De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

BELGIË IN DE GROTE OORLOG

HET KONINKRIJK GERED DOOR DE ZEE

De moderne geschiedenisboeken die de Eerste Wereldoorlog herleiden tot «  algemene waanzin  » en «  zinloze slachtingen  » en die het conflict enkel gebruiken om een vredesboodschap te propageren, doen de historische waarheid onrecht aan. Ons land was niet uit op oorlog, het verdedigde zich tegen een Duits invasieleger dat België in weerwil van de internationale verdragen overrompelde. De bloedige terreur waarvan de burgerbevolking het slachtoffer was, kwam voort uit frustratie omwille van het moedig verzet door onze soldaten, maar ook uit haat jegens een katholieke natie. Dat België bleef bestaan en dat de verliezen in ons leger beperkt bleven, zeker in vergelijking met de grote mogendheden, danken wij aan één man  : koning Albert, die bij het uitbreken van de Grote Oorlog slechts 39 jaar oud was, maar door zijn inzicht en wijsheid ver uitstak boven nagenoeg al zijn tijdgenoten.

GEEN RUST GEGUND

Ganzenpoot

Luchtfoto van de Ganzenpoot, het sluizencomplex van Nieuwpoort. De zes waterwegen zijn, van links naar rechts  : het Nieuw Bedelf  ; het kanaal van Plassendale  ; de kreek van Nieuwendamme of Oude IJzer  ; de gekanaliseerde IJzer  ; de Noordvaart  ; de Veurne­vaart. De onderwaterzetting gebeurde hoofdzakelijk via de overlaat van de Noordvaart.

DOOR het huzarenstuk van de  terugtrekking uit de vesting Antwerpen heeft koning Albert zijn leger uit de greep van de Duitsers kunnen redden. Maar het is een sterk uitgedund leger. «  Ettelijke duizenden zijn gedood, gewond of gedeserteerd. Tienduizenden anderen zitten in Duitse krijgsgevangenschap en wel dertigduizend mannen moesten zich bij de Nederlandse grens laten interneren  » (Luc Vandeweyer, De Eerste Wereldoorlog. Koning Albert en zijn soldaten, Antwerpen, 2005, p. 101).

De terugtocht van onze militairen in de richting van de kust is een ware kalvarietocht. De dodelijk vermoeide mannen sukkelen voort langs de bestofte wegen, zonder dat hen veel rust gegund wordt. Acht uur aan één stuk wordt er gemarcheerd, met viermaal een pauze van tien minuten. Want altijd bestaat het gevaar van een Duitse aanval. De mensen die de soldaten zien voorbijtrekken, zijn onthutst door hun aanblik. «  Op zaterdag 10 oktober trok alhier een lange stoet voorbij van Belgische troepen, armtierig genoeg en zorgen lijdend  », schrijft een inwoner van Tielt. De koning beseft dat de resterende troepen volkomen uitgeput zijn, fysiek en mentaal. Een adempauze om terug op krachten te komen is van levensbelang.

Nog al te vaak denkt men dat de terugtrekking in de Westhoek door de legerleiding vooraf voorzien was. Niets is minder waar  : er bestond geen draaiboek voor wat er na de val van de nationale vesting Antwerpen zou moeten gebeuren.

Wanneer de koning op 10 oktober aankomt in Oostende, roept hij een conferentie samen waarop ook twee buitenlandse hoge officieren aanwezig zijn  : de Engelse generaal Rawlinson en de Franse generaal Pau. Wat daar besproken werd, weten we dankzij het relaas van koning Albert zelf, dat samen met zijn oorlogsdagboek gepubliceerd werd door Marie-Rose Thielemans (Carnets et correspondance de guerre 1914-1918, Louvain-la-Neuve, 1991). Het boek is quasi onvindbaar geworden, en dat is geen toeval  : de koninklijke opperbevelhebber is geregeld niet mals voor de parlementaire democratie en haar vertegenwoordigers…

Het IJzerfront

Het IJzerfront (bron  : P. Van Pul). De Belgen hadden hun verdediging in de diepte uitgebouwd. Op de rechteroever waren er voorposten om de vijandelijke opmars te vertragen (Mannekensvere, Schore, Keiem enz.); de hoofdweerstandslinie was de IJzer zelf, met de bocht van Tervate als zwakste plek  ; daarachter was de oever van de Grote Bever­dijkvaart als uitwijkmogelijkheid voorzien, en nog verder naar achter de kaarsrechte berm van de spoorlijn Nieuwpoort-Diksmuide.

