallen maken de aartshertogen gewoon een som geld over. Het komt vaker voor dat Albrecht en Isabella niet alleen een bedrag schenken, maar ook aangeven hoe het moet worden besteed. Het kan voor een altaar zijn of een glasraam, soms ook voor een schilderij. Dan zijn er de concrete voorwerpen, zoals gouden of zilveren kelken, cibories of monstransen, antependia en altaargewaden  » (Luc Duerloo en Marc Wingens, Scherpenheuvel, het Jeruzalem van de Lage Landen, p. 22).

De vervaardiging van al die religieuze voorwerpen geeft een belangrijke impuls aan de kunstnijverheid in de Zuidelijke Nederlanden. De barok doet glorierijk zijn intrede. En naast de aartshertogen zijn er ook andere opdrachtgevers, in de eerste plaats de nieuwe orden die zich bij ons vestigen  : de jezuïeten, de kapucijnen, de augustijnen, de ongeschoeide karmelieten en karmelietessen. Maar ook de hovelingen en de gegoede burgerij blijven niet achterwege in het geven van opdrachten aan de kunstenaars die in het Zuiden actief zijn.

«  Het Zuiden  », besluit Prims, «  zit vol leven, vol vinnigheid, vol cultuur, vol kunst, vol heerlijke eigen nationaliteit in de dagen van Albrecht en Isabella. Het “ land van Rubens ” heeft zich voortdurend, ondanks al wat het van het Noorden te lijden had, als het meerdere, het cultuurrijkere, als de ziel der Nederlanden blijven aanzien  » (p. 97).

ONZE-LIEVE-VROUW VAN DE EIK

Rond het midden van de zestiende eeuw gaan de inwoners van het Brabantse Zichem op bedevaart naar de “ Scherpenheuvel ”, 3 km verderop. Boven op de heuvel staat een oude eik, waaraan een eenvoudig Mariabeeldje hangt. Hoelang al, kan niemand meer zeggen. Maar men vertelt dat ooit een herder langs de boom passeerde en het op de grond gevallen beeldje wilde meenemen  ; het werd plots loodzwaar en bovendien kon de herder zich niet meer bewegen. Zijn meester vond hem bij valavond, hing het beeldje terug aan de eik en stelde vast dat de herder toen pas weer van zijn plaats kon komen… De Zichemnaren wenden zich tot de H. Maagd om genezing van ziekten te bekomen. Velen worden verhoord en de devotie verspreidt zich in heel de streek.

De perikelen van de oorlog treffen echter ook dit deel van Brabant. De calvinisten nemen Zichem in 1580 in en zijn er drie jaar heer en meester. Alle uitingen van katholicisme worden fanatiek onderdrukt en ook het beeldje in de eik moet eraan geloven.

In 1587, na de verdrijving van de protestanten, plaatsen vrome handen een nieuwe Madonna in de boom. Zij wordt het voorwerp van een verering die op korte tijd uitbreiding neemt tot ver over de grenzen van Brabant.

Het interieur van de basiliek. Het hoofdaltaar, met het schilderij De Tenhemel­opneming van Maria door Theodoor van Loon, staat op de plek van de eik.

«  Het ziet ernaar uit dat het Spaanse leger hierbij een belangrijke rol speelt. De soldaten die in Habsburgse dienst strijden, leiden een hard en onzeker bestaan. De gevechten eisen een hoge tol aan doden en gewonden. Allerhande besmettelijke ziekten voeren nog veel meer manschappen naar het graf. Op zoek naar genezing van hun wonden en kwalen volgen de garnizoenen van Zichem en Diest het voorbeeld van de lokale bevolking en trekken op bedevaart naar de Scherpenheuvel. Weldra doen verhalen over wonderbaarlijke genezingen de ronde. Zulke verhalen verspreiden zich erg snel  : garnizoenen veranderen van standplaats, soldaten die hun diensttijd er hebben opzitten, keren terug  » (Duerloo en Wingens, op. cit., p. 25).

