De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

HET KERKELIJK CELIBAAT,
waarom?

De zedenfeiten die talrijke geestelijken ook bij ons ten laste worden gelegd leiden ertoe dat in de media steeds opnieuw de vraag wordt opgeworpen naar de zin van het celibaat. Een studie van abbé de Nantes over het sacrament van het priesterschap zet de traditionele katholieke leer uiteen en verdedigt die met liefde en overtuiging.

Abbé de Nantes

HET PRIESTERSCHAP

IN zijn reeks studies over de sacramenten wijdde abbé Georges de Nantes in mei 1977 ook een uitvoerig artikel aan het sacrament van het priesterschap. Laten we beginnen met hieruit uitvoerig te citeren  :

«  Het priesterschap is de door God gekozen instelling om op tastbare wijze aan zijn uitverkorenen zijn Waarheid, zijn Leven en zijn Wet mee te delen en om hen met Hem te verenigen in eeuwigheid. Zo is elke priester middelaar tussen God en de mensen.

«  Reeds in de tijd van het onwetende en vaak boosaardige heidendom waren er veel priesters, waarzeggers en tovenaars die dezelfde rol beweerden te vervullen in dienst van de afgoden. Dat priesterschap had geen echte macht, het was een voortdurende leugen. De joden, aan wie God een eerste Openbaring, een heilig Verbond en een Wet had gegeven, kregen profeten toegewezen die hen de goddelijke orakels moesten meedelen, priesters om hun offers aan God aan te bieden en om van Hem gaven en zegeningen te krijgen, en rechters en koningen om hen op theocratische wijze te besturen. Zo koos Jahweh de stam van Levi voor de Tempeldienst en het nageslacht van Aäron voor het priesterschap. Op die manier kwamen het gezag en de macht van de priesters van God en werden ze toegewezen aan mensen van zijn keuze, die in zijn Naam bij het volk werkten en die het bij Hem vertegenwoordigden. Toch waren zij slechts de aankondiging van het toekomstig priesterschap  », dat van de mensgeworden Zoon van God.

«  Onze Heer Jezus Christus is de volmaakte Middelaar tussen God en de mensen, de Opperpriester die in het Epistel aan de Hebreeën geprezen wordt (8-9). Als Zoon van God bezit Hij het goddelijk leven dat Hij aan de mensen moet doorgeven. Door zijn Menswording wordt Hij één van hen en tevens hun waardigste vertegenwoordiger. Door zijn Verlossingsoffer wordt Hij hun Heiland en zijn leven dat Hij opdraagt wordt bron van genaden voor al degenen die Hem met geloof benaderen.

«  Door zijn dood en verrijzenis is Hij aangesteld tot Opperpriester van het nieuwe en eeuwige Verbond, en daarom eist Hij “ alle macht in de hemel en op aarde ” op, omdat ze Hem door de Vader gegeven is. Het is dán dat Hij zijn apostelen de opdracht geeft om het Evangelie aan alle volkeren te gaan verkondigen, ze te dopen, de zonden van de aan hun gezag onderworpen zielen al dan niet te vergeven, het eucharistisch offer op te dragen dat Hij in hun aanwezigheid ingesteld heeft en dat zij tot zijn gedachtenis blijven herhalen zoals Hij hen gevraagd heeft.

«  Op Pinksterdag werden de apostelen, met Petrus aan hun hoofd zoals Jezus Christus het gewild had, vervuld van de Heilige Geest. Zij werden de predikers van zijn Woord, de priesters van zijn offer, de leiders en de rechters van zijn heilig Volk. En ze wisten dat ze de macht hadden om hun opvolgers te kiezen, aan wie ze hun taak en hun bevoegdheid als leraars, heiligmakers en leiders van de Kerk zouden toevertrouwen, met uitzondering van hun bijzonder charisma dat zij als stichters van de Kerk bezaten.

