DE KONING VAN DE JODEN 
DE AUTHENTIEKE RELIKWIE VAN DE TITULUS CRUCIS

De reliekhouder met wat er rest van het drietalig houten bordje boven het Kruis, de zgn. Titulus Crucis, die bewaard wordt in de basiliek van Santa Croce in Gerusalemme te Rome. Men herkent bovenaan de restanten van Hebreeuwse letters, in het midden Grieks schrift en onderaan Romeinse kapitalen. Foto M. Hesemann.
De reliekhouder met wat er rest van het drietalig houten bordje boven het Kruis, de zgn. Titulus Crucis, die bewaard wordt in de basiliek van Santa Croce in Gerusalemme te Rome. Men herkent bovenaan de restanten van Hebreeuwse letters, in het midden Grieks schrift en onderaan Romeinse kapitalen. Foto M. Hesemann.

IN maart 1997 deden vijf uitzendingen van de Frans-Duitse televisieketen Arte in Frankrijk heel wat stof opwaaien. Onder de titel Corpus Christi werd tijdens de Goede Week in vijf afleveringen geprobeerd om een einde te maken aan het traditioneel geloof in Jezus Christus en de omstandigheden van zijn dood. Zevenentwintig specialisten rekenden af met de vooroordelen die al de hele tijd het debat verduisteren. Welke vooroordelen dan wel? De waarheden waarop de katholieke godsdienst gebaseerd is : dat Jezus de Christus is, dat Hij de katholieke Kerk gesticht heeft en dat die van Hem de beloften van het eeuwig leven gekregen heeft.

Broeder Bruno Bonnet-Eymard schreef een heel nummer van de CRC vol om de specialisten te weerleggen : La vérité des Évangiles. Réponse aux vingt-sept d’Arte, in CRC nr. 336, augustus 1997 (36 pp.).

In dit artikel blijven we stilstaan bij één welbepaald element uit de vijfdelige reeks : het opschrift (titulus) aangebracht op het Kruis waarin vermeld werd dat Jezus de Koning van de Joden was. We zullen zien hoe onwetenschappelijk en vooringenomen Arte daarover berichtte en, omgekeerd, hoe een objectieve wetenschappelijke benadering de waarheid van de Evangelies bevestigt.

HET KONINGSCHAP VAN JEZUS

We laten broeder Bruno aan het woord :

«De derde aflevering, uitgezonden op Witte Donderdag onder de titel Koning van de Joden, had als onderwerp de titulus die op het Kruis van Jezus bevestigd was, op bevel van Pilatus : Jezus van Nazareth, de Koning van de Joden. Het gaat om de naam en de hoedanigheid van de verdachte, zoals Hij die zelf uitgesproken heeft tegenover het Sanhedrin en later tegenover Pilatus. Deze titulatuur vat op zichzelf de twee processen samen die Jezus heeft moeten ondergaan, het joodse en het Romeinse.

«Op de vraag van Kaïphas : "Zijt gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?", antwoordt Jezus : "Ik ben. Gij zult de Mensenzoon gezeten zien aan de rechterhand der Majesteit en Hem zien komen op de wolken des hemels" (Mc 14, 61-62). Jezus verwijst hier uitdrukkelijk naar het visioen van de profeet Daniël, die schrijft : "En zie, met de wolken des hemels kwam iemand als een mensenzoon. Hij trad tot voor de Hoogbejaarde [de Vader] en werd vóór Hem geleid. Hem werd de heerschappij gegeven, met heerlijkheid en koningschap" (Dn 7, 13-14). Door deze verklaring af te leggen tegenover de wettige gezagsdragers eist Jezus de goddelijke conditie op van die Zoon die uit de Hemel is neergedaald, van bij God zijn Vader, om bekleed te worden met een universeel en eeuwig koningschap.

