De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

DE Z. EDWARD POPPE
EEN PRIESTER VOOR DE WEDERGEBOORTE VAN DE KERK

IV. ALS DE GRAANKORREL…

GEESTELIJK LEIDSMAN VAN DE «  CIBISTEN  »

Het graf van priester Poppe in de kapel te Moerzeke.

OP 11 augustus 1921 verscheen in het Belgisch Staatsblad een nieuwe wet met betrekking tot de dienstplicht  : voortaan moesten alle (aspirant-) geestelijken in vredestijd de opleiding van brancardier volgen in een speciaal aan hen voorbehouden oefencentrum, het CIBI (Centre d’instruction des brancardiers et des infirmiers), dat gevestigd werd in Leopoldsburg. De eerste 88 cibisten kwamen daar aan in december van hetzelfde jaar. Een nieuwe lichting kwam de eerste versterken in februari 1922 en een derde een half jaar later.

De bisschoppen van België stelden een bijzondere aalmoezenier aan «  om de jonge geestelijken te leiden gedurende de gevaarlijke periode van hun diensttijd en om, voor zover mogelijk, het CIBI-leven aan kloosterregel of seminariereglement aan te passen  » (O. Jacobs, deel 2, p. 327). Al snel bleek echter dat de taak te zwaar zou worden om door één man gedragen te worden  ; de benoeming van een afzonderlijk geestelijk leidsman was wenselijk.

Op 18 september 1922 begeeft priester Poppe, van wie de gezondheid lichtjes verbeterd is, zich naar Mechelen op vraag van kardinaal Mercier. Edward heeft al zijn papieren over de Eucharistische Kruistocht bij, want hij denkt dat de aartsbisschop hem daarover wil spreken.

Het is de allereerste keer dat Mercier de heilige priester ontmoet, en hij is erg onder de indruk  : «  Toen ik hem voor het eerst zag  », zal de kardinaal later op een priesterretraite vertellen, «  werd ik plots geroerd tot in het diepste van mijn ziel. Er scheen een genadevloed van hem uit te gaan...  »

Mercier komt meteen ter zake  : hij wil Edward geestelijk directeur maken van de cibisten, «  de honderden seminaristen, broeders en novicen die momenteel hun dienstplicht van één jaar moeten vervullen  », aldus de kardinaal, en die een geestelijk leidsman nodig hebben «  die hen vaderlijk zou begeleiden en wegwijs maken in het geestelijk leven  » (F. Van de Velde, deel 3, p. 836).

Het is een belangrijke opdracht die Edward krijgt en die hij meteen aanvaardt, omdat «  ik alles wil wat de gehoorzaamheid van mij verlangt en ik geen ander verlangen koester dan te gehoorzamen.  » Heel de Belgische klooster- en priesterschap zal voortaan door zijn handen gaan om licht en sterkte te ontvangen.

IN LEOPOLDSBURG

De aalmoezenier van het CIBI huurt voor Edward heel de eerste verdieping van een café, met toegang via een zijdeur. Daar komt de 31-jarige priester op 10 oktober 1922 toe, met zijn povere meubeltjes en huisraad en met zijn vele margarinedozen waarin de documentatie over de E. K. en de Mariadevotie steekt. Eén kamer laat hij onmiddellijk inrichten als kapel, een andere als studeerkamer en plek voor gesprekken met de cibisten die hem persoonlijk willen spreken.

De avond verzamelen zijn nieuwe geestelijke kinderen zich in het feestzaaltje van het café. Een van hen heet priester Poppe van harte welkom en zegt hoe blij ze zijn om hem, de heilige priester, de beroemde apostel van de Eucharistische Kruistocht, in hun midden te ontvangen als hun vader. Dan staat Edward recht om “ zijn ” cibisten toe te spreken  :

«  Uw ideaal is het ons volk, onze kinderen te redden. Dat kunt ge door de heiligheid  ! Vooraleer ge de zaal verlaat, zult ge allemaal het besluit nemen hier heilig te worden...