DE APOSTOLISCHE OPVOLGING

«  Overal waar de apostelen kerkgemeenschappen stichten, stellen zij leiders aan waarbij ze zich inspireren op de joodse synagogale organisatie. Ze roepen raden van ouderlingen, van presbyters, in het leven en benoemen opzichters (“ episkopoi ”, de latere bisschoppen) die de gemeenschappen in hun naam moeten besturen. De handoplegging is de wijdingsritus. Ze verleent de priesterlijke macht en een voortdurende genade van staat om ze naar behoren uit te oefenen. “ Ik herinner u eraan dat ge Gods genade moet doen opleven die ge door mijn handoplegging verkregen hebt ”, zegt de Apostel tot zijn geliefde maar zwakke Timotheus (II  ; 1, 6)… “ Wees niet zorgeloos met de genadegave die ge bezit  ! ” (I  ; 4, 14)

«  De H. Clemens van Rome getuigt dat vanaf het einde van de eerste eeuw de bisschop het hoofd van de gemeenschap en de opvolger van de apostelen is. Hij wordt omringd door een presbyterium waarvan de leden zijn helpers en afgevaardigden zijn.

«  Met de instelling van ambten zijn de apostelen blijkbaar onderaan begonnen. Hun eerste zorg was van zich door diakens te laten helpen voor de materiële bediening van de gemeenschap van Jeruzalem, en dan vooral voor de armenzorg. Vervolgens komen de presbyters of priesters, en nog later komt de episkopos of bisschop die de apostel of zijn afgevaardigde vervangt wanneer deze te maken krijgt met zwaardere en meer uitgebreide taken. Met “ afgevaardigde ” bedoelen we mensen als Timotheus of Titus, die boven de plaatselijke geestelijkheid staan en de echte opvolgers van de apostelen zijn.

«  Het ware priesterschap, het volle gezag en de macht van de “ priesters ” van Jezus Christus moeten dus duidelijk geplaatst worden waar ze echt liggen  : uiteraard in de eerste plaats bij de apostelen, vervolgens bij hun rondreizende afgevaardigden en via en na hen bij de bisschoppen die op vaste basis aan het hoofd van de plaatselijke Kerken worden benoemd. Het sacrament van het Priesterschap vindt zijn volheid dus niet in de priesters maar in de bisschop. De handoplegging bij de bisschopswijding is bijgevolg de blijvende bron van het priesterschap, waaruit de wijding van de priesters en de verschillende lagere wijdingen voortvloeien.

DE UITMUNTENDE WAARDIGHEID
VAN HET PRIESTERSCHAP

«  Toen de godgeleerden het opdragen van de H. Mis als de veruit belangrijkste eigenschap van het katholiek priesterschap begonnen te beschouwen, en meer bepaald de macht om het brood en de wijn te consacreren tot het Lichaam en Bloed van Christus, kwam het priesterschap van de priester op de eerste plaats en geraakte de superioriteit van dat van de bisschop in de verdrukking, alsof het slechts om een kwestie van hiërarchie zou gaan.

«  Het Concilie van Trente heeft het priesterschap gered van de ondergang waarin de protestantse ketterij het stortte, door de sacramentele eigenheid ervan te vrijwaren. Tegenover de “ woordbedienaars ” en “ dominees ” die de hervormde gemeenschap afvaardigt voor de protestantse prediking en het protestantse avondmaal, heeft het Concilie van Trente gelukkig de priesterwijding behouden in al haar goddelijke macht om de hostie en de kelk van het misoffer te consacreren en om de zonden te vergeven. Anderzijds heeft het Concilie niet alles kunnen verwezenlijken en moest de toekomst deze te enge visie op het katholiek priesterschap terug op punt stellen. De door de Voorzienigheid bepaalde tijd van het volledig eerherstel voor het sacrament van het Priesterschap was op komst. Nadat het Eerste Vaticaans Concilie voorgoed de monarchistische structuur van de Kerk door het primaatschap van Petrus had gewaarborgd, evenals de volle persoonlijke onfeilbaarheid van de paus, was het de taak van het Tweede Vaticaans Concilie om het “ sacramenteel karakter van het bisschopsambt ” te omschrijven en om deze heilige wijding terug aan de top van de zeven hogere en lagere wijdingen te plaatsen, als de bron waaruit ze voortspruiten en niet als de bekroning van een carrière waarvan deze wijdingen de tussenstappen zouden zijn  !

