De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

BELGIË IN DE GROTE OORLOG

DE GETELINIE : BELGISCHE MOED EN DUITSE TERREUR

«  Wie Eerste Wereldoorlog zegt, denkt meteen aan de vier jaren strijd aan de IJzer. De loopgravenoorlog in mensonterende omstandigheden die zoveel slachtoffers maakte, staat overal ter wereld synoniem voor de gruwel van de Eerste Wereldoorlog. Het begin van die oorlog, de periode voor de Duitse divisies in de Westhoek aankwamen, wordt echter vaak vergeten. Nochtans speelden die eerste weken een belangrijke rol. Drie zware gevechten in de streek rond de Gete vertraagden de opmars van de Duitse divisies en zorgden ervoor dat men de forten van Antwerpen op de komst van de Duitsers kon voorbereiden.  » Zo luidt de tekst op het kaft van De Grote Oorlog op kleine schaal. De gevechten aan de Getelinie in Oost-Brabant (1914), een boek van de hand van de jonge historicus Ruben Donvil (Leuven, Davidsfonds, 2012) dat wij voor een groot deel van dit artikel als leidraad gebruiken.

Monument in Tienen

In 1923 werd aan de Oplintersepoort in Tienen een monument geplaatst ter nagedachtenis aan de moedige verdedigers van de Getelinie  : een soldaat, die zijn wapen herlaadt, vraagt aan een gewonde officier waar de vijand zich bevindt en trekt er op af. Oorspronkelijk bevatte het gedenkteken ook twee bronzen platen. Op een ervan was te zien hoe Duitse soldaten gewonden afmaken met bajonetsteken, een laaghartige handelwijze waarover tal van getuigenissen bestaan  ; in de Tweede Wereldoorlog werd deze plaat door de Duitse bezetter vernietigd.

DE Duitsers wachten niet op de capitulatie van het laatste Luikse fort (Flémalle, op 16 augustus) om verder door te dringen op Belgisch grondgebied. Al op 8 augustus steken twee cavaleriedivisies onder leiding van generaal von der Marwitz over een noodbrug bij Lixhe de Maas over. Een deel van de ruiterij bezet de dag daarop Tongeren, een ander deel rukt op richting Sint-Truiden.

Koning Albert, die zijn militair hoofdkwartier in het stadhuis van Leuven heeft gevestigd, is niet van plan om het Duitse leger ongehinderd door België te laten trekken. De hardnekkige verdediging van Luik, die de vij-and vier kostbare dagen van oponthoud kost, is daar het duidelijkste bewijs van.

Voor onze vorst bestaat er geen twijfel over de absolute prioriteit  : het vrijwaren van de versterkte stelling Antwerpen, het «  réduit national  »waarin de regering en het veldleger zich veilig kunnen terugtrekken in afwachting van de hulp van onze garanten, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. In de grote havenstad, die beschermd wordt door een dubbele fortenring, is het belangrijkste materieel, de munitie en de ravitaillering van het leger opgeslagen. Om een ordelijke terugtrekking met zo weinig mogelijk verliezen mogelijk te maken, dient er echter tijd gewonnen te worden. Ergens tussen Luik en Antwerpen moet een deel van onze troepen stelling nemen om de Duitse pletwals tijdelijk tegen te houden.

De keuze valt op de rivier de Gete, een zijrivier van de Demer, die van zuid naar noord stroomt. Eigenlijk gaat het om twee rivieren  : de Grote Gete, die onder andere langs Tienen loopt, en de Kleine Gete  ; beide vloeien samen in Budingen. De nieuwe verdedigingslinie schermt de as Brussel-Antwerpen af en heeft het voordeel dat het grootste deel van het veldleger al in de buurt is, in het oostelijk deel van de provincie Brabant (enkel de vierde divisie ligt in Namen). De cavaleriedivisie van generaal De Witte krijgt de opdracht toegewezen verkenningen uit te voeren, de sterkte van de vijand te taxeren en vooral ook te achterhalen hoever naar het noorden toe het Duitse leger zich zal ontplooien.

DE EERSTE CONFRONTATIE

Pal op de steenweg van Sint-Truiden naar Tienen, en aan de Kleine Gete, ligt Orsmaal-Gussenhoven. Het is onvermijdelijk dat de Duitse cavalerie bij haar opmars in westelijke richting het dorp zal passeren. Het Belgische 3de lansierregiment, dat de brug over de rivier moet verdedigen, stelt bij verkenningen op 9 augustus vast dat een groot aantal Duitse ruiters zich in de nabije omgeving concentreert.

Kort na de middag van 10 augustus vallen de Duitsers langs drie kanten aan  ; hun overmacht bedraagt vier tegen één. De charges van dragonders, ulanen en doodskophuzaren worden bovendien ondersteund door mitrailleurvuur. De Belgen bijten moedig van zich af en slagen er in één van de mitrailleurs met gerichte schoten het zwijgen op te leggen.

Halleux en De Bruycker

Twee Belgische militairen die sneuvelden in Orsmaal-Gussenhoven op 10 augustus 1914. Luitenant Halleux leidde de moedige uitbraakpoging uit de volledig omsingelde hoeve Beckers.