Albert maakt duidelijk dat zijn leger er erg aan toe is en eerst moet kunnen rusten. Pau stelt daarop voor dat de Belgen zich zouden terugtrekken tot in Boulogne, wat Albert slechts schoorvoetend aanvaardt. De kans bestaat immers dat de Franse legerleiding in dat geval een grotere greep krijgt op onze troepen  ; en de vorst heeft het absoluut niet begrepen op de meedogenloze theorie van het «  offensive à l’outrance  » waarin zijn soldaten dan dreigen meegesleurd te worden. Er is echter nog een tweede reden  : kan de koning nog aanspraak maken op het opperbevelhebberschap van het leger wanneer dit zich niet meer op vaderlandse grond bevindt  ?

Het is de Franse opperbevelhebber Joffre die het dilemma oplost door het terugplooien van de Belgen naar Frankrijk af te wijzen. Hij wil dat onze troepen zich opstellen in de driehoek Veurne-Nieuwpoort-Diksmuide, zodat België zijn deel bijdraagt aan het tegenhouden van de Duitsers. De koning verklaart zich akkoord in het belang van de gemeenschappelijke zaak. Geen terugtrekking naar Frankrijk betekent echter  : geen rust voor de soldaten. Het offer dat hen gevraagd wordt, is bijzonder zwaar. Zullen zij erin slagen stand te houden tegen de Duitse stormram  ?

Maar Joffre vraagt nog méér. Generaal Pau moet er op aandringen dat de Belgen deelnemen aan het Franse offensief dat in de maak is. Albert schrijft (in de derde persoon)  : «  De koning heeft geen enkel bezwaar tegen de vraag dat het Belgisch leger op het nationaal grondgebied zou blijven, maar hij houdt absoluut geen rekening met het verzoek tot deelname aan een offensief, wat door de minister aanvaard was  » (p. 176). Eens te meer is Broqueville zijn boekje te buiten gegaan  ! Het is voor de vorst duidelijk dat zijn minister een slippendrager van de Fransen is en dat hij systematisch de Franse kaart trekt. Voor Albert is dat onaanvaardbaar  : België is een neutraal land dat in het belang van zijn toekomstige onafhankelijkheid zijn eigen politiek moet voeren, óók militair. Broqueville wordt vanaf dan systematisch geweerd uit elke bespreking over de oorlogsstrategie.

Drie dagen later vertrekt de Belgische regering naar Le Havre. In de chique villa’s van het badplaatsje Sainte-Adresse zullen de excellenties het verder verloop van de oorlog van op veilige afstand volgen… Niet dat Albert daar boos om is, integendeel  : ze lopen hem toch maar voor de voeten. Maar het contrast kan moeilijk groter zijn met een vorst die vier jaar lang bij zijn zwaarbeproefde soldaten en zijn noodlijdend volk zal blijven.

DE WEDEROPBOUW VAN EEN LEGER

Midden oktober ziet men op alle militaire hoofdkwartieren in dat de beheersing van de Belgische kust en de Franse havens aan het Kanaal (Duinkerken, Calais en Boulogne) van essentieel strategisch belang is. Ook de nieuwe Duitse stafchef, generaal Von Falkenhayn, weet dat hij daar de landing van verse troepen uit het Verenigd Koninkrijk moet beletten. De oorlog verplaatst zich dan ook met rasse schreden naar de Westhoek en Frans-Vlaanderen.

Vanuit die Westhoek, het laatste stukje vaderland dat nog niet door de vijand onder de voet gelopen is, maakt de koning zich klaar voor een haast bovenmenselijke taak  : het omsmeden van zijn uitgeputte en gedemoraliseerde troepen tot een echt leger die naam waardig.

Op 13 oktober schrijft Albert zijn befaamde proclamatie aan zijn soldaten  :

«  Soldaten, al meer dan twee maanden strijden jullie voor de meest gerechtvaardigde zaak, voor jullie gezinnen, voor de nationale onafhankelijkheid.

«  Jullie hebben de vijandelijke legers opgehouden, driemaal een beleg doorstaan, verschillende uitvallen ondernomen en zonder verliezen een langdurige terugtrekking doorheen een smalle strook land uitgevoerd.

«  Tot nu toe stonden jullie in deze reusachtige strijd geïsoleerd. Nu echter staan jullie aan de zijde van de dappere Franse en Engelse legers. Het is jullie opdracht om door de hardnekkigheid en de bravoure waarvan jullie al zoveel bewijzen hebben geleverd de reputatie van onze wapens te ondersteunen. Onze nationale eer staat op het spel.

«  Soldaten, kijk met vertrouwen naar de toekomst en vecht moedig. In de posities waarin ik jullie zal plaatsen, mogen jullie blikken enkel voorwaarts gericht zijn. Beschouw als een verrader van het vaderland iedereen die het woord “  terugtrekken  ” uitspreekt zonder dat daartoe een formeel bevel gegeven is.  »

Koning Albert inspecteert zijn troepen

Koning Albert inspecteert zijn troepen op het strand van De Panne, oktober 1914.