«  Beste vrienden, geeft u niet half aan Jezus. Jezus immers geeft zich ook niet half aan u. Morgenvroeg zal Hij zich weerom slachtofferen voor u en door de H. Hostie in u komen, niet half en half, maar heel en gans. Geeft u dus zonder voorbehoud. Zoekt in mij niet de mens, niet de redenaar of wat anders, maar Jezus, die ik zo natuurgetrouw mogelijk wil geven.

«  Ik bid Maria, mijn Moeder, ook de uwe, de Moeder der Kerk, de Moeder van Jezus, de Moeder der goddelijke gratie [genade] dat ze zou aanvullen wat er aan mijn woord ontbreekt, opdat gij allen nog vandaag vast besloten moogt zijn heilige priesters, heilige kloosterlingen te worden.  »

Met deze woorden wint de nieuwe bestuurder onmiddellijk het hart en het vertrouwen van zijn toehoorders. «  Het geeft de indruk  », zo formuleert een cibist het in zijn geestelijk dagboek, «  dat hij zo-even in de Kerk met Jezus gesproken heeft en ons getrouw komt nazeggen wat de goddelijke Vriend en Meester hem toefluisterde.  »

Vijftien maanden lang zal Edward de zware taak vervullen. Wonderlijk genoeg lijdt zijn gezondheid er niet onder, integendeel, zijn eetlust verbetert, zijn werkkracht vergroot en hij kan de vele voorzorgsmaatregelen om zichzelf te sparen geleidelijk achterwege laten. Bovenal voelt hij een diepe innerlijke vrede. Jezus zet de zielen voor hem open, schrijft hij, en hij stelt elk moment «  Gods wondere genadewerking  » vast.

De 8ste juni 1923, feestdag van het H. Hart, wordt in het CIBI gevierd als de dag van de Eucharistische Kruistocht. In zijn wekelijkse conferenties en dagelijkse “ woordjes ” heeft Edward voortdurend over de eucharistische methode gesproken en getracht de seminaristen op te leiden tot toekomstige leiders van de E. K.-beweging. De vlam van zijn eigen liefde slaat over in de harten van zijn leerlingen en de idealen van de Eucharistische Kruistocht verspreiden zich snel onder de geestelijken en aspirant-geestelijken in Leopoldsburg. «  Ik ben verheugd  », zegt de geestelijk bestuurder ‘s avonds in het smaakvol versierde feestzaaltje, «  omdat dit kleine kenteken, dat E. K.-insigne dat men in het begin bijna niet dragen durfde, thans het grote kenteken geworden is dat hier glanst tussen Jezus, de goddelijke Meester, en Maria, mijn goede Moeder. “ In hoc signo vinces ”, in dit teken zult ge overwinnen  !  »

POPPES SPIRITUALITEIT

Priester Poppe te midden van zijn cibisten in Leopoldsburg, 22 mei 1923. «  Geef u niet half en half aan Jezus.  »

In september 1923 krijgt Edward van een oud-cibist een brief waarin deze om opheldering vraagt over de aard van de spiritualiteit die de priester hen in Leopoldsburg voorgehouden heeft. Was die niet teveel benedictijns en te weinig ignatiaans  ? Steunde ze niet teveel op het gevoel en te weinig op de wilskracht  ?

Edward antwoordt heel anders dan zijn correspondent verwacht  :

«  Mijn spiritualiteit  ? Bid liever een weesgegroet voor mij en doe mij niet spreken over mijn spiritualiteit. Weet ik het, broerke, of ze ignatiaans of benedictijns is  ? Ik kan u enkel zeggen  :

«  dat ik gewoonlijk in het Evangelie en in de H. Schrift er de gronden van haal en dat ik enkel naderhand vaststel of ze meer van Sint-Ignatius dan van Sint-Benedictus wegheeft  ;

«  dat ze meeleeft, zeer nederig, met het leven van Jezus Christus in de H. Kerk en zeer afhankelijk [is] van al degenen door wie Christus ons bestuurt  ;

«  dat ze de stof niet gaat zoeken in buitengewone dingen, maar in de plichten en kruisen en betrekkingen van de toestand waarin Jezus’ Voorzienigheid ons hic et nunc plaatst  ;

«  dat ze eenvoudig ons wil brengen tot de volledigste onthechting in het uitwendige en het inwendige en tot de zuiverste gelijkvormigheid aan Jezus, zodat we als een tweede Jezus, als een treffend gelijkvormig broerke worden van Jezus, door Hem en in Hem, in al ons denken, bidden en doen, vooral in de liefde tot onze broeders, onze medemensen, vrienden en vijanden  ;

«  dat in die spiritualiteit het Altaar ten halve [in het midden] staat, met het Lammeke er op, gelijk de Kruisberg ten halve de Geschiedenis staat, met de Gekruiste...