«En wanneer Hij zijn uitspraak herneemt voor Pilatus, is de Romein gefascineerd omdat Jezus in zijn gelaat en in heel zijn Persoon uitdrukt dat Hij de waarheid spreekt, dat Hij de zoon van een koning, van God is : "Zijt Gij de Koning der Joden?" – "Ge zegt het : Ik ben Koning" (Jo 18, 33 ; 37)» (art. cit., pp. 17-18).

Op Arte maakte dat allemaal weinig indruk. De commentator van dienst : "De vraag is altijd dezelfde : wat voor verhaal wil men ons vertellen onder de titel Koning van de Joden? Een echte geschiedenis of een uitgevonden legende? Om op die vraag te antwoorden, zullen onze experts handelen over de tekst van de titulus, het opschrift boven op het Kruis."

De "experts" beginnen met een bewering die een belediging is voor al onze kruisbeelden : "De christelijke iconografie heeft er om redenen van geloofsverkondiging voor gekozen om de titulus systematisch boven de veroordeelde te plaatsen, zodat het een glorierijk opschrift werd. Maar als dat beeld getuigt van het geloof van de schilders, dan getuigt het daarom nog helemaal niet van de geschiedenis."

Broeder Bruno : «Ik moet wel tegenwerpen dat de traditionele voorstellingen op zijn minst overeenstemmen met de teksten. In Jo 19, 19 lezen we : "Pilatus had ook een opschrift doen schrijven en het op het kruis laten bevestigen". En Mt 27, 37 : "Boven zijn hoofd hadden ze een opschrift gehecht met de reden van zijn veroordeling." De titulus werd dus wel degelijk op het Kruis en boven het hoofd van Jezus geplaatst. De christelijke kunst heeft niets uitgevonden, ze heeft gewoon de teksten gevolgd.»

DE ROMEINSE RELIKWIE

Volgens Arte is er niets dat ons toelaat de afmetingen, de vorm of wat dan ook van het fameuze opschrift te kennen. Een plank? Een blad papyrus? Volgens de makers van het programma weten noch de evangelisten, noch de historici van iets.

En de relikwie van het Kruisopschrift (Titulus Crucis) dan, bewaard en vereerd in Rome, in de basiliek van Santa Croce in Gerusalemme? In de uitzending wordt Emile Puech 1 getoond met in zijn handen een foto van de relikwie. Hij geeft toe dat hij die laatste nog nooit gezien heeft ; wat hij erover zegt, getuigt niet van een diepgaande kennis van de kwestie :

«De relikwie heeft de vorm van een houten plankje van ongeveer 21 cm breed en een tiental cm hoog.» Heel precies 23,5 cm op 13 cm. «Een bepaalde traditie beweert zelfs dat de houten plank in oudere tijden groter was. Ik heb geen enkel bewijs om dat te weten.» Het volstaat nochtans om de restanten te lezen van de inscriptie die oorspronkelijk in het rood op de vermolmde plank geschilderd was, om vast te stellen dat het begin van elke lijn ontbreekt. Het plankje moet dus groter geweest zijn toen het de volledige inscriptie droeg. Tenzij een vervalser uit de middeleeuwen dit valse fragment gefabriceerd heeft om de mensen in een relikwie te doen geloven en zo aan een bedevaart een authentiek karakter te geven : het is in die termen dat Puech spreekt. Zijn besluit : «Samengevat kan ik niet zeggen dat deze relikwie ouder is dan de laat-Byzantijnse tijd, vijfde-zevende eeuw ; of eerder nog de middeleeuwen, de periode waarin de lijkwade van Turijn vervaardigd werd : rond de 13de-14de eeuw...» Een tijdvak waarin men bedevaarten een authentiek karakter gaf met valse relikwieën, zoals iedereen weet, en waarin men een H. Lijkwade fabriceerde! 2

«De redenen voor die eeuwige belastering van de middeleeuwen en zijn relieken zijn achterhaald. Zo heeft men sinds lang geantwoord op de tegenwerpingen van Puech tegen de authenticiteit van de in Rome vereerde titulus en dat op paleografisch, epigrafisch, taalkundig en geschiedkundig niveau, zoals hij zelf zegt» (broeder Bruno, art. cit., p. 18).

