De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

BELGIË EN ZIJN KOLONIE
EEN JONGE KOLONIE LANGS ALLE KANTEN BELAAGD

Bronzen herdenkingsplaquette voor generaal Charles Tombeur, die de succesvolle veldtocht van Tabora tegen het Duitse koloniale leger (1916) op zijn palmares mocht schrijven.

Bronzen herdenkingsplaquette voor generaal Charles Tombeur, die de succesvolle veldtocht van Tabora tegen het Duitse koloniale leger (1916) op zijn palmares mocht schrijven.

OP 18 oktober 1908 wordt in Boma de vlag van de Onafhankelijke Congostaat definitief gestreken en de Belgische driekleur gehesen. Gedurende een halve eeuw zal ons land de ontwikkeling van zijn Afrikaanse kolonie ter harte nemen en van Belgisch-Congo «  de modernste en best bestuurde staat van zwart Afrika  » maken (Vita Foutry en Jan Neckers, Als een wereld zo groot waar uw vlag staat geplant. Kongo 1885-1960, BRT Instructieve Omroep, 1985, p. 27).

EEN AANGEPASTE ORGANISATIE

De kolonie wordt bestuurd op basis van het zgn. koloniaal charter, opgesteld door de regering-Schollaert in 1908.

De katholieke politicus Jules Renkin, minister van Koloniën van 1908 tot 1918.

De katholieke politicus Jules Renkin, minister van Koloniën van 1908 tot 1918.

De hoogste uitvoerende macht komt in handen van de minister van Koloniën, een functie die de katholieke politicus Jules Renkin als eerste zal uitoefenen gedurende tien jaar, overigens met veel toewijding  ; hij wordt bijgestaan door een Koloniale raad. De wetgevende macht berust bij het Belgisch parlement, maar in de praktijk laat dit deze taak over aan de ambtenaren van het ministerie van Koloniën  ; zij stellen een ontwerp van decreet op dat wordt ondertekend door de koning en minister Renkin, die de politieke verantwoordelijkheid draagt.

In Belgisch-Congo zelf is de hoogste vertegenwoordiger de gouverneur-generaal, die zetelt in Boma (vanaf 1926 in de nieuwe hoofdplaats Leopoldstad). Omwille van de continuïteit blijft Théophile Wahis, die de functie bekleedde tijdens de laatste jaren van de Vrijstaat, nog een tijd aan het roer. De kolonie wordt opgedeeld in twaalf districten. Verdere onderverdelingen zijn de gewesten, in handen van gewestbestuurders, en de hoofdijen (chefferies), waarover traditionele stamhoofden worden aangesteld. De provincies dateren pas van 1914. Er zijn er oorspronkelijk vier, later zes  : Leopoldstad, Kasaï, Katanga, Kivu, de Evenaarsprovincie en de Oostprovincie. De gewestbestuurders, die de spil van de administratie vormen, worden geacht regelmatig hun grondgebied te inspecteren en daarover aan Boma te rapporteren.

Zoals met de Vrijstaat het geval was, blijft de kolonie op financieel vlak volledig gescheiden van het moederland. Congo heft eigen belastingen op import en export, een personenbelasting op elke volwassen mannelijke autochtoon en taksen op de inkomsten van de blanke kolonialen en de bedrijven. «  De kolonie heeft ook inkomsten uit haar effectenportefeuille. In ruil voor grond-, bodem- en handelsconcessies aan vennootschappen heeft de staat immers kapitaals- of winstaandelen verworven in de koloniale bedrijven. De inkomsten uit deze bron variëren naargelang van de economische conjunctuur  » (Foutry en Neckers, op. cit., p. 29).

Soldaten van de Weermacht in 1916.

Soldaten van de Weermacht in 1916.

De orde in de kolonie werd gehandhaafd door de Weermacht of Force publique. Ze was in het leven geroepen door Leopold II en bestond oorspronkelijk enkel uit niet-Congolese zwarten, om loyauteit aan de staat te waarborgen. Rond de eeuwwisseling kwam daar verandering in en werden meer en meer Congolezen gerekruteerd, maar men waakte er over dat elk regiment hoogstens 20 % manschappen van dezelfde etnische afkomst telde zodat het overal inzetbaar was. Het officierenkorps was exclusief blank. De eenheidstaal van de Weermacht was het Lingala, dat op die manier verspreid geraakte over het hele Congolese grondgebied en er de lingua franca (standaardtaal) van werd.

