De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

DE Z. EDWARD POPPE
EEN PRIESTER VOOR DE WEDERGEBOORTE VAN DE KERK

II. VAN GENT NAAR MOERZEKE : DE WEG VAN HET KRUIS

EEN PAROCHIE VAN MISERIE

Edward als jonge onderpastoor op Sint-Coleta (1916-1918).

Edward als jonge onderpastoor op Sint-Coleta (1916-1918).

OP 16 juni 1916 krijgt priester Poppe, op dat ogenblik 25 jaar oud en pas gewijd, zijn eerste pastorale taak toegewezen  : hij wordt benoemd tot onderpastoor in de parochie van Sint-Coleta, een arbeiderswijk aan de zuidrand van Gent. In de woorden van Edward zelf gaat het om een wijk «  die rood ziet van het socialisme en zwart van de miserie ten gevolge van de oorlog  ». Het verpauperde proletariaat woont er in een doolhof van steegjes en beluiken waar grote armoede en verbittering heersen, vooral sinds de oorlog veel mannen van hun gezin heeft weggehaald. De pastoor van Sint-Coleta is een brave man, die het echter opgegeven heeft het werkvolk nog ooit terug in de schoot van de Kerk te kunnen brengen.

Edward komt in Sint-Coleta aan met de intentie om onderworpen en res­pectvol tegenover zijn pastoor te zijn, maar ook om zijn voornemens van het seminarie in de praktijk te brengen. Hij krijgt als opdracht de zorg voor de jeugd  : het patronaat en de catechismuslessen. Wat doet hij  ? Hij vult het programma aan met een lof. De eerste keer zijn er 25 kinderen  ; hij nodigt hen uit om de volgende ochtend naar de mis te komen. Dat doen ze, het is vakantie en meneer de onderpastoor is zo vriendelijk. Edward verstaat zo goed de kunst om recht tot het hart te spreken dat er na twee weken… 200 kinderen in de vroegmis zitten, allemaal van arme komaf. Niets minder dan een revolutie  ! De stoeltjeszetster is er ten andere niet blij mee… Daar blijft het niet bij  : elke zaterdag schuift een massa jongeren aan om te biechten.

Elke dag begint de onderpastoor zijn taken met een uur aanbidding van het Allerheiligste Sacrament en’s avonds – of vlak voor of na de lering – herhaalt hij dat.

In oktober sticht hij, met toelating van zijn pastoor, een communiebond, een keurkorps van kinderen «  die Jezus beminnen en heilig willen worden door dikwijls te communiceren, door elkander te steunen, door overal het voorbeeld te geven.  » Het is zijn bedoeling dat de leden zouden uitgroeien tot voorbeelden in de parochie, thuis, op school, overal. Edward wijdt er zijn beste krachten aan, want «  de communiebond is het werk waar ik al mijn hoop op vestig.  »

Jongens en meisjes vergaderen afzonderlijk om de twee weken. «  Poppe spreekt tot zijn jeugdige toehoorders over de heiligheid, het verlangen ernaar en de weg er heen. […] Alles komt aan de beurt en wordt uiteengezet in een begeesterende, kinderlijk-eenvoudige taal  » (O. Jacobs, Edward Poppe, deel 2, Averbode, 1930, pp. 49-50).

Het resultaat is dat de communiebonden na zes maanden 170 kinderen tellen. Het aantal communies in de parochie zal op één jaar tijd stijgen van 44.000 naar 69.500.

Poppe besteedt daarnaast heel wat tijd aan huisbezoeken – niet bij de rijke burgerij, maar bij voorkeur aan de beproefde gezinnen, de behoeftigen, de zieken. «  Het waren meestal alleenstaande vrouwen  : we­duwen en echtgenoten wier man aan het front was of opgeëist door de Duitsers. De oorlog maakte alles peperduur, de bittere kou had de miserie nog vergroot. Zonder inkomen was er weldra gebrek aan brandstof, kleren en voedsel. Minstens twaalfhonderd families op de veertienhonderd konden zich geen aardappelen veroorloven  » (F. Van de Velde, Priester Poppe op Sint-Coleta, 1916-1918, Antwerpen, 1985, p. 61). Edward doet wat hij kan om de nood wat te lenigen. De grote helft van zijn maandloon besteedt hij aan goede werken  ; zo betaalt hij twee jaar lang de huishuur voor een weduwe met negen kinderen.

HET WERK VAN DE EUCHARISTISCHE CATECHISTEN

Niet alleen is de onderpastoor veel op stap in de parochie, omgekeerd komen ook steeds meer parochianen hem opzoeken om raad te vragen in de meest uiteenlopende aangelegenheden.

In februari 1917 roept Edward de leden van de communiebond van de meisjes op om catechist te worden. Ze moeten proberen de kleintjes uit de volks­-buurten naar de catechismusles te brengen  ; nadat de onderpastoor de stof uiteengezet heeft, krijgt elke catechiste één of twee kindjes toegewezen om het lesje goed in te prenten. Om hen daarbij te helpen werkt Edward verschillende lessenreeksen vooraf uit.