Drie jaar nadat broeder Bruno deze regels schreef, verscheen een nieuw en buitengewoon boeiend boek over de kwestie : The Quest for the True Cross (Londen, 2000), van de hand van Carsten Peter Thiede en Matthew d’Ancona. De Duitse papyroloog Thiede is geen onbekende voor lezers van de KCR : onlangs nog publiceerden we zijn minutieuze bewijsvoering met betrekking tot de datering van Oxford-papyrus P64 3.

Reconstructie van de volledige plank met het opschrift en aanduiding van het deel dat de H. Helena, die de titulus samen met het Ware Kruis terugvond, er liet uit verwijderen en dat bewaard bleef. Carsten Peter Thiede schat de volledige lengte op ongeveer 60 cm en de breedte op ca. 21 cm. Merk op dat in deze reconstructie, te bekijken in de kerk van het H. Kruis in Rome, verkeerdelijk NAZARENVS in plaats van NAZARINVS staat (onderste regel) en dat de woorden ten onrechte van elkaar gescheiden zijn.
Reconstructie van de volledige plank met het opschrift en aanduiding van het deel dat de H. Helena, die de titulus samen met het Ware Kruis terugvond, er liet uit verwijderen en dat bewaard bleef. Carsten Peter Thiede schat de volledige lengte op ongeveer 60 cm en de breedte op ca. 21 cm. Merk op dat in deze reconstructie, te bekijken in de kerk van het H. Kruis in Rome, verkeerdelijk NAZARENVS in plaats van NAZARINVS staat (onderste regel) en dat de woorden ten onrechte van elkaar gescheiden zijn.

IN DRIE TALEN

Sint-Jan zegt van zichzelf dat hij ooggetuige van het Lijden is geweest : «Hij die het gezien heeft, legt er getuigenis van af, opdat ook gij geloven moogt. Zijn getuigenis is waarachtig ; ook Hij [Jezus] weet dat hij de waarheid zegt» (Jo 19, 35). De evangelist vermeldt over de titulus dat die geschreven was in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks (19, 20).

Waarom in drie talen? Broeder Bruno :

«In de uitzending van Arte komt abbé Grelot 4 tussenbeide, en met hem hebben we gelukkig een geleerde van wie niemand de competentie in twijfel trekt : "Het opschrift was geschreven in het Latijn, omdat het de administratieve taal van het Romeinse rijk was. Het was geschreven in het Grieks, omdat het de taal van de handel was, de internationale taal van die tijd, zoals het Engels vandaag. Pilatus drukte zich uit in het Latijn, maar ongetwijfeld ook in het Grieks, dat de gemeenschappelijke taal van alle volkeren van het keizerrijk was." De in Rome bewaarde titulus draagt een opschrift bestaande uit drie regels. De bovenste regel is in Hebreeuws schrift, maar van de letters zijn enkel de uithalen onderaan bewaard gebleven. Op de tweede regel lezen we het Latijnse woord NAZARENUS, in Griekse hoofdletters, maar van rechts naar links geschreven alsof het Hebreeuws was ; de letters staan omgekeerd alsof we ze in een spiegel zien. Op de derde regel staat NAZARINUS, in Romeinse kapitalen, ook van rechts naar links en in spiegelbeeld. De letters zijn in het hout gegraveerd ; ze zijn tegen elkaar aan geschreven, zonder onderbreking tussen de woorden, in wat men scriptio continua noemt. Op de onderste regel staan na NAZARINUS de twee eerste letters van REX, koning.»

