De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly

PAUS PIUS XI EN DE SPAANSE BURGEROORLOG
DE KEUZE VOOR DE REPUBLIEK

Tachtig jaar geleden, in 1936, brak in Spanje de Burgeroorlog uit toen generaal Franco de strijd aanging met de antiklerikale Republiek, vervolger van de katholieken. Jarenlang onderschatte de geestelijkheid het politiek gekonkel van de vrijmetselarij. De reden  ? Het blinde geloof van Pius XI in de democratie, dat hem het gevaar pas deed beseffen toen het al bijna te laat was.

HET Spanje van Karel V en Filips II was sinds 1812 een constitutionele monarchie, gebaseerd op een liberaal geïnspireerde grondwet. Toch was het «  liberale  » karakter van die grondwet zeer relatief, want Spanje bleef officieel een katholieke staat  : «  De godsdienst van de Spaanse natie is en zal altijd de Rooms-katholieke en apostolische godsdienst zijn, die de enige ware religie is. De natie beschermt deze godsdienst door wijze en rechtvaardige wetten, en verbiedt de beoefening van elke andere religie  », zo stond er in de constitutie.

De nieuwe grondwet die in 1876 werd aangenomen bleef trouw aan dit beginsel. Zo luidde artikel 11  : «  Als publieke plechtigheden en manifestaties zullen alleen die van de staatsgodsdienst toegelaten zijn.  »

EEN KATHOLIEKE KONING

Alfons XIII werd in 1886 kort na de dood van zijn vader geboren en onmiddellijk tot koning uitgeroepen. Amper vier jaar oud, in 1890, was hij op een keer zo ziek dat de dokters voor zijn leven vreesden. Zijn moeder, die regentes van Spanje was tijdens de minder­jarigheid van de vorst, legde een schapulier van het H. Hart op het hoofd van de jongen en beloofde dat zij hem zou toewijden aan het Hart van Jezus als hij zou genezen. Hij werd inderdaad onverwacht weer gezond, en drie maanden later wijdde de koningin haar drie kinderen plechtig toe aan het H. Hart van Jezus. Alfons XIII groeide op tot een overtuigd katholiek en zou zijn hele leven een bijzondere devotie tot het H. Hart blijven koesteren.

Toen op het einde van de Eerste Wereldoorlog, waarin Spanje gespaard bleef, in katholieke kringen besloten werd om vlakbij Madrid, op de Engelenheuvel, een groot monument gewijd aan het Heilig Hart op te richten, gaf Alfons XIII onmiddellijk zijn volledige steun. Dat was niet naar de zin van de Madrileense vrijmetselarij, die probeerde druk uit te oefenen op de koning  :

– «  U zult uw troon slechts kunnen behouden als u de Spaanse staat omvormt tot een lekenstaat  », verklaarde een lid van de sekte.

– «  Nooit  !  », reageerde de koning. «  Ik ben katholiek, apostolisch en Rooms.  »

Op 30 mei 1919 werd het monument tijdens een indrukwekkende ceremonie ingezegend door de apostolische nuntius. Alfons XIII, toen drieëndertig jaar oud, sprak vóór een immense menigte en omringd door zijn ministers, de vertegenwoordigers van de Cortes en de hoge regeringsorganen een plechtige akte van toewijding van Spanje aan het H. Hart uit  :

NATIONALE TOEWIJDING VAN SPANJE AAN HET H. HART VAN JEZUS

«  Eucharistisch Hart van Jezus, Hart van God die mens geworden is, Verlosser van de wereld, Koning der koningen en Heer van hen die hier op aarde regeren, Spanje, het land van Uw erfenis en Uw uitverkiezing, buigt zich vandaag respectvol neer vóór deze troon van Uw goedheid die wij in het midden van het schiereiland opge­richt hebben. Alle rassen die dit land bewonen, alle streken die er deel van uitmaken, hebben in de loop van de eeuwen doorheen gemeenschappelijke gebeurtenissen en wederzijdse loy­­auteit hun bijdrage geleverd tot dit grote Spaanse vaderland, dat sterk en duurzaam is in zijn liefde voor de Godsdienst en zijn toewijding aan de Monarchie.

«  Trouw aan de katholieke traditie van de Spaanse monarchie en verheugd de geschiedenis van haar geloof en haar toewijding aan uw goddelijke Persoon te kunnen verder zetten, belijden wij dat Gij op aarde gekomen zijt om het Rijk Gods te vestigen in de vrede van de zielen die door Uw Bloed verlost zijn en in het geluk van de volkeren die door Uw heilige Wet geregeerd worden.

«  Gij laat de aardse gezagsdragers deelgenoot zijn aan Uw macht. Gij heiligt de rechtvaardige wetten die steunen op orde en vrede. Gij zijt de veilige weg die leidt naar het bezit van het eeuwig leven, het licht dat het menselijk verstand in staat stelt de waarheid te kennen en het beginsel van alle leven en alle sociale vooruitgang.

