De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly

DE INQUISITE
bij ons onder keizer Karel V

In 2009 publiceerde historicus Gert Gielis een studie over de inquisitie in de Nederlanden in het begin van de 16de eeuw  : «  Verdoelde schaepkens, bytende wolven. Inquisitie in de Lage Landen  » (Davidsfonds, Leuven). De illustratie op de omslag doet al meteen de wenkbrauwen fronsen  : twee protestanten sterven de vuurdood op een walmende brandstapel, terwijl geestelijken met banier en kruis toekijken. Houdt het boek het cliché van de wraaklustige katholieke kettervervolging in stand  ? We lazen de studie en legden ze naast het standaardwerk van Dr. Paul Emiel Valvekens, O. P. , uit 1949  : «  De inquisitie in de Nederlanden der zestiende eeuw  » (Desclée De Brouwer, Brussel-Amsterdam). Wat blijkt  ? Beide auteurs doorprikken op basis van de objectieve feiten een hardnekkige “ zwarte legende ”.

DE periode die Gielis onderzocht heeft, is beperkt in de tijd (van 1517 tot 1530) en focust op het lutheranisme. Pater Valvekens behandelt ook het anabaptisme en de inquisitie onder koning Filips II. We beperken ons artikel daarom tot de periode waarop allebei de historici hun licht laten schijnen  : het optreden van Luthers eerste aanhangers en de reactie daarop van Kerk en Staat.

Inquisiteur Ruard Tapper (1480-1559)

Inquisiteur Ruard Tapper (1480-1559), hoogleraar in de theologie aan de universiteit van Leuven. In 1519 al weerlegde hij op overtuigende wijze de theorieën van Luther, waardoor hij mee aan de basis lag van de pauselijke bul Exsurge Domine uit 1520. De protestanten vergaven het hem niet en schilderden deze intelligente en rechtschapen man volkomen ten onrechte af als «  een bloeddorstige priester  ».

Bij het begin van de regering van Karel V was er ook bij ons een inquisitie actief zoals ze overal bestond sinds de 13de eeuw, toen ze in het leven was geroepen tegen de Zuid-Franse katharen of albi­gen­zen. Pauselijke inquisiteurs, meestal dominicanen, werden ook in de Nederlanden aangesteld om in een bepaald gebied over de gaafheid van de kerkelijke leer te waken. Daarnaast bestond er een bisschoppelijke inquisitie, omdat de zorg voor de zuiverheid van het geloof natuurlijk één van de opdrachten van elke bisschop was.

Men kan de inquisitie onmogelijk begrijpen als men niet beseft dat ketterij niet werd gezien als een privé-zaak maar als een openbare misdaad, een misdaad tegen God en de Kerk. «  De leerstellingen en de praktijken van de inquisitie stemden overeen met de idee die de middeleeuwers zich vormden van de gerechtigheid. De burgerlijke ge­zagsdragers hadden toen niet alleen de opdracht om de maatschappelijke orde te beschermen, maar ook om de belangen van God in deze wereld te verdedigen. Ze zagen zichzelf heel bewust als de vertegenwoordigers van het goddelijk gezag hier op aarde. De zaken van God waren die van hen  ; bijgevolg kwam het hen toe de beledigingen de godheid aangedaan te wreken. In dat perspectief viel de ketterij, een zuiver theologische misdaad, toch onder de bevoegd-heid van hun rechtbank. Door die ketterij te bestraffen vervulden ze slechts één van de plichten van hun ambt. Zij zijn het die deze misdaad gelijkgesteld hebben met majesteitsschennis, waarop bijgevolg de doodstraf stond  »

(E. Va­candard, Diction­naire de Théologie catholique, deel VII, art. Inquisition, kol. 2065).

Veel hadden de inquisiteurs in het begin van de zestiende eeuw niet om handen  ; maar dat veranderde ingrijpend toen de revolte van Martin Luther de Kerk op haar grondvesten deed daveren.