MET EEN PROPERE LEI

Men staat ervan versteld hoe klein het aantal landgenoten was dat in de loop van de jaren naar de kolonie trok om er te gaan leven en werken. Guy Vanthemsche geeft volgende aantallen  : 1928 Belgen in 1910; 3615 in 1920; en 17.676 in 1930 (La Belgique et le Congo, Brussel, 2007). Aan de vooravond van de onafhankelijkheid, in 1959, zullen het er net geen 90.000 zijn – dat betekent amper 1 Belg per 25 km²  ! Dat handvol kolonialen slaagde erin om de inheemse bevolking op drie generaties tijd (de periode van Congo-Vrijstaat meegerekend) te doen overgaan van het ijzertijdperk naar het atoomtijdperk. In Europa hadden we daar 250 generaties voor nodig.

De reden voor die ongelooflijke prestatie ligt in de kwaliteit van de kolonialen  : het gaat om een elite. De tijd dat vooral avonturiers naar Congo trokken, is vanaf 1908 voorgoed voorbij. De overheid mikt op personen die de kolonie iets te bieden hebben, die er naartoe gaan om te werken en die bij de zwarten ontzag afdwingen door hun superioriteit. «  De blanke in Kongo moet meer kennen en meer kunnen dan de zwarte en zijn verschijning en optreden moeten daar voortdurend van getuigen. […] Arme blanken worden geweerd en er wordt voor gezorgd dat ook ter plaatse geen klasse van arme blanken kan ontstaan. Die bezorgdheid slaat op de sociale eisen die zo’n klasse op langere termijn kan gaan stellen en op mogelijke interraciale conflicten  » (Foutry en Neckers p. 31).

De kolonialen zijn zich terdege bewust van hun opdracht. «  Laat ons nooit vergeten  », aldus ingenieur Jean Jadot (1862-1932), «  dat de enige rechtvaardiging voor onze koloniale actie het goed is dat wij aan de inlandse bevolking doen.   » Gouverneur-generaal Pierre Ryckmans (1891-1959) formuleert het als volgt  : «  Overheersen om te dienen.   » “ Paternalisme ” noemt men dat vandaag de dag  : een scheldwoord dat België echter als een eretitel mag dragen, want het heeft als een vader gezorgd voor de zwarten in Congo. Vriend en vijand zijn het erover eens dat geen enkele kolonie in zwart Afrika een hoger beschavingspeil bereikte.

Werden er fouten gemaakt  ? Natuurlijk, want geen enkele menselijke onderneming is onberispelijk. Maar het volstaat de vergelijking te maken tussen het koloniaal bewind vóór 1960 en de hel van de onafhankelijkheid nadien, tot op vandaag, om te weten wanneer de Congolezen het écht goed hadden.

Het voornaamste streven van België met betrekking tot zijn kolonie was om afstand te nemen van de politiek van Leopold II die in het buitenland zoveel weerstand opgeroepen had. De ongebreidelde en vaak gewelddadige economische exploitatie door de private concessiemaatschappijen werd ingetoomd  ; zo verbood het koloniaal charter uitdrukkelijk elke vorm van dwangarbeid. Alles in Congo moest humaner, moderner worden. Op die manier hoopte ons land in peis en vree zijn beschavingswerk te kunnen realiseren.

Dat was echter een grote illusie. De feiten bewezen al vlug dat het de grote mogendheden, Groot-Brittannië op kop, altijd al te doen was geweest om de rijkdommen van Congo en dat het misbaar over het «  rood rubber  » en de «  genocide  » niet meer dan een rookgordijn was geweest.