«  Moge dus Uw heilig Rijk van rechtvaardigheid en liefde in ons midden tot stand komen  ! Heers in de harten van de mensen, in de schoot van de huisgezinnen, in de geest van de geleerden, in de leerstoelen van de wetenschap en de letteren, in de wetten en instellingen van ons vaderland...

«  Wij hebben deze heuvel voor U uitgekozen als symbool van ons verlangen dat Gij over al onze ondernemingen zoudt waken. Zegen van hieruit de armen, de werkers, de proletariërs, opdat zij, in de vreedzame harmonie van de verschillende sociale klassen, de rechtvaardigheid en de naastenliefde zouden vinden die hun leven zachter kunnen maken en hun arbeid lichter. Zegen het leger en de zeemacht, de gewapende armen van het vaderland, opdat de trouw van hun discipline en de kracht van hun wapens altijd de waarborgen zouden zijn voor het behoud van de natie en de bescherming van het recht.

«  Zegen ons allen, wij allen die hier aanwezig zijn en in ons hart dezelfde heilige liefde voor de godsdienst en het vaderland koesteren, wij allen die ons leven aan U willen toewijden. Wij vragen U om te mogen sterven in de zekerheid van Uw Liefde en in de schoot van Uw aanbiddelijk Hart. Amen.  »

Koning Alfons XIII (rechts) pleegt overleg met generaal Primo de Rivera in zijn werkkamer in het koninklijk paleis. De staatsgreep van de generaal (1923) kon op de stilzwijgende steun van de vorst rekenen, omdat daardoor een einde werd gemaakt aan de anarchie waarin de parlementaire democratie Spanje dreigde te storten.

Koning Alfons XIII (rechts) pleegt overleg met generaal Primo de Rivera in zijn werkkamer in het koninklijk paleis. De staatsgreep van de generaal (1923) kon op de stilzwijgende steun van de vorst rekenen, omdat daardoor een einde werd gemaakt aan de anarchie waarin de parlementaire democratie Spanje dreigde te storten.

Met lede ogen zag de koning de machteloosheid en de corruptie van het parlementair regime aan. Daarom gaf hij in 1923 zijn stilzwijgende steun aan de staatsgreep van generaal Primo de Rivera, die een dictatuur instelde om een einde aan de chaos te maken.

Op 19 november 1923 werden Alfons XIII en generaal Primo de Rivera bij een bezoek aan Rome in audiëntie ontvangen door Paus Pius XI. De koning hield een prachtige gelegenheidstoespraak waarin hij zichzelf voorstelde als de erfgenaam van de Katholieke Koningen  :

«  Doorheen de Spaanse geschiedenis, Heilige Vader, vloeit overvloedig het sap van het geloof. Als het Kruis van Christus zich niet meer boven het grondgebied van onze natie zou verheffen, zou Spanje ophouden Spanje te zijn  !

«  Het geloof van mijn volk is niet verkild, en mijn eigen geloof dat sinds mijn jeugd in mijn hart brandt als vrucht van wat mijn moeder mij meegegeven heeft, is met geen milligram verminderd.

«  Wij vragen respectvol uw vaderlijke zegen over Spanje, mijn familie en het dappere leger dat in Afrika [nl. Marokko, n. v. d. r.] vecht voor de rechtvaardigheid en de beschaving. Wij doen u een plechtige belofte  : als er ooit een dag komt dat het geloof – volgens het devies dat de H. Malachias uw pontificaat toedichtte  : Fides intrepida, het onverschrokken geloof – van de katholieken grote offers vereist, dan zullen wij, Spanjaarden, daar niet op bezuinigen. Als u, in het spoor van Urbanus II, voor de verdediging van het vervolgde geloof zou beslissen tot een Kruistocht tegen de vijanden van onze heilige godsdienst, dan zullen Spanje en zijn koning zich present melden, trouw aan uw opdracht. Wij zullen nooit de erepost in de steek laten waartoe onze roemrijke traditie ons verplicht. Wij zijn bereid te strijden voor de triomf en de roem van het Kruis, dat niet alleen het teken van het geloof is, maar ook dat van de vrede, de rechtvaardigheid, de beschaving en de vooruitgang  !  »

Paus Pius XI

Paus Pius XI (1922-1939)

In plaats van in te gaan op dit aanbod van een Kruistocht richtte Pius XI een vaderlijke vingerwijzing tot de vorst waarbij hij hem aanspoorde tot meer liberalisme  :

«  Tot het grote en edele Spaanse volk behoren ook ongelukkige zonen, die door Ons nog meer bemind worden, en die weigeren te naderen tot het Heilig Hart. Zeg hen dat wij hen niet uitsluiten, integendeel  : onze gedachten en onze liefde gaan naar hen uit.  »