DE OPSTANDIGE MONNIK

De eeuwen door hebben de protestanten van Luther een man willen maken die oprecht geschokt was door de wantoestanden die in de Kerk heersten. Gielis trapt in die val wanneer hij schrijft  : «  Luther stuurde allerminst aan op een breuk. Hij wilde dat de Kerk zich over een aantal misstanden bezon  » (p. 57). Neen  ! De waarheid is helemaal anders  : de kwestie van de aflatenhandel was niet de reden van Luthers protest maar slechts het geschikte excuus om zijn persoonlijke leer te verspreiden. Dat «  kakangelie  », die «  slechte boodschap  » van een getormenteerde monnik die niet met zichzelf en met God in het reine kon komen, had al vóór het cruciale jaar 1517 vorm gekregen. Zijn aanklacht tegen de aflatenhandel van de dominicaan Tetzel was enkel «  een schitterende, media­tieke gelegenheid om zijn leer van het geloof zonder de werken te propageren  » (abbé de Nantes).

De theorieën van de augustijn uit Wittenberg werden niet meteen door iedereen als ketterij geïnterpreteerd. «  Het duurde alvast een gehele tijd voor het klaar werd dat de stellingen van Luther ketterij betekenden. Ondertussen sympathiseerden tal van mensen met sommige strevingen van Luther. Pas later, nadat de ketterse opinies duidelijk aan het licht waren gekomen en de paus officieel hieromtrent uitspraak had gedaan, werd een zuivere toestand geschapen  » (Valvekens p. 154). Het waren de theologen van de Leuvense universiteit die rond de jaarwisseling 1518-1519 als eersten waarschuwden voor de nieuwe ketterij, toen zij een in Bazel gedrukt boek met de theorieën van Luther onderzochten  : «  De professoren van de theologische faculteit lazen Luthers opvattingen en begrepen dat ze moesten ingrijpen. Luther verkondigde in het boek een aantal stellingen die volgens hen gevaarlijk naar ketterij zweemden. Zijn interpretatie van de Schrift en de kerkvaders, zijn nadruk op het zondige karakter van iedere menselijke daad, zijn mening over de “ concu­piscentia ” (begeer­lijk­heid) en zijn verwerping van het biechtsacrament en het pauselijke gezag konden voor de theologen niet door de beugel  » (Gielis p. 57). En terecht  ! Wat in tegenspraak was met de waarheid betekende een gevaar en diende bestreden te worden. Het was nu wachten op een standpunt van Rome. Die pau­selijke uitspraak kwam er met de bul Exsurge Domine van 17 juli 1520.

Keizer Karel V was zich bewust van zijn plicht de katholieke godsdienst in de landen waarover God hem aangesteld had tot elke prijs te verdedigen. Toen de pauselijke nuntius Hiëronymus Aleander hem een kopie van de bul kwam afgeven, reageer­de Karel onmiddellijk met een plakkaat, een keizerlijke verordening die publiekelijk uitgehangen moest worden. Hij gaf daarin het bevel alle lutherse boeken in zijn rijk in beslag te nemen en te verbranden  ; het was eveneens verboden boeken van Luther te drukken, te verkopen of te verspreiden.

Omdat Luther weigerde zijn dwalingen te herroepen en de bul zelfs publiekelijk verbrandde, sprak paus Leo X een half jaar later de banvloek uit over de ketterse monnik, zijn aanhangers en zijn be­gunstigers. De krijtlijnen waren nu duidelijk getrokken. Op de rijksdag van Worms sloeg Karel V de rebelse augustijn in de rijksban (26 mei 1521), en daarmee werd de vervolging van het lutheranisme evenzeer een zaak van de Staat als van de Kerk.

SYMPATHISANTEN VAN LUTHER IN ANTWERPEN

«  De steden bleken ideale kweekbodems voor de hervormingsideeën, die er in relatieve rust konden rijpen en gisten. In het bijzonder te Antwerpen waren de voornoemde factoren aanwezig, waardoor de Scheldestad een broeinest van lu­therije werd. De stad was zelfs een redelijk veilige plaats om de Hervorming te laten ontkiemen. Het stadsbestuur beschermde haar inwoners, zolang zij de sociale orde niet verstoorden. Zij had weinig zin om burgers en potentiële inwijkelingen, die economisch interessant waren, weg te jagen of af te schrikken  » (Gielis p. 110).