Titulus, Rohault de Fleury
De tekst van de titulus zoals hij in 1870 overgetekend en gepubliceerd werd door de Franse onderzoeker Rohault de Fleury.

Het woord NAZARINUS, met een I, is zo ongewoon dat veel oudere onderzoekers van de titulus – we vernoemen Bosio (1617), Niquet (1670) en Mozzoni (1852) – er over heen gekeken hebben. De eerste die wél bij de vreemde schrijfwijze stilstond, was de Fransman Rohault de Fleury. Hij publiceerde een geleerde bewijsvoering met betrekking tot het authentieke karakter van de eerbiedwaardige relikwie : Mémoire sur les instruments de la Passion de Notre-Seigneur Jésus-Christ (Parijs, 1870).

Broeder Bruno : «Die schrijfwijze is zo ongewoon dat zij het bewijs levert van grote ouderdom. Rohault de Fleury schrijft daarover : "Vrij vaak komt men op marmer uit de oudste periode een I in plaats van een E tegen : CAVIAS voor CAVEAS, NI voor NE, PONTIFIX voor PONTIFEX enz. Sint-Jan is de enige die de term Nazarenus vermeldt, om aan te vullen wat de andere evangelisten gezegd hadden. Door een bijzondere omstandigheid is dat juist het enige woord dat de relikwie bewaard heeft [maar dan als Nazarinus geschreven], als om de tekst van Johannes te bevestigen, de enige persoon die de Heer tijdens zijn Passie geen enkel ogenblik verlaten heeft. Hij heeft gezien en datgene waarvan de anderen de algemene zin weergaven letterlijk gerapporteerd» (art. cit., p. 22).

Mogen we de evangelist dus betrouwen? «Zeker, en wel om twee redenen : 1° omdat het relaas van Sint-Jan alle waarborgen van een persoonlijk beleefd getuigenis biedt ; 2° omdat dit getuigenis op een indrukwekkende manier bevestigd wordt door de Romeinse relikwie. Daarom ben ik ook sprakeloos als ik de repliek van pater Boismard 5 hoor : "In het Nieuwe Testament gaan veel dingen per drie. Maar het is niet omdat Johannes gezegd heeft dat het in drie talen geschreven was, dat het automatisch in drie talen geschreven was. De synoptici zeggen er niets van. Bij Johannes moet men die precisering niet noodzakelijk als een historisch teken beschouwen." Het tegendeel is waar, want van de vier evangelisten is Sint-Jan de enige ooggetuige en bovendien iemand die bijzonder veel aandacht heeft voor de historische feiten» (p. 19).

HAAST EN SPOED

Op het geschiedkundig niveau formuleert Puech een tegenwerping die al door Calvijn verwoord werd : «Wat me het meest verrast, is dat men tussen de toelating van Pilatus om Jezus te kruisigen en de aankomst op Golgotha de tijd heeft gehad om een plank klaar te maken, de tekst te bepalen, hem te graveren en vervolgens in het rood te schilderen in drie talen... Geef toe dat de schrijver een snel iemand moet geweest zijn. Zou dat verklaren waarom hij zoveel fouten gemaakt heeft?»

Broeder Bruno: «De ironie is iemand als Calvijn waardig, en de onwetendheid ook... Maar ze is een katholiek historicus onwaardig! Die moet immers vrij zijn van elk vooroordeel en uitsluitend aandacht hebben voor wetenschappelijke argumenten. Want elk van de fouten van de schrijver vormt op zichzelf een bewijs van de echtheid, zoals Rohault de Fleury terecht onderstreept. Hoe kan men immers veronderstellen dat een vervalser zo onhandig zou geweest zijn om lang na de feiten dit opschrift te vervaardigen zoals we het vandaag bezitten, met een schrijfwijze die ingaat tegen de gewone norm? Zo staat er op de Griekse lijn een epsilon (e) in plaats van een èta (è) en de tweeklank ou in plaats van een omikron (o) in het woord Nazarenous (normaal : Nazarènos) ; bovendien lezen we Nazarenous in plaats van het Griekse woord gebruikt door Sint-Jan, de enige evangelist die het hele opschrift vermeldt : Nazôraios