Ten noorden van de steenwegbrug omsingelen de Duitsers een hoeve waarin luitenant Halleux en zijn mannen zich verschanst hebben om steunvuur te geven. Al snel blijkt een uitbraakpoging het laatste redmiddel. «  Volg mij op de voet  », zegt de luitenant, «  maar zorg vooral dat er niemand vóór mij loopt. Als we een mitrailleur kunnen veroveren, zijn we gered. Komaan, vrienden  : het land komt voor alles. Voorwaarts  !  »

Een overlevende vertelt  : «  Bij het buitenkomen werden ze hevig onder vuur genomen door allerhande wapens. Halleux werd vrijwel meteen levensgevaarlijk getroffen. Ook de meeste anderen waren gewond of dood. Een van de lansiers, Cotman, had zijn luitenant al kruipend willen wegslepen, maar kwam bij die moedige daad om het leven. Wachtmeester-foerier Claeys, die na Halleux de hoogste in rang was, werd met de kolf van een geweer doodgeslagen terwijl hij met een witte zakdoek zwaaide om aan te geven dat hij met de andere Belgen de strijd wilde staken. Nadien schoten achtergebleven lansiers nog vanuit een zolder op de Duitsers. Zij zouden gevangengenomen of brutaal vermoord worden  » (R. Donvil, op. cit., p. 53).

Onze militairen blijven hardnekkig weerstand bieden. Toch besluit kolonel Hagemans, hoofd van het 3de lansiers, om de strijd te staken, want de overmacht is te groot. Elke minuut dat er langer gevochten wordt gaan er mensenlevens verloren. «  Dat was ook de grootste gruwel van koning Albert. Een bevelhebber moest zijn conclusies durven trekken wanneer zijn mannen zonder artilleriesteun ten strijde trokken en zware verliezen leden  » (Donvil, pp. 53-54).

De Duitsers zijn er weer eens zeker van dat francs-tireurs aan het gevecht hebben deelgenomen  : «  De tegenstanders verlieten het dorp na een lang vuurgevecht en een strijd van huis tot huis, waaraan ook de bevolking opnieuw deelnam  », aldus kolonel von Poseck. Represailles blijven niet uit. Gewonde soldaten worden met de bajonet afgemaakt, huizen worden in brand gestoken terwijl zich binnen nog bewoners bevinden. E. H. Adolphe De Clerck, onderpastoor van Orsmaal, is ooggetuige en schrijft later  : «  Het was nu 4 uur in de namiddag, de slag was sinds twee uren geëindigd en nog steken zij het vuur aan twee grote huizen. Ik vroeg nogmaals aan een officier  : “  Waarom die nutteloze gruweldaden   !  ” Schuimend en knarsetandend riep hij  : “  Het vuur en de revolver zullen die fanatieke katholieken leren wijs te zijn  !  ”  » (aangehaald in Donvil, p. 55).

Het 3de regiment lansiers, dat dertig doden betreurde, nam zijn eerste gevecht als toonbeeld voor de rest van de oorlog en drukte dat uit in de leuze  : «  Comme à Orsmael, je tiens  » («  Zoals in Orsmaal zal ik stand houden  »).

Hoe beperkt deze eerste confrontatie ook was, toch begrijpen de Duitsers dat de Belgen misschien wel kwantitatief en kwalitatief hun minderen zijn, maar dat ze zich niet zonder slag of stoot gewonnen geven. De Duitse legerleiding neemt daarom een besluit dat de trotse cavalerie in haar eer moet hebben gekrenkt. In plaats van verder door te stoten naar Tienen moeten de Duitsers terug naar Sint-Truiden, om uit te blazen en de aanvalsplannen te evalueren. Voor het Belgisch leger een kostbare dag tijdswinst  !

HALEN IN HET VIZIER

Een Duits verkenningsvliegtuig signaleert onverwacht veel Belgen in Tienen en omgeving. Het oversteken van de Gete gebeurt daarom beter noordelijker. De vijand besluit zijn kans te wagen bij Halen, een stadje dat voorbij de samenvloeiing van de twee Getes ligt en niet ver van de Demer. Von der Marwitz stuurt de vierde cavaleriedivisie uit om de weg vrij te maken voor de Duitse troepenmacht door de Getebrug in Halen in te nemen.

Hoewel het slechts om een bescheiden rivier gaat, heeft de Getevallei voor de verdedigers toch een aantal voordelen die ook generaal von Kluck in zijn memoires erkent  : «  De Gete loopt door uitgestrekte weiden met soms onvaste ondergrond. De rivier is hierdoor een hindernis die zorgt dat men vaak slechts aan doorwaadbare plaatsen of met behulp van smalle noodbruggetjes aan de overkant raakt. Grachten en prikkeldraad belemmeren de bewegingsvrijheid  » (Der Marsch auf Paris und der Marneschlacht 1914, Berlijn, 1920).

Aan de vooravond van 12 augustus is het voor de Belgische generale staf duidelijk dat Halen het doelwit is. Generaal De Witte en zijn cavalerie krijgen het bevel «  om de vijand te verhinderen de samenvloeiing van de Gete en de Demer te bereiken.  »

De generaal beseft dat de Belgen aan het kortste eind zullen trekken als zij op de klassieke manier, te paard, de charges van de Duitse overmacht moeten opvangen. Zijn jongere stafofficieren – onder wie luitenant Raoul Van Overstraeten, de latere militaire adviseur van koning Leopold III – sporen hem aan om een andere tactiek te volgen. «  Ze waren ervan overtuigd dat het beter zou zijn om de ruiters afgestegen te laten vechten, zoals in Orsmaal al gebeurde. Daar leek het toch ook gewerkt te hebben, dus waarom zou het in Halen anders zijn  ? De cavaleristen zouden met hun karabijnen moeten vechten in plaats van met de sabels of lansen en confrontaties van dichtbij zoveel mogelijk vermijden  » (Donvil, p. 72).