INHALIGE MANOEUVRES

Afrika na het verdrag van Berlijn. In het noorden van Duits-Oost-Afrika zijn de latere mandaatgebieden Ruanda en Urundi aangegeven. Kameroen, ook een Duitse kolonie, had aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog Frans grondgebied ingepalmd en reikte met een “ eendenbek ” tot aan de grens met Belgisch-Congo.

«  Men zou geneigd kunnen zijn te geloven dat er met de overname van de Onafhankelijke Congostaat van Leopold II door België een einde kwam aan de inhaligheid en de manoeuvres van de grootmachten. Dat zou echter een zware misvatting zijn…   » (André-Bernard Ergo, Congo belge. La colonie assassinée, Parijs, L’Harmattan, 2008, p. 11). Ergo, een ingenieur die acht jaar in zwart Afrika (eerst Congo, dan Kameroen) gewerkt heeft, weet waarover hij spreekt en heeft verschillende boeken over de kolonie geschreven  ; we zullen hem nog regelmatig citeren.

Groot-Brittannië om te beginnen maakte geen aanstalten om de nieuwe kolonie te erkennen (dat zou pas gebeuren in 1913). Edmund Morel, de drijvende kracht achter de Congo Reform Association, doorkruiste in 1909 Frankrijk en Zwitserland om er, allemaal met de financiële steun van Engelse “ filantropen ” (onder meer Conan Doyle, de geestelijke vader van Sherlock Holmes), de publieke opinie op te zetten tegen het koloniaal werk van de Belgen. Leopold II was uitgeschakeld, nu moest België nog opkrassen.

Duitsland, dat zich stevig had ingeplant ten oosten van het Tanganyikameer (Duits-Oost-Afrika, het huidige Tanzania), loerde naar uitbreiding in westelijke richting. Al in 1894 hadden Duitsers en Britten een akkoord gesloten om België te dwingen tot een territoriale “ correctie ” ter hoogte van het Kivumeer, waaruit Berlijn later voordeel hoopte te halen. In uitvoering van het akkoord rukten Britse troepen in 1909 op naar de streek Ufumbiro, Belgisch bezit, om het gebied in te palmen. De plaatselijke commandant van de Weermacht kon de opmars stoppen door, op initiatief van minister Renkin, een indrukwekkende strijdmacht samen te trekken aan de oostgrens en de Engelsen te laten weten dat ze «  alleen over zijn lijk Congo zouden kunnen betreden  ». Die vastberadenheid had het beoogde ontradend effect en de Britse troepenmacht trok zich terug.

De oudste administratieve indeling van Belgisch-Congo was die in 12 districten.

De oudste administratieve indeling van Belgisch-Congo was die in 12 districten.

We herinneren ons nog dat Frankrijk door Leopold II in 1883 gelijmd was met de belofte van een “ voorkeursrecht ” aangaande Congo. In 1911 was Parijs bereid dat voorkeursrecht – dat kunstmatig in stand gehouden werd door de Fransen – aan Berlijn af te staan, om het Frans protectoraat over Marokko te vrijwaren van Duitse opdringerigheid. Londen had zijn zegen gegeven aan die koehandel, op voorwaarde dat het de vrije hand kreeg om het rijke Katanga met zijn koper-, kobalt- en diamantmijnen van de Belgen af te snoepen…

Het plan kwam in feite neer op een verdeling van Congo  : de gebieden ten noorden van de Congostroom voor de Fransen, het oosten voor de Duitsers, de rest – met Katanga als kers op de taart – voor de Britten. Het scenario ging uiteindelijk niet door omdat de grootmachten elkaar te zeer wantrouwden. Maar de regering in Boma liet in allerijl extra troepen met kanonnen en mitrailleurs overbrengen naar het pal aan de grens met Noord-Rhodesië gelegen Elisabethstad, dat werd uitgekozen als hoofdstad van de koperprovincie en in een recordtempo werd uitgebouwd.

Het was voor de kleine koloniale mogendheid België vanaf het begin maar al te duidelijk dat om het blijvend bezit van Belgisch-Congo zou moeten gevochten worden en dat het geen enkele van zijn buren, die in Afrika overigens dezelfde waren als in Europa, kon vertrouwen.