Het essentiële doel dat de grotere meisjes voor ogen moet staan is het voorbereiden op de regelmatige communie  ; zo zullen zij de kinderen leren vooruitgang te maken in de deugden en een waarachtig geestelijk leven te ontwikkelen. «  Deze kleintjes zijn het  », aldus de onderpastoor, «  die Jezus zo hartstochtelijk bemint. Het zijn z’n lievelingen en het is daarom dat wij ze tot Hem moeten brengen, vooraleer er één enkele kiem van ondeugd in hun hartje wortel heeft kunnen schieten.  »

Met dat initiatief treedt priester Poppe in de voetsporen van de H. Paus Pius X. «  De dagelijkse communie is het normale regime van een christen  »  : het zijn woorden die Edward volledig onderschrijft.

De eucharistische catechisten verrichten een prachtig werk met de kinderen op die manier tot de godsdienst te brengen, aldus Edward  : «  Het zijn allemaal kinderen van goddeloze scholen die door de meisjes voorzichtig uit de klauwen van Satan getrokken worden. Zij kennen de naam van God slechts door het gevloek van hun ouders en de spot van sommige van hun meesters.  »

TEKEN VAN TEGENSPRAAK

Pater Claeys-Bouuaert

Pater Claeys-Bouuaert, de radicale jezuïet die jarenlang Edwards geestelijke leiding op zich nam.

Op de pastorie worstelt Edward ondertussen met een gewetensprobleem. Pastoor Van der Mijnsbrugge houdt van een goedgevulde tafel, een glas wijn en een heerlijke sigaar  ; hij verwacht van zijn onderpastoor dat die meedoet met de tradities van het huis. Maar de jonge Poppe wil trouw blijven aan zijn voornemen om een radicale armoede na te streven… Mag de weide van de herder beter zijn dan die van de schapen  ? Al na twee weken op Sint-Coleta noteerde hij voor zichzelf  : «  Ik zal nooit meer een vroom en heilig priester zijn als ik toestem in de heersende gewoonten. Ik ben slechts eenmaal onderpastoor op Sint-Coleta, slechts eenmaal neem ik gewoonten aan voor altijd.  »

Het is de radicale jezuïet pater Maurits Claeys-Bouuaert die Edward de weg wijst  : «  Een echt pries­terleven is nooit burgerlijk.  » Dus  : de harde weg van de ascese, zoals Sint-Ignatius die predikte. «  Wees radicaal, een priester is een teken van tegenspraak, beoefen de geest van armoede.  »

De pastoor neemt het niet in dank af dat Edward vriendelijk maar beslist weigert om mee wijn te drinken of te roken. De oude man ergert zich steeds meer aan zijn onderpastoor. Die tederheid, die tevredenheid die Edward altijd uitstraalt… Wat de emmer doet overlopen is echter zijn armoede  : hij geeft alles wat hij bezit weg, zelfs de meubels van de kamer die hij op de pastorie betrekt  ! Overigens zijn al die ziekenbezoeken in de socialistische wijken gevaarlijk, vindt de parochieherder  : die sukkelaars zijn tot alles in staat, ze zouden zelfs de eer van een priester in het gedrang kunnen brengen. Kortom, het enthousiasme van de pastoor is niet groot, en Edward moet heel wat vernederingen slikken.

De vele activiteiten én de gespannen atmosfeer putten Edward Poppe uit. Het is vanaf die tijd dat hij het voorgevoelen heeft dat hij niet lang zal leven. Hij blikt omhoog naar het Kruis en omarmt het met liefde  : «  Sacerdotium crux et martyrium, pax et gaudium  » (28 december 1916). Het ware priesterschap betekent Kruis en martelaarschap, maar precies daarin zal de echte man Gods vrede en vreugde vinden. «  Zeker, Jezus, dat is voor mij  : dat is mijn toekomst. Wie het doel wil, wil de middelen. O Jezus, gij weet het, ik wil het doel. Ik denk aan niets anders. Zielen doen opstaan, doen herleven, niet doen voortkruipen maar wakker maken, opwekken, sterken en voortstuwen naar U, in uwe wegen… Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen  » (oudejaarsavond).

Bij het begin van het nieuwe jaar schrijft Edward in zijn geestelijk dagboek een “ liefdesverklaring ” aan Vrouwe Armoede neer, waaruit we volgende passage citeren  : «  Vol vreugde heet ik u welkom, zowel aan tafel als op de strozak  ! Chevrier, Vianney, Allemand 1 hoe goed hebt gij het begrepen, gij die echt mannen van God waart  ! Er zijn priesters nodig die de mensen in hun passiviteit treffen door hun ongezouten armoede. Er zijn “ getuigen ” nodig, “ stemmen die roepen ”, “ bazuinen ”  ! Niets verkondigt Christus beter dan onthechting en armoede.  »

DE VLAAMSE KWESTIE

Op 24 oktober 1916 heeft de vervlaamste universiteit van Gent haar deuren geopend, met de uitdrukkelijke steun van de Duitse bezetter. Het is niet voor niets dat de tegenstanders, kardinaal Mercier op kop, het minachtend over de “ Von-Bissinghoge­school ” hebben. August Borms, boegbeeld van het activisme, is de grote propagandist van de Vlaamse universiteit en «  Temsche voorwaarts  », de studentenbond waarvan priester Poppe ooit voorzitter was, roept alle Vlaamse achttienjarigen vurig op om zich in Gent in te schrijven.