Het strijdtoneel is overigens niet ongunstig voor onze manschappen  : «  Naast de vrij goed verdedigbare brug over de rivier liep er aan de westkant van de stad een spoorlijn waarvan de berm defensief ingestelde troepen een redelijke beschutting kon geven. De plattelandsomgeving ten westen van Halen werd bovendien gekenmerkt door een groot aantal holle wegen. Die zouden bij een vijandelijke charge voor de aanvaller op twee manieren nare gevolgen kunnen hebben. De verdedigers konden zich in het ene geval bovenaan op de hellingen opstellen en op de Duitsers schieten terwijl ze door deze wegen stormden. In het andere geval, wanneer de Duitse troepen zouden beslissen om loodrecht op de holle wegen aan te vallen in plaats van erdoorheen, zouden ze eerst enkele meters moeten afdalen om vervolgens weer een soortgelijke hoogte te beklimmen  » (pp. 67-68).

De Witte heeft ook artillerie ter beschikking. De batterijen stellen zich op twee heuvels ten westen van Halen op, de Mettenberg en de Bokkenberg. De kanonniers verliezen geen tijd en noteren de schietafstanden meteen zorgvuldig op hun kaarten  ; als ze vuren, zal het zo sneller raak zijn.

Overzichtskaart van het strijdtoneel in augustus 1914

Overzichtskaart van het strijdtoneel in augustus 1914, met aanduiding van de ver-schillende legerdivisies (bron  : R. Donvil). De derde divisie, die de aanval op Luik afsloeg, had al op 6 augustus het bevel gekregen om terug te trekken richting Hoegaarden.

DE SLAG DER ZILVEREN HELMEN

In de vroege ochtend van 12 augustus nadert een groep Duitse ruiters de Getebrug. Als ze tot op honderd meter van de ingegraven Belgen genaderd zijn, worden ze neergemaaid of op de vlucht gejaagd door geweersalvo’s. De vijand verandert daarop van tactiek en kruipt naderbij onder dekking van artillerievuur. Dat is zo hevig dat onze militairen hun post moeten verlaten… en vervolgens, zoals afgesproken, de ondermijnde brug tot ontploffing brengen.

Maar die ontploffing geeft niet het gewenste resultaat omdat de springstof van slechte kwaliteit is. De Duitse ruiterij stormt naar voren, neemt de halfvernietigde brug in en bezet het centrum van Halen. Van de Belgen geen spoor meer. Wanneer de eerste cavaleristen echter het stadje uitrijden, worden ze van achter de spoorwegberm onder vuur genomen door twee compagnieën karabiniers-cyclisten. De Duitsers trekken achteruit, naar de nu reeds overvolle straten en straatjes van Halen. De batterij op de Mettenberg krijgt daarop het bevel haar kanonnen op de stad te richten. De Duitsers zitten als ratten in de val en er vallen heel wat doden.

Na dit succes is het tijd voor het volgende manoeuvre. Onze troepen nemen posities in iets ten westen van Halen, richting Loksbergen, in de velden ter hoogte van de boerderij De IJzerwinning  ; de karabiniers-cyclisten bezetten de voorste linie. De Duitsers rukken op tot aan de spoorwegberm, maar ze worden ook daar onder vuur genomen door de Belgische kanonnen. De vijand is razend, hun officieren willen dat die vermaledijde batterijen op de heuvels uitgeschakeld worden. Hoe  ? Door charges van de cavalerie. Dwars door een terrein dat ze onvoldoende kennen. De frustratie maakt de Duitsers onvoorzichtig, en dat zal hen zuur opbreken.

«  Gedurende de gevechten zou de Duitse cavalerie in acht grote charges of stormlopen de Belgische posities aanvallen. Hoewel bijna altijd nieuwe aan-looproutes gebruikt werden, waren ze allemaal rechtstreeks of via een kleine omweg gericht op de Mettenberg en de Bokkenberg  » (p. 83).

De eerste stormloop wordt uitgevoerd door het 17de dragonderregiment over de weg naar Diest. Maar commandant Collaert en zijn manschappen hebben een stevige barricade dwars over de baan gelegd. Met grote koelbloedigheid – mik maar eens op een ruiter die met gevelde lans of met de blanke sabel geheven op een paard komt aangestormd  ! – schieten onze soldaten verschillende vijanden en paarden neer. De charge loopt met een sisser af, de Duitsers slepen hun gewonden weg en laten talrijke doden achter.

De stormloop van het 17de dragonderregiment door de velden van Halen wordt afgeslagen door de Belgische verdedigers.

De stormloop van het 17de dragonderregiment door de velden van Halen wordt afgeslagen door de Belgische verdedigers. Duits schilderij uit 1915, enkele jaren geleden geschonken aan het museum van Halen door de zoon van de toenmalige aanvoerder, ritmeester Hans von Bodecker, die bij de charge gewond raakte.