Een “ liberale ” politiek dus… die maakte dat de nieuwe ketterij zich vrij ongestoord in de Scheldestad kon ontwikkelen.

De eerste lutheraan waartegen in onze gewesten daadwerkelijk opgetreden werd, was Jacob Proost. Deze Ieperling, beter bekend onder zijn gelatiniseerde naam Jacobus Praepositus, was een augustijn die in Wittenberg had gestudeerd bij Luther. In 1519 was hij benoemd tot prior van het augustijnenklooster te Antwerpen. Twee jaar later trok hij opnieuw naar Wittenberg om zijn doctorstitel te behalen, en maakte de heisa rond de opstandige monnik toen persoonlijk mee.

Terug in Antwerpen preekte Praepositus in de kloosterkerk van de augustijnen (de huidige Sint-Andrieskerk) lutherse opvattingen. Al snel werd een klacht tegen hem ingediend. De bisschop van Kamerijk, tot wiens bisdom Antwerpen toen behoorde, stelde twee Leuvense theologen aan als inquisiteurs om een onderzoek in te stellen. Na enkele weken al herriep de prior al zijn dwalingen  ; hij zwoer in het publiek dertig valse stellingen af. De enige “ straf ” die de augustijn kreeg, was dat hij overgeplaatst werd naar Ieper en verbod kreeg nog in Antwerpen te verschijnen. Aan heel de zaak kwam geen foltertuig te pas, laat staan een brandstapel  !

De vrijheid deed Praepositus echter geen deugd. Hij hernam zijn oude opvattingen en begon terug in lutherse trant te prediken. Dus werd hij voor de tweede keer gearresteerd, en nu dreigde wél de brandstapel  : «  Dat was de gebruikelijke straf voor ketters die hadden herroepen maar in hun ketterse gewoonten waren hervallen  » (Gielis p. 85). «  Relapsen  », zonoemde men deze personen die hun bekering slechts geveinsd hadden. De voormalige prior kon evenwel ontsnappen en vluchtte halsoverkop naar het Duitse rijk… Valvekens voegt hier nog aan toe dat Jacob Proost later de kap over de haag gooide, een vrouw nam en peter werd van één van Luthers kinderen (p. 169)  !

Kort daarop werd in Antwerpen een tweede geval gesignaleerd. Cornelius Grapheus, een bekend humanist die bovendien stadssecretaris was, gaf in 1522 een luthers boekje van de hand van een zekere Jan Pupper uit en had er een inleiding voor geschreven, waarin hij Puppers kritiek op de vasten, de jaarlijkse biecht en de religieuze geloften – alles in naam van de «  vrijheid  » – tot de zijne maakte. Grapheus werd naar Brussel geroepen om uitleg te verschaffen. In april van hetzelfde jaar verwierp hij plechtig alle dwalingen van Luther, waarna hij uit Antwerpen verbannen werd.

Na deze twee zaken begreep de Antwerpse stadsmagistraat dat men een signaal moest geven aan de hoogste gezagsdragers in de Nederlanden. Daarom vaardigde de Scheldestad op 15 februari 1522 een ordonnantie uit waarin alle bepalingen van het edict van Worms in herinnering werden gebracht. De straffen werden echter ingrijpend aangepast  : «  De ver­beurdverklaring van goederen bleef als straf van kracht, maar de verbeurdverklaring van lijf, zeg maar de doodstraf, werd geschrapt en vervangen door een eeuwige banstraf uit het markgraafschap Antwerpen. De doodstraf beschouwde men blijkbaar als een te zware sanctie  » (Gielis p. 87). Niet alleen was de handelsmetropool uit eigenbelang afkerig van een al te drastische politiek, maar op de twee genoemde gevallen na vorm­de het lutheranisme nog altijd geen echt probleem.