De belofte dat Franse en Britse troepen vanaf nu onze soldaten zullen bijstaan, is heel belangrijk. «  Daar zullen de Belgen gebruik van maken om zich schrap te zetten. Drie legerdivisies zullen de linkeroever van de IJzer in staat van verdediging brengen, met inbegrip van de bruggen over de rivier die zo lang mogelijk in bezit moeten worden gehouden. Het is een onverbloemde oproep van de koning om de laatste kans te grijpen om op eigen grondgebied stand te houden  » (L. Vandeweyer, op. cit., p. 105).

Tegelijkertijd zet de koninklijke opperbevelhebber de reorganisatie van het leger in gang. Vestingtroepen en vrijwilligers worden geïntegreerd in de uitgedunde legerdivisies. Aan generaal Selliers de Moranville, die nu algemeen inspecteur van het leger geworden is, geeft de koning duidelijke instructies over de opleiding van achttienduizend nieuwe rekruten op Franse bodem  :

«  Ik reken op uw energie en activiteit om binnen de kortst mogelijke tijd nieuwe jonge troepen te vormen, stevige en gedisciplineerde bataljons. U zal uw mannen tien tot twaalf uur per dag laten oefenen… U zal hen gewoon maken aan het construeren van zeer smalle loopgraven, waarin ze ook de nacht moeten doorbrengen… U zal hen leren de vermoeidheid van lange marsen te doorstaan… Ik reken er op dat u zonder genade elke geest van protest bij officieren en soldaten de kop indrukt… Onder de meest energieke soldaten zal u ongetwijfeld gemakkelijk de nodige elementen vinden om een goed kader van onderofficieren samen te stellen…  » (brief van 22 oktober 1914).

Op 16 oktober installeert de koning zijn hoofdkwartier in het stadhuis van Veurne. Wanneer het hem ter ore komt dat het defaitisme in het leger om zich heen grijpt en dat verschillende officieren twijfelen aan het Belgisch weerstandsvermogen, gaat Albert langs bij de commandanten van de zes legerdivisies. Hij trekt bepaald geen fluwelen handschoenen aan  : het ogenblik is beslissend en er moet dus standgehouden worden tegen elke prijs  ; elke officier van wie de eenheid wijkt, zal afgezet worden  ; elke soldaat die de strijd opgeeft, riskeert het executiepeloton.

KLAAR VOOR DE STRIJD

Samen met de generale staf slaagt de vorst er in om de weerstand aan de IJzer bijzonder goed en vooruitziend uit te bouwen. Het is de eerste keer dat een verdediging in de diepte wordt georganiseerd, met verschillende achter elkaar gelegen linies waarop men in geval van nood kan terugvallen.

Om de nadering van de vijand tot bij de stroom zo lang mogelijk te vertragen, komen er voorposten in de dorpen die op de toegangswegen liggen  : Lombard­sijde, Mannekensvere, Schore, Keiem, Beerst en Esen moeten als schokdemper dienst doen. De talrijke, diepe en brede grachten die het polderlandschap doorkruisen «  zorgen ervoor dat elke verplaatsing van grotere eenheden over de verharde wegen moet verlopen. Door die dorpskernen tot weerstandsnesten om te toveren wordt de frontale aanval op de stellingen bij de IJzer zo lang mogelijk uitgesteld  » (Vandeweyer, p. 107). Indien de Duitsers toch zouden doorbreken bij de stroom, dan zijn er meer landinwaarts nog de Grote Beverdijkvaart en daarachter de bedding van de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide  ; beide lopen ongeveer parallel met de IJzer en worden dan ook van de nodige versterkingen en noodbruggen voorzien.

Cruciaal is de stad Diksmuide, een belangrijk wegenknooppunt op de rechteroever van de IJzer. Voor de verdediging van dat bruggenhoofd, dat volledig omringd wordt met loopgraven, kunnen de Belgen rekenen op de hulp van 6000 Franse marine­fuseliers onder leiding van de charismatische schout-bij-nacht Ronarc’h.

Verder liggen onze soldaten langs de oever van de IJzer tussen Diksmuide en Fort Knokke, en meer naar het zuiden langs het kanaal IJzer-Ieper tot bij Boezinge.

Dan is er nog de smalle kuststrook. Om te vermijden dat de vijand langs daar zou doordringen, vraagt de koning hulp aan de Britse marine  ; lord Kitchener belooft een eskader met langeafstandsgeschut.