Onmiddellijk daarop gaat een ander eskadron dragonders tot de aanval over, deze keer recht vooruit in de richting van de Belgische linies. Het is deze charge die afgebeeld is op het schilderij in het museum van Halen. De Duitse ruiters springen over de karabiniers-cyclisten in de voorste linie, maar worden tegengehouden door een haag van lansiers aan de voet van de Mettenberg. Tweede mislukking. De tactiek van Van Overstraeten en zijn medestanders om vuurwapens in te zetten tegen cavaleriecharges werpt vruchten af  !

Schuimbekkend van woede bevelen de stafoffi-cieren nog zes andere stormlopen, maar ook die mislukken allemaal. Het meest spectaculaire resultaat behalen onze soldaten wanneer de ulanen die in zuidelijke richting aanvallen plotseling met een holle weg op hun route geconfronteerd worden en in de diepte over elkaar tuimelen – waarna ze massaal neergeschoten worden.

De Duitsers moeten hun nederlaag nu wel toegeven. De rest van de dag sturen ze infanteristen het veld in die het onze troepen flink lastig maken. De Belgen krijgen echter steun van de 4de gemengde brigade uit Sint-Margriete-Houtem, waardoor de gevechten uiteindelijk onbeslist blijven. Beide partijen trekken zich bij valavond terug, de Belgen naar Loksbergen, de vijand naar Herk-de-Stad.

Een van de fameuze « zilveren helmen » die de verslagen Pruisische cavalerie op het slagveld achterliet.

Een van de fameuze «  zilveren helmen  » die de verslagen Pruisische cavalerie op het slagveld achterliet.

Voor het Duitse rijk is Halen een opdoffer van formaat  : «  Het simpele Belgische leger met zijn vele reservisten had de fiere Duitse cavalerie met haar prachtige uitrusting en goed getrainde manschappen in het zand doen bijten  » (p. 110). De vijand telt 140 doden en meer dan 600 gewonden  ; 250 Duitsers werden gevangen genomen. De kadavers van 400 paarden getuigen van de afstraffing die Von der Marwitz gekregen heeft.

Verspreid over het slagveld liggen heel wat helmen van de Duitse ruiterij die in het zonlicht blinken als zilver. Na de oorlog inspireert het pastoor Coppens van Loksbergen om in een heldendicht over «  de slag der Zilveren Helmen  » te spreken.

Donvil besluit  : «  Het gevecht bij Halen wordt gezien als een van de laatste gevechten in West-Europa waarbij men nog te paard en met de blanke sabel vocht. De tanks zouden geleidelijk aan de nieuwe cavalerie worden  » (p. 103).

DE STRIJD BIJ TIENEN

Na de val van het laatste Luikse fort op 16 augustus stromen de troepen van het Duitse Eerste Leger de provincie Limburg binnen en begint generaal von Kluck aan zijn grote zwaai dwars door Midden-België. De dag daarop worden de Duitsers op talrijke plaatsen waargenomen, voor het Belgisch leger het signaal om zich schrap te zetten.

Vraag is op welke plaats de Duitsers een definitieve doorbraak van de Getelinie willen forceren. Alles laat vermoeden dat het Tienen zal worden, waar de eerste legerdivisie van generaal Baix (ca. 15.600 manschappen) zich bevindt. De terugtrekking van het veldleger naar Antwerpen, zoals gewild door de koning, is ondertussen volop bezig, maar nog lang niet voltooid. Het 22ste linieregiment onder leiding van kolonel Guffens, dat een sterke positie inneemt op de heuvelrug van Sint-Margriete-Houtem, moet zorgen voor de noodzakelijke tijdswinst.

Guffens geeft het bevel om in een boogvorm rond zijn commandopost wacht- en voorposten aan te leggen, met in de grootste daarvan telkens een compagnie van een 150-tal soldaten. Omdat de heuvel ideaal is voor de opstelling van de artillerie, laat hij drie batterijen installeren met elk vier kanonnen. Helaas gaat het slechts om 75 mm-geschut dat enkel horizontaal kan vuren en dat dus geen partij is voor het zwaardere Duitse krombaangeschut.

De tijd die voorafgaat aan de te verwachten Duitse aanval wordt door het Belgisch leger jammer genoeg niet voldoende benut. Men is er wat te gerust in… Eigenlijk heeft men totaal geen idee van de Duitse posities, bij gebrek aan luchtverkenning. Daarentegen vliegen vijandelijke vliegtuigen regelmatig laag over om alle belangrijke elementen in kaart te brengen. De Belgen doden de tijd met het aanleggen van loopgraven en verschansingen, maar het gebeurt allemaal heel traag, alsof men nog zeeën van tijd heeft.

Op 18 augustus, alweer een hete zomerdag, komt in Houtem het bericht toe dat de voorpost in Neerlinter aangevallen wordt door een grote groep Duitse infanteristen. Onmiddellijk worden de kanonnen bemand en vuurt men op de oprukkende vijand. Firmin Van Waerebeke, soldaat in de voorpost, geeft een kleurrijke beschrijving van wat er gebeurt  : «  Opeens valt het kanon aan het bulderen. ’t Zijn de onzen die te Houthem op eene hoogte staan en de Duitschers bemerkt hebben. Geweren beginnen ook te knallen  : ’t gevecht is volop aan de gang. Ze [de Duitsers] loopen vooruit met 2 of 4 en laten zich dan alle 30 of 40 m vallen om te schieten  ; telkens ze opstaan, geven we vuur en nu en dan stuikt er een  » (aangehaald in Donvil, p. 138).