Wat is het standpunt van Edward in deze kwestie die ons land erg beroerde  ? Bij Odilo Jacobs, die bij het neerschrijven van het leven van zijn goede vriend moest rekening houden met het verbod van de kardinaal om te spreken over de Vlaamsgezindheid van priester Poppe, vernemen we niets en dat is jammer  ; het lijkt wel alsof Edward volledig afgescheiden van de politieke realiteit van zijn tijd leefde, in een soort van splendid isolation. Biograaf Van de Velde daarentegen gaat gedetailleerd op de kwestie in. Maar hij heeft al te vaak de neiging om zijn louter persoonlijke opvattingen – hij is een felle flamingant – ook aan Edward toe te schrijven, zonder dat hij daarvoor ook maar enig woord van onze heilige kan citeren  !

Het lot van het Vlaamse volk, op alle vlakken, ging Edward zeer ter harte. Hij kende heel veel leden van de Frontbeweging en Vlaamse voormannen persoonlijk, vaak van in zijn jeugdjaren. Ze kwamen regelmatig bij hem langs voor raad. Wil dat zeggen dat hij het eens was met alles waarvoor de flaminganten ijverden  ? We weten al dat voor hem in het motto «  Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus  !  » het tweede gedeelte primeert  : als men niet ijvert om het katholiek karakter van Vlaanderen te vrijwaren en te verdiepen, verliest de Vlaamse Beweging voor hem elke zin.

Uit de tijd van Sint-Coleta vinden we in een brief aan pater Claeys-Bouuaert volgende passage (hij schrijft over zichzelf in de derde persoon)  :

«  Onderpastoor Poppe bemint zijn vaderland [België] en hij bemint het én om het vaderland zelf én voor Onze-Lieve-Heer. Hij wordt getroffen tot in het diepste van zijn ziel door de zedelijke en zelfs door de stoffelijke ellende van al de burgers van zijn vaderland. Jezus heeft hem geplaatst in een hoekje van een vrij ellendig en erbarmelijk gedeelte van dat land [Vlaanderen]. En de onderpastoor hoopt, hij bidt en hij lijdt opdat dat geliefde land weerkere tot Jezus en dat het daartoe verkrijge en herwinne vanwege zijn bestuurders [de koning en de regering] al de rechten en al de vrijheden die passen bij Gods glorie en bij de inzichten van de Voorzienigheid. Voor de rest heb ik de inzichten verontschuldigd en niet de daden. Ik heb principes uiteengezet (omwenteling volgens Sint-Thomas) die ik nimmer heb toegepast, tenzij om aan mijn vrienden uit te leggen mijn oppositie tegen het flamingantisch aktivisme, of om mijn houding te verrechtvaardigen tegenover de overdrijvingen van de anti-flaminganten  » (6 oktober 1918).

Wat kunnen we uit deze passage besluiten  ? Dat Edward zich terdege bewust is van al de spanningen die de oorlog in het leven geroepen heeft  : Belgische unitaristen tegen Vlaams-nationalisten, maar binnen de flaminganten ook activisten tegen passivisten. 2 Hij gaat helemaal niet mee in de separatistische politiek van een deel van de Vlaamse Beweging, dat zelfbestuur voor Vlaanderen wil door België te doen barsten. Het «  in omnibus caritas  » indachtig betoont hij begrip voor de intenties van bepaalde heetgebakerde Vlamingen, zonder daarom echter hun daden goed te keuren  ; zo was zijn vriend Karel De Schaepdrijver gedeserteerd en overgelopen naar de Duitsers omdat hij geloofde dat een Duitse zege Vlaanderen baat zou brengen… Poppe ziet ook in dat de Belgische overheid, waar de vrijmetselarij een dikke vinger in de pap gekregen heeft sinds socialisten en liberalen toegetreden zijn tot de oorspronkelijk homogeen-katholieke regering, in de repressie tegen de flaminganten vaak een geheime antikatholieke agenda volgt.

Vlaanderen katholiek  : dat is het enige doel waarvoor Edward ijvert en waarvoor hij de Vlamingen warm wil maken.