Wat de tijdspanne tussen het vonnis van Pilatus en de kruisiging van Jezus betreft, die tegenwerping vervalt als we ervan uitgaan dat de Romeinse landvoogd zijn uitspraak deed op donderdagavond, de dag vóór de kruisiging, volgens de chronologie die Annie Jaubert opstelde [zie het artikel Christenen in Qumrân. II. Het proces van Jezus Christus, Zoon van God, in KCR 26ste jaargang nr. 6, november-december 1998, pp. 2-5]. Zij bewees dat Jezus de Esseense, traditionalistische kalender volgde en het paasfeest vierde op dinsdagavond in plaats van op donderdagavond. Zijn dood volgde op vrijdagnamiddag, aan de vooravond van het Pascha volgens de officiële kalender. Er was bijgevolg voldoende tijd tussen het vonnis van Pilatus (donderdag) en de Kruisiging.

EEN JOODSE KLERK

Thiede en d’Ancona gaan in hun boek The Quest for the True Cross dieper in op de schrijver van het opschrift.

Het was de gewone Romeinse praktijk om bij veroordelingen tot de kruisdood de causa poenae, de reden voor de straf te vermelden. Die werd gekerfd in een witgeschilderde houten plaat (tabula dealbata), waarna de letters donkerrood geschilderd werden. Het is logisch dat het Pilatus was die de causa poenae dicteerde aan een klerk of een slaaf die met dat soort opdrachten belast was.

We kunnen zelfs een mogelijk profiel van de schrijver suggereren. «Hij was een Jood, iemand van wie de moedertaal Hebreeuws of Aramees was, en die bij Pilatus al dan niet als slaaf in dienst was, een hofbeambte. De landvoogd dicteerde zijn tekst in het Latijn, de officiële taal van de Romeinse administratie. Maar vermits de voornaamste groep waartoe het opschrift gericht was de Joden van Jeruzalem waren, beval hij de klerk te beginnen met de Hebreeuwse regel. Die deed dat en ging vervolgens verder met snel van rechts naar links te schrijven op de twee overige regels (The Quest for the True Cross, p. 96). Was de joodse schrijver gewoon in de war? Waarschijnlijker is dat zijn beheersing van het Latijn en het Grieks minder groot was : hij was wel in staat om de letters te schrijven, maar slaagde er niet in om dat in de juiste volgorde te doen» (ibid.).

Uiteraard is die schrijfwijze van rechts naar links op zich al een overtuigend bewijs van de echtheid van de relikwie die in Rome bewaard wordt : geen enkele vervalser zou zoiets abnormaals geriskeerd hebben.

Op basis van de bewaarde restanten van de Hebreeuwse letters hebben de onderzoekers geprobeerd om de oorspronkelijke tekst te reconstrueren. Volgens hen staat er, in het vereenvoudigde vierkante schrift van die tijd : H (a) N (o) zr (i), de Nozri, dat is de Nazoreeër (op. cit., pp. 101-105).

IN JERUZALEM OF IN ROME

In de jaren 381-384 maakte een zekere Egeria, een rijke vrouw uit het westelijk deel van het Romeinse rijk (Spanje of Zuid-Gallië), een pelgrimstocht naar het H. Land. Over haar belevenissen schreef zij in het Latijn een lange brief naar haar zusters – geen kloosterlingen, maar leden van een religieuze kring – die nagenoeg volledig bewaard bleef en die een schat aan informatie bevat.