Pius XI mocht Alfons XIII niet. Katholieke monarchieën vond hij niet meer van de tijd. Zijn voorkeur ging uit naar een Spaanse christen-democratische partij, waarvan hij hoopte dat zij de toekomstige Republiek – door de linkse partijen nagestreefd en door de Paus in stilte gewenst – zou beheersen. En met die visie stond hij niet alleen  :

«  De [Spaanse] clerus was niet ongevoelig gebleven voor de liberale ideeën van de negentiende eeuw. De christen-democraten wonnen terrein, en paus Pius XI – die in die tijd de illusies van de Amerikaanse president Wilson deelde – moedigde hen aan. Hij hield niet van Alfons XIII, en sommige auteurs hebben zelfs gesteld dat de Spaanse Republiek een schepping van het Vaticaan was. In elk geval heeft Pius XI er zich niet tegen verzet, en de dorpspastoors hebben voor de Republiek doen stemmen. Zo maakte de geestelijkheid zichzelf wijs dat zij haar ergste vijanden mild kon stemmen. Onder het voorwendsel dat zij niet ongevoelig bleef voor de “ vooruitgang ” sloot zij haar ogen voor de realiteit...  » (Robert Brasillach en Maurice Bardèche, Histoire de la Guerre d’Espagne, heruitg. Godefroy de Bouillon, 1996, p. 28).

 

HET EINDE VAN DE MONARCHIE

De dictatuur van Primo de Rivera was aanvankelijk vrij gunstig ontvangen in het buitenland. Aan die welwillendheid kwam een bruusk einde in 1928, toen de generaal besloot de vrijmetselarij aan te pakken.

«  Omdat hij vaststelde dat hij in het geheim tegengewerkt werd door deze sekte, gaf hij in 1928 opdracht tot huiszoekingen in de zetels van het Grootoosten in Madrid en de Grote Symbolische Loge in Barcelona. Een logische maatregel, als die het begin was geweest van een overtuigd offensief. Maar het liep anders. Talloze maçonnieke documenten werden meegenomen en voor onderzoek overgemaakt aan ambtenaren die volledig toegewijd waren aan de dictatuur. Jammer genoeg was hun competentie in deze speciale materie niet groot  : de vreemde geheimtaal van de Loges zette hen al vlug op dwaalsporen  » (artikel verschenen in Le Figaro van 2 maart 1931 en aangehaald door L. de Poncins, La Franc-Maçonnerie d’après ses documents secrets, p. 169).

Het onderzoek liep daardoor uiteindelijk met een sisser af, maar de loges bliezen alarm en deden een beroep op de solidariteit van hun «  broeders  » in het buitenland. In een oogwenk lag het regime van Primo de Rivera onder het spervuur van een groot deel van de internationale pers en werd er massaal gespeculeerd tegen de Spaanse peseta, die kort daarop met 33 % devalueerde… Alle middelen waren nu goed om de generaal ten val te brengen en zowel in de administratie als in het leger werd er tegen hem verwoed geïntrigeerd.

Een moegestreden en zieke Primo de Rivera trad af in 1930 en overleed enkele maanden later. De vrijmetselarij wilde echter doorgaan op het verworven elan en richtte haar pijlen nu op de door haar zo verafschuwde monarchie. Had de koning de dictatuur immers niet met zijn gezag gesteund  ? Langzaam maar zeker werden de geesten voorbereid op de invoering van een Republiek. «  In juni 1931 waren er revolutionaire stakingen in Malaga, Granada en Córdoba. Bij de boerenbevolking van Andaloesië stak een geest van rebellie de kop op. Een campagne van meetings waarin opgeroepen werd tot de stichting van een socialistische republiek bracht de mensen in de grote steden in verwarring  » (ibid., p. 171). Het denkbeeld van een republiek werd ook goed ontvangen door iedereen die onder Primo de Rivera in zijn privé-belangen beknot was geweest, en door de liberale bourgeoisie die de monarchie een “ achterhaalde ” regeringsvorm vond…

In dat politiek klimaat werden de Spanjaarden op 12 april 1931 naar de stembus geroepen voor gemeen­­teraadsverkiezingen. De uitslag toonde aan dat het platteland overwegend koningsgezind gestemd had, maar dat de republikeinen in de meeste grote steden de meerderheid behaald hadden. In totaal waren 22. 000 mo­narchisten verkozen tegenover 5000 republikeinen. Maar de tegenstanders van Alfons XIII grepen de resultaten in de grote steden aan om de monarchie ten val te brengen. Grote republikeinse manifestaties in Madrid, Valencia en Saragossa wekten de indruk dat een regimewijziging niet meer tegen te houden was. Verschillende kranten eisten openlijk de troonsafstand van de koning.