Kort daarna naderen de Duitsers ook de voorposten in de andere dorpen. Blijkbaar rukken ze op in waaiervorm, waardoor de gevechten op alle plaatsen tegelijk uitbreken. De Belgische artillerie op de heuvelrug wordt zwaar onder vuur genomen. «  Een Duits vliegmachien zweefde op ene grote hoogte boven ons en toonde aan de Duitse artillerie onze ligging, zodanig dat vooraleer de Belgische kanonnen in orde waren, de mannen alsook de peerden doorschoten werden  », schrijft Marcel Loncke een dag later in een brief. Inderdaad komt de helft van de manschappen van de 3de batterij binnen de eerste vijf minuten van de beschieting om het leven  ; de commandant van de 2de batterij wordt door een granaatscherf onthoofd, waardoor zijn ondergeschikten stuurloos achterblijven.

Nu de Belgische kanonnen grotendeels uitgeschakeld zijn, is de weg vrij voor de opmars van het gros van de Duitse infanterie. Onze militairen zijn er niet tegen opgewassen  ; velen vallen onder vijandelijke kogels. In de late namiddag is het voor kolonel Guffens genoeg geweest. Zijn mannen worden afgeslacht door moordend artillerievuur en een overmacht aan goedgetrainde Duitsers met betere wapens. Hij geeft het 22ste linie het bevel om terug te trekken naar Vissenaken, aan de weg van Tienen naar Aarschot.

De eindbalans voor de Belgische verdedigers is bijzonder zwaar  : de helft van de manschappen is uitgeschakeld (doden, gewonden en zeer veel krijgsgevangenen die naar Duitsland afgevoerd worden). Moed is niet genoeg als men tegenover zo’n overweldigende vijand staat…

EEN DEFENSIEVE STRATEGIE, BIJ KONINKLIJK BEVEL

Wegbarricade bij Tienen

Na de gevechten bij Tienen trokken de verdedigers van de Getelinie zich terug in westelijke richting. Op de foto een wel erg primitieve barricade van infanteristen op de steenweg naar Leuven. In de hete eerste oorlogsmaand vochten onze soldaten in bijzonder zware kledij en zonder metalen helmen.

Het is duidelijk dat het Belgisch leger bij Tienen zichzelf overschat heeft. Misschien hebben de successen bij Orsmaal-Gussenhoven en vooral bij Halen de generale staf overmoedig gemaakt  ?

De waarheid is dat er binnen het groot hoofdkwartier in Leuven onenigheid was over de te volgen strategie. Stafchef Selliers en een aantal generaals zagen de toestand voor onze troepen te rooskleurig in en maakten al plannen voor een tegenaanval. Koning Albert daarentegen was een realist. Hij was zich volkomen bewust van de tekortkomingen waaraan ons leger leed en hij wist dat de confrontatie met een veel sterkere tegenstander kostbare mensenlevens zou eisen. Bovendien kon ons land nog altijd niet rekenen op Franse of Britse versterkingen  : we stonden er alleen voor. Op het middaguur van 18 augustus besliste de vorst dat de troepen in Tienen niet mochten strijden (cf. Donvil, p. 159). Het was een moeilijke beslissing, want de oprukkende Duitsers mochten in geen geval de Belgische militairen die richting Antwerpen trokken de pas afsnijden.

Een gemotoriseerde ordonnans vertrok van bij de koning naar generaal Baix met het terugtrekkingsbevel. Maar hij werd onderweg gevangen genomen, door wie is niet bekend. Zaten er al Duitse eenheden tussen Leuven en Tienen  ? Hoe dan ook, het bevel bereikte de generaal niet. «  De mannen aan de Gete waren ervan overtuigd dat de opperbevelhebber van hen verwachtte dat ze gewoon hun plicht deden. Ze wisten niet dat er al een officieel terugtrekkingsbevel onderweg was en bleven tot nader order op post  » (p. 160).

Op het groot hoofdkwartier groeide intussen de ongerustheid, want er kwam uit Tienen maar geen bevestiging van ontvangst van de order. Om 14 uur slaagde men er in om telefonisch contact te krijgen met Baix, die de eerste legerdivisie vervolgens meteen het bevel tot terugtrekken gaf. Maar voor het 22ste linieregiment was het toen al te laat  : de gevechten waren uitgebroken. Pas drie uur later en nadat er veel doden gevallen waren, konden deze troepen al strijdend terugplooien.

Heel de oorlog lang zal Albert proberen zo zuinig mogelijk om te springen met het bloed van zijn soldaten. Dat hij daardoor het mikpunt van kritiek wordt, in binnen- en buitenland, deert hem niet.