De totale Belgische frontlijn bedraagt bijna 40 km, veel te lang in verhouding tot onze beperkte troepenmacht. We staan paraat, maar toch beseft de koning dat zijn leger het niet zonder hulp van Franse en Britse soldaten kan stellen. Die broodnodige versterking is zijn grootste zorg in de zenuwslopende dagen die de IJzerslag voorafgaan.

DE LEUGENS VAN FOCH

De Franse legerleiding, en meer bepaald géné­ralissime Joffre, heeft geen hoge dunk van de militaire capaciteiten van de Belgische militairen. Aan ons opperbevel verwijt men een gebek aan kracht­dadigheid en «  elan  » – hetzelfde «  elan  » dat Frankrijk nochtans al zoveel doden heeft gekost. Joffre stuurt daarom zijn rechterhand generaal Foch naar koning Albert om hem tot meer actie aan te sporen.

Op 16 oktober komt de Franse generaal aan in Veurne. Tegenover de Belgische officieren die hem te woord staan gedraagt Foch zich bijzonder aanmatigend. De blijkbaar eeuwigdurende terugtocht van de Belgen moet nu maar eens gestopt worden, vindt hij. Het is de hoogste tijd voor offensieve acties. Hijzelf bereidt een opmars in de richting van Rijsel voor  ; de Belgen zouden er goed aan doen zich aan te sluiten bij de rechtervleugel van de aanvalsmacht om Ieper en Kortrijk in te nemen  !

Na de middag ontvangt koning Albert de Fransman. Opnieuw heeft Foch het over zijn aanvalsplannen. Ten andere, zo voegt hij er aan toe, de Duitse troepen zijn van inferieure kwaliteit en het zal dus geen moeite kosten hen achteruit te drijven.

De vorst van zijn kant blijft de minzaamheid zelf, maar hij houdt het been stijf. Hij onderstreept dat zijn soldaten te uitgeput zijn voor een offensief. Het is zijn overtuiging dat de vijand zich klaarmaakt voor een grootscheepse aanval op de Belgische sector aan de IJzer. Het is daarom dringend nodig dat Frankrijk versterking stuurt om de druk op ons leger te doen afnemen. Wat Foch ook zegt, de koning geeft geen krimp.

De trotse Fransman heeft nooit kunnen verkroppen dat hij in Veurne de duimen heeft moeten leggen voor de 39-jarige koning van de Belgen. «  Foch aarzelde dan ook niet om een leugenachtige versie van de feiten te verspreiden. Volgens zijn eigen relaas had hij koning Albert de order gegeven weerstand te bieden. Later ging hij er prat op dat hij de persoonlijkheid van een monarch had gedomineerd  : “ Ik, een kleine generaal van het Franse leger, heb een koning gecommandeerd  ! ”  » (abbé de Nantes, conferenties over de Grote Oorlog, 4. La Belgique invaincue, la France assiégée).

Foch heeft slechts één concrete belofte aan Albert gedaan  : indien de Belgen aan de IJzer achtenveertig uur weerstand kunnen bieden, zullen Franse troepen hen komen helpen. Woorden in de wind, zoals de koning heel droogjes neerschrijft in zijn relaas van de feiten  : «  In werkelijkheid is de 42ste divisie slechts in actie gekomen op 23 oktober  : zeven dagen later  » (M. Thielemans, op. cit., p. 179).

DE IJZERSLAG BREEKT LOS

De grootscheepse Duitse aanval ter hoogte van de Belgische kust, waarin Foch niet gelooft en waarvoor koning Albert bevreesd is, staat op het punt los te breken. Het nieuwgevormde Duitse Vierde Leger, dat 90.000 man telt en onder leiding van hertog Albrecht von Württemberg staat, heeft als opdracht de verovering van Duinkerken. De speerpunt van de aanval is gericht op de IJzerlinie, want de Belgen worden beschouwd als de makkelijkste tegenstander.

Op 18 oktober barst de IJzerslag in alle hevigheid los. De Duitse artillerie bestookt de Belgische voorposten en de eerste granaten vallen op Nieuwpoort. Ook Diksmuide krijgt een regen van zware projectielen over zich heen.

Foch onderschat nog altijd wat er aan de hand is. «  Het totaal aantal vijandelijke strijdkrachten in deze streek wordt geschat op tienduizend [!] man, totaal uitgeput [!] en behorend tot de meest uiteenlopende eenheden  », telegrafeert hij op 19 oktober naar Joffre. In werkelijkheid moeten de vermoeide Belgische soldaten het hoofd bieden aan troepen die beter getraind, beter uitgerust, beter bewapend en beter omkaderd zijn.

