De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

HET GESCHENK VAN DE KINDERLIJKE ADOPTIE

De waarheid van de kinderlijke adoptie in Jezus Christus, een intrinsiek bovennatuurlijke waarheid, vormt de synthese van heel de goddelijke Openbaring. Door God als een zoon geadopteerd worden, is altijd een gratis geschenk van de genade en de meest sublieme gave van God aan de mensheid. Die adoptie wordt echter alleen verkregen door persoonlijk geloof in Jezus Christus en het ontvangen van het doopsel, zoals de Heer zelf heeft onderwezen  : «  Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u  : geen mens kan het koninkrijk van God binnengaan tenzij hij herboren wordt uit het water en de H. Geest. Wat uit het vlees geboren is, is vlees en wat uit de geest geboren is, is geest. Wees niet verbaasd over wat Ik u zei  : gij moet wederom geboren worden  » (Jo 3, 5-7).

In de afgelopen decennia hebben we vaak – ook uit de mond van een aantal vertegenwoordigers van de kerkelijke hiërarchie – verklaringen gehoord met betrekking tot de theorie van de «  anonieme christenen  ». Deze theorie [van Karl Rahner] bevestigt het volgende  : de missie van de Kerk in de wereld zou er uiteindelijk in bestaan om bij alle mensen het besef te doen groeien dat zij gered zijn in Jezus Christus en bijgevolg in Hem geadopteerd als zijn kinderen. Want volgens diezelfde theorie bevat elk menselijk wezen al de goddelijke verwantschap in de diepte van zijn persoonlijkheid.

Een dergelijke theorie is echter rechtstreeks in tegenspraak met de goddelijke Openbaring, zoals Christus ze heeft geleerd en zoals zijn apostelen en de Kerk ze altijd hebben doorgeven, al meer dan 2000 jaar lang, zonder wijziging en zonder de schaduw van een twijfel.

In zijn essay «  Het mysterie van de Joden en de heidenen in de Kerk  » (Die Kirche aus Juden und Heiden) heeft Erik Peterson, een bekende bekeerling en exegeet, al lang geleden – hij schreef in 1933 – gewaarschuwd voor het gevaar van een dergelijke theorie  : hij onderstreepte dat men het feit van christen te zijn (Christsein) niet kan herleiden tot de natuurlijke orde, alsof de vruchten van de Verlossing verworven door Jezus Christus elke mens zouden ten deel vallen als een soort van erfenis, gewoon maar omdat alle stervelingen de menselijke natuur delen met het geïncarneerde Woord. Kinderlijke adoptie in Jezus Christus is echter geen automatisch resultaat dat zou worden gegarandeerd door tot het menselijk ras te behoren.

De H. Athanasius (zie Oratio contra Arianos II, 59) heeft ons een eenvoudige en afdoende uitleg gegeven over het verschil tussen enerzijds de natuurlijke staat van de mens als schepsel van God en anderzijds de glorie van iemand die de zoon van God is in Jezus Christus. Athanasius haalt zijn verklaring uit de woorden van het Evangelie volgens Johannes, die bevestigen  : «  Maar aan allen die Hem ontvingen, gaf Hij de macht om kinderen van God te worden  ; aan hen die in zijn Naam geloven, die niet uit bloed zijn geboren, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van een man, maar uit God.  » Johannes gebruikt de uitdrukking «  zij zijn geboren  » om te zeggen dat de mensen zonen van God worden niet door de natuur, maar door adoptie. Dat toont de liefde van God, het feit dat Hij die hun schepper is dan ook door de genade hun Vader wordt. Dit gebeurt wanneer, zoals de Apostel zegt, de mensen in hun hart de geest ontvangen van de vleesgeworden Zoon, die in hen roept  : «  Abba, Vader  !  »

Sint-Athanasius vervolgt zijn verklaring door te zeggen dat de mensen, als geschapen wezens, alleen door het geloof en het doopsel zonen van God kunnen worden, wanneer ze de Geest van de ware Zoon van God ontvangen (verus et naturalis Filius Dei). Het is precies om deze reden dat het Woord vlees is geworden, om de mensen in staat te stellen tot adoptie als zonen van God en deelname aan de goddelijke natuur. Daarom is God van nature niet de Vader van alle menselijke wezens. Alleen als iemand bewust Christus aanvaardt en wordt gedoopt, kan hij in de waarheid roepen  : «  Abba, Vader  !  » (Rm 8,15; Ga 4, 6).

Dit standpunt bestaat sinds de aanvang van de Kerk, zoals Tertullianus getuigde  : «  Men komt niet als christen op de wereld  : men wordt het  » (Apologeticum 18, 5). En de H. Cyprianus van Carthago formuleerde deze waarheid treffend toen hij zei  : «  Alleen hij kan God als Vader hebben die de Kerk [Maria] als moeder heeft  » (De unitate 6).