Negatief commentaar is er al meteen vanwege het ministerie van Oorlog (De Broqueville) en vanwege de generale staf (Selliers)  : men vindt dat het leger te passief is en men zou het graag offensieven zien nemen. Albert reageert prompt. Op 14 augustus geeft hij zijn vertrouweling, kapitein Emile Galet, de opdracht om de koninklijke zienswijze op papier te zetten en over te maken aan Charles de Broqueville. We citeren enkele passages uit deze nota, waarin de vorst een vlijmscherpe analyse van de militaire si-tuatie maakt (cf. Marie-Rose Thielemans en Emile Vandewoude, Le Roi Albert au travers de ses lettres inédites, 1882-1916, Brussel, 1982, pp. 515-517)  :

«  We beschikken in het totaal over 90.000 militairen die in staat zijn om te vechten of beter om zich te verdedigen. Tegenover zeven klassen heropgeroepen soldaten staat slechts één klasse die er tien maanden diensttijd heeft opzitten.

«  De omkadering is volkomen ontoereikend. In elke compagnie is er over het algemeen slechts één kapitein  ; er zijn er verschillende die enkel door één luitenant gecommandeerd worden  ; er is er zelfs een compagnie aan het hoofd waarvan een sergeant staat.

«  Er is geen discipline, geen communicatie, geen instructie, geen weerstandsvermogen. De troepen zijn niet bekwaam om te marcheren. Na tien kilometer kunnen de soldaten niet meer. Alle oudere leeftijdsklassen die terug opgeroepen zijn, klagen over pijn aan de voeten. Besluit  : het is onmogelijk om offensieve marsen te ondernemen en dus ook om aan te vallen.

«  Een mobilisatie van vijftien militieklassen had moeten voorbereid zijn door vijftien jaar van onafgebroken inspanningen. Maar gedurende veertien jaar is de inspanning zero geweest.

«  Overigens, zelfs al hadden we troepen van de kwaliteit van de Fransen of de Duitsers, dan nog zouden we niet tot het offensief kunnen overgaan zonder een onvermijdelijke nederlaag op te lopen. De strijdkrachten waar wij tegenover staan, zijn ongelofelijk superieur aan de onze.

Belgische-soldaten-voeren-een-gewonde-kameraad

Belgische soldaten voeren een gewonde kameraad op een stootkar weg. In vergelijking met het goedgetrainde en onberispelijk georganiseerde Duitse leger leken onze jongens vaak slechts amateurs. Maar tot grote verbazing en ergernis van de vijand vochten ze als leeuwen voor hun grond, voor hun familie en voor hun koning.

«  Wij staan er alleen voor  : niet alleen zijn de Fransen en de Engelsen hier nog niet verschenen, maar ze zijn zelfs nog niet in Luxemburg of in de provincie Namen. Er zijn slechts enkele Franse detachementen langs de Maas, maar die opereren voor eigen rekening.

«  Onze grote bekommernis moet zijn ons nooit te laten afsnijden van Antwerpen, waar zich de levensmiddelen en de munitievoorraad van het leger bevinden. Als onze troepen afgesneden worden van de vesting hebben we geen kogels en geen projectielen meer. Anderzijds vereist de eventuele verdediging van Antwerpen de aanwezigheid van vijf divisies van het veldleger  ; als die vernietigd worden, zal Antwerpen een hevige aanval niet kunnen weerstaan.

«  Onze grote overwinning tot nu toe bestaat er in tijd gewonnen te hebben.  »

Woorden die getuigen van wijsheid, strategisch inzicht en realiteitszin. Woorden van een vorst en opperbevelhebber die zich door niets anders laat leiden dan door bekommernis om zijn land en zijn soldaten. «  Deze koning is werkelijk een man die de grootste bewondering verdient  » (abbé de Nantes in zijn tweede conferentie over de Grote Oorlog  : La Belgique invaincue, la France assiégée, februari 1994).

HET DRAMA VAN AARSCHOT

Sint Pieterskerkje van Grimde

In de jaren 1920 werd het romaanse Sint-Pieterskerkje van Grimde, bij Tienen, omgebouwd tot necropool voor 139 militairen van wie de meesten sneuvelden in de bloedige gevechten van 18 augustus 1914 in en rond Sint-Margriete-Houtem. Volgens zijn uitdrukkelijke wens werd kolonel (later generaal-majoor) Guffens na zijn dood in 1943 in het kerkje bijgezet, temidden van zijn soldaten van het 22ste linieregiment.

Wat in het land van Herve gebeurd is, wordt bij het verder oprukken van het Duitse leger herhaald – alleen in veel grotere mate.

Horne en Kramer (German Atrocities 1914. A History of Denial, Yale University Press, 2001) geven de harde cijfers  : Aarschot, 156 burgers gedood op 19 augustus  ; Andenne aan de Maas, 262 doden op 20 augustus  ; Tamines aan de Samber, 383 doden op 22 augustus  ; Dinant, 674 slachtoffers op 23 augustus. En dan zwijgen we over de kleinere incidenten waarbij “ slechts ” enkele tientallen mensen geëxecuteerd worden en over de honderden huizen en gebouwen die in de as gelegd worden.

Dat een zo beschaafd land dat bewonderd wordt om zijn cultuur zich schuldig maakt aan dergelijke oorlogsmisdaden, schokt de wereld. De Duitsers verdedigen zich fel  : het is de schuld van de laffe Belgen en hun heimelijke Franktireurkrieg, het Duitse rijk handelt uit zelfverdediging. Maar met hun brutale represailles krijgen de Duitsers het imago van barbaren, een stigma dat ze nooit meer zullen kwijtraken.