«  Ondanks het feit dat er zich heel wat betwistbare en schadelijke onderdelen in de constitutie «  Lumen Gentium  » van Vaticanum II bevinden, treedt het apostolisch ambt van de bisschop er in al zijn volheid naar voor. Voor zijn taken van onderricht, eredienst en bestuur ontvangt de bisschop immers, krachtens de apostolische opvolging, de macht rechtstreeks van Jezus Christus, met dien verstande dat hij ze slechts geldig kan uitoefenen bij volmacht van de Paus die hem een bepaald gebied toewijst. Zo wordt de Herder door Christus naar het volk gezonden dat de Paus hem toewijst, om er de behoeder en als het ware de mystieke bruidegom van te zijn. Van hem krijgen de priesters door hun wijding de macht om te prediken, te offeren en te besturen binnen de grenzen van de rechtsbevoegdheid die hij hen toekent  » (CRC nr. 117, mei 1977).

DE WAARDIGHEID VAN HET HUWELIJK
RECHTVAARDIGT HET KERKELIJK CELIBAAT

De grootsheid van het sacrament van het priesterschap en de belangrijkheid van de macht die het verleent hebben lange tijd volstaan voor de westerse christenen om het kerkelijk celibaat te rechtvaardigen  : de definitieve verzaking aan het huwelijk en aan wat eruit voortvloeit, omwille van de liefde voor Jezus Christus en de dienstbaarheid aan de Kerk.

Maar de modernistische dwaling, die overal is doorgedrongen “ als arsenicum in een heerlijk kopje thee ”, ook in de constitutie «  Lumen Gentium  », heeft deze heldere kijk op het priesterschap en zijn goddelijke oorsprong, en dus ook op de uitmuntende waardigheid ervan, vertroebeld. Nu de Kerk het volk van God geworden is, hebben de leken voorrang  ; iedereen is nu verantwoordelijk voor de verspreiding van het Evangelie. Het is de Gemeenschap die missionarissen op pad stuurt om het Evangelie te verkondigen of die de uitreiking van de communie regelt. «  Een protestantse dominee kan dat nu al doen, een door de gemeenschap verkozen leek zal dat morgen kunnen, een vrouw overmorgen. Van de drie hoofdtaken van de priester, namelijk onderricht, heiliging en bestuur, resten er slechts functies, diensten en volmachten zonder sacramentele eigenheid of goddelijk gezag.  » In deze context lijkt het kerkelijk celibaat uiteraard ongerijmd en ongepast, of heeft het op zijn minst slechts een betrekkelijke waarde.

Om het vandaag de dag te rechtvaardigen en te ver-dedigen volstaat het niet zich te beperken tot wat er eigenlijk aan ten grondslag ligt  : de mystieke vereniging van de ziel met God. Men moet teruggrijpen naar de prozaïsche, laag bij de grondse rechtvaardiging. Abbé de Nantes heeft eraan herinnerd in zijn Lettre à mes amis nr. 234 van 15 september 1966  :

«  Men heeft teveel de nadruk gelegd op een godsdienstig romantisme waarvan de gemakkelijkheid het goddelijke neerhaalt. Het kerkelijk celibaat leek tot voor kort op een soort geestelijk huwelijk dat op de dag van de priesterwijding voltrokken werd. Voor de priester moest de mis een dagelijkse geestesverrukking zijn, keer op keer, en zijn ziel moest een heiligdom zijn waar de goddelijke Bruidegom zijn bruid teder omhelsde en haar blik van elk aards schepsel afwendde. Wanneer men ervan uitgaat dat het priesterschap onvermijdelijk een dergelijke ommekeer bij de mens teweegbrengt, kan dit slechts jammerlijke vergissingen veroorzaken. De een zal de noodzaak van gebed, boete en voorzichtigheid om de zuiverheid van zijn staat te behouden uit het oog verliezen  ; de ander zal het als een schijnheiligheid beschouwen dat hij niet zo onthecht is van het aardse als men beweert en zal daaronder lijden. Op een dag zal men er, onder het mom van realisme, op beginnen hameren dat priesters ook maar mensen zijn als de anderen, zonder mystiek leven, en dat men hen zo snel mogelijk moet laten trouwen.  » Zover zijn we nu  !