GUERRILLA EN BLUFPOKER

Op het moment dat de Grote Oorlog losbreekt, telt de Congolese Weermacht 450 Europese officieren en onderofficieren en bijna 18.000 goed getrainde zwarte soldaten. «  De Belgische regering is er bezorgd om het conflict niet naar Afrika over te brengen. Met respect voor de bepalingen van de akte van Berlijn raadt zij de koloniale gezagsdragers aan een hoofdzakelijk defensieve houding aan te nemen tegenover de Duitse kolonies  » die aan Congo grenzen, Kameroen – een gemeenschappelijke grens van enkele tientallen kilometers – en vooral Duits-Oost-Afrika, waarmee de grens 800 km lang is (Ergo, op. cit., p. 60).

Maar de Duitsers hebben aanvalsplannen. Al op 15 augustus 1914 vernietigen hun koloniale troepen de telegraaflijn langs het Tanganyikameer en beschieten de Congolese dorpen aan de westoever. Een week later opent een Duits schip het vuur op de haven van Lukuga (Albertstad) en keldert de vijand het enige Belgisch oorlogsschip op het meer.

Na overleg met koning Albert reageert minister Renkin met een telegram aan de Belgische gouverneur-generaal waarin hij het licht op groen zet voor «  militaire maatregelen om Belgisch grondgebied te verdedigen  » en om «  alleen of in samenwerking met geallieerde troepen  » alle vereiste offensieve acties te organiseren, «  zelfs op Duits grondgebied indien noodzakelijk  ».

Josué Henry de la Lindi: wie niet sterk is, moet slim zijn.

Josué Henry de la Lindi  : wie niet sterk is, moet slim zijn.

Boma besluit om de oostelijke grenzen te versterken en vertrouwt die taak toe aan luitenant-
kolonel Josué Henry de la Lindi. “ Wie niet sterk is, moet slim zijn ”  : Henry kiest voor een combinatie van guerrilla en blufpoker. Hij organiseert zeer beweeglijke eenheden die gespecialiseerd zijn in stoutmoedige acties en kleine schermutselingen. Een geplande grootscheepse aanval van de Duitsers bij de berg Lubafu, aan de noordelijke grens tussen Belgisch Congo en Duits-Oost-Afrika, kan hij verijdelen door zijn bescheiden troepenmacht te doen lijken op de voorhoede van een groot leger… dat niet bestaat  !

In juni 1915 beslist Henry die strategische berg bij verrassing te bezetten en te versterken. Het is een meesterzet  : wanneer zeshonderd Duitsers, gewapend met mitrailleurs en kanonnen, drie maanden later proberen de Lubafu te heroveren, wordt hun aanval met succes afgeslagen.

De Weermacht op campagne tijdens de Eerste Wereldoorlog.

De Weermacht op campagne tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Het enige stukje van Belgisch-Congo dat de Duitsers in handen krijgen is het eiland Idjwi in het Kivumeer, omdat de zwarte bevolking er partij kiest voor de plaatselijke vertegenwoordiger van de Kaiser.

Het is duidelijk dat het de troepen van het Duitse rijk menens is in hun pogingen om Belgisch-Congo binnen te vallen. Hoe strijdlustig de Congolese Weermacht ook is, iedereen weet dat zij in haar eentje vroeg of laat het onderspit zal moeten delven. Samenwerking met de Geallieerden is daarom aangewezen. Maar samenwerken is niet hetzelfde als zich volledig ondergeschikt maken aan Londen of Parijs  : in Afrika zal men dezelfde omzichtigheid aan de dag leggen als die waarvan koning Albert op hetzelfde moment aan de IJzer blijk geeft.

DE VELDTOCHT VAN TABORA

Begin 1915 wordt het beginsel goedgekeurd van een offensieve actie tegen Duits-Oost-Afrika samen met de Britse koloniale troepen, vanuit de overtuiging dat de aanval de beste manier is om de grenzen te verdedigen.

Generaal Charles Tombeur stelt een volledig nieuw Congolees leger van 19.000 man samen, voorzien van modern materiaal zoals Mauser- en Grasgeweren en lichte kanonnen en aangevuld met 8000 dragers. Dat leger telt twee brigades, een “ noordelijke ” (opgesteld tussen het Edward- en het Kivumeer) en een “ zuidelijke ” (tussen het Kivu- en het Tanganyikameer).