De Brusselse jezuïet pater Thomas Sailly, die zich wijdt aan de zielzorg in het Spaanse leger en een grote verering voor Onze-Lieve-Vrouw koestert, hoort van soldaten over Scherpenheuvel en gaat er op bedevaart. Hij is onder de indruk en wanneer hij veel jaren later van een levensbedreigende ziekte herstelt, schrijft hij zijn genezing toe aan de voorspraak van de Brabantse Madonna. Het is dankzij hem dat de jezuïeten zich heel in het bijzonder over Scherpenheuvel zullen ontfermen.

Bij de boom is ondertussen een houten kapel voor het miraculeus beeldje opgericht. Het aantal pelgrims neemt zienderogen toe, het aantal wonderbare genezingen ook. Zo hangen er aan het kapelletje verschillende krukken als ex voto van dankbare personen. De mensen hebben het over een zekere Petronella Ridders, een vrouw die van haar blindheid genezen werd op het ogenblik waarop ze godvruchtig de heuvel beklom. Wat is de mening van de Kerk over het nieuwe bedevaartsoord  ? Een officieel standpunt is dringend nodig, want in 1603 maken de aartshertogen in eigen persoon – hun diepe en ongeveinsde vroomheid is alom bekend – hun opwachting in de kapel op de heuvel.

DE AARTSHERTOGEN OP DE SCHERPENHEUVEL

De bedevaart van onze vorsten kadert in een militaire context. In het begin van de 17de eeuw zijn Noord en Zuid verwikkeld in een bitsige strijd om de stad Oostende. De troepen van de Republiek der Zeven Provinciën hebben de stad stevig in handen, als een enclave in de flank van de Habsburgse Nederlanden. Albrecht belegert Oostende en wil de havenstad, die door de vijand tot een machtig bastion uitgebouwd is, tegen elke prijs innemen  : ze vormt namelijk een permanent gevaar omdat ze een invasieleger vanuit de zee kan herbergen.

Kopergravure uit 1659 waarop van links naar rechts de opeenvolgende heiligdommen zijn afgebeeld  : de eik, de houten kapel uit 1602, de stenen kapel uit 1604 en de kerk die in 1627 werd voltooid. Op de voorgrond is de genezing van de kreupele Hans Clements afgebeeld, rechts zien we de duiveluitdrijving bij Catherine du Bus.

Het beleg, begonnen in 1601, sleept eindeloos aan. Om het leger van de aartshertog af te leiden, vallen de noordelijken in de zomer van 1603 de belangrijke vestingstad ’s-Hertogenbosch in het uiterste noorden van Brabant aan. De aartshertogen vrezen het ergste  : als het Spaanse leger zijn stellingen bij Oostende niet verlaat om Den Bosch te ontzetten, dreigt de Republiek een cruciaal bolwerk in handen te krijgen.

Net diezelfde zomer hebben Albrecht en Isabella een financiële bijdrage geschonken voor de bouw van een stenen kapel op de Scherpenheuvel. Op 13 juli heeft men in hun naam plechtig de eerste steen ervan gelegd. En dan gebeurt het onverhoopte  : een Spaans reservecorps kan het Geuzenleger bij Den Bosch tot de aftocht dwingen, terwijl ondertussen Albrechts wurggreep rond Oostende niet verslapt. De aartshertogen zijn ervan overtuigd dat Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel hen in dat kritieke moment heeft geholpen en hun dankbaarheid is groot.

Op 20 november 1603 beklimmen Albrecht en Isabella voor het eerst de heuvel. «  De drie daaropvolgende dagen stappen de aartshertogen de zes kilometer van Diest naar de Scherpenheuvel. Ze wonen er de mis bij en bieden allerhande geschenken aan. Bij die geschenken is er onder meer een kleedje waarmee men naar Spaanse gewoonte het Madonnabeeld kan tooien. Er wordt verteld dat de Infante Isabella het voor een deel eigenhandig heeft geborduurd. De geschenken maken duidelijk dat de Scherpenheuvel voortaan deel uitmaakt van de aartshertogelijke vroomheid  » (Duerloo en Wingens, p. 28).