EEN PERSOONLIJK INITIATIEF VAN DE KEIZER

Vanaf het begin van zijn regeerperiode vertoonde de jonge keizer Karel V, heerser over een immens rijk “ waarin de zon nooit onderging ”, een sterke neiging tot cesaropapisme  : hij was moeilijk af te brengen van bemoeienis met het godsdienstig domein. «  Het kon derhalve niet anders, of de centrale besturen zouden ook het toezicht over de ketterse beweging op zich nemen, niet op de eerste plaats omdat de ketterij zo vervaarlijk om zich heen greep, maar omdat de keizer nu eenmaal zelf meester wilde spelen over alle kerkelijke aangelegenheden  » (Valvekens p. 172). Hierbij mogen we uiteraard niet vergeten dat Karel zich scherp bewust was van zijn verantwoordelijkheid als christenvorst.

De afvallige augustijnen Hendrik Voes en Jan van Esschen op de brandstapel. Houtsnede in een protestants pamplet van de hand van Martin Reckenhofer (1523).

De afvallige augustijnen Hendrik Voes en Jan van Esschen op de brandstapel. Houtsnede in een protestants pamplet van de hand van Martin Reckenhofer (1523). Beide paters, die hardnekkig weigerden de leer van Luther af te zweren, waren de enige lutheranen die in ons land onder het bewind van Karel V ter dood gebracht werden.

Op 23 april 1522 ging de keizer er toe over de inquisitie in de Nederlanden toe te vertrouwen aan één van zijn topambtenaren, een leek, die burgerlijk en kerkelijk recht gestudeerd had  : meester Frans van der Hulst, lid van de Raad van Brabant en erg gewaardeerd om zijn «  wysheyt, rechtveerdicheyt, ernsticheyt ende goede experiencie  ». Een ingrijpend precedent, want de regel was altijd geweest dat enkel de paus iemand inquisitoriale macht kon verlenen… De nieuwe keizerlijke hoofdinquisiteur omringde zich onmiddellijk met een staf gekwalificeerde medewerkers  : Joost Laurensz, jurist  ; Jacobus Latomus en Ruard Tapper, doctores in de godgeleerdheid aan de universiteit van Leuven  ; de dominicaan Jacob van Hoogstraten en de karmeliet Niklaas van Egmond, allebei inquisiteurs.

Hun eerste zorg betrof de meest overtuigden van Luthers vrienden in de Nederlanden  : de paters augustijnen. Vooral hun klooster in Antwerpen was, ook na het vertrek van prior Jacob Proost over wie we het hierboven hadden, een haard van propaganda voor de ketterij. Van der Hulst en de zijnen stelden een grondig onderzoek in en toonden aan dat de Antwerpse augustijnen een loopje namen met de katholieke rechtgelovigheid.

De autoriteiten besloten een voorbeeld te stellen en de ketterij in het al te lakse Antwerpen met wortel en tak uit te roeien. In oktober 1522 kwam de landvoogdes, Margareta van Oostenrijk, in hoogsteigen persoon naar de Scheldestad. Ze liet aan de augus­tijnen weten dat de keizer hun klooster simpelweg afschafte omdat er valse leringen werden verkondigd en verdedigd. Zestien monniken werden opgepakt. De dag daarop werd het Heilig Sacrament uit de ontwijde kerk van de augustijnen plechtig in processie overgebracht naar de hoofdkerk van Onze-Lieve-Vrouw.

De zestien arrestanten werden in het kasteel van Vilvoorde duchtig aan de tand gevoeld. Dertien van hen waren bereid hun dwalingen af te zweren, maar drie bleven hardnekkig het lutherse gedachtegoed verdedigen. De paters Hendrik Voes en Jan van Esschen (het lot van de derde is onduidelijk) werden op 1 juli 1523 op de Brusselse Grote Markt ontwijd, de zwaarste kerkelijke straf voor afvallige priesters, en vervolgens aan de wereldlijke macht overgedragen om op de brandstapel te sterven. «  Tot het laatste moment probeerden biechtvaders de twee lutheranen om te praten  » (Gielis p. 96), maar ze waren rotsvast overtuigd van hun gelijk en gingen de dood in onder het zingen van het Te Deum laudamus. Ze waren, in heel Europa, de eerste “ martelaren ” voor de zaak van het protestantisme, en Luther liet niet na een loflied op hen te dichten.

De ganse affaire van de Antwerpse augustijnen was afgehandeld in naam van de keizer, zonder dat de Kerk er rechtstreeks bij betrokken was. Gaf de paus uiting aan enig misnoegen  ? Blijkbaar niet, want Adrianus VI benoemde Van der Hulst in datzelfde jaar tot algemeen pauselijk inquisiteur van de Nederlanden.