De Britse marine houdt ondertussen woord. Haar scheepsgeschut vuurt het ene salvo na het andere af om een Duitse doorbraak langs de kustlijn te verhinderen. Koningin Elizabeth, die in De Panne verblijft, schrijft  : «  Het bombardement wordt zo hevig dat wij de duinen beklimmen om te kijken naar het schieten van de boten. We zien het kanonvuur uit de lopen komen. Tussen 14 en 15.30 uur wordt het geschut bijna ondraaglijk  ; de vensters trillen en de bevingen zijn goed voelbaar.  »

Britse oorlogsschepen beschoten Duitse stellingen bij Lombardsijde en Westende, om een vijandelijke doorbraak bij de kust te verhinderen.

 

Het kost de vijand verschillende dagen om de voorposten ten oosten van de IJzer op te ruimen. Keiem, Schore en Mannekensvere gaan eerst verloren, maar door moedige tegenaanvallen worden de dorpen daarna grotendeels heroverd. Toch wordt het duidelijk dat onze soldaten uiteindelijk niet zullen op kunnen tegen de superieure vuurkracht van de Duitse kanonnen.

Keiem valt een tweede keer op 19 oktober. Omdat zo de toegang tot de brug van Tervate open ligt, besluit de koning tot een gewaagde operatie  : een beperkte tegenaanval vanuit Diksmuide in noordelijke richting. Om zijn rechterflank te dekken vraagt Albert Franse cavaleriesteun, maar Foch reageert niet  : in plaats van de IJzerlinie mee te verdedigen tegen een dreigende doorbraak denkt hij alleen maar aan “ zijn ” offensief. Theatraal voorspelt hij dat hij op 26 oktober in Gent zal staan  ! Hoe kan men dit anders noemen dan misdadige verblinding  ? Want hoewel de Belgen en de fusiliers marins er ten koste van een bijzonder bloedige strijd in slagen om Vladslo en Beerst te veroveren, moeten zij door gebrek aan steun nadien weer achteruit trekken.

Generaal Jacques

Generaal Jacques, de «  leeuw van Diksmuide  », kreeg zijn standbeeld op de Grote Markt van het stadje dat tijdens de oorlog totaal vernietigd werd.

Ook Diksmuide krijgt het ondertussen zwaar te verduren. Terwijl de stad langzamerhand in puin geschoten wordt en, in de woorden van een Amerikaanse oorlogscorrespon­dent, op een «  bloedrode smeltoven  » gelijkt, houden onze manschappen stand onder leiding van kolonel Jules Jacques. Onmisbaar is de hulp van de Franse marine­fu­seliers, die tot op het eind trouw zullen zijn aan de or­der van hun aanvoerder Ro­narc’h  : «  Jullie moeten het brug­genhoofd Diks­mui­de be­houden zolang er nog één marinefuselier in leven blijft   !  ». De Duitse aanvallen, overdag en vaak ook midden in de nacht, worden keer op keer afgeslagen.

De 21ste oktober is één van de verschrikkelijkste dagen van de IJzerslag. Vierhonderd Duitse kanonnen nemen de Belgische linies onafgebroken onder vuur en beschieten ook het achterliggende gebied om te verhinderen dat er hulp zou komen. Soldaat Raoul Snoeck schrijft in zijn dagboek  : «  We zijn hopeloos ontredderd en hebben al drie dagen niets meer gegeten of gedronken. De enkele beschuitjes die we krijgen, bevochtigen we met het stinkende water uit de greppels. We slapen naast gesneuvelde kameraden en hebben noch de moed noch de kracht om hen te begraven. Geen aflossing, geen bevoorrading mogelijk. Een muur van vuur scheidt de achterlinies van de gevechtszone. Het water valt met bakken uit de hemel…  » (aangehaald in J. Bauwens, De IJzer. Het ultieme front, Leuven, Davidsfonds, 2008, p. 59).

HET VERLIES VAN TERVATE

Ten zuiden van de brug van Schoorbakke maakt de IJzer een wijde, buitenwaartse boog. Deze zgn. bocht van Tervate vormt voor de Belgische verdedigers een gevaarlijke uitstulping  : de troepen kunnen van drie kanten onder vuur genomen worden door de Duitsers op de rechteroever.

Op 22 oktober, kort voor dageraad, slaagt de vijand er in om in de uitstulping vaste voet aan de grond te krijgen. De Duitsers steken geruisloos de stroom over op een noodbrug, schakelen onze wachtposten uit en vestigen een bruggenhoofd op de linkeroever. Daarna brengen ze machinegeweren naar de overkant en nemen de verdedigers bij verrassing onder vuur. Pijlsnel doet het verschrikkelijke nieuws de ronde  : «  De Moffen zijn de IJzer overgestoken  !  »

Gedenkteken voor majoor d’Oultremont en zijn grenadiers aan de oever van de IJzer bij Tervate. Zij slaagden er ei zo na in om de Duitsers terug over de stroom te werpen en zo de bocht van Tervate te redden.