Men moet er dus niet voor terugdeinzen te verklaren dat het kerkelijk celibaat niet in de natuur zelf van het priesterschap besloten ligt, vermits het geen goddelijk voorschrift is maar gewoon een positieve wet van de Latijnse Kerk. Nochtans beantwoordt die wet aan een zedelijke en herderlijke noodzaak, waaraan men a priori niet zou denken maar die toch voor de hand ligt  : de Kerk moet de celibaatsregel in stand houden om het zedelijk niveau van de samenleving op peil te houden, vooral inzake “ het statuut van de vrouw ”, en moet ervoor zorgen dat er voldoende vurige geestelijken zijn die het evangelisch ideaal zo dicht mogelijk benaderen en de gezinnen dus goed kunnen begeleiden.

Paradoxaal genoeg zou men dus kunnen stellen dat de wet op het kerkelijk celibaat gerechtvaardigd wordt door… de waardigheid van het sacrament van het huwelijk  ! Laten we de uitleg van abbé de Nantes in zijn Lettre à mes amis nr. 232 van 25 augustus 1966 lezen  : «  In tegenstelling tot wat men geneigd zou zijn te denken is het omdat het huwelijk een zodanige waardigheid gekregen heeft in het Nieuwe Testament, door het voorbeeld van de Heilige Familie en van zoveel heiligen, dat het minder en minder verenigbaar is gebleken met de priesterwijding. Dus niet omwille van de zogezegde minderwaardigheid die zolang aan het huwelijk toegedicht is, maar integendeel omwille van de verhevenheid ervan.  »

HET KERKELIJK CELIBAAT IN EEN
MINDERWAARDIGE OF DECADENTE MAATSCHAPPIJ

Abbé de Nantes vervolgt  : «  Laten we het eerst hebben over het huwelijk in een minderwaardige of decadente maatschappij. Het wordt er verlaagd en teruggebracht tot de brutale bevrediging van de natuurlijke instincten. De meest verheven personen dulden het, zonder meer, omdat het maatschappelijk noodzakelijk is en aan een behoefte beantwoordt. Het hoger belang en de grote toewijding van de burgers gaan naar andere zaken uit  : godsdienst, kunst, politiek, handel. Dat is de regel in de heidense maatschappijen, zelfs die van Athene of Rome. De liefde wordt er slechts bezongen in uitzonderlijke wezens. Het is voor de meerderheid van de mensen slechts een bijkomstige zorg, een ondergeschikte bezigheid in een leven dat beheerst wordt door hooggestemde taken of hoogstaander vermaak. De vrouw wordt er herleid tot de rol van hoofddienares van het gezinshoofd, genotsinstrument – temidden van andere vrouwen – en huisbazin. In een dergelijk klimaat kan men zich voorstellen dat het priesterschap aan gehuwde mensen werd toevertrouwd, zoals dat met de meeste apostelen of bisschoppen van de primitieve Kerk het geval was, of aan bekeerlingen die, zoals Sint-Augustinus, ondanks de huwelijksband een losbandig leven achter de rug hadden, maar ook aan anderen die nog niet gehuwd waren en aan het huwelijk verzaakten. Het was een bijkomstigheid. Men werd er alleszins niet volledig door opgeslorpt. Daartegenover staat dat men nooit zou aanvaard hebben – in het Oosten nu nog niet trouwens – dat een priester na zijn wijding zou huwen.