HET CHRISTELIJK GELOOF, DE ENIGE DOOR GOD GEWILDE GODSDIENST

De meest dringende taak van de Kerk in onze tijd is zich bezorgd te tonen over de geestelijke klimaatverandering en de geestelijke migratie, opdat het klimaat van ongeloof in Jezus Christus, het klimaat van afwijzing van het koningschap van Christus kan worden veranderd in een klimaat van expliciet geloof in Jezus Christus en aanvaarding van zijn koningschap. De Kerk moet arbeiden opdat de mensen zouden kunnen migreren van de ellende van het ongeloof, die een geestelijke slavernij vormt, naar het geluk van zoon van God te zijn  ; van een leven van zonde naar de staat van heiligmakende genade. Dat zijn de migranten voor wie we dringend moeten zorgen. Het christendom is de enige religie die door God is gewild. Het christendom kan dus nooit naast andere religies worden geplaatst alsof het daaraan complementair is. Die andere godsdiensten zouden de waarheid van de goddelijke Openbaring schenden, zoals die ondubbelzinnig bevestigd wordt in het Eerste Gebod van de Decaloog, alsof de diversiteit van religies door God zou gewild zijn.

Volgens de wil van Christus moet het geloof in Hem en in zijn goddelijke lering de andere religies vervangen, weliswaar niet met geweld, maar door liefhebbende overtuigingskracht, zoals uitgedrukt in de hymne van de lauden voor het feest van Christus Koning  : «  Non Ille regna cladibus, non vi metuque subdidit  : alto levatus stipite, amore traxit omnia  » (“ Hij onderwerpt de volkeren niet door het zwaard, noch door geweld, noch door angst, maar op het Kruis verheven trekt Hij alles liefdevol tot zich ”).

Er is maar één weg naar God en dat is Jezus Christus, want Hijzelf heeft gezegd  : «  Ik ben de weg  » (Jo 14, 6). Er is maar één waarheid en dat is Jezus Christus, want Hijzelf heeft gezegd  : «  Ik ben de waarheid  » (Jo 14, 6). Er is maar één echt bovennatuurlijk leven van de ziel en dat is Jezus Christus, want Hijzelf heeft gezegd  : «  Ik ben het leven  » (Jo 14, 6).

De mensgeworden Zoon van God heeft geleerd dat er buiten het geloof in Hem geen ware en God welgevallige religie kan zijn  : «  Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnenkomt, zal hij gered worden  » (Jo 10, 9). God heeft alle mensen, zonder uitzondering, geboden om naar zijn Zoon te luisteren  : «  Dit is mijn geliefde Zoon  : luistert naar Hem  !  » (Mc, 9, 7). God zei niet  : «  Jullie kunnen naar mijn Zoon luisteren of naar andere grondleggers van een godsdienst, want het is mijn wil dat er verschillende religies zijn.  » God heeft ons verboden de wettigheid van de religies van andere goden te erkennen  : «  Gij zult geen andere goden naast Mij hebben  » (Ex 20, 3) en «  Draag niet hetzelfde juk met de ongelovigen. Want welke eenheid is er tussen gerechtigheid en ongerechtigheid, wat heeft het licht met de duisternis te maken  ? Welke overeenkomst is er tussen Christus en Belial  ? Wat heeft de gelovige met de ongelovige gemeen  ? En wat heeft een tempel Gods met afgoden uit te staan  ?  » (2 Co 6, 14-16). Als andere religies op dezelfde manier zouden overeenstemmen met de wil van God, zou er nooit een goddelijke veroordeling zijn geweest van de religie van het Gouden Kalf in de tijd van Mozes (zie Ex 32, 4-20). De hedendaagse christenen zouden dan straffeloos de godsdienst van een nieuw Gouden Kalf kunnen beoefenen, omdat alle religies, volgens deze theorie, wegen zijn die God ook behagen. God heeft evenwel aan de apostelen, en door hen aan de Kerk, voor alle tijden de plechtige opdracht gegeven om alle naties en de gelovigen van alle religies in het éne ware Geloof te onderrichten, door hen te leren al zijn geboden te onderhouden en door hen te dopen (zie Mt 28, 19-20). Sinds de prediking van de apostelen en de eerste paus, de apostel Petrus, heeft de Kerk altijd verkondigd dat er geen zaligheid is in een andere naam, dat wil zeggen in een ander geloof onder de hemel waardoor mensen gered moeten worden, dan in de Naam en in het Geloof in Jezus Christus (Hd 4,12).

«  IK BEN DE WEG, DE WAARHEID EN HET LEVEN  »

Met de woorden van Sint-Augustinus heeft de Kerk vanouds geleerd  : «  Dit is de godsdienst die ons het universele pad opent van de verlossing van de ziel, de enige weg, de echt koninklijke weg langs waar we aankomen in een koninkrijk dat niet wankel is als de rijken van deze wereld, maar gebaseerd is op de onwrikbare basis van de eeuwigheid  » (De Stad Gods 10, 32, 1).