Na de uitschakeling van de Getelinie rukken de troepen van de Duitse rechtervleugel verder op in de richting van Leuven en Mechelen. Op 18 augustus steken de Duitsers Herselt in brand  ; 29 gegijzelde burgers worden omgebracht. In de vroege ochtend van 19 augustus nadert de 8ste infanteriebrigade langs Ourodenberg het stadje Aarschot. Een Belgische compagnie onder leiding van kapitein Gilson verspert de vijand daar de weg. «  Ondanks hevige verliezen hielden de Belgen de opmars gedurende twee uren tegen. Meer dan twintig gevangen genomen Belgische soldaten werden doodgeschoten en in de Demer gegooid. De Duitse troepen koelden hun woede op de burgers  : mensen werden uit hun huis gedreven en velen werden ervan beschuldigd dat ze op de Duitsers geschoten hadden  » (J. Horne en A. Kramer, op. cit., p. 26).

Kort daarop trekken de eerste Duitsers de stad binnen. Ze plunderen winkels, steken huizen in brand en beginnen een klopjacht op zogezegde vrijschutters. De mannen die bijeengedreven worden op de Grote Markt komen pas na de middag vrij door bemiddeling van burgemeester Tielemans.

De triomf van de Kultur

«  DE TRIOMF VAN DE KULTUR   ».
Een getekende aanklacht tegen de Duitse terreurdaden in het Engelse tijdschrift Punch (26 augustus 1914). De kerktoren op de achtergrond verwijst ongetwijfeld naar die van Aarschot.

Later op de dag komen steeds meer Duitse troepen Aarschot binnen. De bevelhebber, kolonel Stenger, neemt zijn intrek in de woning van de burgemeester op de hoek van het marktplein. Met ontzetting zien inwoners hoe Duitse officieren vanuit een slaap-kamerraam voor hun plezier op voorbijgangers schieten… In een gespannen sfeer breekt in de vooravond de hel los. Op verschillende plaatsen in de stad klinken schoten, waarop tumult ontstaat onder de Duitsers op de Grote Markt. Geweren worden geladen, men schiet in het wilde weg. Stenger, die op het balkon van de burgemees-terswoning komt kijken wat er aan de hand is, wordt dodelijk getroffen. De Duitsers beweren onmiddellijk dat het weer om een oproer van francs-tireurs gaat en dat de kolonel langs achter is neergeschoten door de zoon van de burgemeester.

De represailles zijn verschrikkelijk. Op één nacht tijd wordt Aarschot een stad van weduwen en wezen. De Duitsers halen een groot aantal burgers, ook vrouwen en kinderen, uit hun huizen en voeren hen naar het marktplein. Een grote groep mannen wordt tot buiten de stad geleid. In een weide moeten ze drie aan drie gaan staan en krijgen ze het bevel  : «  Vorwärts, nicht laufen, gehen  !  » Daarop worden de 78 gevangenen in de rug neergeschoten. Eén persoon die zich, gebruik makend van de duisternis, tijdig in een greppel heeft kunnen werpen hoort heel de nacht het gekerm van de stervenden en af en toe een genadeschot.

Later die avond voeren de Duitsers een tweede groep Aarschottenaars, onder wie burgemeester Tielemans en zijn 15-jarige zoon, weg naar een aardappelveld. Daar worden de gijzelaars geboeid en moeten ze liggend de nacht doorbrengen. In de vroege ochtend worden eerst de burgemeester, zijn zoon en zijn broer geëxecuteerd. De anderen moeten per drie gaan staan  ; een officier duidt van elk drietal willekeurig een slachtoffer aan, waarop nog eens 26 inwoners van de martelarenstad onder Duitse kogels vallen.

De volgende dagen wordt Aarschot systematisch leeggeroofd en platgebrand. Meer dan vierhonderd woningen gaan in de vlammen op. Een groot aantal mensen, met inbegrip van vrouwen en kinderen, wordt dagenlang opgesloten in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Driehonderd Aarschottenaars komen later terecht in een Duits werkkamp.

In zijn boek Fighting in Flanders (1914) schreef de Amerikaanse oorlogscorrespondent E. Alexander Powell  : «  Ik heb over de gehele wereld verschrikkelijke zaken gezien, maar niets was zo afgrijselijk, niets zo weerzinwekkend als Aarschot.  »

EEN HARDNEKKIGE MYTHE

De Grote Markt van het afgebrande Aarschot

De Grote Markt van het afgebrande Aarschot in 1914. Rechts de woning van de burgemeester met het balkon waarop kolonel Stenger doodgeschoten werd.

Een ballistisch onderzoek, uitgevoerd in 1915, wees uit dat Stenger gedood was door een kogel die van buiten het huis en op straatniveau was afgevuurd. De autopsie die een Belgische gerechtsdokter na de oorlog deed, bevestigde dit. De weduwe Tielemans heeft trouwens altijd volgehouden dat ze bij de eerste geweerschoten met haar zoon de kelder in gevlucht was.