In dat unieke document beschrijft Egeria een ritueel dat ze meemaakte in de kerk van het H. Graf in Jeruzalem in het jaar 383 :

«Een tafel bedekt met een linnen kleed wordt voor de bisschop geplaatst. De dekens staan in een cirkel rond de tafel. Men brengt een klein, met goud bedekt zilveren kistje binnen. Het bevat het hout van het Kruis. Het wordt geopend en het hout van het Kruis wordt op de tafel gelegd samen met de Titulus. De bisschop, die nog altijd neerzit, neemt de uiteinden van het heilig hout vast. De dekens bewaken het, rechtop, want nu komen de catechumenen en de gelovigen een na een naar de tafel. En zo gaat al het volk langs de tafel, iedereen buigt en raakt het hout en de inscriptie aan, eerst met het voorhoofd, dan met de ogen ; ze kussen het Kruis en gaan verder. Op een bepaalde keer – ik weet niet wanneer – beet een van hen een stukje van het H. Hout af en stal het. Om die reden staan de dekens rond de tafel en houden zij het gebeuren in de gaten, zodat niemand hetzelfde opnieuw durft te doen

Dit is onze vroegste beschrijving van de verering van het Kruis en het opschrift van Pilatus, de titulus, in Jeruzalem, schrijven Thiede en d’Ancona (op. cit., p. 60).

Maar er komt een moeilijkheid om de hoek kijken. Rond diezelfde tijd sprak de H. Ambrosius, bisschop van Milaan van 374 tot 397, de lijkrede uit voor keizer Theodosius, de man die het christendom tot staatsgodsdienst van het Rijk verheven had. In De obitu Theodosii (395) maakt Ambrosius melding van de titulus en zegt hij dat het opschrift zich bevindt in... Rome.

Wie van de twee heeft nu gelijk, Egeria of Ambrosius? Ze hadden allebei gelijk, is het antwoord van Thiede.

Egeria vertelt ons dat de bisschop van Jeruzalem het kruishout en de titulus uit een kleine kist haalde. Dat lijkt er op te wijzen dat de twee relieken rond 383 niet meer volledig waren en bijgevolg in een kleine doos konden opgeborgen worden (p. 90).

Iemand verdeelde bijgevolg de titulus in twee delen en gaf beide delen een verschillende bestemming. De vraag is : wie was die iemand?

DE GROTE REIS VAN EEN KEIZERIN

Halverwege de jaren 320 ondernam de H. Helena, de moeder van Constantijn de Grote, haar befaamde reis naar het Heilig Land. De keizerin-moeder was toen al meer dan zeventig jaar oud, maar toch wou ze blijkbaar nog voor haar dood de plaatsen bezoeken en vereren waar Jezus geleefd had.

Het geloof dat Constantijn en Helena omarmd hadden, trok hen op verschillende manieren aan ; wat op hen echter een bijzondere indruk moet gemaakt hebben, was het onweerlegbaar historisch karakter. «De gebeurtenissen beschreven in de Evangelies hadden slechts drie eeuwen tevoren plaatsgehad en bovendien in een land onder Romeins gezag. Het was daardoor mogelijk de bedevaarder het gevoelen van een ononderbroken contact met Jezus te geven. De plaatsen waar Hij geleefd, gepredikt en geleden had konden met relatief gemak geïdentificeerd worden» (p. 39).

In Jeruzalem was bisschop Macarius begonnen met de afbraak van de heidense tempel van Venus, die keizer Hadrianus in 135 had laten optrekken boven het H. Graf. In de loop van hun werkzaamheden vonden de architecten en opgravers van de bisschop het graf van Jezus terug, zoals we weten uit de Kerkgeschiedenis (ca. 326) van de historicus Eusebius van Caesarea. Keizer Constantijn schreef prompt een brief aan Macarius waarin hij hem zijn plan voor een Nieuw Jeruzalem meedeelde, met het H. Graf als toekomstig middelpunt, en hem beval een basilica te bouwen, mooier dan gelijk welke andere basilica ter wereld. Allicht was het onder meer om deze grandioze opdracht te superviseren dat de keizer zijn moeder en hoogste vertrouwenspersoon, Helena Augusta, naar Jeruzalem zond, op haar laatste en belangrijkste zending ten dienste van het Rijk.