Toch had de monarchie nog gered kunnen worden als de medestanders van de vorst meer vertrouwen en moed zouden gehad hebben. Maar aan het hof was het defaitisme zo groot dat Alfons XIII zich al te snel gewonnen gaf  : hij oordeelde dat hij niet meer op voldoende steun van zijn landgenoten kon rekenen en trad af. Op 14 april riep de oppositie, verenigd in een revolutionair comité, de Republiek uit.’s Anderendaags vertrok de koning aan boort van de kruiser Principe Alfonso in ballingschap.

EEN «  ONSCHULDIGE  » REPUBLIEK  ?

De politieke revolutie had zich op de meest vreedzame wijze voltrokken, zonder dat er een druppel bloed vergoten was. De Spanjaarden waren er trots op, en vonden dat zij aan de wereld een voorbeeld van hoge beschaving en politieke rijpheid gegeven hadden… De Republiek ving onder een bijzonder gunstig gesternte aan. «  De algemene teneur was er één van optimisme. De jonge republiek die de monarchie verving kreeg zelfs de koosnaam van “ Nina bonita ”, het lieftallige meisje. De katholieken verwelkomden het nieuwe regime met een opvallende welwillendheid. Sommigen schenen zelfs nogal vlug de historische rol te vergeten die de Spaanse monarchie gespeeld had in de verdediging van het geloof  » (Daniel-Rops, Un combat pour Dieu, 1870-1939, p. 542).

Het leek allemaal zo eenvoudig en onschuldig  : een wijziging van regeringsvorm, meer was er niet aan de hand… Dat de Republiek synoniem was met een fundamenteel andere levensbeschouwing dan die welke Spanje onder de koningen gekend had, wilden de meeste mensen niet zien. De feiten logen er nochtans niet om. «  De nieuwe regering was vooraf [!] in het geheim [!] samengesteld  » (Claude Martin, Franco. Soldat et chef d’État, Parijs, 1959, p. 83). President van de Republiek was de advocaat Niceto Alcala Zamora, die bekend stond als een liberaal-katholiek. De regering zelf was er één van bijna uitsluitend vrijmetselaars. Het ministerie van Communicatie kwam in handen van Martinez-Barrio, grootmeester van de vrijmetselarij. De nieuwe eerste minister was Manuel Azaña, een verwoed antiklerikaal die er op uit was de invloed van de katholieke Kerk in Spanje zoveel mogelijk terug te dringen. Verder waren ook Indalecio Prieto, Fernando de los Rios, Alvaro de Albornoz en Largo Caballero lid van de Loge.

De vrijmetselarij triomfeerde. «  De nieuwe Republiek is de perfecte afspiegeling van onze leer en onze principes. Het is onmogelijk een politieke revolutie tot stand te brengen die volmaakter maçonniek is dan de Spaanse revolutie  » (uit een geheim bulletin dat na 1936 in een logetempel werd teruggevonden).

«  Alcala Zamora, die het presidentschap van de Republiek uitoefende, dekte met zijn reputatie een regering die volledig uit vrijmetselaars bestond. Hij was een façade-katholiek, die op 15 april plechtig beloofde dat hij de vrijheid van de Kerk zou respecteren. Nauwelijks één maand later had hij deze belofte al gebroken, en gedurende zes jaar zou hij president blijven van een Republiek die fanatiek antiklerikaal en fundamenteel maçonniek was. Altijd opnieuw bevoordeelde hij de linkse partijen, tot de bolsjevieken hem zouden wegsturen, omdat zij zijn goede diensten niet meer nodig hadden  » (broeder Michel van de H. Drievuldigheid, Toute la vérité sur Fatima, vol. 2, 1986, p. 385).

Men zou verwacht hebben dat de Kerk met de nodige behoedzaamheid op de politieke ontwikkelingen zou reageren. Maar het blinde geloof in de democratie, waarvan Pius XI meer dan wie ook de vaandeldrager was, maakte dat de Spaanse clerus helemaal niet verontrust was, integendeel  : «  De gesprekken tussen de nuntius en de nieuwe regering waren erg hartelijk. De nuntius had er de nadruk op gelegd dat hij geloofde dat de kerkelijke autoriteiten hun volledige steun zouden geven aan de regering die uit de volkswil [sic !] was voortgekomen  » (Philippe Prévost, L’Église et le ralliement, 2001, pp. 214-215).

Op 9 mei 1931 publiceerden de Spaanse bisschoppen een gezamenlijke verklaring waarin zij de Republiek alle lof toezwaaiden en een loyale samenwerking beloofden.

HET WARE GELAAT VAN HET NIEUWE REGIME

Nauwelijks twee dagen na het verschijnen van de bisschoppelijke proclamatie sloeg de vlam in de pan en spoelde een golf van antikerkelijke haat over het land, zonder dat de ordediensten ingrepen.