Maar het particularisme dat zo kenmerkend was voor onze gewesten, de angstvallige bekommernis dat de plaatselijke voorrechten van provincies, steden en stadjes altijd en door iedereen moesten gerespecteerd worden, deed Van der Hulst kort daarna de das om. De steden van Holland dienden een klacht in omdat de hoofdinquisiteur het gewaagd had, in het kader van een onderzoek, ingezetenen te dagvaarden buiten de stadsmuren. Een inbreuk op de onaantastbare «  costuymen  » (geplo­genheden)  ! Van het een kwam het ander, en toen bleek dat Van der Hulst in zijn conflict met de Sta­­ten van Holland een akte had vervalst moest de landvoogdes hem laten vallen. «  Het experiment met een vorstelijke inquisitie was mislukt  » (Gielis p. 109).

DRIE PAUSELIJKE INQUISITEURS

Ondertussen nam de ketterij in het Duitse rijk op onrustwekkende wijze uitbreiding. Het ging al lang niet meer om protest tegen de aflatenhandel, want dat was voor Luther alleen maar het geschikte voorwendsel geweest om zijn revolutionaire leer te propageren. De rebelse monnik sleurde zijn landgenoten mee in een wilde opstand tegen Rome, tegen het kerkelijk gezag en tegen àlle gezag.

Nadat Van der Hulst van het toneel verdwenen was, moest een nieuwe hoofdinquisiteur aangesteld worden. Margareta van Oostenrijk en haar raad kozen deze keer voor een geestelijke, en besloten drie kandidaten voor te dragen aan de paus. De keizer gaf zijn toestemming aan de procedure om een «  révérend et grant personnaige ecclésiastique  » te doen benoemen. Eigenlijk gaf de vorst slechts in schijn de zaak in handen van de paus  : het bleven zijn kandidaten, Rome zou enkel een keuze maken.

In naam van de paus maakte kardinaal Cam­peggio op 17 juni 1524 bekend dat alle drie de kandidaten samen aangesteld werden. In onderling akkoord ging Olivier Buedens aan het werk in het graafschap Vlaanderen, Nicolaas Houzeau in Henegouwen en Nicolaas Coppin in Holland en Brabant. Maar hoe ver reikte hun bevoegdheid  ? Wát als zij in conflict kwamen met de plaatselijke bisschoppen  ? Geen overbodige vragen, want het was algemeen geweten dat ketterprocessen voor diocesane rechtbanken meestal veel te lang aansleepten en dus ondoelmatig waren.

Paus Clemens VII schiep begin 1525 klaarheid  : de drie pauselijke inquisiteurs kregen de machtiging om alle ketterprocessen te leiden, zonder enige tussenkomst van de bisschoppen  ; hun vonnissen zouden zonder beroep zijn  ; ze mochten naar goeddunken toegevoegde inquisiteurs aanstellen  ; enkel als de beklaagde zelf een bisschop was, zou de paus persoonlijk uitspraak doen op basis van de toegezonden processtukken. «  Hiermede had de inquisitie ten onzent haar juridisch statuut gevonden. In hoofdzaak zou dit gedurende de gehele zestiende eeuw niet meer gewijzigd worden  » (Valvekens p. 185).

Dat betekende echter niet dat de wereldlijke autoriteiten werkeloos toekeken. Daarvoor waren zowel de keizer als de landvoogdes te zeer doordrongen van hun plicht als katholiek gezagsdrager. Meer dan eens was het Margareta van Oostenrijk zelf die de pauselijke inquisiteurs opdracht gaf om een onderzoek in te stellen.

«  INT OPENBAER OF INT HEYMELICKE  »

De Brusselaar Claes van der Elst had aan de Leuvense universiteit theologie gestudeerd. Hij kreeg in Leuven een exemplaar van Luthers werk te pakken en werd er onmiddellijk door aangestoken. Begin 1524 werd hij benoemd tot pastoor van de Antwerpse Sint-Jacobskerk.