Binnen het bestek van dit artikel kunnen we niet in detail ingaan op de activiteiten van de keizerin-moeder in Jeruzalem en, bij uitbreiding, in heel het H. Land. Thiede en d’Ancona bewijzen in hun boek overtuigend dat de overlevering die zegt dat het de H. Helena was die het Kruis van de Verlosser terugvond onder de grondvesten van de Venustempel en identificeerde, als waarheidsgetrouw mag beschouwd worden.

Samen met het Kruis vond zij ook het opschrift, de titulus. Wat deed ze daarmee? Net zoals zij het Ware Kruis in drie stukken verdeelde (één voor Jeruzalem, één voor Rome en één voor Constantinopel), zo deelde zij ook de titulus op : «Ze nam enkel een deel van de onderkant rechts, met één volledig woord in het Grieks en het Latijn : het woord dat Jezus beschrijft als de Nazarener. Al de rest, de hele Hebreeuwse regel (met uitzondering van de onderste uithalen van sommige letters) en het grootste deel van de Griekse en de Latijnse regel, werd in Jeruzalem achtergelaten. Dat was een verdeling die typerend en elegant was. De aitia of causa poenae, de wettelijke reden voor de terdoodveroordeling – DE KONING VAN DE JODEN – was zo goed als intact op het gedeelte dat in Jeruzalem bleef. Het kleinere deel, met daarop een woord dat de titulus duidelijk identificeerde, kon naar Rome gaan» (p. 90).

HET WEDERVAREN VAN HET ROMEINSE FRAGMENT

Het grotere gedeelte van het opschrift, dat in Jeruzalem vereerd werd volgens het getuigenis van Egeria, bleef niet bewaard. Enkel het kleine stuk, overgebracht naar Rome, is tot ons gekomen.

We kunnen vermoeden dat de keizerin-moeder een deel van de teruggevonden relieken opstuurde naar haar zoon in zijn nieuwe hoofdstad Constantinopel. Volgens de H. Ambrosius was dat bv. het geval met twee van de kruisnagels : een ervan liet zij inwerken in het bit voor het paard waarmee Constantijn ten oorlog trok, de andere in een diadeem. Maar het voor Rome bestemde deel van het H. Kruis en het uitgezaagde onderdeel van de titulus nam ze mee naar haar paleis in de hoofdstad, het Sessoriaans paleis, een schitterende keizerlijke villa die was gebouwd door Septimius Severus en die haar zoon tot haar beschikking had gesteld.

«Het is twijfelachtig of de christelijke gemeenschap van Rome toegang had tot de relikwieën in haar paleis ; er bestaat in elk geval geen relaas uit die tijd waarin liturgische taferelen beschreven worden vergelijkbaar met het gebeuren dat Egeria zo levendig weergaf» (p. 65). Dat is niet zo verwonderlijk. Ook de bisschop van Jeruzalem stelde zijn fragment niet publiekelijk tentoon ; het werd enkel aan de lokale bevolking en de pelgrims ter verering getoond op twee dagen tijdens het jaar, Goede Vrijdag en 14 september (het feest van de Verheffing van het Kruis), en dan nog – zoals we gezien hebben – onder strikte veiligheidsvoorzorgen.

«Pas in de tweede helft van de vierde eeuw, na het overlijden van zowel Helena als Constantijn, werd toelating verleend om de grootste hal van het paleis om te bouwen tot een kerk, de Santa Croce in Gerusalemme of H. Kruiskerk» (ibid.). De relieken kwamen terecht in een kleinere paleiskamer, die toegankelijk werd gemaakt vanuit de kerk en die sindsdien de kapel van de H. Helena wordt genoemd.