Tijdens de pelgrimstocht bidt het vorstenpaar ook tot de H. Maagd om een spoedige, gunstige afloop van het beleg van Oostende. Ze doen de gelofte om jaarlijks naar Scherpenheuvel op bedevaart te komen als de havenstad in hun handen valt. Hun gebed wordt verhoord  : op 22 september 1604, na een krachtmeting die drie jaar en drie maanden geduurd heeft, capituleert het laatste calvinistische bolwerk in de Zuidelijke Nederlanden. De dreiging die op het Zuiden woog, is weg.

HET ONDERZOEK NAAR DE MIRAKELEN

Kort na het bezoek van de aartshertogen gelast de Mechelse aartsbisschop Mgr. Hovius een grondig onderzoek naar de mirakelen die in het genadeoord zouden zijn verleend. De opdracht wordt in handen gegeven van de Brusselse stadsgriffier Filips Numan  ; als rechtsgeleerde, humanist en literator geniet hij groot aanzien.

«  Numan gaat snel en methodisch te werk. Hij ondervraagt zoveel mogelijk betrokkenen. Hij spoort de lieden op die een wonderbaarlijke genezing verkregen. Bij de grijsaards van Zichem peilt hij naar de oorsprong van de devotie. Nog voor het jaar om is, kan de aartsbisschop zijn onvoorwaardelijk gunstig verslag goedkeuren  » (Duerloo en Wingens, p. 37). Laat de protestanten maar zeggen dat het allemaal een propagandatruc van de “ paapsen ” is, dat het hele gedoe rond het “ Maaiken ” aan de eik opgezet spel is… De gebeurtenissen in Scherpenheuvel werden grondig en objectief onderzocht door een man die een hoge reputatie geniet en die tot de slotsom komt dat er inderdaad onverklaarbare genezingen hebben plaatsgevonden op voorspraak van Onze-Lieve-Vrouw.

In hetzelfde jaar 1604 publiceert Numan zijn bevindingen in de «  Historie vande miraculen die onlancx in grooten getale ghebeurt zyn door de intercessie ende voorbidden van die Heylighe Ma­get Maria op een plaetse genoemt Scherpenheuvel bij die stadt Sichen in Brabant  ». Een Franse en een Spaanse uitgave verschijnen kort daarop. Het “ Mirakelboek ” is onmiddellijk een groot succes en de herdrukken volgen elkaar op. Ook een Latijnse versie mag uiteraard niet ontbreken en daarvoor zorgt niemand minder dan Justus Lipsius in 1605. Later vult Numan zijn eerste boek nog verder aan met «  Ander mirakelen  » en «  Toevoechsele van den mirakelen  ».

De stadsgriffier registreert op die manier 73 onverklaarbare genezingen die zich hebben voorgedaan tussen 1603 en 1605. De twee gevallen die blijkbaar het meest tot de verbeelding spreken, omdat ze vaak worden voorgesteld op afbeeldingen van Scherpenheuvel, betreffen Catherine du Bus en Hans Clements.

Catherine is een jonge vrouw uit Rijsel die het slachtoffer is van bezetenheid door de duivel. Ze wordt enkele keren geëxorciseerd, maar zonder resultaat. Satan verlaat haar pas wanneer Catherine gedwongen wordt een stukje hout van de Scherpenheuvelse eik door te slikken. Als een volkomen genezen vrouw gaat zij in mei 1604 naar het Brabantse genadeoord om Maria te danken.