«  Waar staan we beter dan met Maria onder het Kruis, met de Medeverlosseres onze ziel lavend aan het Altaar en onze geest voedend aan de Hostie  ? […]

«  Dierbaar broerke, vraag mij niet naar een naam voor mijn spiritualiteit. Ik heb nooit de pretentie gehad er een speciale te hebben. […] Gevoelspiëteit is zij in genen dele, wel geloofsleven en liefdeleven. Ze steunt met voorliefde op betrouwen, omdat daaruit grotere edelmoedigheid komt voor het volledig afsterven in Jezus. In Grignion de Montfort, in de sulpiciaanse en in de salesiaanse geschriften heb ik ze het innigst weergevonden  » (27 september 1923).

VADERLIJKE LEIDING

Met zijn jongens was Poppe altijd goed en geduldig. Zijn vaderhart begreep hun moeilijkheden, hun dagelijkse strijd, hun edelmoedig streven en ook, zo vaak, hun beschamende kleinmoedigheid. De cibisten getuigen dat hij nooit een driftig of bitter woord sprak, maar enkel medelijden en liefde toonde.

«  En toch sloeg die liefde nooit over tot zwakke toegeeflijkheid of blindheid voor hun fouten. Hoe zacht ook in schijn, onverbiddelijk streng in feite was Poppes leiding, juist omdat de leider de eigenliefde tot in haar meest geheime schuilhoeken doorschouwde en omdat hij in zijn liefde tot Jezus en tot Moeder de moed vond om, waar het paste, zelfs zijn beste vrienden op hun tekorten en gebreken te wijzen, ook al moest hun hart er door bloeden. Maar juist omdat men voelde dat deze gestrengheid niets anders was dan een hoge vorm van de liefde, daarom had ze bij Edward nooit iets afstotends  » (O. Jacobs, p. 351).

DE STICHTING VAN EEN KARMEL

Toen in 1921 de karmel van Aalst een stichting in Herentals overwoog, had de pastoor van Leopoldsburg de zusters uitgenodigd om naar zijn parochie over te komen  : waar kon een karmel beter gevestigd worden dan op een plaats die, zo dicht bij de legerbarakken, door zonde en bederf bedreigd werd  ? De provinciaal van de orde kon op dat moment geen groen licht geven, maar hij beloofde het gedane verzoek niet uit het oog te verliezen.

De gunstige gelegenheid deed zich het jaar daarop voor. Bij een viering in de karmel van Sint-Niklaas, waarop de (nieuwe) provinciaal aanwezig was, kwam het plan ter sprake om de orde verder uit te breiden in Vlaanderen. Misschien was Oostende een goede locatie  ? «  Nee, niet Oostende  », reageerde pater Corsini. «  Wat te denken van Leopoldsburg  ? De pastoor daar wenst niets liever.  »

De karmelietessen van Sint-Niklaas maakten kennis met priester Poppe toen hij in de zomer van 1923 bij hen een conferentie kwam geven. Het besef dat zo’n heilig man in Leopoldsburg hun buur zou zijn – «  Een heilige vormt toch andere heiligen  », zeiden de zusters onder elkaar – maakte dat er snel overeenstemming werd bereikt over de locatie voor de nieuwe stichting.

Edward vernam van het plan in een brief van de priorin, moeder Teresia-Jozef van het Kind Jezus, die hij goed kende en met wie hij een regelmatige correspondentie onderhield. Meteen was hij voor het idee gewonnen. «  Komt spoedig en laat deze post van toewijding niet aan anderen over  », schreef hij terug. «  Komt hier werken voor het Rijk van Jezus, voor de triomf van zijn Eucharistisch Hart. Komt hier de rol vervullen van middelaressen, waartoe de Middelares van alle genaden u uitnodigt.  »

Op 22 april 1924 zullen zeven karmelietessen in Leopoldsburg hun intrek nemen in een eerste, pover onderkomen  : het vroegere tuchthuis voor gestrafte soldaten. Later zal men voor hen een echt klooster bouwen.