«  Kerken werden in brand gestoken terwijl de politie onverschillig toekeek. Het vernielingswerk gebeurde methodisch. Altaren werden in stukken geslagen, wijwatervaten tot gruis herleid, houten beelden verbrand, het koor leeggeroofd. Kloosters werden verwoest, bibliotheken geplunderd. In alle steden werd de vernieling systematisch verordend. Op 11 mei gingen in Madrid een twaalftal kloosters en scholen in de vlammen op, o. a. de Universiteit van kunsten en ambachten. Hetzelfde gebeurde in Alicante. In Malaga werden de kloosters van de jezuïeten en de augustijnen en het bisschoppelijk paleis op klaarlichte dag in brand gestoken, terwijl de ordediensten passief bleven. In Burgos werden de kloosters geplunderd. In Granada, Córdoba, Sevilla gingen kerken in de vlammen op. In Malaga werden de lijken van religieuzen opgegraven en onteerd, zonder dat de schuldigen zelfs maar verontrust werden  » (Léon de Poncins, Histoire secrète de la révolution espagnole, pp. 35-36).

Kardinaal Segura, aartsbisschop van Toledo en primaat van Spanje, reageerde kordaat. Hij waarschuwde zijn gelovigen voor het gevaar van een republiek die geen maatregelen nam tegen dit soort van terreur, en deed zelfs een oproep tot herstel van de monarchie. Hij werd prompt gearresteerd, naar de grens gebracht en verbannen.

«  Als aartsbisschop van Tarragona, de oude pri­maats­zetel, was kardinaal Vidal y Barraquer vanaf dan het hoofd van de Spaanse bisschoppen, tot in 1936. Hij was iemand die openlijk uitkwam voor zijn republikeinse gevoelens  » (Prévost, pp. 214-215). Dat kwam Rome goed uit  : het Vaticaan wilde absoluut vasthouden aan zijn politiek van verstandhouding met de Republiek, en legde die houding aan de bisschoppen op. De ordewoorden waren onderwerping, geduld, vrede…

De linkse regering sloeg daarop een steeds brutalere toon aan. Op 13 oktober 1931 verklaarde eerste minister Azaña triomfantelijk in de Cortes  : «  Vandaag heeft Spanje opgehouden katholiek te zijn.  » Een week later werd een «  wet ter verdediging van de Republiek  » aangenomen, waardoor de regering de vrije hand kreeg om alle critici de mond te snoeren. De nieuwe grondwet, die afgekondigd werd op 29 december, legde de scheiding tussen Kerk en Staat op en luidde de antiklerikale vervolging in. De goederen van de jezuïeten werden aangeslagen en zijzelf uit Spanje gezet. De andere orden en congregaties kregen verbod nog onderwijs in te richten.

Niettemin «  bevestigden de Spaanse bisschoppen in het spoor van kardinaal Vidal y Barraquer – die zelf gesteund werd door de nuntius – in december 1931 gezamenlijk hun aanhankelijkheid aan de grondwet. Zij vroegen aan de gelovigen om loyaal te gehoorzamen aan het gezag  » (Prévost, p. 215).

EEN PARTIJ NAAR HET HART VAN DE PAUS

Gil Robles

De christen-democratische leider Gil Robles, de grote overwinnaar van de parlementsverkiezingen van november 1933, bereidde door zijn besluiteloosheid ongewild de weg voor de communistische revolutie. In mei 1935 werd hij minister van Oorlog en benoemde in die functie generaal Franco (midden op de foto) tot hoofd van de generale staf van het leger.

Rond dezelfde tijd kreeg de wens van Pius XI vaste vorm  : José Maria Gil Robles, hoogleraar aan de universiteit van Salamanca, stichtte in het voorjaar van 1932 officieel een christen-democratische partij, de Acción Popular. Deze partij «  aanvaardde het republikeins regime maar wilde het omvormen en een einde maken aan de politiek van secularisering en socialistische hervormingen  » (Claude Martin, op. cit., p. 92).

«  Gil Robles was in zijn politieke carrière gesteund door een tweevoudige bescherming  : die van de aristocratie, dankzij zijn echtgenote, en die van de Kerk, door zijn vriendschap met de directeur van de krant El Debate, Herrera Orio, die goede relaties had met de jezuïeten. […] De partij van Gil Robles werd onmiddellijk van fondsen voorzien door de grootgrondbezitters én door de kapitalisten. Deze laatsten hadden meegewerkt aan de val van generaal Primo de Rivera, maar nu begonnen ze in te zien dat de Republiek alleen maar het paradijs van de financiële speculatie kan worden als hij op een “ wijze ” manier bestuurd wordt  » (R. Brasillach en M. Bardèche, Histoire de la Guerre d’Espagne, p. 41). In feite was de Acción Popular dus bij uitstek de partij van de liberaal-katholieke bourgeoisie, de «  weldenkenden  » die niet hielden van een revolutionair klimaat en verlangden naar rust en orde… om zaken te kunnen doen.