«  In een maatschappij waar de vrouw een ondergeschikte plaats inneemt en haar liefde in het hart van de man een erg secundaire rol speelt, veroorzaakt het feit van gehuwde priesters dus geen moeilijkheden. Maar het is duidelijk dat de “ bevordering van de vrouw ”, of beter gezegd de ontwikkeling van de katholieke huwelijksmoraal en van de sacramentele spiritualiteit, waardoor een man en een vrouw zich aan elkaar toewijden in een unieke liefdesband, in die maatschappij een duidelijk verlies van aanzien voor de gehuwde geestelijkheid en een streven naar het kerkelijk celibaat teweegbrengt. De gewoonte voor een priester om te huwen wordt minder en minder aanvaard.

«  Zo ook staat elke ongeregelde overtreding van de celibaatsplicht, vanaf het ogenblik dat ze een maatschappelijk gegeven wordt, gelijk met het neerhalen van de vrouw en een aanslag op de waardigheid van het huwelijk. Of het nu gaat over het concubinaat in bepaalde zuiderse katholieke landen of over het huwelijk van priesters en kloosterzusters die plotsklaps van hun banden “ bevrijd ” worden, zoals in het Duitsland van Luther [men zou eraan kunnen toevoegen: zoals vandaag de dag in onze postconciliaire tijden], altijd hebben deze toestanden een neergang van de zeden in gang gezet. Als aan God gewijde personen zo handelen en aan de bekoring toegeven, als ze zo driftig hun geloften verbreken, dan wordt het zonneklaar waarom ze dat doen  : omdat de vleselijke instincten de bovenhand gehaald hebben. Maar daardoor wordt tegelijkertijd het huwelijk ontheiligd. Men mag dan nog luid de onweerstaanbare kracht van de liefdeshartstochten inroepen, nooit zal men in staat zijn om tegelijkertijd de deugdzaamheid, de adel en de zelfvergetelheid van de liefde te roemen. Het priesterschap zal er nooit voordeel uit halen als priesters met een vrouw mogen samenleven of als het wettelijk celibaat wordt afgeschaft, maar het zal vooral een belediging van het huwelijk zijn omdat dit dan herleid zal worden tot niet meer dan de bevrediging van de lichamelijke instincten. Het “ priesterhuwelijk ” is als het overspel, dat door zijn wettelijke benaming “ echtscheiding ” niet gere-habiliteerd wordt. Ze sleuren beide hand in hand een beschaafde maatschappij de dieperik in door de gewijde waardigheid van de huwelijksband neer te halen.

HET KERKELIJK CELIBAAT IN DE
DIEP GEHEILIGDE MAATSCHAPPIJEN

«  Laten we het nu hebben over het huwelijk in onze door de Wet en de Genade van het Evangelie geheiligde maatschappijen. Samen met de spiritualiteit van het religieus leven is die van de echtelijke liefde en het christelijk gezin verfijnd en tot bloei gekomen. Zo gaat in onze samenleving, tenminste in wat zij als het meest verhevene te bieden heeft, de meeste belangstelling en toewijding niet meer uit naar de openbare zaken maar naar de essentiële realiteit van het gezin. Het overige wekt in de ziel van onze tijdgenoten meestal slechts een betrekkelijke of bezoldigde belangstelling op. Het huwelijk is voor het priesterschap dus een te duchten rivaal geworden, meer dan het openbaar ambt, de hartstocht voor de wetenschap of het financieel voordeel van sommige loopbanen. We hebben hier te maken met de te duchten wedijver tussen twee hoogstaande roepingen, tussen twee grote sacramenten. Hoe zou men ze dan ook in één mensenleven kunnen samenbrengen  ? Het is onmogelijk dat een jongeman vandaag de dag een jong meisje omringt met een volmaakte, diepe liefde, zich vervolgens met haar verlooft en dan trouwt – dat is al voldoende om iemands hart en leven te vullen  ! – en tegelijkertijd een even diepe, verheffende en opslorpende priesterroeping voedt. De woorden van onze goddelijke Meester weerklinken hier met volle kracht  : “ Niemand kan twee meesters dienen ” (Matth. 6, 24).