TERUG NAAR MOERZEKE

Eind december 1923 reist Edward naar Moerzeke om de kerst- en nieuwjaarsdagen bij zijn moeder en zijn twee jongste zussen door te brengen. Onderweg bezoekt hij in Leuven zijn broer, frater Nestor, en in het klooster van Bornem zijn twee oudste zussen.

Van zijn verblijf maakt hij gebruik om de laatste hand te leggen aan enkele boekjes waaraan hij begonnen is, zoals «  La méthode eucharistique  ». Ook helpt hij de pastoor van Moerzeke door in de kerk te preken en biecht te horen. Moeder merkt dat hij zich met dat laatste teveel vermoeit, maar Edward weet van geen ophouden  : «  Ik voel nog wel wat stoomkracht, en zolang er stoom is, kan de machine voort.  »

Op de vooravond van zijn terugreis, op 2 januari 1924, zakt hij plots ineen  : opnieuw een hartaanval. De dokter legt volledige rust op. Edward blijft dus in Moerzeke, aan zijn bed gekluisterd.

Hij herstelt langzaam, tot een nieuwe crisis zich voordoet rond Lichtmis. «  Ik schijn wel onwaardig nog langer mijn plaats en zending te Leopoldsburg te vervullen  », schrijft hij. «  Jezus en Moeder hebben mij afgesteld als een onnutte en onbekwame dienstknecht om mij terug te plaatsen in mijn vroegere toestand.  » Geen zweem van bitterheid ligt er in die woorden, enkel overgave  : «  Eerbiedig aanbid ik U, o heilige Wil van Jezus  !  »

Weer voorzichtig herstel, dan begin maart een zware verkoudheid die overgaat in griep. Het gaat van kwaad tot erger  : op 6 maart wordt hij berecht.

Drie dagen later komt zijn goede priester-vriend Odilo Jacobs op bezoek. Poppe laat niet de minste hoop op genezing doorschemeren. «  Mijn taak is afgelopen. Het oude paardje wordt afgedankt… Kom, niet schreien. Ook hierboven zal ik met u zijn en u niet vergeten  !  »

HEILIGE PRIESTERS

Edward beseft dat God hem heeft opgewekt tot een apostel van de priesters en hem daartoe heeft overstelpt met een overvloed van genaden. Maar in zijn nederigheid meent hij duidelijker in te zien dat hijzelf eigenlijk een hinderpaal is voor de komst van het Godsrijk. Hij is zo onvolmaakt, zo lauw, hij doet zo weinig met de genadeschatten… Op een avond zegt hij tot de ziekenzuster die onverwachts binnenkomt en hem bedroefd voor zich uit ziet staren. «  Kijk zuster, hierbinnen steekt een ijsklomp, terwijl het een vlammenzee zou moeten zijn  !  »

Wat moet er dan gebeuren  ? Hij verlangt vurig dat in zijn plaats andere priesters zouden opstaan, die met dezelfde genaden zouden begunstigd worden, maar er een beter gebruik zouden van maken. Dan pas zal het Rijk zich met onweerstaanbare kracht in de zielen kunnen vestigen.

En zo wordt Edwards programma  : in de aarde vallen als de graankorrel, om stervend weer uit te schieten in een rijke oogst van heilige priesters. Aan zijn geestelijke vader schrijft hij  : «  Ik heb mij aan God aangeboden als een graankorrel, die door dood en verdwijning dient vermenigvuldigd te worden in vele andere apostelen van het Rijk, beter dan ikzelf  » (12 mei 1924).

Hij is klaar voor het ultieme offer, maar er is iemand die hem wil tegenhouden  : kardinaal Mercier. «  Uw aanwezigheid in ons midden blijft nodig  », aldus de kerkvorst. «  Ge hebt me altijd zo’n nederig en kinderlijk betrouwen betoond  ; daarom, vergeet uzelf, en in geest van gehoorzaamheid vraag deze genade samen met ons  » (13 maart 1924).