De Britten hebben in Noord-Rhodesië een legermacht gereed onder leiding van de Zuid-Afrikaanse generaal Jan Smuts, die de leiding over de Belgisch-Britse operaties heeft. De Duitsers hebben zich, net als aan het Europese Westfront, stevig ingegraven  : de hellingen van verschillende strategisch gelegen bergen zijn omgevormd tot artilleriebolwerken met mitrailleurs en kanonnen, op de communicatielijnen zijn talrijke depots voor munitie en levensmiddelen ingericht. Op het Tanganyikameer hebben zij een groot oorlogsschip te water gelaten, de Graf von Götzen, die hen de volledige controle over het meer garandeert.

De opdracht die de Weermacht toegewezen krijgt, is de verovering van heel het noordwesten van de Duitse kolonie tot aan het Victoriameer en het spoorwegknooppunt Tabora ten zuiden daarvan  ; daar zullen de Britten onder leiding van generaal Preston Crewe, oprukkend vanuit Brits Oost-Afrika, zich bij hen voegen.

De veldtocht van Tabora, een groot militair succes voor het Belgisch-Congolese leger.

De veldtocht van Tabora, een groot militair succes voor het Belgisch-Congolese leger.

De campagne, die van start gaat op 20 april 1916, verloopt bijzonder succesvol. Eerst en vooral wordt het eiland Idjwi op de Duitsers heroverd. De noordelijke brigade (kolonel Molitor) neemt Kigali in en verovert heel Ruanda  ; ze raakt tweemaal in een hevig gevecht met de Duitsers betrokken en behaalt beide keren de overwinning. De zuidelijke brigade (kolonel Olsen) palmt Urundi in en de spoorweg die van het Tanganyikameer naar Tabora loopt (de Tanganyikabahn, die de verbinding vormt met Dar-es-Salaam aan de oostkust); ook zij heeft af te rekenen met Duitse tegenaanvallen, die ze echter kan afslaan. In de nacht van 13 op 14 september maken beide brigades aansluiting bij Tabora, een belangrijke handelsstad van 40.000 inwoners, gelegen op 400 km ten oosten van het Tanganyikameer. Zes dagen lang duurt de strijd om de stad, maar uiteindelijk trekken de Duitse troepen zich terug.

De Force publique heeft een klinkende overwinning behaald. «  Op minder dan zes maanden hebben de soldaten van de Weermacht een gebied bevolkt door 4 miljoen inwoners en vijfmaal zo groot als België veroverd  » (Ergo p. 76).

De Britten van Crewe arriveren slechts op 19 september, wanneer Tabora al stevig in Belgisch-Congolese handen is. De Engelsman feliciteert Tombeur met zijn overwinning, maar kan maar moeilijk verkroppen dat de Belg hem voor geweest is. Ook Smuts zit verveeld met de zaak  : stel dat België nu aanspraak zou gaan maken op het veroverde territorium  ?

Londen is niet zinnens ons land veel speelruimte te laten. In januari 1917 «  geven de Britten een verklaring uit waarin staat dat de medewerking van de Belgische koloniale troepen niet meer noodzakelijk is voor het verderzetten van de operaties in Duits-Oost-Afrika  ». Aan de Belgische regering «  wordt gevraagd om de administratie over het district Tabora in handen van de Engelsen te geven  » (Ergo p. 79).

DE CAMPAGNE VAN MAHENGE

Het Duitse oorlogsschip «Graf von Götzen» domineerde het Tanganyikameer tot het in juni 1916 door Belgische piloten werd uitgeschakeld.

Het Duitse oorlogsschip «  Graf von Götzen  » domineerde het Tanganyikameer tot het in juni 1916 door Belgische piloten werd uitgeschakeld.

