30. De voorbeeldige traditie

«De Kerk, dat is Jezus, vergoten en medegedeeld» (Bossuet). Zij is dus voor alle tijden de verwezenlijking van wat God in zijn Voorzienigheid en Voorbeschikking vastgelegd heeft, volgens het mysterieus plan van zijn wijsheid. Vanaf haar stichting tot in onze dagen is zij, met al haar ups en downs, met de verdiensten en de misdaden van al haar heilige of zondige leden, uiteindelijk geweest wat God wilde. Meer nog dan de instelling die Gods uitgesproken wil vervulde en die de ideale norm is, is de Kerk datgene geweest wat van alle eeuwigheid bepaald en besloten was: de instelling waarin God zijn welbehagen heeft gevonden. Zo is zij de zichtbare manifestatie van de glorie van Christus in de wereld.

1. Onder de onfeilbare, levenwekkende bijstand van de H. Geest kiest de Kerk, uit het mengsel van goddelijke wil en menselijke strevingen – een mengsel van goed en kwaad die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn – instinctief de juiste weg. Geleidelijk zuivert zij op die manier haar doen en laten. Zij verwerpt wat menselijke zonde en dwaling was, maar houdt vast aan wat van de H. Geest kwam en verklaart dat heilig. Zo vermeerdert zij haar schatten en vormt ze haar traditie. De Kerk is een instelling van heiligen en zondaars, waarin de waarheid voortdurend moet afrekenen met de dwaling en het goede strijd moet voeren tegen het kwade. Daarom kan de Kerk de eeuwen door alleen maar voortbestaan en zich ontwikkelen door zich van alle vuil en kwaad te zuiveren. Door haar goddelijk karakter is zij in staat het goede, het schone en het ware te erkennen als gaven van de H. Geest, waardoor haar traditie een voorbeeldige norm wordt voor het heden en voor de toekomst.

2. Bijgevolg koestert de falangist een grote verering voor de voorbije eeuwen van de Kerk en de christenheid en is hij er jaloers aan gehecht. In tegenstelling tot heel de waanzin van revolutionairen en valse hervormers ziet hij er het werk van God in, geboetseerd door Zijn «twee onvermoeibare handen»: Christus en de Geest, die beiden Vertroosters zijn. En hij ziet de toekomst als de verdere ontwikkeling van die eeuwenoude godsdienst en beschaving, die niet alleen de stempel van wijze en heilige voorouders dragen, maar vooral ook van God.

Elke theorie volgens dewelke de Kerk zou moeten veranderen of de christenheid een achterhaalde zaak zou zijn, laat de falangist dan ook koud. Hij is ervan overtuigd dat een dergelijk ongeduld en zo’n opstandige neigingen worden ingegeven door de hoogmoed van Satan en niet door de Geest van Christus.