Deze brief is voor priester Poppe een grote ontgoocheling. Is hij dan zo’n ellendig iemand dat God het offer van zijn leven niet eens in aanmerking neemt  ? Maar hij gehoorzaamt, bidt en doet bidden voor zijn genezing.

En inderdaad keert zijn gezondheid nog één keer ten goede.

HEMELVAART

Edward wordt berecht in het klooster van Moerzeke, 6 maart 1924. Glasraam door Jan Wouters in de Sint-Jozefkerk te Hoogboom (Kapellen).

De laatste, korte beterschap doet zich voor in de meimaand. Op de derde pinksterdag, 10 juni 1924, staat Edward als naar gewoonte om half zeven ’s morgens op om de mis te gaan lezen in de kapel. De ziekenzuster vindt hem half aangekleed, zittend op de rand van zijn bed. Plots treedt de fatale hartaanval op  : een akelige vaalgele kleur loopt over zijn gelaat, de handen trekken krampachtig samen, hij valt neer. De stervende probeert zich nog op te richten, glimlacht, slaat opnieuw zwaar neer.

Zijn zussen komen toegelopen, moeder ook. Zij geeft haar zoon het kruisbeeld en fluistert enkele schietgebeden in zijn oor. De rector van het klooster wordt van het altaar weggeroepen en dient Edward het H. Oliesel toe. Nog enkele zuchten, geleidelijk zachter en zeldzamer. Het hoofd helt lichtjes over naar links, de halfopen ogen richten zich op het Heilig-Hartbeeld op de schouw. «  Krachteloos ontsluiten zich de handen als van iemand die zich aanbiedt. Niemand nu die hem verbiedt te sterven of hem in zijn grote offerdaad stoort…  » (Jacobs p. 389). Een laatste zucht. Heel zachtjes glijdt zijn ziel de eeuwigheid in.

De dood van priester Poppe verspreidde zich bliksemsnel over Vlaanderen en Nederland. «  De apostel, de heilige is dood  !  » Zes dagen lang kwamen onafgebroken rijen bedevaartgangers bij zijn doodsbed neerknielen en bidden.

«  Ik aanroep hem als een heilige  », zei kardinaal Mercier, «  en ik hoop vast dat de Kerk hem eens zal verheerlijken.  »

DE VRUCHTBARE GRAANKORREL

Maar de aartsbisschop van Mechelen deed onmiddellijk het nodige om de boodschap van Edward Poppe naar zijn eigen hand te zetten. Hij vroeg aan Odilo Jacobs om de biografie van de overledene te schrijven, met het bevel om heel het Vlaams-nationalistisch en politiek aspect van Poppes strijd dood te zwijgen.

Twee jaar later legde paus Pius XI aan de Kerk het model van de Katholieke Actie op, een lekenbeweging waarvan het devies «  zien, oordelen, handelen  » op gelijk welke ngo van toepassing zou kunnen zijn… Het bovennatuurlijke werd verbannen ten voordele van de menselijke capaciteiten, de ontplooiing van de mens, de sociale rechtvaardigheid. Jozef Cardijn werd gepromoot als het nieuwe licht, Edward Poppe deemsterde langzaam weg.

Priesters, heilige priesters… Edward heeft er heel zijn leven voor gebeden. En de Voorzienigheid heeft hem verhoord, op de ondoorgrondelijke manier waarop Gods wegen lopen… Op hetzelfde moment waarop onze heilige zijn leven offerde om echte priesters naar het Hart van God te krijgen, werd Georges de Nantes geboren, in april 1924. Zei onze Vader niet dat zijn roeping dateerde van zijn doopsel  ?

Priester Poppe zal een voorbeeld zijn voor de geestelijkheid van morgen, wanneer de katholieke Contrareformatie realiteit geworden is en de theologie van abbé de Nantes, zijn ware geestelijke zoon, definitief de devotie tot het Onbevlekt Hart van Maria, Middelares van alle genaden, gevestigd heeft.

broeder Pierre van de Transfiguratie & redactie KCR
Hij is verrezen  ! nr. 86, maart-april 2017

Priester Poppe op zijn doodsbed, 10 juni 1924.

Priester Poppe op zijn doodsbed, 10 juni 1924.