De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

3. Tegen de goddelozen, de atheïsten en de agnostici

De falangist kent geen enkele graad van waarheid, geen enkele esthetische of ethische waarde, geen enkel natuurlijk of historisch recht toe aan theoretische of praktische systemen, organisaties en machten die God ontkennen, zich verzetten tegen zijn waarheid, wet en rechten, zijn heerschappij over de wereld bestrijden. Hoe groot het respect van de falangist voor personen ook is, hij kan niet toestaan dat God wordt geminacht.

De aanwezigheid van IK BEN bij de mensen vanaf het prille begin, zijn weldadige tegenwoordigheid bij ieder van hen vanaf de geboorte tot de voleinding, vormt een sociale, vaststaande en universele waarheid. Elk gezag moet de soevereine rechten van God op publieke wijze erkennen. Zijn wet moet gerespecteerd worden door elke autoriteit en elke persoon, zelfs zij die tegen die wet durven rebelleren.

1. De falangist heult niet mee met de goddeloosheid van hen die wel het bestaan van God erkennen, maar zich niet willen onderwerpen aan zijn wet en Hem elke eredienst weigeren. Omdat het gaat om christenen die ontrouw zijn geworden aan hun geloof, beschouwt hij hun afvalligheid als een misdaad.

2. Hij kan geen atheïsme accepteren, noch dat van individuen, noch het collectieve, noch dat van de staat. Hij ziet er een monsterachtige afwijking in van verdorven en opstandige geesten. Daar verzet hij zich openlijk tegen, zelfs met gevaar voor zijn leven. Met godloochenaars wil hij niet samenwerken, tenzij puur uiterlijk. Elke verplichte onderdanigheid aan atheïstische werkgevers, leiders of regeringen beschouwt hij als een verwerpelijke en onrechtmatige dwang. Hij bestrijdt alle atheïstische organisaties die er wetenschappelijke, filosofische, morele, culturele of ecologische pretenties op na houden. Het is zijn rotsvaste overtuiging dat de mensen zonder God alleen maar Torens van Babel kunnen oprichten die tot ineenstorten gedoemd zijn.

3. Hij wijst het moderne agnosticisme af en verwerpt de kritiek van Kant, die er de theoretische rechtvaardiging van wil zijn. De onzekerheid van de agnosticus wil de falangist nog als een gebrek of een ziekte van het individueel intellect zien, maar de kennisleer van het positivisme en het idealisme wijst hij categoriek af. Het agnosticisme is een geestelijke achteruitgang, een moreel kwaad en vandaag helaas een wereldwijd verspreide plaag.

De falangist zal in alle omstandigheden zijn afkeer van het kantisme en het hegelianisme duidelijk maken. Hij zal de valsheid van die filosofieën en de leegheid van de eruit volgende moraal aantonen. De dwaze bevlieging van de modernen voor het Duitse denken in termen van idealistische of materialistische dialectiek zal hij bekampen, want hij weet dat die filosofie de geestelijke, morele, politieke en sociale ondergang van het Westen heeft ingeluid.

Voor het herstel van de beschaving zal hij de “ eeuwige filosofie ” van Aristoteles en de H. Thomas van Aquino propageren. De kennisleer van die philosophia perennis getuigt van een evenwicht tussen realisme en intellectualisme en vormt het enige antwoord op de dwalingen van het nominalisme, het rationalisme en het exclusief empirisme. De natuurleer ervan onderscheidt overtuigend de hiërarchie van de wezens, van de kleinste mineralen over de superieure schepselen tot aan de zuivere geesten, waarbij de mens op het verbindingspunt van de twee werelden gesitueerd wordt. Deze filosofie mag men terecht de codificatie van het gezond verstand noemen. Zij is ook het fundament en de scheidsrechter voor alle exacte en humane wetenschappen en de wiskunde.

4. Niettemin erkent de falangist dat zelfs op dit hoogste domein van de filosofische speculatie vooruitgang mogelijk is. Het westers denken is te lang de gevangene gebleven van het idealisme van Plato en het substantialisme van Aristoteles, waardoor de waarde van de concrete individuen en het belang van hun bijzondere lotsbestemming verwaarloosd werden. Het gevolg was dat het in de morele wetenschap altijd ging om de abstracte mens, de “ menselijke persoon ”, een onafhankelijke en autonome substantie gesteld tegenover God, die al snel uitgroeide tot rivaal van God en voor zichzelf een eigen cultus schiep.

De falangist zal daarentegen in de relatie van elk individueel schepsel met IK BEN, die er de bron van is, de eerste en de laatste reden vinden van ieders bestaan, lotsbestemming en waarde. Tot zijn bewondering zal hij vaststellen dat elke menselijke persoon, hoe zwak hij ook lijkt, door zijn unieke relatie met God en de mensheid die hem tot het bestaan hebben geroepen, eigenlijk heel rijk is  : er wachten hem een historische lotsbestemming en een onsterfelijkheid die zijn grootsheid uitmaken in de wereld en vóór God.

5. In de rijkdom aan relaties met zijn ouders, zijn vaderland en de wereld herkent de falangist de vaderlijke bedoeling van IK BEN, zijn Schepper, die hem op die manier zijn meest persoonlijke roeping toont. Door vol liefde trouw te zijn aan de banden die hem definiëren en door zelf nieuwe relaties aan te gaan die nieuwe levens scheppen, komt hij tot volledige ontplooiing. Hij houdt zich niet bezig met een goddeloze cultus van het eigen “ ik ”, maar staat ten dienste van het samenleven van zijn medeschepselen en hun gemeenschap met God. Dat is voor hem de echte waardigheid van elke menselijke persoon. Door zijn dienstbaarheid aan zijn naasten neemt hij deel aan het grote plan van leven en liefde van IK BEN.

Zolang God in de wereld niet gekend, aanbeden, bemind, gediend en verheerlijkt wordt, zal de mensheid doodongelukkig ronddwalen op zoek naar haar ziel en essentie.