Gedenkteken voor majoor d’Oultremont en zijn grenadiers aan de oever van de IJzer bij Tervate. Zij slaagden er ei zo na in om de Duitsers terug over de stroom te werpen en zo de bocht van Tervate te redden.

Een eerste poging om de vijand terug te stoten mislukt, ten koste van veel Belgische slachtoffers. In de late namiddag klinkt opnieuw het «  Ten aanval  !  » Honderden van onze jongens stormen over het vlakke en boomloze terrein vooruit, het geweer in hun handen geklemd. Ze springen over slootjes en grachten en naderen struikelend, vallend en weer overeind klauterend de zwaarbewapende Duitsers. Die volgen vanuit de loopgraven die ze op de Belgen veroverd hebben gespannen de stormloop, tot ze de aarde onder de voeten van de aanvallers zien opspatten. Een regen van vijandelijke granaten rijt de poldergrond open, kogels boren zich in de lichamen van de Belgische militairen. Een verschrikkelijk bloedbad… Alleen majoor Henri d’Oultremont en zijn grenadiers slagen er in om de Duitse linies te doorbreken en de oever van de IJzer te bereiken. Net op dat ogenblik wordt de majoor dodelijk getroffen, wat meteen het einde van de heroïsche stormloop betekent. Bij zonsondergang besluit het groot hoofdkwartier om de meest vooruitgeschoven troepen achteruit te laten trekken, zodat een meer samenhangende verdedigingslinie kan opgebouwd worden. Het bevel betekent dat de bocht van Tervate verloren is.

Op datzelfde moment verschijnen de Franse generaals d’Urbal en Grossetti in Veurne. Met veel bombast verklaren zij dat ze, op bevel van Foch, een groot offensief zullen lanceren vanuit Nieuwpoort, Diksmuide en Ieper. Het Belgisch leger moet die beweging volgen door de IJzer over te steken  ! Maar koning Albert houdt het hoofd koel. Hij uit zijn twijfels over de uitvoerbaarheid van het plan en onderstreept dat zijn troepen er onmogelijk kunnen aan deelnemen. Weet het Franse opperbevel wel dat de Belgen hun laatste reserves hebben ingezet  ? Nogmaals, men zou er beter aan doen versterking te sturen om de bestaande verdedigingslinie voor een doorbraak te behoeden.

De Duitsers drijven hun bombardementen nog verder op. Op 24 oktober trekken de Belgen zich volledig terug van de IJzerlinie en stellen zij zich op achter de Grote Beverdijkvaart. Een terugtocht tot achter de spoorwegberm wordt voorbereid. Pas dan stapt de Franse legerleiding af van alle misplaatste aanvalsplannen en stuurt zij de volledige 42ste in­fanteriedivisie naar het Belgische front. Beter laat dan nooit  ! Maar ook de Fransen kunnen niet beletten dat de Beverdijkvaart valt. Op de avond van 26 oktober liggen onze soldaten achter de spoorwegberm, moegestreden, met weinig of geen munitie, velen met diarree door het drinken uit de sloten.

DE ONDERWATERZETTING  : EEN BEPROEFDE STRATEGIE

In zijn boeiend boek Oktober 1914. Het koninkrijk gered door de zee (Erpe, De Krijger, 2004) vertelt Paul Van Pul een merkwaardig verhaal. Op 18 oktober krijgt Pieter Ghewy, de eigenaar van een boerderij in Ramskapelle, gedaan dat hij toegelaten wordt bij één van de Belgische generaals. We citeren uit het dagboek van Ghewy  :

«  Ik stelde mij voor als de boer van het Blauwhuis en zei dat ik van op de zolder van mijn boerderij, in vogelvlucht op 30 minuten van de IJzer, de stellingen van de vijand kon zien en als niet onmiddellijk maatregelen genomen werden om die onder water te zetten, dat het Belgisch leger weldra zou moeten achteruittrekken. De generaal keek mij verwonderd aan en vroeg of het nemen van zo’n beslissing wel de taak van een boer was. Ik bleef aandringen en mocht verder gaan met mijn uiteenzetting. Ik smeekte hem de sluizen van Nieuwpoort te openen bij hoogtij, om heel de streek vanaf de sluizen tot Oostende, Gistel en nog verder onder water te zetten en zodoende de Duitsers te laten verdrinken vooraleer zij ons zouden onder de voet lopen  » (p. 168).

Karel Cogge

Karel Cogge, opzichter bij de Noordwatering van Veurne, gaf het Belgisch leger aanwijzingen om de Spaanse sluis te openen. Hij werd door koning Albert persoonlijk gedecoreerd.