AAN DE KANT GESCHOVEN

Op het feest van het H. Hart, 15 juni 1917, mogen 21 kleintjes van vijf en zes jaar – eentje is zelfs nog maar vier jaar – voor het eerst de H. Com­munie ontvangen. De zusters en de meisjes-cate­chisten hebben hun uiterste best gedaan om de kinderen mooi te kleden. Alles verloopt in een ingetogen en ontroerende sfeer. Tot meneer pastoor plots merkt dat de ouders van een bepaald com­municantje, die niet eens voor de Kerk zijn gehuwd, een voorbehouden plaats hebben gekregen vooraan in de kerk, samen met de andere vaders en moeders. Schandaal  ! Na de mis krijgt Edward in de sacristie harde woorden te slikken over zijn «  onstuimige en onberedeneerde ijver  »…

’s Avonds schrijft de onderpastoor in zijn dagboek  : «  Niets is beter dan vernederingen te ondergaan. Dat brengt Jezus ineens zo dichtbij.  »

Er is nog meer dat de pastoor irriteert. Het catechistenwerk is zo’n groot succes dat ook kinderen van andere parochies willen meedoen  ; op verschillende plaatsen wil men het voorbeeld van de onderpastoor van Sint-Coleta navolgen. De oude pastoor voelt dat de controle hem ontglipt.

In het begin van de zomer krijgt Edward van de dokter te horen dat hij wegens oververmoeidheid en zenuwverzwakking een maand rust moet nemen op de buiten. Hij gaat naar Melle, waar de zusters van Liefde een psychiatrisch instituut voor vrouwelijke patiënten hebben. Hij bidt tot Onze-Lieve-Vrouw  : «  Ik vraag U, moederke Maria, mijn krachten in die mate te herstellen dat ik in staat ben om, onvermoeid, het ontzaglijke werk op mij te nemen ter ere van U zelf en van uw Zoon en voor het heil der zielen.  »

Hij is er niet gerust op en vraagt zich af of hij misschien tuberculose heeft. Na een leidinggesprek met pater Claeys-Bouuaert, zijn geestelijke vader, hervindt hij zijn sereniteit  : «  De toekomst laat ik over aan de goddelijke Voorzienigheid. Met Jezus wil ik naar het kruis. Dat alleen heeft belang. Dat alleen beoog ik. Als God nu mijn kruisiging wil, het zij zo. Indien Hij mij nu slechts wil voorbereiden op het kruis, mij goed. Ik dring niet aan, het bekommert mij niet  : ik bestem mijzelf voor het kruis.  »

Eind augustus is een volledig verkwikte priester Poppe terug op Sint-Coleta. Pastoor Van der Mijns­brugge ontvangt hem hartelijk, in de overtuiging dat Melle Edward genezen heeft van zijn “ excentrieke ” manieren. Maar als de onderpastoor een glas wijn en een sigaar weigert, zit het er bovenarms op. Dezelfde avond nog vraagt Edward aan zijn herder geknield de zegen  : «  Meneer pastoor, gij zijt mijn vader, gij moogt mij dat allemaal zeggen, ik neem dat gaarne van u aan.  » Later zal de pastoor verzuchten  : «  Ik had een heilige in huis en ik wist het niet…  »

De meisjescommuniebond is Edward al kwijt  : de pastoor heeft het bestuur ervan aan hulppriester Louis Van Bogaert toevertrouwd. De zorg voor het catechistenwerk is tijdens Poppes verblijf in Melle opgenomen door juffrouw Elvire Branquaert, een vrome 40-jarige dame met wie hij tevoren reeds heeft samengewerkt. Hij neemt de leiding terug op, maar wanneer de winter voor de deur staat en er geen verwarmd lokaal meer beschikbaar is – ten gevolge van de oorlog zijn er onvoldoende kolen – is Edward blij dat de vergaderingen bij juffrouw Elvire thuis kunnen doorgaan. Alleen  : zij woont in een andere parochie…

Kort daarna maakt de pastoor hem duidelijk dat hij zich beter niet meer moeit met zaken buiten de parochie. De kinderen van Sint-Coleta zouden er goed aan doen voortaan weg te blijven uit het huis van Elvire Branquaert.

De genadeslag krijgt Edward wanneer hij op 13 februari 1918 op het bisdom wordt ontboden. Mgr. Seghers vindt het catechistenwerk heel nuttig en zinvol, maar vermits het tot een interparochiale onderneming is uitgegroeid is het niet meer nodig dat de onderpastoor de leiding ervan behoudt. «  Gehoorzaam uw pastoor en laat dat werk  », aldus de bisschop. Volgens hem kan juffrouw Branquaert het allemaal wel alleen af, met behulp van Poppes “ kleine lesjes ”…

Buiten zijn eigen stichting gezet  ! Mocht hij dan geen kinderzielen redden  ? Waarom had God hem dan die drang en die liefde in het hart gelegd  ? Edward zou zich natuurlijk kunnen verdedigen. In plaats daarvan valt hij op zijn knieën en gehoorzaamt.