De jonge christen-democratische partij kon rekenen op de volle steun van de katholieke Kerk die de arbeiders en de boeren aanmaande om hun stem aan Gil Robles te geven. Op 3 juni 1933 publiceerde Pius XI de encycliek Dilectissima nobis, waarin hij (eindelijk) protesteerde tegen de «  onrechtvaardige situatie van de katholieke Kerk in Spanje  ». De Paus betreurde de antikatholieke wetten, maar onderstreepte tegelijkertijd met klem dat Rome voorstander bleef van een loyale en duurzame samenwerking met de Republiek. Deze halfslachtige reactie had niettemin tot resultaat dat de Spaanse katholieken zich herpakten. Bij de parlementsverkiezingen van november 1933 behaalde het kartel van rechtse partijen – waarin de christen-democraten de voornaamste formatie vormden – een klinkende overwinning. In de Cortes bezette de C. E. D. A. (Confederación Española de Derechas Autonómas) 207 zetels, tegenover 99 voor de socialisten en 167 voor de radicalen of liberalen. Het Vaticaan was opgelucht  : het ideaal van een “ wijze ” Spaanse republiek leek uiteindelijk realiteit te zullen worden  !

«  Maar Gil Robles slaagde er niet in uit zijn overwinning voordeel te halen. Hij liet zich manipuleren door de president van de Republiek, Alcala Zamora  ; die deed alsof hij onder de indruk was van de socialistische leider Largo Caballero, die met een burgeroorlog dreig­de indien er een rechtse regering zou tot stand komen  » (Brasillach en Bardèche, p. 47). Gil Robles gaf toe, zodat de nieuwe regering er één van radicalen werd met aan het hoofd de vrijmetselaar Alejandro Lerroux  ! Het enige wat de christen-democraat in ruil verkreeg waren enkele maatregelen van bijkomstige aard, zoals subsidies aan afgelegen landelijke parochies en het op de lange baan schuiven van de linkse landbouwhervorming. Pas na een jaar van twijfel en getouwtrek durfde Gil Robles het aan om drie ministerportefeuilles in de regering-Lerroux te vragen, in ruil voor zijn volledige onderwerping. Maar voor de linkse partijen gold die vraag als een regelrechte provocatie  !

DE SPAANSE OKTOBERREVOLUTIE

Ondertussen verzonk Spanje steeds dieper in de anarchie en de communistische terreur. Op 5 oktober 1934 gaf Largo Caballero, «  de Spaanse Lenin  », het sein tot de revolutionaire opstand. Overal in het land braken gelijktijdig onlusten uit. In Madrid bleken de rebellen te beschikken over machinegeweren en granaten  ; ze wierpen barricades op en vielen het paleis van de Cortes, de Nationale Bank en de politiecommissariaten aan. Na drie dagen strijd slaagde het geregelde leger er echter in om de revolutie neer te slaan. In Catalonië had de opstand een sterk separatistisch karakter, maar ook daar kon tijdig ingegrepen worden.

Gevaarlijker was de situatie in de provincie Asturië. Daar had het goed georganiseerde mijnwerkerssyndicaat al maanden tevoren leveringen van wapens en munitie ontvangen uit de Sovjetunie, dat de mijnwerkers beschouwde als de stoottroepen van de eerste proletarische revolutie buiten Rusland. De rebellen veroverden de controle over de hele provincie en probeerden een revolutionaire regering te vormen. Tien dagen lang werden vreselijke moordpartijen gehouden waarvan vooral geestelijken het slachtoffer waren. In Oviedo, de hoofdstad van Asturië, werden vermoorde priesters aan vleeshaken opgehangen met een bordje erbij  : «  varkensvlees te koop  »… Anderen werden met benzine overgoten en levend in brand gestoken. Kerken en kloosters over heel de provincie werden gedynamiteerd.

De regering in Madrid moest uiteindelijk een beroep doen op troepen uit Marokko en zelfs op het Vreemdelingenlegioen om de orde in Asturië te herstellen. Heel Spanje verwachtte toen dat Gil Robles van de noodtoestand gebruik zou maken om alle macht aan zich te trekken en de nodige maatregelen te nemen om de revolutie voorgoed de kop in te drukken. «  Het uitroepen van de staat van beleg gaf het leger alle bevoegdheden. Alle voorwaarden voor een conservatieve staatsgreep leken vervuld. Maar Gil Robles kon er niet toe besluiten te handelen  » (Elena de la Souchère, La République échoue, in  : Historia, speciaal nummer, 1971, p. 42).