Hans Clements kan niet lopen omdat zijn benen aan zijn romp zijn vastgegroeid. In juni 1604, na gebiecht en gecommuniceerd te hebben, bidt hij in Scherpenheuvel vurig aan de voeten van het miraculeuze beeldje. Plots scheurt de huid tussen borst en benen los, er komt leven in de beenspieren en even later kan Hans voor het eerst in zijn leven rechtop staan.

De faam van Scherpenheuvel wordt niet alleen door de mirakels uitgedragen, maar ook door iets anders  : het hout van de fameuze eik. De boom werd geveld bij de bouw van de stenen kapel, maar uit de stam en de takken snijdt men Madonnabeeldjes en paternosters. «  Op 17 oktober 1605 verbindt [de Antwerpse] bisschop Miraeus aflaten aan de Mariabeeldjes die het begijntje Barbara van Ursel uit het hout van de eik vervaardigt. Niet lang daarna volgt nuntius Ottavio Frangipani zijn voorbeeld. Hij kent op 3 juli 1606 een aflaat toe van honderd vijftig dagen aan de Madonna die de Antwerpse jezuïeten in hun professenhuis bewaren  » (Duerloo en Wingens, p. 39).

EEN NATIONAAL HEILIGDOM

Het 30 cm hoge mirakelbeeldje van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel dat op het hoofdaltaar van de basiliek staat. De kledij werd geschonken door Albrecht en Isabella bij hun eerste bedevaart in 1603. Het voetstuk dateert van later.

De aartshertogen zijn zo doordrongen van het bovennatuurlijk karakter van Scherpenheuvel dat zij het genadeoord ook in Rome bekend willen maken. Een van hun bekwaamste diplomaten kaart de zaak aan bij paus Paulus V. De paus vraagt om een volledig dossier en zet de congregatie voor de Riten aan het werk. Op 15 september 1606, op het feest van de Zeven Smarten van Maria, wordt een breve uitgevaardigd waarin de Opperherder van de Kerk een volle aflaat verbindt aan een bedevaart naar Scherpenheuvel op een van de grote Mariafeesten. De Brabantse heuvel is voortaan een van de belangrijkste sacrale plaatsen in Europa.

Het is dan ook logisch dat Albrecht en Isabella het besluit nemen om in Scherpenheuvel een grootse bedevaartkerk op te richten. Het toekomstige hoogaltaar van dat godshuis moet precies op de plaats van de aloude eik komen. Maar dat is niet alles  : het opzet is «  om de heuvel te transformeren tot een “ Hortus conclusus ” voor de daar residerende Maagd. Die Besloten Tuin zal de vorm van een bastion moeten aannemen dat het katholieke verzet tegenover de nabije calvinistische dreiging symboliseert. Binnen de muren van dat bolwerk zal een stad moeten ontstaan die is toegewijd aan de Maagd Maria  » (Duerloo en Wingens, p. 53).

De werkzaamheden beginnen met de afbakening en aanleg van een versterkte tuin in de vorm van een zevenhoek. Binnen de tuin wordt in de aanplanting een zevenpuntige ster vrijgelaten  : daar moet de kerk opgetrokken worden. Het cijfer zeven, dat in heel het concept centraal staat, verwijst naar de Zeven Vreugden en Zeven Smarten van Maria.

Rondom de tuin zal een nieuwe stad verrijzen, volledig omgeven door vestingwerken die ook weer de vorm van een zevenhoek dienen aan te nemen. Om bewoners aan te trekken verlenen de aartshertogen vrijstelling van belastingen.

De artistieke verantwoordelijkheid voor wat een nationaal heiligdom moet worden, vertrouwen zij toe aan een man die van vele markten thuis is  : de Antwerpenaar Wenzel Cobergher, kunstschilder, architect, oudheidkundige en ingenieur. Hij put inspiratie uit Italiaanse voorbeelden, want hij is een aantal jaren actief geweest in Rome en Napels. «  Na de goedkeuring van zijn ontwerp neemt Cobergher de leiding over de werkzaamheden. Zijn naam komt in allerhande contexten voor. Hij sluit contracten af over materialen, wijst opdrachten toe aan beeldhouwers en kunstschilders en bekommert zich om de aanwerving en het verblijf van de bouwvakkers. Ook de financiering van het gebouw eist zijn aandacht op  » (Duerloo en Wingens, p. 93).