«  Men moet ten allen prijze ingaan tegen hen die in het priesterhuwelijk een oplossing voor de roepingenschaarste menen te zien. Ze beelden zich in dat sommige jongeren, die de moed niet kunnen opbrengen om de sterke aantrekking die ze ten opzichte van het huwelijk voelen op te offeren voor hun godsdienstige roeping, aan het ene kunnen beantwoorden zonder het andere op te geven. Maar het meisje dat ze in die omstandigheden uitverkiezen zal, vanaf het eerste ogenblik dat ze in hun leven binnentreedt, alle aandacht opeisen, omdat ze een voltijdse echtgenote wil zijn. Ik wed dat ze er snel in zal slagen haar verloofde ervan te overtuigen helemaal de hare te zijn, gevoelsmatig en daadwerkelijk, en te maken dat hij volledig toegewijd is aan zijn toekomstig gezin, aan haar en aan de kinderen die uit hun huwelijk voortkomen. Wie zal het haar verwijten  ? Ze zal haar liefde beter verdedigd hebben dan Jezus Christus het gedurfd heeft door de mond van de bisschop. Zij zal de overwinnaar zijn in deze strijd voor de verovering van een hart, omdat de liefde voor God op voorhand een vergelijk aanvaardde. De opheffing van de celibaatsverplichting zou in onze moderne maatschappijen de onmiddellijke verdwijning van de seculiere en de snelle afname van de reguliere geestelijkheid teweegbrengen.

HET KERKELIJK CELIBAAT ALS WAARBORG
VOOR HET MYSTIEK KARAKTER EN DE
APOSTOLISCHE ZELFVERLOOCHENING
VAN DE GEESTELIJKHEID

«  Het voorbeeld van de protestantse dominees laat vermoeden hoe het met een gehuwde geestelijkheid gesteld zou zijn. Er zijn waardige en oprechte dominees die goede, gehuwde huisvaders zijn. Maar het lijdt geen twijfel dat, op enkele zeer zeldzame uitzonderingen na, hun taak er zwaar onder lijdt. Ook bij hen is er een nijpend roepingentekort dat onze hervormers zou moeten doen nadenken. Men moet ervan uitgaan dat in het geval van een katholieke geestelijkheid die samengesteld is uit gehuwde familievaders, het priesterschap zijn twee eeuwenoude en onvergelijkbare eigenschappen zal verliezen, namelijk zijn mystiek karakter en zijn apostolische zelfverloochening. In het beste geval wordt het een matig gewaardeerd vrij beroep, zoals in de protestantse landen, in het slechtste geval een “ noodzakelijke en niet lonende baan ” zoals bij de straatarme Slavische geestelijkheid. Weinigen zullen dat in ons oecumenisch klimaat durven zeggen om niet de indruk te wekken onze afgescheurde broeders af te breken. Maar een idyllisch beeld van hun godsdienstige gemeenschappen schetsen is een leugen en het betekent dat we de unieke volmaaktheid van de katholieke Kerk ontwaarden. De waarheid bestaat erin te zeggen dat de geest van gebed sedert eeuwen vrijwel niet meer bestaat in het Oosten, en nog minder bij de protestanten. De besten onder hen lijden eronder en erkennen het. Zo ook zijn het priesterlijk apostolaat en de missie-ijver in het afgescheurde Oosten onbestaande. Wat de protestanten betreft, hun zendingsarbeid is pas begonnen in de negentiende eeuw, uit jaloezie om het succes van de katholieke missionering.  »

HET KERKELIJK CELIBAAT WORDT ALLEEN IN
HET KATHOLIEK GELOOF BELEEFD

Uit dit alles kunnen we met zekerheid afleiden dat het in vraag stellen van het kerkelijk celibaat en de wildgroei aan schandalen op een niet opvolgen van de genade wijst. Het is een onbetwijfelbaar bewijs van het tekortschieten van de hiërarchie, vermits het sacrament van de wijding hen voldoende genaden van staat verleent om het christenvolk te heiligen.