Uit dit getuigenis blijkt duidelijk dat iedereen in de streek bekend was met de mogelijkheden van onderwaterzettingen. Daarvan was in het verleden trouwens al vaak gebruikt gemaakt in heel maritiem Vlaanderen  : «  Er zijn twintig gewilde inundaties met een defensief doel bekend  » (Luc De Vos e. a., 14-18. Oorlog in België, Leuven, Davidsfonds, 2014, p. 157). Om de druk op Nieuwpoort te verminderen had de genie trouwens op 21 oktober al een strook polderland tussen de IJzer en het kanaal van Plas­sendale onder water doen lopen.

«  De gehele IJzervlakte bevindt zich 1 tot 3 meter boven de zeespiegel. Bij hoogtij stijgt het zeewater echter tot 4 à 5 meter, en bij springtij kan dat nog hoger zijn. Zonder de duinen, de zeedijk en een systeem van dijken, sluizen en verlaten in het achterland zou de hele streek bij elke hoogwaterstand onder water komen te staan. Dat systeem van sluizen en verlaten werd in 1876-1878 gecentraliseerd in een complex net ten noorden van Nieuwpoort-stad, de Ganzenpoot  » (ibid.).

De onderwaterzetting is niet het werk van één man, maar het resultaat van de inspanningen van veel personen, militairen en burgers. Kapitein-commandant Prudent Nuyten is sinds midden oktober belast met het bestuderen van de inundatiemoge­lijkheden. Wanneer de Belgen teruggeslagen worden in de richting van de spoorwegberm, vat hij het plan op de hele vlakte tussen de verhoogde rivieroever en de berm onder water te zetten. Hij doet daarvoor een beroep op de kennis van Karel Cogge, opzichter van de Noordwatering van Veurne, en vertrouwt de praktische organisatie toe aan kapitein van de genie Robert Thys. Op 25 oktober geeft koning Albert toestemming om de inun­datie uit te voeren. Nog diezelfde nacht gaan de genietroepen aan het werk om alle openingen in de spoorwegberm af te sluiten. Op sommige plaatsen moeten brede en diepe waterlopen afgedamd worden met zandzakjes, de beroemde vaderlanderkes.

Robert Thys

Kapitein Robert Thys van de Belgische genie speelde een sleutelrol in het bewerken én in stand houden van de onder­waterzet­ting. Hij had tijdens de oorlog de leiding over de compagnie sappeurs-pontonniers die in levensgevaarlijke omstandigheden de sluizen moesten onderhouden en de inundatie op peil houden.

In de vroege uurtjes van 26 oktober begeven Thys, Cogge en een paar soldaten zich naar de Spaanse sluis, gelegen op de plek waar de Arkevaart uitmondt in de IJzer. De Duitsers zitten op de andere oever, dus voorzichtigheid en absolute stilte zijn geboden. De soldaten openen de zware vloeddeuren, en dan is het wachten op het hoge tij. «  Na een tijd bereikte het wassende water de top van het gesloten stuk van de steekdeuren. Eerst begon er wat zeewater in een dun laagje over de deur te lopen maar, naargelang de druk verhoogde, begonnen de deuren eindelijk langzaam te openen en de stroomsnelheid landinwaarts nam gestadig toe. De langverwachte, reddende onder­waterzetting kwam op gang  » (Van Pul, op. cit., pp. 285-286).

Maar toch mislukt deze eerste poging  : omdat de sluis niet meer gebruikt wordt voor de scheepvaart heeft men de vergrendelingshaken van de vloeddeuren verwijderd. Die kunnen daarom niet meer in open stand vastgelegd worden, met het gevolg dat ze onder druk van het wassende water terug dichtslaan… De nacht daarop wordt een tweede poging ondernomen. Met koorden worden de vloeddeuren deze keer stevig in hun kasten gehouden. Deze keer lukt het wel  : onder een volle maan stroomt het zeewater onopgemerkt de polder in.

Ondertussen is de militaire situatie zeer kritiek. De koning trekt op 26 oktober persoonlijk naar het hoofdkwartier van veldmaarschalk French, de bevelhebber van het Britse expeditieleger, in Saint-Omer. Tevergeefs  : er zijn geen Britse troepen beschikbaar voor de Belgische frontsector. De twee grote mogendheden die in een verdrag toegezegd hebben om in de bres te springen voor onze neutraliteit, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, laten ons gewoon aan ons lot over.

Een tweede vloed is intussen doorheen de Spaanse sluis de polder ingetrokken. Maar de Arkevaart, waarlangs het zeewater moet vloeien, zit vol rommel  : fuiken, planken, vaatjes enz. verstoppen de doorgang ter hoogte van de spoorwegberm, met het gevolg dat het water maar mondjesmaat in het te inunderen gebied geraakt.