HET TWAALFJARIG BESTAND

De mariale citadel. Gravure uit 1659. De bedevaartkerk staat, in het midden van een zevenpuntige ster, binnen de Besloten Hof. Zowel de tuin als de versterkte stad hebben de vorm van een zevenhoek.

Op 14 december 1606 maakte de Spaanse koning Filips III, zoon en opvolger van Filips II, bekend «  dat hij de gelden die hij naar de Lage Landen zond drastisch wilde beknotten  : de oorlog in de Nederlanden zou zich gaan beperken tot een zuiver defensieve operatie. Voordat deze maatregel echter van kracht werd, ontving men brieven vanuit Brussel die meldden dat de Nederlanders bereid waren tot het voeren van serieuze vredesonderhandelingen  » (Geoffrey Parker, The Dutch Revolt, Ndl. vert. Het Spectrum 1981, p. 233).

De tijden waren rijp voor een bestand. Spanje stond op de rand van het faillissement, de Verenigde Provinciën waren de voor hen essentiële steun van Engeland kwijt. De aartshertogen Albrecht en Isabella ijveren al langer voor vrede, om de katholieke renaissance in hun gewesten vrije baan te geven. Op 9 april 1609 wordt op het Antwerpse stadhuis het Twaalfjarig Bestand plechtig ondertekend.

De vreugde in onze gewesten is immens groot. Drie maanden later, op het feest van Visitatie, leggen de aartshertogen in Scherpenheuvel de eerste steen van de nieuwe kerk en geven daarmee te kennen dat zij de Madonna van de eik plechtig uitroepen tot schutsvrouwe van hun bewind, van het Bestand en van de toekomst van de Zuidelijke Nederlanden.

Die toekomst zal resoluut katholiek zijn. «  Een edict dat op 31 december 1609 door de aartshertogen werd uitgevaardigd, voorzag in verbanning van alle niet-katholieken, en met het verstrijken van de tijd hadden de heimelijke protestantse minderheden die waren overgebleven vrijwel overal hun invloed verloren  » (Parker, op. cit., p. 254). Het Bestand geeft een doorslaggevende impuls aan de totstandkoming van het eigen karakter van de Zuidelijke Nederlanden  : «  De nieuwe religieuze en politieke “ Zuid-Nederlandse identiteit ” is onder het bestuur van de aartshertogen en met name gedurende het Twaalfjarig Bestand ontstaan  », schrijft Parker (p. 253). Ons volk zet zich af tegen de “ Hollanders ”, met wie het geen zielsverwantschap meer voelt.

Vanaf 1609 keert alles in het Zuiden ten gunste. De bevolking begint weer te groeien. Handel en industrie herstellen zich. De Antwerpse kooplui beginnen opnieuw handel te drijven met Italië en Spanje en zelfs met de Spaanse en Portugese gebieden overzee. «  Het is van bijna zeshonderd Zuid-Nederlandse kooplieden bekend dat zij tussen 1598 en 1648 met alle Spaanse gebieden handel dreven  : zijde, suiker en andere “ koloniale waar ” overspoelden de Antwerpse markt na 1589. […] Ook gebeurde het in vele steden dat men nieuwe producten ter vervanging van de oude ging vervaardigen – zijde, kant, tapijten, glas, edel­smeedwerk, geslepen diamanten en drukwerk – terwijl er in het algemeen een verschuiving van kwantiteit naar kwaliteit optrad  » (Parker, p. 250).

Het Zuiden bloeit opnieuw op onder de moederlijke zegeningen van de Maagd van Scherpenheuvel.