Méér nodig nog dan de harde veroordeling van de schuldigen is dus een gewetensonderzoek door de hiërarchie. Laten we hopen dat al deze schandalen de kardinalen er op het volgende conclaaf van overtuigen dat de Kerk een échte hervorming nodig heeft, in capite et in membris, in alle geledingen van de clerus. Deze hervorming zal een werkelijke Contrareformatie moeten zijn, vermits ze zal moeten beginnen met de veroordeling van de moderne leerstellige dwalingen. Want er is geen kerkelijk celibaat zonder zuiver geloof  :

«  De priesterlijke kuisheid wordt in het geloof geopenbaard. Het is geen bedwelmend gevoel of een gevoelsmatige ontboezeming. In het begin misschien wel, omdat de beginnelingen die bijzondere genade nodig hadden. Maar dat moet niet blijven duren. De menselijke vertroosting verdwijnt, de voelbare gunsten vanuit de hemel komen niet meer en de priester gaat verder, zoals zijn Meester steunend op de stok van het Kruis. Dit celibaat dat hij vrij gekozen heeft en dat hij bewust in verband heeft gebracht met zijn definitief offer, wordt voor hem voortaan een verplichting. Alleen het geloof overtuigt er hem van dat het een volmaakte staat is, glorievol voor God en verdienstelijk voor hemzelf, en tevens de bron van een wonderlijk geestelijk vaderschap. Hij gelooft dus, met zijn hart, zijn ziel en zijn verstand, maar hij ondergaat daardoor nog geen gedaanteverandering of is daardoor niet vrij van gevoelens of bekoringen. De huwelijksband van zijn ziel met Gods Woord wordt door hem in het Onzichtbare beleefd. Tijdens de Mis, terwijl hij zich door zijn ambt met de goddelijke Offerpriester én het goddelijk Slachtoffer vereenzelvigt, herhaalt hij zijn priestergeloften en draagt hij zijn leven vol zelfverloochening op als een liefdesoffer, in vereniging met het heilsoffer van de Opperpriester. De Mis is geen uitwisseling van zoete ontboezemingen, zoals sommigen het zich inbeelden. Dat zou ontluisterend zijn  ! Het is een geloofsgeheim, Mysterium fidei, en de werkzame kracht van de genade. Het bewerkt in de ziel van de priester een heropleving van de zedelijke deugden die eigen zijn aan zijn priesterschap. De rest van de dag zal aldus behoed, opgedragen en geheiligd worden, maar zal daarom niet minder hard zijn.

«  Het is uiteraard prachtig dat we met goddelijke zekerheid weten dat wij begunstigden van de goddelijke liefde zijn. Maar die wetenschap ontlast ons van geen enkele strijd, geen enkel lijden, geen enkele vernedering. Integendeel. De echte mystieke weg van de priester is pijnlijk door de verzaking aan het zinnelijke. Door zijn lichaam te overwinnen, op zijn hoede te zijn voor de valstrikken van de wereld, door, slechts bewapend met het harnas van het geloof, aan Satan te weerstaan, verwerft de priester de “ engelachtige deugd ”, maar ten koste van een hoge prijs  ! Het priesterleven is groots in zijn aangrijpend realisme, met zijn beproevingen, zijn verborgen strijd en in het geheim behaalde overwinningen, zijn zelfgave waarin de Liefde vervolmaakt wordt. En zelfs wanneer de mysticus komaf zal gemaakt hebben met de vergankelijke ijdelheden en al zijn zintuigen in bedwang zal hebben, zal hij de nog meer beproevende zuiveringen van de geest moeten ondergaan. Zijn gebeden en zijn dagelijkse mis zullen lange tijd veeleer zijn Goede Vrijdag dan zijn Pasen zijn  » (abbé de Nantes, Lettre à mes amis nr. 234).

Het voorgaande laat ons toe a contrario te begrijpen hoezeer de religie van de cultus van de Mens onverenigbaar is met het behoud van het kerkelijk celibaat. Het is meteen ook duidelijk waarom er geen roepingen meer zijn en waarom allerlei schandalen de Kerk belasten. De wedergeboorte van de Kerk en van de cultus van de mensgeworden God zal hand in hand gaan met het herstel van de kuisheid en de heiligheid van het priesterschap in al zijn waardigheid en eer.