Volgende woorden van de grote paus Leo XIII getuigen van hetzelfde onveranderlijk onderricht van het leergezag in alle tijden  : «  Alle religies op voet van gelijkheid plaatsen is op zichzelf al een principe dat volstaat om alle godsdiensten te vernietigen en in het bijzonder de katholieke godsdienst, omdat zij de enige ware is en niet kan verdragen dat andere religies aan haar gelijkgesteld worden  » (encycliek Humanum genus nr. 16).

In een recentere periode heeft het leergezag in essentie hetzelfde onveranderlijk onderricht voorgesteld in het document Dominus Iesus (6 augustus 2000), waaruit we de sleutelpassages citeren  :

«  Dit onderscheid is niet altijd aanwezig in het huidige denken, wat vaak leidt tot een gelijkschakeling tussen de theologale deugd van het Geloof – dat is het aannemen van de waarheid geopenbaard door de Drie-ene God – en het geloof in de andere godsdiensten, wat een religieuze ervaring is die nog steeds op zoek is naar de absolute waarheid. Dit is een van de motieven waardoor men geneigd is om de verschillen tussen het christendom en andere godsdiensten te verminderen of zelfs op te heffen  » (nr. 7).

«  De oplossingen die een heilzame actie van God voorzien buiten het unieke middelaarschap van Christus zouden in tegenspraak zijn met het christelijke en katholieke geloof  » (nr. 14).

«  Het zou duidelijk in strijd zijn met het katholiek geloof om de Kerk als een pad van redding naast vele andere te beschouwen. De andere godsdiensten zouden dan de Kerk aanvullen, zouden er zelfs in wezen gelijkwaardig aan zijn…  » (nr. 21).

Het zou de apostelen en de ontelbare christelijke martelaren van alle tijden, en vooral die van de eerste drie eeuwen, het martelaarschap hebben bespaard indien zij hadden gezegd  : «  De heidense religie en haar eredienst is evengoed een pad dat overeenstemt met de wil van God.  » Er zou bv. geen christelijk Frankrijk zijn geweest, geen “ oudste dochter van de Kerk ”, als de H. Remigius tot Clovis, de koning van de Franken, had gezegd  : “ Je moet de heidense godsdienst die je tot nu toe hebt aanbeden helemaal niet verachten.  » De heilige bisschop sprak in werkelijkheid heel andere taal  : «  Aanbid wat je hebt verbrand en verbrand wat je aanbad.  »

Ware universele broederschap kan alleen in Jezus Christus worden gerealiseerd en meer bepaald tussen gedoopte personen. De volle glorie van zoon van God zal pas worden bereikt in de aanbidding van God in de hemel, zoals de H. Schrift leert  : «  Ziet hoe grote liefde de Vader ons heeft betoond, dat we kinderen van God mogen worden genoemd en dat we het ook zijn. Daarom juist kent de wereld ons niet, omdat ze Hem niet kent. Geliefden, nu reeds zijn wij kinderen van God  ; en wat we zullen zijn, is nog niet openbaar geworden. Toch weten we dat, wanneer de openbaring gekomen is, wij aan Hem gelijk zullen zijn. Want wij zullen Hem zien zoals Hij is  » (1 Jo 3, 1-2). Geen enkele autoriteit op aarde – zelfs niet de hoogste autoriteit in de Kerk – heeft het recht mensen van andere godsdiensten vrij te stellen van het uitdrukkelijk geloof in Jezus Christus als de vleesgeworden Zoon van God en de enige redder van de mensheid, waarbij men dan nog de verzekering geeft dat de verschillende religies als zodanig door God zelf zijn gewild. De woorden van Gods Zoon zijn onuitwisbaar, want ze zijn kristalhelder en geschreven met de vinger van God  : «  Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld  ; maar wie niet gelooft, is reeds geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van Gods eniggeboren Zoon  » (Jo 3, 18).

Deze waarheid heeft tot op vandaag gegolden voor alle christelijke generaties. Ze zal geldig blijven tot het einde van de tijden, ongeacht het feit dat sommige personen in de hedendaagse Kerk zo wispelturig, laf, sensatiebelust en conformistisch zijn dat zij deze waarheid herinterpreteren op een manier die in tegenspraak is met de nochtans heldere formulering ervan  : ze doen alsof het gaat om een continuïteit in de ontwikkeling van de leer.

Afgezien van het christelijk geloof kan geen enkele andere religie een ware weg zijn door God gewild, omdat het de expliciete wil van God is dat allen in zijn Zoon geloven  : «  De wil van mijn Vader die Mij heeft gezonden, is dat wie de Zoon ziet en in Hem gelooft eeuwig leven heeft  » (Jo 6,40). Afgezien van het christelijk geloof is geen enkele andere godsdienst in staat om het ware bovennatuurlijke leven over te brengen  : «  Dit nu is het eeuwige leven  : dat zij U kennen, de enige en waarachtige God, en Hem die Gij gezonden hebt, Jezus Christus  » (Jo 17, 3).

8 februari 2019
+ Athanasius Schneider,
hulpbisschop van het aartsbisdom van de H. Maria in Astana