DE CITADEL VAN MARIA

De pelgrimskerk van Scherpenheuvel is zonder twijfel Coberghers meesterwerk. Het is een koepelkerk en het eerste voorbeeld van centraalbouw in de Nederlanden. Op kunsthistorisch vlak gaat het dus om een mijlpaal.

De overkoepelde binnenruimte telt zes zijkapellen die als een krans rond het centrale gedeelte liggen. De zes altaren in die kapellen en het hoogaltaar – in het totaal dus zeven altaren – eren de zeven grote mariale feesten  : de Onbevlekte Ontvangenis, de Geboorte van Maria, Onze-Lieve-Vrouw Presentatie, Maria-Boodschap, Onze-Lieve-Vrouw Visitatie, Lichtmis en de Tenhemelopneming van Maria. De altaarstukken voor de zeven altaren zijn van de hand van Theodoor van Loon, een Zuid-Nederlands barokschilder die, net als Cobergher, in italianiserende stijl werkt en ten onrechte amper bekendheid geniet.

Scherpenheuvel in het algemeen en de bedevaartkerk in het bijzonder zijn doordrongen van mariale symboliek. We hadden het al over de Besloten Tuin, de Hortus conclusus, die verwijst naar de maagdelijkheid van de Moeder Gods. Veel inspiratie haalden de vormgevers uit een werk van de Kortrijkse jezuïet Jan David, «  Pancarpium Marianum  » (1607). Het is een zgn. embleemboek, «  een literair genre dat van het midden van de zestiende tot ver in de achttiende eeuw ongemeen populair is. Het kenmerkt zich door het samenspel van woord en beeld. Alles draait rond zogenaamde emblemen  », die zijn opgebouwd «  uit drie elementen  : een titel, een afbeelding en een commentaar  » (Duerloo en Wingens, p. 95).

Zo heeft pater David het met betrekking tot Maria over de Urbs fortitudinis of Sterke Stad. Zoals de H. Maagd vroeger Jezus in haar schoot beschermde, zo beschermt ze nu de Kerk tegen haar vijanden. Het omwalde Scherpenheuvel drukt die gedachte perfect uit. Niet voor niets heeft paus Paulus V in zijn breve van 1606 onderstreept dat de Brabantse heuvel zich «  in de landen van de ketters  » bevindt.

De nieuwe stad op de heuvel is ook, net als Onze- Lieve-Vrouw, een Civitas refugii of Asielstad. Maria en haar heiligdom beschermen wie steun zoekt in het geloof of aan de verzoekingen van de wereld wil ontkomen. Haar nabijheid weert de machten van het kwaad af. In Scherpenheuvel is dat kwaad heel concreet de dreiging van het protestantisme.

Dan is er de klokkentoren, die fier oprijst achter de koepel en van ver in de omtrek te zien is. De verwijzing naar de Toren van David, Turris Davidica – een naam voor Maria die we ook in de Litanie van Loreto terugvinden – ligt voor de hand. De massieve Scherpenheuvelse toren (die nog hoger moest worden, maar nooit werd afgewerkt) heeft duidelijk een militaire allure  ; hij was bestemd als bewaarplaats voor buitgemaakte “ trofeeën ”, dat wil zeggen votiefgaven van begunstigde pelgrims. Pater David verbindt in zijn embleemboek de Toren van David, behangen met schilden en zegetekenen en zinnebeeld van het Oude Testament, met de zwangere Maagd Maria én met een pyxis (speciaal doosje) waarin de H. Eucharistie bewaard wordt. De Toren, de H. Maagd en de pyxis hebben alle drie een bewarende en beschermende functie. Maria is de Toren van David van het Nieuwe Verbond. Uit haar put de strijdende Kerk haar kracht en zij is tegelijkertijd het symbool van de vaststaande overwinning.

Links de Turris Davidica, de Toren van David. Rechts zien we over de koepel en tussen de sterren de Scala Jacob of Jacobsladder lopen.