Een kwartier later loopt hij een kerk binnen. «  Om te bekomen  », zoals Van de Velde schrijft  ? Neen  : om God te danken voor deze zware beproeving. Dezelfde avond nog schrijft hij in een brief aan juffrouw Elvire  : «  Ik verkies de kleinste daad van gehoorzaamheid aan mijn bisschop boven alle goede werken van heel de wereld.  »

SMEEKBEDE OM HEILIGE PRIESTERS

Edward Poppe lijdt, maar hij weet dat dit de normale conditie van een priester is. Hij lijdt in zijn lichaam en hij lijdt in de mislukking van zijn werk op de parochie. Wat hem echter het meest doet lijden is de nagenoeg algemene verblinding rondom hem over de ernst van de toestand  : de Kerk verliest elke dag terrein tegenover de ongelovigheid. Waarom  ? Omdat er te weinig radicale, heilige priesters zijn die zelf beleven wat ze prediken. Nochtans «  zouden tien heilige priesters Gent kunnen redden.  »

Het sterkst komt die noodkreet tot uiting in volgend gebed  :

«  Hebt Gij uw bloed voor niets vergoten  ? Zend uw priesters  ! Werd Gij voor niets gekruisigd  ? Priesters, echte priesters  ! Werd Gij voor niets gesmaad  ? Waartoe uw allerheiligste Eucharistie  ? Ach, zend toch priesters  ! De kinderen ontglippen ons  : zend uw priesters  !

«  De armen dolen weg en raken verzonken en vergeten. Zend uw priesters  ! De jongelingen  ! De burgers  ! Allen zoeken zichzelf, niet U, mijn Jezus… Wanneer priesters lijk Gij  ? Wanneer priesters der armen  ?

«  Ziet ge niet dat de zielen in volle kudden verzinken in wereldse zin, in modezucht, in lichtzinnigheid, in onkuisheid, in onverschilligheid, in ongeloof  ! Priesters, Jezus, uw priesters  ! Priesters lijk apostelen  ! Arm bij de armen  ! Klein bij de kleinen  ! Ach, wanneer komen ze, de priesters die bij de armen leven, priesters die van huis tot huis gaan, priesters die de schapen gaan zoeken in alle holen en krochten, in de zwarte schuilhoeken der armoede en der zonde  ! Waar blijven ze, Jezus  ? Uw bloed wordt nutteloos vergoten voor duizenden  !

«  Gaat de wereld verdwijnen in een hellepoel van verdoemenis  ? Ach, Jezus  ! Wat kunnen de kleinen eraan doen dat hun ouders slecht waren en hun priesters geen heiligen zijn  ? Ach, Heer, zoudt ge uw priesters zenden, de Uwe, de ware, de arme en heilige… die kleinen konden gered worden, die massa’s konden onder uw liefdetenten gebracht worden, en U bewaard blijven voor eeuwig  ! Gedenk dat Gij geleden hebt, gedenk uw eindeloze liefde en de onschuld der kleinen. Zend uw priesters  ! Moeder, toon u Moeder  ! Priesters, Jezus, echte priesters  !  » (geestelijk dagboek, juli 1917).

Dit gebed werd geschreven een halve eeuw voor de grote geloofsafval de godsdienst zou wegvagen uit de samenleving. Actueler dan ooit klinkt daarom vandaag de hartenkreet van priester Poppe. Als een profeet voorzag hij de apostasie. Als een profeet ook wist hij dat enkel heiligen de plannen van Satan kunnen dwarsbomen, met de hulp van de Allerheiligste Maagd Maria. Voor de komst van die heiligen bad hij en zal hij ook zijn leven geven.

EEN WONDERBARE BEKERING

Een van de laatste apostolaatsdaden van Edward in Gent is de haast miraculeuze bekering van een verstokte vrijzinnige, een overtuigd socialist die op sterven ligt en van priesters noch sacramenten wil weten.

Wanneer Edward van het sterfbed hoort, klopt hij onmiddellijk aan om te proberen de man tot inkeer te doen komen. Zijn echtgenote wijst hem eerst af, maar na lang aandringen laat ze hem toch binnen. Terwijl zij naar boven loopt om haar man te polsen, valt Edward op zijn knieën en bidt met aandrang tot de patrones van zijn parochie, de H. Coleta  : «  Ik roep uw machtige hulp in voor de bekering van deze ongelukkige. Al verdien ik zulks niet, toch vraag ik voor deze man een echte en duidelijke bekering, geen halve, geen twijfelachtige, geen onverschillige.  » De vrouw komt weer naar beneden. Als de onderpastoor het absoluut wil, mag hij van de zieke wel even goeiedag komen zeggen, maar natuurlijk kan er van biechten en dat soort dingen geen sprake zijn  ! Hoopvol trekt Edward naar het ziekbed – een kwartiertje slechts, meer niet, maar de opening is gemaakt.

De dag daarop staat Edward er opnieuw, met wat eieren voor de zieke of het huishouden. De vrouw bedankt hem koel en zegt dat de zieke slaapt. Ten andere, het is niet nodig dat meneer de onderpastoor zich nog verder “ derangeert ”.