De regering van christen-democraten en radicalen, die bijgevolg in het zadel bleef, beging een zware fout bij de bestraffing van de rebellen  : zij ontzag de ware leiders en beperkte zich tot represailles tegen de mijnwerkers. Largo Caballero werd door de militaire rechtbank vrijgesproken. Gonzales Peña en Teodomiro Menendez, de twee belangrijkste rebellenleiders, werden ter dood veroordeeld maar kregen vervolgens genade uit schrik voor rellen  ! De generale repetitie van de revolutie was mislukt, maar de kaders bleven behouden om opnieuw te kunnen beginnen. Gil Robles deed niets met het gezag dat de dramatische situatie hem verleende. Hij moest de impopulariteit van de repressie dragen, maar was niet bij machte om de maatregelen te nemen die een herhaling van de rebellie onmogelijk hadden kunnen maken  » (Brasillach en Bardèche, p. 49).

Deze hele episode bewijst duidelijk de machteloosheid van de christen-democratische partij, én haar grote verantwoordelijkheid in de overwinning van links in 1936. Het valse «  dogma  » van de onaantastbaarheid van de Republiek had haar weerhouden om orde op zaken te stellen na de Spaanse Oktoberrevolutie. Het parlementair regime woog voor haar zwaarder door dan het belang van de natie. Bovendien was Gil Robles de hele tijd de gevangene van de vrijmetselaars in de regering. «  De balans van zijn deelname aan de regering was zeer mager  : de katholieken durfden niet raken aan de antiklerikale wetgeving die kort tevoren was aangenomen, en evenmin aan artikel 26 van de grondwet dat de basis vormde voor deze wetgeving  » (Prévost, p. 218).

«  FRENTE CRAPULAR  »

In juli-augustus 1935 ging in Moskou het zevende Congres van de communistische Internationale door. «  De roemrijke vlag van de sovjets heeft gedurende vijftien dagen over Asturië gewapperd  », verkondigde men er triomfantelijk. Voor Stalin stond het vast dat Spanje het tweede land zou zijn waar de communistische revolutie zou zegevieren. De plannen voor een definitieve machtsovername en de te volgen electorale tactiek werden vastgelegd.

Op 15 januari 1936 mondde dit overleg uit in de oprichting van het Frente Popular, een eenheidsfront van alle linkse krachten in Spanje  : socialisten, communisten en anarchisten. Deze laatsten, die zich tot dan toe in alle verkiezingen onthouden hadden, werden bereid gevonden om hun volle steun aan het linkse blok te geven. Ook de Catalaanse en Baskische separatisten helden in meerderheid over naar links, van wie zij meer zelfstandigheid hoopten te verkrijgen.

Ondertussen keek de regering van christen-democraten en vrijmetselaars passief toe. «  De Spaanse Republiek, waarin de katholieken door hun politieke apathie geen rol meer speelden, voerde het land onvermijdelijk naar de communistische revolutie  » (broeder Michel, p. 387). Gil Robles was in mei 1935 eindelijk zelf tot het kabinet toegetreden als minister van Oorlog, maar hij had bij de ontgoochelde rechtse kiezers al zijn krediet verspeeld.

Bij de verkiezingen van 16 februari 1936 behaalde het Frente Popular de overwinning – in zetels, maar niet in stemmenaantal. «  Het stemmenaantal van rechts lag nog 500. 000 stemmen hoger dan dat van het linkse volksfront. Maar een handige opdeling van de kiesomschrijvingen en de annulatie van de stemmen van enkele provincies bezorgden het Frente Popular een complete triomf  : de absolute meerderheid in de Kamer, met 118 volksvertegenwoordigers méér dan rechts  !  » (broeder Michel, p. 396).

De nieuwe linkse regering begon haar bewind met een provocatie  : ze gaf de gevangenisdirecteurs opdracht om alle rebellen die na de mislukte Oktoberrevolutie opgesloten waren, onmiddellijk vrij te laten. De opstandige mijnwerkers van Asturië werden in triomf door de straten gedragen en namen, op wraak belust, hun plaats in de fabrieken terug in. «  De opstand in Asturië was nog maar een voorproefje van wat er gaat gebeuren, van wat Spanje te wachten staat  », schreef de krant El socialista dreigend.

Symbool van de antichristelijke haat: communistische revolutionairen nemen een beeld van het H. Hart onder vuur.

Symbool van de antichristelijke haat  : communistische revolutionairen nemen een beeld van het H. Hart onder vuur.

In het leger en in de administratie werden zuiveringen doorgevoerd, maar ondertussen ondernam de regering niets tegen de toenemende brutaliteit van de linkse extremisten. In heel het land werd betoogd en gedemonstreerd onder de rode vlag met hamer en sikkel terwijl luidkeels «  Viva Russia  !  » gescandeerd werd. De wetteloosheid nam hand over hand toe. In Madrid gingen groepen arbeiders in dure restaurants eten zonder de rekening te betalen  ; als de patroon moeilijk deed, werd hij met de dood bedreigd. Hun vrouwen vulden hun tassen met koopwaar in de winkels zonder te betalen  ; de kerel die met hen meeliep en met een revolver zwaaide, was een voldoende afschrikking om daarover niet moeilijk te doen.