Er zijn nog andere emblemen die ook overgenomen zijn uit de Litanie van Loreto, zoals de aanroeping van Maria als de nieuwe Ark van het Verbond (Fœderis arca). Het wonderdadige beeld fungeert als de Ark van het nieuwe verbond dat God met de Nederlanden wil sluiten, na het verraad van een deel van de bevolking dat koos voor de ketterij en de opstand tegen het wettig gezag. «  De nieuwe bedevaartkerk zal die Ark tot tempel dienen, de omliggende stad wordt niets minder dan een nieuw Jeruzalem  » (Duerloo en Wingens, p. 120).

Een ander voorbeeld  : Onze-Lieve-Vrouw als de Morgenster, Stella matutina. Om dat te onderstrepen is de enorme koepel van de kerk bezaaid met vergulde zevenpuntige sterren, 298 om precies te zijn. En wie goed kijkt, merkt dat over een van de ribben van de koepel een trap loopt  ; het is de Jacobsladder of Scala Jacob, die letterlijk tussen de sterren naar de hemel voert. Pater David trekt in zijn embleemboek een parallel tussen de ladder waarvan de slapende aartsvader Jacob droomde en de Maagd Maria  : zij is ons voorgegaan naar de hemel, aan ons nu om in haar spoor de ladder van de deugd te beklimmen.

DONKERE WOLKEN

Wanneer de aartshertogen op 25 april 1619 vanuit Diest in Scherpenheuvel aankomen om er hun jaarlijkse noveen te volbrengen, zien de zaken er minder gunstig uit dan men bij het begin van het bestand verwachtte. Na tien jaar bouwen is de nieuwe bedevaartkerk nog lang niet af  ; men behelpt zich met het stenen kerkje, al is dat veel te klein geworden. De gezondheid van Albrecht gaat er op achteruit en hij moet zich in een draagkoets verplaatsen. Isabella, die in 1605 in verwachting was van een kindje dat niet levensvatbaar bleek, heeft zich ondertussen moeten neerleggen bij het feit dat er uit haar huwelijk geen troonopvolger zal geboren worden.

Ook de politieke toestand ziet er niet rooskleurig uit. In de Verenigde Provinciën is de vredespartij onder leiding van Johan van Oldenbarnevelt van de macht verdreven. De nieuwe sterke man is Maurits van Nassau, de zoon van Willem van Oranje, die aanstuurt op oorlog met Spanje. De kans dat het Twaalfjarig Bestand zal verlengd worden, is bijgevolg uiterst klein.

Van wie kan er in die sombere omstandigheden hulp verwacht worden  ? Enkel van de Hemel, enkel van de H. Maagd Maria. En dus leggen Albrecht en Isabella zich twee weken lang met de grootst mogelijke vurigheid toe op de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw van de eik.

«  Het aartshertogelijke hof staat weliswaar bekend voor zijn uitgebreid kerkelijk ritueel, maar die veertien dagen verleggen de aartshertogen en hun hovelingen alsnog de grenzen. De noveen loopt als een rode draad door het gebeuren. Op 1 mei onderbreekt men dat ritueel voor de viering van het feest van de apostelen Filippus en Jakobus de Mindere. Op 3 mei staat men stil bij het feest van de Heilig-Kruisvinding. Twee dagen later is het de eerste zondag van de maand. Naar gewoonte gaat dan de processie van de rozenkrans uit. Isabella loopt erin mee. Samen met haar hofdames en andere bedevaarders volgt ze het Madonnabeeld op zijn weg rond de stad. Albrecht neemt vanaf een afstand deel aan het gebeuren. Naarmate de processie vordert, laat hij zich in zijn draagstoel rond de kerk voeren. Op de daaropvolgende maandag en dinsdag sluit het vorstelijke gezelschap de noveen af. Vanwege de Kruisdagen heft de hofkapel op die twee dagen de litanie van alle heiligen aan. Woensdag 8 mei is het de vigilie van Ons-Heer-Hemelvaart. Het vorstenpaar biecht in Diest en gaat te communie in het kerkje van Scherpenheuvel. Ze wonen er die dag twee missen en de vespers bij. Daarbij worden zowel de litanie van alle heiligen als de litanie van Loreto gebeden. De volgende dag viert het verzamelde hof het feest van Hemelvaart met bijzondere luister. Na een laatste dienst op vrijdagmorgen verlaat het gezelschap de bedevaartplaats  » (Duerloo en Wingens, p. 106).