In zijn preken was Van der Elst niet erg voorzichtig. Hij gaf af op allerlei kerkelijke wantoestanden en verkondigde ideeën die de parochianen verdacht veel aan die van Luther deden denken. Kort daarna richtte de pastoor in het Eikenstraatje, vlakbij de kerk, gesloten bijeenkomsten in om de Bijbel te bestuderen. «  Het duurde niet lang of het kwam het stadsbestuur ter ore dat in de Sint-Jacobsparochie een luthersgezinde pastoor benoemd was, die bovendien ook nog conventikels organiseerde om de Bijbel te bediscussiëren. Dat was bij wet strikt verboden en omdat zijn optreden de gemoederen blijkbaar nogal ernstig beroerde, was het dus tijd om in te grijpen  » (Gielis p. 154). De aanwezigen op de samenkomsten werden op het matje geroepen maar kwamen er vanaf met een stevige vermaning en de belofte om er voorgoed mee op te houden. Alleen een zekere Adriaan “ de schilder ” had het hazenpad gekozen  ; hij werd bij verstek veroordeeld tot… een bedevaart naar het H. Bloed te Vissenaken. O die verschrikkelijke en fanatieke katholieke dwingelandij  !

Wat Claes van der Elst betreft  : onderinquisiteur Ruard Tapper, professor in de godgeleerdheid te Leuven, kwam naar de Scheldestad om met de pastoor te spreken. Zij kenden mekaar van in hun studententijd. Na lange discussies kon Tapper de pastoor ertoe overhalen dat hij voor de verzamelde theologische faculteit zijn dwalingen afzwoer. Maar het was niet van harte, want nauwelijks was Van der Elst terug in Antwerpen of hij herbegon  ! Korte tijd nadien werd hij op aandringen van de Leuvense godgeleerden uit zijn ambt ontzet. Van de brandstapel was geen sprake  !

Dat het telkens weer Antwerpen was waar de ketterij de kop opstak, hoeft niet te verwonderen. «  Antwerpen was destijds de meest kosmopolitische stad der Zeventien Provinciën. Ze stond derhalve – en vooral als handelsmetropool – open voor allerlei vreemde propaganda. Het lutheranisme, op en top een importartikel, kon veiligst over Antwerpen zijn intocht in onze streken beproeven  » (Valvekens p. 192). Bovendien was de Scheldestad het onbetwiste drukkerscentrum van de Lage Landen  : «  Tussen 1501 en 1540 hadden in Antwerpen 66 drukkers hun bedrijf, op een totaal van 133 in de ganse Nederlanden  » (Gielis p. 138). En het was door toedoen van de boekdrukkunst dat de Reformatie zich razendsnel over heel Europa kon verspreiden.

Toch stak ook elders in de zuidelijke Nederlanden wel eens een probleem de kop op. In Kortrijk bijvoorbeeld, waar rond dezelfde tijd een inwoner zijn woning ter beschikking stelde van luthersgezinden die er voorlazen uit «  Vlaemsche ofte Walssche boucken ghetranslateert uut der heilighe Scriftuere  », aldus een kroniekschrijver, met de bedoeling aan de bijbelteksten een eigen interpretatie te geven. Hun medeburgers waren daarvan goed op de hoogte. We kunnen onmogelijk zeggen dat het plaatselijk gezag er “ te vuur en te zwaard ” tegen tekeer ging, zoals de protestantse legende het nochtans graag voorstelt  : «  Een ordonnantie van 24 juli 1524 maande de hervormingsgezinden dan wel aan om niet meer naar conventikels te gaan en het woord van God in de preek in de kerk te laten verklaren, maar zij verbood het eveneens om de bijbellezers publiekelijk te beschimpen  » (Gielis p. 155).