Ondertussen schrijven Belgische piloten nog een ander exploot op hun naam. De onderdelen van vier watervliegtuigen van het type Short 827 worden vanuit Europa overzee naar Matadi vervoerd. Vervolgens worden ze getransporteerd over een afstand van 2000 km, langs de spoorweg en over land, tot aan het Tanganyikameer, waar ze aankomen in mei 1916. Een maand later zien de Duitsers tot hun ontzetting vliegtuigen boven het meer, iets wat ze helemaal niet verwacht hadden in het hart van Afrika. De Graf von Götzen, waarvan de kanonnen door hun beperkte hoek niet naar overvliegende objecten kunnen schieten, wordt definitief uitgeschakeld door een voltreffer  : een bom afgeworpen door een vliegtuig bestuurd door luitenant Behaege en met luitenant Collignon als waarnemer. De boten van de Belgo-Congolezen – twee herstelde schepen met de namen Le Vengeur en Fifi en vanaf augustus de gloednieuwe stoomboot Baron Dhanis – zijn van dan af heer en meester op het meer.

Is Duitsland nu uitgeschakeld in Afrika  ? Londen juicht te vroeg, want in maart 1917 blijkt dat de Duitse koloniale troepen in het zuidoosten volledig gereorganiseerd zijn door de legendarische generaal Von Lettow-Vorbeck, de “ Leeuw van Afrika ”, die zich klaarmaakt om het verloren territorium te heroveren. De Britten zijn gedwongen om opnieuw de deelname van de Belgen te vragen…

De triomfantelijke intocht van de Weermacht in Tabora op 19 september 1916.

De triomfantelijke intocht van de Weermacht in Tabora op 19 september 1916.

De nieuwe commandant van de Weermacht, luitenant-kolonel Armand Huyghé, laat zijn manschappen per spoor naar het zuidoosten transporteren. Op 14 augustus 1917 rukken beide brigades langs verschillende trajecten op naar Mahenge, waar Von Lettow-Vorbeck zijn hoofdkwartier heeft. De Duitsers passen de tactiek van de verschroeide aarde toe  : nergens zijn nog levensmiddelen voorhanden. De Weermacht beseft dat ze snel moet zijn en verhoogt haar tempo. Twee weken later vinden bij de rivier de Kilombero felle gevechten plaats tegen vier Duitse compagnieën die zich daar ingegraven hebben. De Belgo-Congolezen stoten door en verdrijven op 29 september de vooruitgeschoven verdediging van Mahenge. De eigenlijke strijd om de stad barst los op 5 oktober en duurt vier dagen. Op 8 oktober trekken de Duitsers zich volledig terug en marcheert de Weermacht Mahenge binnen.

De meeste Duitsers worden gevangen genomen door de Britten die opereren vanuit Noord-Rhodesië, maar de sluwe Von Lettow-Vorbeck kan ontsnappen naar Mozambique. Huyghé vraagt Londen toestemming om hem daar te achtervolgen, maar dat wordt geweigerd. De Duitse generaal slaagt er in om met amper tweeduizend manschappen voor de rest van de oorlog uit de handen van honderdduizend Britten te blijven, die koortsachtig naar hem op zoek zijn en die hij constant het leven zuur maakt met guerrilla-aanvallen.

De regeringen van de Geallieerden hebben alleen maar lof voor de wapenfeiten van de Force publique… en gaan dan over tot de orde van de dag. Opnieuw worden onze militairen bedankt voor bewezen diensten en vraagt men hen om zich terug te trekken uit het zuidoosten van de Duitse kolonie.

«  Deze tweede campagne had niet de weerklank van die van Tabora en de overwinnaars van Mahenge werden lange tijd op onrechtvaardige en onvergeeflijke wijze vergeten en veronachtzaamd door het gezag. Maar de Duitsers herinnerden het zich maar al te goed  : tijdens de Tweede Wereldoorlog arresteerden zij in Frankrijk de gepensioneerde generaal Huyghé en sloten hem op […] in een concentratiekamp in Duitsland, waar hij stierf aan een longontsteking  » (Ergo p. 84).