DE BEEWEG

Al de boeren gaan hun beeweg,
Meie bloeit en zingt in Vlaandren,
Al de boeren langs de wegen
Gaan naar Onze Lieve Vrouwe.

Lieve Vrouwe van Scherpenheuvel,
In de morgen straalt uw koepel,
Uit de boogaards, uit de heide,
Al de boeren gaan hun beeweg.

Al de boeren uit de heuvels,
klokken bonzen, beden gonzen  :
Onze Lieve Vrouw van Halle,
Zegen veld en beemd en stallen.

Heel de gouw van Leie en Schelde,
Al de boeren gaan hun beeweg  :
Geef ons water uit uw rotse,
Lieve Vrouwe van Oostakker.

Al de boeren gaan hun beeweg,
Lieve Vrouw van Dadizele,
Duin en polder, hout- en vlasland,
Vragen wasdom, vragen vrede.

Meie bloeit en zingt in Vlaandren,
Al de boeren gaan hun beeweg,
Klokken gonzen door de beden  :
Lieve Vrouwe, geef ons vrede.

P. van Moerlande

Twee jaar later, in 1621, loopt het Twaalfjarig Bestand jammer genoeg af. De oorlog herbegint. Maar in 1625 behalen de Spaanse legers onder de briljante veldheer Ambrogio Spinola wel een ophefmakende overwinning op de noorderlingen met de inname van Breda, vereeuwigd op het beroemde schilderij Las lanzas van Velásquez. Breda was tevoren in handen gevallen van de calvinisten en ingelijfd bij de Republiek. De stad was uitgebouwd tot een sterke grensvesting van waaruit aanvallen op de Zuidelijke Nederlanden ondernomen werden. Spinola dwong Breda op de knieën, schonk de stad terug aan de katholieken en keerde de rollen om  : de komende jaren zou de stad een bolwerk worden tégen het Noorden, waardoor het Zuiden een belangrijke adempauze kreeg.

* * *

Aartshertog Albrecht overleed in 1621. Omdat hij kinderloos was, kwamen de Zuidelijke Nederlanden opnieuw onder het rechtstreeks gezag van Spanje. Isabella bleef onze gewesten besturen als landvoogdes, waardoor er tot aan haar dood in 1633 continuïteit was in de religieuze, economische en artistieke politiek van het Zuiden.

De aartshertogin maakte in de zomer van 1627 nog de plechtige inwijding van de bedevaartkerk op de heuvel mee. Naar jaarlijkse gewoonte legde zij de tocht van Diest naar Scherpenheuvel te voet af. Na de liturgische plechtigheid kwam zij naar voren en wierp al haar juwelen op de trappen van het hoogaltaar, als offerande aan de H. Maagd en om blijk te geven van volkomen onthechting. Korte tijd later zou ze trouwens intreden in de orde van de clarissen en haar laatste levensjaren doorbrengen in een klooster in Tervuren.

In onze huidige tijd van geloofsafval is de betekenis van Scherpenheuvel niet te onderschatten. De basiliek is en blijft het grote symbool van de katholieke aard van ons land en ons volk. Ooit zullen wij terug massaal op bedevaart gaan naar Onze-Lieve-Vrouw van de eik en zal zij de patrones zijn van de stralende wedergeboorte van het geloof  !

redactie KCR
Hij is verrezen  ! nr. 93, mei-juni 2018