Een nog vuriger gebed en’s anderendaags staat de vriendelijke geestelijke er opnieuw. In de houding van de echtgenote is een opmerkelijke kentering merkbaar. Ook met de zieke volgt’s namiddags een oprecht gesprek. Bij het vijfde bezoek tenslotte spreekt de stervende een berouwvolle biecht en ontvangt de laatste sacramenten. Een ziel is gered voor de eeuwigheid  !

NAAR DE AFZONDERING  : MOERZEKE

Rector van de zusters van de H. Vincentius a Paulo in Moerzeke, ca. 1920. Een « te zoetsappige foto » (Van de Velde) ? Of de beeltenis van een man Gods die weet dat onze eindbestemming in de hemel ligt ?

Rector van de zusters van de H. Vincentius a Paulo in Moerzeke, ca. 1920. Een «  te zoetsappige foto  » (Van de Velde)  ? Of de beeltenis van een man Gods die weet dat onze eindbestemming in de hemel ligt  ?

Het gaat met Edwards gezondheid zo bergaf dat hij in de herfst van 1918 benoemd wordt tot rector van een kleine communauteit  : de zusters van de H. Vincentius a Paulo in Moerzeke bij Dendermonde. Op 7 oktober, na de mis van Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans, vertrekt hij voorgoed uit de parochie waar hij zoveel gezaaid heeft en schijnbaar zo weinig geoogst  : een molenaarskar geladen met twee koffers, een hoop boeken en wat schamele huisraad, en onder het zeildoek Edward Poppe. Enkele stille parochianen wuiven hem uit in de druilerige regen. Op het moment dat de kar een bocht neemt, zien zij nog even het vertrouwde, lijkbleke maar glimlachende gelaat van hun geliefde onderpastoor die vriendelijk naar hen wuift.

Hij wordt in Moerzeke heel hartelijk verwelkomd. Zijn opdracht is niet zwaar  : hij moet zich bekommeren om een twaalftal zusters en om de kleine groep van bejaarden en wezen voor wie zij zorgen. Bovendien zal moeder Poppe de toelating krijgen om bij hem haar intrek te nemen. De overste van de communauteit beseft onmiddellijk dat de nieuwe rector een heilige is.

Poppes vriend en zusterziel Robrecht Messiaen, de jong gestorven stichter van de priesterbeweging « Filioli caritatis ».

Poppes vriend en zusterziel Robrecht Messiaen, de jong gestorven stichter van de priesterbeweging «  Filioli caritatis  ».

Tot zijn grote vreugde vindt Edward een zusterziel in de jonge onderpastoor van Moerzeke, Leo De Keukelaere, die bij hem in het rectorshuis komt wonen. Hij is lid van de Filioli caritatis, de door Robrecht Messiaen gestichte priesterbeweging. Edward en Leo besluiten om hun leven broederlijk te delen, samen te bidden, elke avond bij elkaar te biechten, te ijveren voor het ideaal van het heilig priesterschap.

Toch zal die gelukkige periode, die nog extra glans krijgt door het zo lang verhoopte einde van de Grote Oorlog, van korte duur zijn. Eind december wordt Leo zwaar ziek en kort daarop moet hij berecht worden. Zijn doodstrijd is lang en zwaar. Op een dag, terwijl Edward bij de stervende zit te bidden, roept deze plots uit  : «  Het geheim van Maria  ! Het geheim van Maria  !  » – «  Wat is er, Leo  ?  », vraagt Edward bezorgd. – «  Maria, dat is alles  ! Maria beminnen, dat is alles  ! De liefde tot Maria is als een vlam die aangestoken wordt. Aangezien wij daartoe bestemd zijn, wat kunnen we beter doen dan ons geheel in haar handen geven  ? Zij is de liefde zelf… In haar hebben wij alles…  » De 31-jarige geestelijke overlijdt op 5 januari 1919.

«  HOE BITTER WEINIG WORDT JEZUS BEMIND  !  »

De rust van Moerzeke maakt dat Edward terug wat energie vindt. Hij besluit de werking van de Filioli nieuw leven in te blazen en schrijft aanmoedigende brieven naar de vele vrienden. Zijn gedachte is de eenvoud zelf  ; hij drukt ze schitterend uit in een brief aan een seminarist van Leuven, die hij wil aanmoedigen om veeleer een heilige dan een geleerde te worden  :

«  Ik bid voor u, broeder, opdat gij gans uw leven een vurige Filiolus moogt blijven. Geleerdheid is een christelijk hulpmiddel, maar tenslotte komt alles op heiligheid neer en vloeit alles daaruit voort. Een heilige weet meer dan een geleerde, kan meer dan een geleerde, durft meer dan een geleerde...