WETTIGE ZELFVERDEDIGING

In hetzelfde jaar 1524 brak in het zuidwesten van het Duitse rijk de vreselijke Boerenoorlog uit. Aangemoedigd door de openlijke rebellie van Luther tegen paus en keizer, en gesterkt door zijn traktaat «  Over de vrijheid van een christenmens  », kwam het plattelandsvolk in opstand tegen de heersende klasse. Op het hoogtepunt van de oorlog, die zich vanuit het Zwarte Woud uitbreidde naar Zwaben, Beieren en Thüringen, trokken tienduizenden boeren moordend en plunderend rond van kasteel tot kasteel. De vorsten waren ontzet, en ze verweten Luther dat hij het was die de hel ontketend had. De “ hervormer ” keerde zich daarop met verbazend gemak tegen de boeren  : in het voorjaar van 1525 schreef hij een fel pamflet «  Tegen de moordzuchtige en roofzuchtige boerenbenden  ». Kort daarna werd een massa opstandige plattelanders, geleid door Thomas Müntzer, bij Frankenhausen op een gruwelijke manier afgeslacht (5 mei 1525).

Deze gebeurtenissen maakten duidelijk dat het lutheranisme niet zomaar een abstracte theorie was, maar een gevaarlijke leer die tot de ontwrichting van de hele maatschappij kon leiden. Dat be­-sefte men ook in de Nederlanden maar al te goed, en dat was de reden waarom noch de Kerk noch de Staat deze leer vrij spel wou laten. Het ging om niets meer of minder dan wettige zelfverdediging.

De kooien waarin de lijken van de leiders van de anabaptisten prijsgegeven werden aan het bederf.

Tot op vandaag hangen aan de toren van de Sint-Lambertuskerk in Münster de kooien waarin de lijken van de leiders van de anabaptisten prijsgegeven werden aan het bederf, als afschrikwekkende waarschuwing voor alle volgende generaties. Het bloedig schrikbewind van het Wederdopersrijk (1534-1535) had ieders ogen geopend voor de gruwelen waartoe de theorieën van Luther konden leiden.

Twee maanden na de verschrikkelijke afrekening bij Frankenhausen vernam de Antwerpse magistraat dat een afvallige augustijn, Nicolaas geheten, in het geheim lutherse ideeën preekte. «  Onverwijld werd een ordonnantie aangeplakt op het feit van tweedracht ende commotie. Tevens werd een bedrag van honderd gulden uitgeloofd  » (Valvekens p. 193).

Alsof er niets aan de hand was, predikte de uitgelopen geestelijke de dag daarna van op een schuit bij het Falconsklooster. Na zijn sermoen grepen twee slagersknechten hem vast en bracht men hem in stoet naar het stadhuis en vervolgens naar de gevangenis in het Steen. De brede raad veroordeelde Nicolaas de dag daarop ter dood, en enkele uren later al werd hij door de beul in een zak gestopt en vanaf de werf in de Schelde gegooid om de verdrinkingsdood te sterven.

«  Bij deze verrassend snelle veroordeling waren geen inquisiteurs betrokken geweest, ze was louter de verantwoordelijkheid van het stedelijk gerechtelijk apparaat  » (Gielis p. 179). Waarom  ? Omdat men ervan overtuigd was geraakt dat de «  lutherije  » tot sociale onrust kon leiden en dat elke opstoot ervan daarom snel de kop moest ingedrukt worden. De toekomst zou de gezagsdragers gelijk geven. Luther had met zijn theorie van de Bijbel als directe inspiratiebron voor elke gelovige een doos van Pandora geopend, en allerlei dwepers zouden uit zijn leer extreme besluiten trekken.

VAN LUTHER TOT DE ANABAPTISTEN

De Antwerpse schaliedekker Loyken Pruystinck, een ongeletterd man, hoorde nog eerder thuis in de categorie van de zonderlingen. Pruystinck had over Luther gehoord en wou met hem kennismaken, om de hervormer in te lichten over de opvattingen die hij – Loyken – met betrekking tot het geloof voor de juiste hield. Hij reisde begin 1525 naar Wittenberg en verkondigde zijn theorieën aan al wie ze horen wou. Luther vond hem evenwel maar een rare snui­-ter, en schreef zelfs een brief om de Antwerpena­ren te waarschuwen voor hun vreemde stadsgenoot  !