Tegelijkertijd spoelde een nieuwe golf van anti­klerikale terreur over het land. Tussen 16 februari en 13 mei werden 124 kerken verwoest en gingen 217 andere gedeeltelijk in de vlammen op. Profanatie was schering en inslag. Geestelijken werden aangevallen, bedreigd, als dieren opgejaagd en vermoord. Lijkkisten van religieuzen werden uit grafkelders gesleurd en de lichamen van de doden werden publiekelijk te kijk ge­zet. In Saragossa riep Largo Caballero uit  : «  Wij zullen geen steen op de andere laten van dit Spanje dat wij eerst moeten vernietigen om het daarna volgens onze inzichten terug op te bouwen  !  » En de communiste Margarita Nelken verklaarde in de Cortes  : «  Wij willen een revolutie, maar het is niet de Russische revolutie die ons tot voorbeeld kan dienen  : wij in Spanje hebben gigantische vlammen nodig die overal op de planeet kunnen gezien worden en vloedgolven van bloed die de zeeën rood kleuren  !  »

Tijdens de Rode Terreur werden de lijkkisten van geestelijken uit de kloosters gesleurd, waarna de stoffelijke overschotten publiekelijk tentoongesteld werden.

Tijdens de Rode Terreur werden de lijkkisten van geestelijken uit de kloosters gesleurd, waarna de stoffelijke overschotten publiekelijk tentoongesteld werden.

REVOLUTIE OF CONTRAREVOLUTIE

De linkse regering verloor in een snel tempo haar greep op de gebeurtenissen. Binnen het Frente Popular gingen de communisten steeds duidelijker domineren. Zij waren het best georganiseerd en ontvingen hun richtlijnen rechtstreeks uit Moskou. De communistische cellen in alle belangrijke Spaanse steden werden in staat van paraatheid gehouden en hadden duidelijke opdrachten voor de dag van de Revolutie  : de gebouwen die bezet moesten worden, sabotage die uitgevoerd moest worden, lijsten van personen die onmiddellijk geliquideerd dienden te worden. «  In maart al had het Sovjetschip de Neva in Barcelona kisten met oorlogsmateriaal en chemische producten afgeleverd, en rond dezelfde tijd loste een ander Russisch vaartuig, de Jerek, in Algesiras een cargo met wapens en munitie  » (Brasillach en Bardèche, p. 58). Vanaf dan zouden de leveringen in hoog tempo toenemen. Tientallen in de revolutionaire tactiek gespecialiseerde instructeurs kwamen in Spanje aan, onder meer de beruchte Bela Kun, de «  beul van Hongarije  »…

Het was nog maar een kwestie van weken vóór de communistische machtsgreep zou plaatsvinden, en nog aarzelde de rechterzijde. Uiteindelijk was het de moord op de leider van de monarchistische partij José Calvo Sotelo, die plaatsvond op 13 juli 1936, die de beslissende stoot gaf tot de contrarevolutie. Iedereen, óók Gil Robles, óók de Spaanse Kerk, «  begreep nu dat Spanje een hel geworden was, waarin men voortaan moest vechten als men niet omgebracht wilde worden  » (C. Martin, p. 124). De militaire leiders zegden hun gehoorzaamheid op aan een regime dat het land regelrecht naar de afgrond van een bolsjevistische dictatuur voerde. «  Vermits de wettelijke instellingen er niet in slaagden het land te beschermen tegen de gevaren die het bedreigden, moest het leger het initiatief nemen voor de verdediging van de natie  » (ibid., p. 111). Op 17 juli ging in Spaans Marokko de militaire contrarevolutie van start. Nationalisten en communisten stonden nu lijnrecht tegenover elkaar. De Burgeroorlog was begonnen…

In Rome was Pius XI diep onder de indruk gekomen van de slachtpartijen en de wreedheden sinds de machtsovername door het Frente Popular. Hij kon dan ook niet anders dan zijn zegen geven aan de Kruistocht van generaal Franco  : «  Onze zegen richt zich op een bijzondere wijze tot allen die de moeilijke en gevaarlijke taak op zich genomen hebben om de rechten en de eer van God en van de godsdienst te verdedigen en te herstellen  » (toespraak tot Spaanse vluchtelingen op 14 september 1936).

De pauselijke politiek was ook in Spanje op een ramp uitgedraaid. De H. Vader had de verkeerde keuzes gemaakt en de verkeerde personen gesteund. Maar kritiek op zijn beleid tolereerde hij niet. Zoals hij ooit repliceerde op iemand die voorzichtig een opmerking maakte  : «  Zwijg  ! Het is mijn politiek en het is de juiste politiek  !  »

naar broeder Michel van de H. Drievuldigheid
Hij is verrezen  ! nr. 12, november-december 2004