DE NEDERIGE WERKELIJKHEID VAN HET
LEVEN VAN DE PRIESTER

Abbé de Nantes heeft ons altijd aangemaand om de pastoors van weleer, de grondtroepen van de Kerk, te vereren en te beminnen. Hij beëindigt zijn Lettre à mes amis nr. 232 trouwens met een verhaal over één van hen.

«  Ik herinner me het gelaat van de eenvoudige dorpspastoor uit mijn jeugd. Toen ik de eer had om de sedert lang gekoesterde droom om zelf dorpspastoor te worden in vervulling zag gaan, was mijn enige betrachting om abbé Fresnay, vóór de oorlog pastoor van Chônas L’Amballan, zo goed mogelijk na te volgen. Wanneer we om halfzeven ‘s morgens in de kerk aankwamen om voor ons plezier het Angelus te luiden, was hij er al. Hij prevelde zijn brevier in zijn koorstoel. En in de loop van de dag zagen we hem opnieuw verzonken in gebed in zijn tuin, rozenkrans in de hand.

«  Deze man bad; dat kon men zien aan de voldoening die hij had in de plechtigheden. Hij hield van Onze-Lieve-Heer en Onze-Lieve-Vrouw. Zij maakten hem gelukkig, zij waren zijn enige liefde. Zet een vrouw en kinderen in de pastorie en men kan er donder op zeggen dat het ochtendgebed, de dagelijkse Mis en het brevier er zouden overschieten. Alleen het strikte administratieve minimum, de zondagsdienst, zou overblijven.

«  Mijn beste abbé Fresnay, vergeef mij deze heilig-schennende veronderstelling. Als volwassene kniel ik nu voor u neer, nu ik meer begrip heb voor sommige zaken. Ik bewonder uw priesterlijke deugden die de mensen niet gekend hebben. Gedurende heel onze jeugd is hij pastoor gebleven van dit dorpje met driehonderd inwoners, tot hij op een dag tot aalmoezenier van een gekkenhuis in de buurt van Lyon werd benoemd. Daar is hij in de vergetelheid aan zijn einde gekomen. Nu is hij gelukkig in de hemel, temidden van de talloze kinderen die hij gedoopt en onderricht heeft, de parochianen die hij op het rechte pad heeft gehouden, de zieken die hij bezocht, gebiecht en bediend heeft. Hij wordt nu omkransd door een gloriekroon, een beetje zoals op 15 augustus, wanneer hij in zijn goudkleurige kazuifel in een wolk wierook stond of wanneer hij ‘s avonds tijdens de processie het Heilig Sacrament door de straten droeg als het schitterend middelpunt van de parochie. De mannen droegen het baldakijn, de Kinderen van Maria waren als engelen getooid met lange blauwwitte sluiers, en de kleine kinderen strooiden bloemen. Maar wat zag hij zelf tijdens zijn kleine dorpszegepraal  ? Zijn nederige kudde die geen opmerkelijke vertroostingen kreeg, zijn ogenschijnlijk nietig werk als pastoor. Toch behield hij de ijver voor het heil van de zielen, de onvermoeibare, stipte toewijding van de priesters uit die tijd en van alle tijden, de handhavers van de Kerk tot op onze dagen. Hij bezocht de één niet meer dan de ander, had geen boezemvrienden en schonk niet méér aandacht aan de arme boer dan aan de rijke kasteelheer, waardoor hij door iedereen geliefd was. Denkt u dat een dermate opslorpende, herderlijke taak en de totale zelfverloochening, die als een tweede natuur geworden was, met een vrouw en kinderen mogelijk zouden zijn  ? Laten we de toekomst niet op hersenspinsels bouwen. Wat in het glorierijk priesterschap van de Latijnse Kerk algemeen is, is elders uitzonderlijk. Men begrijpt dat en kan het verontschuldigen. Abbé Fresnay vond zijn priesterlijk leven zo mooi en waardig omdat hij alleen was met God.  »

broeder Pierre van de Gedaanteverandering