De sluitsteen met de vermelding TITVLVS CRVCIS, waarachter de relikwie tussen 1140 en 1492 verborgen bleef in een muur van de H. Kruiskerk.
De sluitsteen met de vermelding TITVLVS CRVCIS, waarachter de relikwie tussen 1140 en 1492 verborgen bleef in een muur van de H. Kruiskerk.

«Op een bepaald moment in het midden van de twaalfde eeuw besloot de titelvoerende kardinaal van de Santa Croce in Gerusalemme om de relikwie in een nieuw kistje te plaatsen, één van hemzelf, onderscheiden met zijn zegel. Op de sluitsteen waarachter het verborgen werd, staat een Latijnse inscriptie in hoofdletters : TITVLVS CRVCIS. Het zegel identificeert de eigenaar als Gerardus Cardinalis S. Crucis, nl. Gerardo Caccianemici, aartsbisschop van Bologna, die regeerde als paus Lucius II van 1144 tot 1145» (p. 91).

Merken we terloops op dat het verstoppen van de relikwie op zich al een bewijs is voor de authenticiteit ervan : als het om een vervalsing zou gaan, dan zou de kardinaal er natuurlijk mee uitgepakt hebben en er juist grote ruchtbaarheid aan gegeven hebben.

De kardinaal verstopte het kistje op een ontoegankelijke plaats, hoog in een muur van de kapel van Sint-Helena, achter een mozaïek dat, heel toepasselijk, de terugvinding van het Ware Kruis voorstelde. Daar rustte de titulus bijna 350 jaar onaangeroerd, tot in 1492, toen een grondige restauratie van de kapel zich opdrong: «Op 1 februari 1492, toen een laag beschadigd stucwerk werd weggenomen, verscheen een steen met een inscriptie : TITVLVS CRVCIS. De restaurateurs namen de steen weg en ontdekten daarachter een holle ruimte. En daar was het, het loden kistje, met de vermelding van de inhoud» (p. 92).

«Rome bewaart in de kerkschat van de Santa Croce nog deze kostbare sluitsteen waarachter de titulus in een geheime nis verborgen was. Hij is van aardewerk, niet van marmer, en meet 32 op 21 cm» (broeder Bruno, art. cit., p. 22).

Drie maanden later begaf paus Innocentius VIII zich naar de kerk om vóór de relikwie te bidden. Vier jaar later verklaarde Alexander VI in de bul Admirabile sacramentum dat het om een authentieke relikwie ging ; aan iedereen die de titulus vereerde op de laatste zondag van januari werd een volle aflaat beloofd. Tussen 1930 en 1955 werd gewerkt aan een nieuwe zijkapel, bedoeld voor onder meer de relikwie, die er sindsdien een definitieve verblijfplaats gevonden heeft.

redactie KCR
Hij is verrezen ! nr. 84, november-december 2016

BIJBEL, ARCHEOLOGIE, GESCHIEDENIS

Op onze website vindt u onder de rubriek BIJBEL, ARCHEOLOGIE, GESCHIEDENIS nog andere interessante artikels :


(1) Emile Puech (°1941), Frans priester, epigraficus en specialist van de Dode-Zeerollen.

(2) In Hij is verrezen werd al uitvoerig geschreven over de authenticiteit van de H. Lijkwade van Turijn ; enkel wie kwaadwillig is, kan nog twijfelen aan de echtheid ervan. Zie bv. Het bedrog van de koolstofdatering ontmaskerd, in HIV nr. 75, mei-juni 2015, pp. 8-12.

(3) Zie het artikel Wanneer werden de Evangelies geschreven in Hij is verrezen nr. 77, september-oktober 2015, pp. 3-10.

(4) Pierre Grelot (1917-2009), Frans priester, befaamd exegeet en theoloog.

(5) Marie-Emile Boismard (1916-2004), Frans dominicaan, exegeet en lid van de Ecole biblique in Jeruzalem.