HET INGRIJPEN VAN HENDRIK GEERAERT

Binnenschipper Hendrik Geeraert, die zich in Nieuwpoort ophoudt bij de sluizen en de Belgische pontonniers, is ervan overtuigd dat de snelste manier om de polder onder water te zetten erin bestaat om de schuifdeuren in de overlaat van de Noordvaart op te halen. Hij kan de bevelhebber van het geniebataljon in Nieuwpoort overtuigen en in de avond van 29 oktober gaat een kleine groep op weg. Het is een bijzonder gevaarlijke onderneming, want de Ganzenpoot ligt in het niemandsland, op een steenworp van de Duitse linies.

Hendrik Geeraert

Binnenschipper Hendrik Geeraert uit Nieuwpoort die de genie hielp met het openen van de overlaat van de Noordvaart.

«  Hendrik Geeraert vond vrij snel de nodige zwengels en de vijf mannen begonnen nerveus aan hun werk  : af en toe rondkijkende en een woord fluisterend gingen ze van tandwielkast naar tandwielkast. Telkens moesten ze in het donker het vierkante oog van de as van de hendel over de betreffende ingevette as van de ijzeren kast schuiven, waarna ze verwoed begonnen te draaien. Het was zwaar werk  : telkens bedienden ze één zwengel met twee man. Zestien keer moesten ze deze procedure herhalen, telkens langzaam één hefdeur openende.

«  De tandwielkasten, goed gesmeerd, liepen zwaar, bijna geruisloos maar vlot. In al hun opge­wondenheid hadden de mannen echter de indruk dat het beetje geluid dat ze toch nog maakten mijlen in het rond gehoord kon worden. De vijand zou ontegensprekelijk al dat lawaai horen, zich afvragen wat er aan de hand was en snel en meedogenloos reageren.

«  Bij elke deur die opgehaald werd begon het water in de anders kalme Noordvaart sneller en sneller te stromen. Uiteindelijk rolde het donkere zeewater over de volle breedte van de overlaat, zachtjes bruisend maar kwaadaardig, het binnenland in  » (Van Pul, op. cit., pp. 318-320).

Zes uur later sluiten de mannen het verlaat opnieuw. Zevenhonderdduizend kubieke meter zeewater zijn in de vlakte gestroomd… En ondertussen vloeit er bij elke vloed ook nog water naar binnen via de Spaanse sluis.

Pervijze

Onze soldaten verdedigden met man en macht de verhoogde berm van de spoorweg tussen Nieuwpoort en Diksmuide, hier bij Pervijze.

Het is maar net op tijd. In de ochtend van 30 oktober ontketenen de Duitsers een nieuw offensief dat het Belgisch leger de genadeslag moet toebrengen. Keizer Wilhelm II in hoogsteigen persoon is naar Tielt gekomen om zijn bevelhebbers na de overwinning te feliciteren. De vijand stormt zegezeker vooruit, rukt op tot aan de spoorwegberm en overschrijdt die op twee plaatsen. Een ramp  ! De aanval op Pervijze wordt afgeslagen, maar het lukt de Duitsers wel om Ramskapelle in te nemen. Ze veroveren een windmolen en installeren er enkele mitrailleurs.

Ramskapelle

Op 30 oktober werd Ramskapelle door het Belgisch leger heroverd op de Duitsers. Aan een kapotgeschoten boerderij werd de driekleur uitgehangen.

Maar dan werpt de onderwaterzetting eindelijk vruchten af. Rond de middag vormen zich steeds grotere plassen in de velden tussen de spoorwegberm en de IJzer. De vijand moet zijn loopgraven in het gebied halsoverkop verlaten. De Duitsers in Ramskapelle worden langzaam maar zeker afgesneden van hun uitvalsbasis. Pas na het invallen van de duisternis krijgen ze het bevel om terug te trekken. Op hun vlucht moeten ze tot hun knieën door het modderige water waden en kunnen ze nog maar amper hun voeten uit de zware kleigrond trekken. In het maanlicht zijn ze een gemakkelijk doelwit voor de juichende Belgen.

Op Allerheiligendag is het pleit beslecht. De Duitsers hebben zich nagenoeg volledig teruggetrokken op de rechteroever van de IJzer. De hele vlakte staat onder water, op enkele hoger gelegen plaatsen na die als eilandjes boven de waterplas uitsteken en die bezet worden door de vijand. De bewegingsoorlog is definitief voorbij. Voor de soldaten van koning Albert begint de Wacht aan de IJzer.

redactie KCR
Hij is verrezen  !
nr. 74, maart-april 2015