Van enig gewapend oproer was absoluut geen sprake. De Duitse officier die verantwoordelijk was voor de huiszoekingen, getuigde dat hij nergens wapens had gevonden. De burgemeester had de inwoners vóór de komst van de Duitsers met aanplakbiljetten op het hart gedrukt om geen problemen uit te lokken  : «  Wacht u van wapens te dragen en vooral van te schieten, want de weerwraak op den dader en zijn gezin zou verschrikkelijk zijn.  »

De ware reden voor de wilde schietpartij op de Grote Markt was paniek bij nerveuze Duitse soldaten. Een gezicht achter een venster  ? Ongetwijfeld een franc-tireur  ! Bovendien deed het gerucht de ronde dat de Belgen de stad aanvielen. Een zekere kapitein Folz kreeg de opdracht om een Belgisch bataljon te achtervolgen… dat helemaal niet bleek te bestaan  ! «  In die omstandigheden is het haast zeker dat kolonel Stenger gedood werd door zijn eigen mannen  » (op. cit., p. 29). Sommige historici beweren zelfs dat enkele soldaten van het tumult gebruik maakten om Stenger, die een echte bullebak was, te liquideren…

Hoe dan ook, de «  laag-hartige moord op kolonel Stenger door de zoon van de Aarschotse burgemeester  » werd een my-the die door het Duitse opperbevel uitgespeeld werd om de terreurdaden te rechtvaardigen. Godefroid Kurth, emeritus hoogleraar aan de universiteit van Luik, onderzocht de gebeurtenissen in Aarschot en schreef  : «  Langs de pers om kwam de legende van Aarschot terecht in de loopgraven. Het hele Duitse leger vertelde erover met afschuw. Tien dagen na de gebeurtenis lichtten soldaten die in mijn huis [in Luik] verbleven mij erover in  ; ze beschouwden het als een evangelische waarheid. Ook vandaag nog is deze legende voor de Duitsers wet. Ze is al in de populaire literatuur terechtgekomen en ze zal in de toekomst, net als het zogezegde afbranden van Maagdenburg door de troepen van Tilly [keizerlijk veldheer tijdens de Dertigjarige Oorlog] één van die protestantse dogma’s worden waarvoor eeuwen nodig zijn om ze uit de geschiedenis te verwijderen  » (Le guet-apens prussien en Belgique, 1919, p. 208).

DE MOORD OP EEN PRIESTER

Herdenkingsmonument

Herdenkingsmonument op de plek waar burgemeester Tielemans, zijn zoon en verschillende andere inwoners van Aarschot op 20 augustus 1914 geëxecuteerd werden.

Dat deze antikatholieke haat geen verzinsel is, zal trouwens enkele dagen later nogmaals blijken met de moord op pastoor Pieter-Jozef Dergent van Gelrode.

Op 20 augustus houden de Duitsers ook lelijk huis in Gelrode, een dorp vlakbij Aarschot. Er vallen doden en gewonden. Pastoor Dergent besluit om samen met een voerman, Frans Hasalaer, drie zwaar gekwetsten over te brengen naar het ziekenhuis van Aarschot. Op 26 augustus bereiken zij de Demerstad, maar het hospitaal is voorbehouden aan de Duitsers  ; de zielenherder en zijn metgezel richten zich daarom tot het klooster van de paters picpussen, die de gewonden onmiddellijk opnemen.

De paters raden Pieter-Jozef af diezelfde dag terug te keren omdat er een zeer gespannen sfeer in de stad hangt. De pastoor wil echter van geen oponthoud weten  : «  Mijn parochianen hebben mij nodig.  » Hij gaat samen met Frans op weg, maar het loopt fout. Ze worden gearresteerd op verdenking van spionage en opgesloten in het stadhuis.

Pas de daaropvolgende dag, in de late namiddag, halen de Duitsers hen uit hun cel. De voerman is heel ongerust en de pastoor probeert hem moed in te spreken  : «  We hebben een werk van naastenliefde verricht, Frans. Als het hier straks slecht afloopt, zien we mekaar terug in de hemel.  »

Getuigen zien hoe beiden onder voortdurend stampen en slagen naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk worden gebracht. Daar scheiden hun wegen  : Frans wordt afgevoerd, het doelwit van de Duitsers is duidelijk de paap. De geestelijke moet tegen de torenmuur van de kerk gaan staan. Hij wordt door de Duitsers bespot en mishandeld «  op mensonwaardige wijze  ». In zijn blog «  De laatste uren van pastoor Dergent  » verduidelijkt Jan Steurs wat die omfloerste uitdrukking eigenlijk inhoudt  : de soldaten urineren op de soutane van de priester en verbrijzelen zijn tenen met hun geweerkolven… Pieter-Jozef ziet lijkbleek, zijn lippen zijn voortdurend in beweging  : hij bidt. Zijn beulen tieren dat hij zijn geloof moet afzweren, wat hij weigert. Daarop sleuren zij hem weg. De Aarschottenaars die in de kerk zijn opgesloten, horen drie geweerschoten. Ze beseffen dat pastoor Dergent omgebracht is.

Het lichaam blijft de hele nacht liggen bij de Demerbrug. De volgende ochtend gooien de Duitsers het in de rivier. Pas verschillende dagen later vindt men het haast onherkenbaar opgezwollen lijk terug…

Mgr. Karel Cruysberghs, die de feiten grondig onderzocht heeft en zijn bevindingen in 1949 publiceerde, zegt het onomwonden  : «  Pastoor Dergent is een priester-martelaar.  »

 redactie KCR
Hij is verrezen  ! nr. 72, november-december 2014