HET BELGISCH MANDAATGEBIED
RUANDA-URUNDI

Na de oorlog stelde zich de vraag wat er met de kolonies van het verslagen Duitsland moest gebeuren. De Europese Geallieerden, Groot-Brittannië en Frankrijk, vonden het vanzelfsprekend dat zij daar als overwinnaars aanspraak mochten op maken. Maar dat was buiten de waard gerekend, in dit geval de Amerikaanse president Woodrow Wilson  :

«  De president van de Verenigde Staten, Wilson, die zich liet leiden door een simplistische ideologie, wou het “ imperialisme ” uitroeien. Hij schreef een reglement in veertien punten uit waarin hij preciseerde dat de Geallieerden geen enkel gebied mochten behouden dat zij met de wapens op de Duitsers veroverd hadden, niet in Europa en niet in Afrika.  » (Ergo p. 85)

Dat viel uiteraard in Londen en Parijs niet in goede aarde. Er waren enorme militaire inspanningen geleverd en er waren ook in Afrika soldaten gesneuveld in de strijd tegen de Duitse agressor. Bovendien was men – terecht, zoals amper twintig jaar later zou blijken  ! – erg bevreesd dat het Duits imperialisme vroeg of laat opnieuw de kop zou opsteken als men de veroverde territoria gewoon weer teruggaf.

Er werd een compromis gezocht en gevonden  : de overwinnaars mochten hun veroveringen behouden, maar onder het statuut van «  mandaatgebieden  » toegekend door de gloednieuwe Volkerenbond. Die supranationale organisatie werd in 1919 opgericht op basis van het Verdrag van Versailles en was ook een idee van Wilson, die hoopte op die manier «  een einde aan alle oorlogen te maken  ».

Wat België betreft, ons land eiste erkenning voor de dappere prestaties van de Congolese Weermacht in Afrika. Brussel wilde de succesvolle campagnes van Tabora en Mahenge graag verzilverd zien.

De Belgische diplomaat Pierre Orts in 1934.

De Belgische diplomaat Pierre Orts in 1934.

De bekwame Belgische diplomaat Pierre Orts voerde in de coulissen van Versailles onderhandelingen met Groot-Brittannië, die leidden tot de ondertekening van het verdrag Orts-Milner (augustus 1919)  : België verwierf Ruanda-Urundi als mandaatgebied en kreeg economische bases in het door Londen aangeslagen Tanganyika Territory, het latere Tanzania. Verder werden aan de Belgen faciliteiten verleend in de communicatie over land, over het spoor en in de lucht tussen Congo en de Indische Oceaan.

Ons land zou zich méér bekommeren om Ruanda-Urundi – later de afzonderlijke landen Rwanda en Burundi – dan de Duitsers hadden gedaan, onder meer door de doorgedreven evangelisatie en de economische ontwikkeling ervan ter harte te nemen. Toch was het ten dele een vergiftigd geschenk  : in de jaren 1950 zou de UNO, opvolger van de Volkerenbond, het mandaat aangrijpen om zich te bemoeien niet alleen met wat in Ruanda-Urundi gebeurde, maar ook met het Belgisch bestuur in de kolonie Congo zelf, waarover de UNO nochtans geen enkele zeggenschap had. De bedoeling was duidelijk  : de geesten rijp maken voor de onafhankelijkheid.

Vermelden we tot slot nog dat generaal Smuts van mening was dat België het voogdijschap over alle veroverde gebieden had moeten krijgen, met inbegrip van Tabora. Maar dat was een brug te ver voor de Britten, die het al moeilijk genoeg hadden met het feit dat de Belgische kolonie, die zij zo graag in stukken gesneden hadden, een eenheid bleef en door de aanhechting van het mandaatgebied zelfs de facto werd uitgebreid tot voorbij de grote meren.

* * *

Belgisch-Congo kwam versterkt uit de Grote Oorlog. Onze kolonie had vriend en vijand verbaasd door haar vastberadenheid en haar militaire kwaliteiten. De grote mogendheden likten hun wonden en lieten Congo, althans voorlopig, betijen. Daarmee werd de basis gelegd voor de grote economische expansie van de jaren twintig waarover we het in een volgend artikel zullen hebben.

redactie KCR
Hij is verrezen  ! nr. 99, mei-juni 2019