«  Broeder, gij zult daar van dichtbij de toekomst van ons katholiek leven leren schatten  : gij zult zien wat zedelijke wrakken en verminkte idealen de Alma Mater onder haar vleugelen krijgt. Gij hebt te Gent gezien wat godsdienstige ellende daar heerst bij rijk en arm. Gij zult overal zien, tot in kloosters en gestichten toe, hoe weinig, hoe bitter weinig Jezus bemind wordt… De onverschillige mensen zakken met ganse steden, met ganse landen naar socialisme en heidendom weg. Een schoon sermoen over hel of hemel houdt die massa niet meer tegen. Ze groeien aan en zakken weg… Die ontaarde zinkende massa wordt maar tot zien en tot staan gebracht door de komst van een heilige.

«  Bidden wij dat Jezus in ons midden heilige priesters doet opstijgen, ware heiligen wiens evangelisch eenvoudig leven de onverschillige mensen tot bedenking, ja tot verwondering en inkeer brengt. Hebt ge nog niet nagegaan in de levens der heilige priesters wat een lichtkring ze neervlekken rondom zich, in hun duistere omgeving  ? Wat een verstrekkende ommekeer ze in stilte verwekken door hun heilig leven  ? Wat navolgers ze rondom zich aantrekken en meevoeren in hun ideaal priesterleven  ?  » (brief aan Eugeen Heyrman, januari 1919).

Het klooster van de zusters van de H. Vincentius a Paulo in Moerzeke zoals het er vandaag uitziet (tuinzijde). Binnen is een klein museum over priester Poppe ingericht.

Het klooster van de zusters van de H. Vincentius a Paulo in Moerzeke zoals het er vandaag uitziet (tuinzijde). Binnen is een klein museum over priester Poppe ingericht.

EEN MIJLPAAL

Moeder Poppe en haar dochter Marie in Moerzeke.

Moeder Poppe en haar dochter Marie in Moerzeke.

In maart 1919 vindt in Gent een diocesane bijeenkomst van de Filioli plaats  ; er zijn 35 geestelijken aanwezig. Velen van hen kijken zo op naar priester Poppe dat zij een persoonlijke briefwisseling met hem beginnen. In zijn antwoordbrieven legt Edward het accent op de absolute noodzaak voor priesters om een diep innerlijk leven te cultiveren, willen ze vruchten dragen  : «  Aan de vurigheid der priesters is de zaligheid van gestichten en dorpen verbonden… Weten dat elke versterving haar weerklank heeft op onze jongens, op onze biechtelingen, weten dat elke overwinning vermenigvuldigd wordt in haar uitwerkselen  !  » (brief aan Frans Deschaumes, 26 maart 1919).

Eind april organiseren de Filioli van het aartsbisdom een congres in de abdij van Keizersberg bij Leuven  : 24 seminaristen en jonge priesters die ernaar verlangen heilig te leven. Edward wordt uitdrukkelijk uitgenodigd, al is hij van een ander bisdom. Twee dagen lang volgt hij stilzwijgend de besprekingen. Er wordt gediscussieerd en geanalyseerd, er worden voorstellen uitgewerkt over statuten, een tijdschrift, een redactiecomité. Maar bij onze Temsenaar groeit de ongerustheid  : hij is ontsteld door de banaliteit van de debatten, hij mist de geest van stichter Robrecht. Denkt men dan echt dat alles kan opgelost worden met louter menselijke middelen  ?

De derde dag kan hij zich niet meer inhouden en vraagt het woord. In een onvergetelijke tussenkomst schildert hij het portret van een waarachtig priesterleven, het enige dat redding kan brengen  : een leven van armoede, van gebed en geloof, van vertrouwen en blinde gehoorzaamheid. «  Lijk een mes sneed zijn woord door de zielen  », schrijft ooggetuige Odilo Jacobs. «  Geen ijdel vertoon, geen gezochtheid  : alles even fris en nieuw. Iedereen luisterde en zweeg en voelde het waaien van de geest Gods  ».

’s Anderendaags vraagt men hem de afsluitende homilie te houden over het evangelie van de dag, een uittreksel uit het hogepriesterlijk gebed. De aanwezigen hebben de indruk in hun midden Christus zelf te hebben die zei  : «  Ik ben de Weg  ! Ik ben de Waarheid  ! Ik ben het Leven  !  » Ze worden vooral getroffen door de dimensie die Edward Poppe aan het priesterschap geeft door zijn commentaar op volgend woord van Jezus  : «  Wie in mij gelooft, ook hij zal de werken doen die Ik zelf verricht  ; en zelfs grotere zal hij doen  » (Jo 14, 12). Edward  : «  O Jezus, met deze woorden stelt Gij mijn geloof op de proef. Ik zou me willen achteruittrekken en toch, neen, ik zal niet twijfelen, maar ook dit geloven, omdat Gij het zo zegt  : ik, uw arme priester, ik zal de werken doen die Gijzelf hebt gedaan, “ et maiora horum ”, en nog grotere zal ik doen. Fiat, Domine  !  »

Die gedenkwaardige dag is een mijlpaal voor de Filioli. In zekere zin begint dan ook het “ openbaar leven ” van priester Poppe  : vanaf nu wordt hij beschouwd als de leider en de gids van hen die de weg van de priesterlijke volmaaktheid willen inslaan.