Loyken keerde onverrichterzake terug en verzamelde in de Scheldestad een tiental sympathisanten, de zgn. loïsten. Ze werden in 1526 gearresteerd. Nie­-mand minder dan Nicolaas Coppin, één van de drie inquisiteurs-generaal, zat het proces voor. De beklaag­den werden grondig aan de tand gevoeld over hun geloofsovertuiging. «  De procesdocumenten zijn helaas niet bewaard gebleven. We weten alleen dat het niet lang duurde eer iedere verdachte zijn dwalingen herriep en zich wilde verzoenen met de ware Kerk, ook aanstoker Loyken Pruystinck  » (Gielis p. 250). Daarop werden ze wegens ketterij veroordeeld…

… en op de brandstapel gezet  ? Zo is het ons ingepompt door de Leyenda negra, de «  Zwarte le­-gende  » die Duitse lutheranen en Hollandse calvinis­ten gefabriceerd hebben om alles wat Spaans is – en daar hoort de inquisitie bij – zo afgrijselijk mo­ge­-lijk voor te stellen. De historische realiteit is anders.

Op de Antwerpse Grote Markt was een stellage opgetimmerd waarop de inquisiteurs en de functionarissen plaatsnamen. Terwijl het volk rijen dik stond toe te kijken, beklommen de loïsten eveneens de houten constructie, ieder met een brandende kaars in de hand. Een processie naderde. Men trok de veroordeelden een mantel aan waarop vooraan het H. Sacrament, achteraan Luther met enkele duivels afgebeeld waren. De hele groep moest de processie volgen naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Vervolgens ging het opnieuw naar het stadhuis, waar de ketters hun mantel mochten uittrekken. «  Toen mochten zij beschikken en als vrije mensen naar huis weerkeren. Zij moesten geen boete betalen en hun goederen werden niet aangeslagen, enkel hun boeken werden openbaar verbrand  » (Gielis p. 250).

Rond dezelfde tijd ontstond de protestantse sekte van de anabaptisten of wederdopers, radicale communisten avant la lettre die eerst in het Duitse rijk en daarna in de Nederlanden de revolutie predikten. In de oude bisschopsstad Münster, in Westfalen, veroverden de wederdopers in 1534 de macht en riepen het theocratisch «  koninkrijk Sion  » uit. “ Koning ” Jan van Leiden stelde een raad van 12 “ apostelen ” aan, liet alle boeken behalve de Bijbel verbranden en voerde gemeenschap van goederen en polygamie in (zelf nam hij 17 vrouwen). Op elke overtreding van de Tien Geboden stond de ­doodstraf.

Het schrikbewind van het Wederdopersrijk van Münster, dat duurde tot 1535, illustreerde op tragische wijze tot welke bloedige excessen Luthers ideeën konden leiden als onevenwichtigen en fantasten er zich op beriepen. Niemand heeft het lutheranisme beter gekarakteriseerd dan abbé de Nantes  : «  De revolte van Luther was de opstand van het individu tegen de soort.  »

BESLUIT

«  De inquisiteurs, en in ruimere zin iedereen die bij de ketterbestrijding betrokken was, zagen de ketters als dwalende schapen, “ verdoelde schaep­kens ”, die door hun herderlijke aanmaningen en een beter onderricht terug in de kudde van de Heer moesten worden opgenomen  » (Gielis p. 350). Dat enkele verstokte ketters – een kleine minderheid, zoals we in dit artikel aangetoond hebben – uiteindelijk op de brandstapel terechtkwamen, betekende eigenlijk een mislukking voor de inquisitie. Zeer terecht concludeert Gielis  : «  De inquisitie stond mee in voor het herderlijke hoeden van de christelijke kudde. De inquisiteur had dus zoals iedere geestelijke een pastorale functie  » (ibid.).

Meer nog dan de inquisitie waren het in de Nederlanden de wereldlijke gezagsdragers die optraden tegen de lutheranen, omdat zij in hen onruststokers zagen. Vanuit die visie is te verklaren waarom de autoriteiten later tot een bikkelharde repressie van de revolutionaire anabaptisten zouden overgaan. Pater Valvekens besluit heel juist  : «  Er was ook zoveel verwarring in de geesten. Er werd, opzettelijk, zoveel verwarring gesticht door mensen die door hun roeping aangewezen waren om een element van orde te wezen  » (p. 343).

redactie KCR
Hij is verrezen  !
nr. 60, November-December 2012