DE SPRONG NAAR HET KRUIS

De aan Maria toegewijde Schipperskapel in Moerzeke. Priester Poppe trok er regelmatig naartoe om te bidden.

De aan Maria toegewijde Schipperskapel in Moerzeke. Priester Poppe trok er regelmatig naartoe om te bidden.

Edwards uitstraling zal buitengewoon groot zijn, maar wat niemand weet – op zijn geestelijke vader na – is dat hij in het diepste geheim een offer gebracht heeft. Uit liefde voor zijn priesterideaal en om de juiste opvatting ervan te redden heeft hij op de voorlaatste avond van het Leuvens congres een gewaagde sprong genomen  : «  Ik heb gezegd dat ik een langdurig martelaarschap aanvaardde door trage uitputting en ik heb mezelf opgedragen, toen de zaken op de Keizersberg verkeerd liepen.  »

De Heer Jezus wacht niet lang vooraleer Hij Edward laat weten dat zijn offerande aanvaard is. Een week later loopt hij in Moerzeke, bij zijn dagelijkse bede­vaartwandeling naar de Schipperskapel, een verkoudheid op. De dag daarop moet hij het bed houden. Op zondag 11 mei wordt hij geveld door een zware hartaanval. Hij voelt zich plots als in bezwijming wegzinken  : geen polsslag meer  ; over zijn gelaat trekt een akelige doodskleur. Heel het klooster staat in rep en roer, een haastig bijgeroepen geneesheer vermag niets. Edward wordt berecht, het einde lijkt nabij.

Aan zijn goede vriend Filibert Seys, onderpastoor te Grembergen, die hij aan zijn sterfbed geroepen heeft, vertrouwt hij fluisterend toe  : «  Broeder, ik heb aan Onze-Lieve-Heer nooit gevraagd om lang te leven noch om gelukkig te zijn… Ik heb alleen gevraagd dat Hij door de mensen veel moge bemind worden. Ik heb gebeden om veel goed te kunnen doen en daaraan te mogen werken. Ik heb gesmeekt opdat zijn Rijk hier moge uitgebreid worden en de priesters zich heiligen… En als Jezus me hierin verhoren wil, zo heb ik Hem steeds herhaald, werp mij dan maar in de hoek en vergeet mij.  »

Een volle week blijft Edward in levensgevaar, dan treedt geleidelijk beterschap op. Maar op het hoogfeest van Pinksteren krijgt hij een tweede hartaanval. Zijn leven hangt aan een zijden draadje, de minste verkeerde beweging kan hem het leven kosten.

Toch overleeft hij ook deze keer. Wanneer Odilo Jacobs hem een bezoekje komt brengen, kijkt de zieke hem recht in de ogen en smeekt  : «  Broer, ik weet het wel, de mensen zeggen van mij dat ik een heilige ben. Maar ik weet beter… en mijn arm zieltje zal vergeten worden in het vagevuur. Zult gij tenminste goed voor mij bidden  ?  »

Wat hem op die momenten nog het best rechthoudt, is zijn hoop op Maria. «  Toen ik op sterven lag  », bekent hij later, «  kon ik mij niet troosten met de gedachte veel voor Onze-Lieve-Heer te hebben gewerkt. We zijn immers toch maar nutteloze dienaars. Maar wat mij troostte op dat ogenblik, was dat ik mijn goede moeder Maria had liefgehad en dat mijn leven haar heel en al toebehoorde.  » Hij wéét dat zij hem niet in de steek zal laten, maar voor hem zal zorgen. Heeft hij niet duizenden keren alles in haar handen gelegd  ?

Geen snelle dood, maar een lentum martyrium, een “ langdurig martelaarschap ” heeft hij gevraagd. En dat wordt ook zijn deel. Weken, maanden, jaren zal het lijden duren. Keer op keer staat priester Poppe terug aan de rand van het graf en voelt hij de beklemmende angst van de nakende dood. Maar hij herstelt telkens opnieuw, totdat een nieuwe crisis weer alle hoop en alle plannen teniet doet. Toch blijft hij onafgebroken verlangen naar beterschap, niet om de genezing zelf, maar omdat hij de nood van de zielen ziet, het goede dat ongedaan blijft. Tot de laatste dag zal hij branden van verlangen om hulp te bieden.

[wordt vervolgd]

broeder Pierre van de Transfiguratie
& redactie KCR

Hij is verrezen  ! nr. 82, juli-augustus 2016


(1) De Franse priester Jean-Joseph Allemand (1772-1836) leefde in de grootste armoede en was de stichter van het «  Werk van de jeugd  », dat zich toelegde op de opvoeding van adolescenten.

(2) Deze term verwijst naar de Vlaamsgezinden die een vernederlandste universiteit niet uit Duitse handen wilden ontvangen, maar de kwestie wilden uitstellen tot na de oorlog. Hun boegbeeld was Frans Van Cauwelaert.