De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly

13 OKTOBER 1917
HET GROTE ZONNEWONDER VAN FATIMA

Vijftig- tot zeventigduizend mensen waren getuige van het zonnewonder   : «   Mirakel   ! Mirakel   !… Een wonder   !   »

Op 13 oktober 2017 is het precies honderd jaar geleden dat een reusachtige massa mensen in Fatima getuige was van een ongelooflijk kosmisch mirakel  : de dans van de zon. De Allerheiligste Maagd Maria had het wonder een maand van tevoren aangekondigd  : «  In oktober zal ik het mirakel verrichten opdat iedereen zou geloven.  » In dit artikel verhaalt broeder François van Maria ter Engelen het gebeuren in detail en gaat hij in op de verklaringen die ervan gegeven werden.

DE feiten die zich op 13 oktober 1917 in Fatima voordeden, werden in het kort beschreven door een toenmalig journalist die door niemand kan verdacht worden van partijdigheid in deze zaak  ; het gaat om Avelino de Almeida, de hoofdredacteur van O Seculo, het grote liberale, antiklerikale en maçonnieke dagblad van Lissabon  :

«  Vanaf de weg, waar de voertuigen opeengepakt stonden en waar vele honderden personen waren blijven staan omdat ze niet genoeg moed hadden om doorheen het modderig terrein te trekken, kon men zien hoe de reusachtige menigte zich in de richting van de zon keerde, die in het zenit stond en door geen wolken meer versluierd was.

«  Ze gelijkt op een schijf van mat zilver en het is mogelijk er ongehinderd naar te kijken. Ze verbrandt de ogen niet, ze verblindt niet. Men zou zeggen dat er zich een eclips voordoet.

«  Maar dan stijgt er een immens geroep op; zij die het dichtst bij de menigte staan, horen haar roepen  : “ Mirakel  ! Mirakel  !… Een wonder  ! Een wonder  ! ”

«  Voor de verblufte blikken van het volk, waarvan de houding ons terugvoert naar de Bijbelse tijden en dat stomverbaasd en met ontbloot hoofd naar de azuurblauwe hemel staart, heeft de zon bewogen, ze heeft ongewone en bruuske bewegingen gemaakt, los van alle kosmische wetten. “ De zon heeft gedanst ”, volgens de typische uitdrukking van de plattelandsbevolking  » (15 oktober 1917).

Heel de antiklerikale pers stortte zich op Avelino de Almeida, maar die hernam zijn getuigenis twee weken later in het tijdschrift Ilustraçao Portuguesa. Deze keer illustreerde hij zijn relaas met een tiental foto’s van de menigte in extase en herhaalde hij in de loop van zijn artikel als een refrein  : «  Ik heb gezien… Ik heb gezien… Ik heb gezien.  »

We citeren zijn besluit  :

«  Wat heb ik op de heidevelden van Fatima gezien dat echt zo vreemd was  ? De regen die op het vooraf aangekondigde uur plots ophield  ; de dichte wolkenmassa die verdampte  ; het koninklijke hemellichaam, een matte, zilveren schijf die in het zenit verscheen en begon te dansen in heftige en stuipachtige bewegingen, die door een groot aantal getuigen vergeleken werden met een reidans – zo mooi en fonkelend waren de kleuren die het oppervlak van de zon achtereenvolgens aannam.

«  Een mirakel, zoals het volk riep  ? Een natuurlijk fenomeen, zoals de geleerden zeggen  ? Voor het ogenblik is het niet mijn bekommernis dat te weten  ; ik wil enkel bevestigen wat ik gezien heb… De rest is een zaak tussen de Wetenschap en de Kerk  » (29 oktober 1917).

Dit besluit van de agnostische en positivistische journalist kunnen we tot het onze maken. Het gaat er niet om te zeggen «  Ik geloof er in  !  » of «  Ik geloof er niet in  !  » Het feit in kwestie maakt allereerst geen deel uit van het domein van het geloof, en zelfs niet van de natuurwetenschappen of de psychologie, maar van de meest nauwgezette historische wetenschap. Het is belangrijk dat te onderstrepen  : welke interpretatie men er ook aan geeft, het zonnewonder van Fatima is een onbetwistbaar feit, een historische gebeurtenis die afdoend betuigd is. Het gebeurt inderdaad uiterst zelden dat gebeurtenissen zo eenstemmig bevestigd worden door zo’n massa ooggetuigen  !

DE GESCHIEDENIS  :
EEN BUITENGEWONE, WONDERBAARLIJKE GEBEURTENIS

Er waren ontelbare getuigen van het gebeuren, hun getuigenissen stemmen onderling overeen en ze hebben overvloedige documenten achtergelaten.

Eerst en vooral zijn er de talrijke verslagen die onmiddellijk na de feiten in de Portugese pers verschenen. Het dient onderstreept dat de eerste personen die getuigden de antiklerikale journalisten waren. De drie artikels van Avelino de Almeida (dat van 13 oktober vlak vóór de gebeurtenis, dat van 15 oktober en dat van 29 oktober) verdienen een bijzondere vermelding. Ondanks de spottende toon en de sectaire ironie in het eerste artikel en de antiklerikale a priori’s die nog in het tweede artikel opduiken, zijn deze teksten van een talentvol journalist, die overigens eerlijk en gewetensvol is, historische documenten van eerste rang. Maar hij was niet de enige die de feiten verhaalde  : nog andere reporters waren in de Cova da Iria aanwezig.

Vervolgens zijn er de officiële onderzoeken. Op vraag van de bisschop van Lissabon voerde de pastoor van Fatima in november 1917 een onderzoek uit. Hij ondervroeg verschillende getuigen van zijn parochie, maar zette jammer genoeg slechts… vier verklaringen op papier. «  De andere verklaringen heb ik niet neergeschreven omdat ze niets toevoegden aan de vorige  », verklaarde hij naïef. Spijtig… Gelukkig werd het dossier aangevuld door het diocesaan onderzoek met het oog op de canonieke erkenning van de verschijningen, maar weer zonder de overvloed aan getuigenissen te verzamelen die men toen nog had kunnen bijeenbrengen, om dezelfde reden  : een vanzelfsprekende en onbetwistbare unanimiteit.

Het werk van de historici compenseerde de nalatigheid van de officiële onderzoekers. Vanaf kanunnik Formigao, die van dr. José Maria de Almeida Garrett, hoogleraar aan de wetenschappelijke faculteit van Coïmbra, een zeer gedetailleerd relaas ontving (het meest wetenschappelijke dat we bezitten van de gebeurtenissen), zijn alle vroege historici de getuigen persoonlijk gaan ondervragen. De huidige generatie geschiedkundigen zet dat werk verder  ; zo verrijkt pater Cristino, die belast is met de kritische uitgave van alle historische bronnen over Fatima, nog altijd het archief van het heiligdom met privébrieven van ooggetuigen die de gebeurtenis indertijd verteld hebben aan hun familieleden en kennissen. Toen in 1977 de zestigste verjaardag van de verschijningen werd herdacht, kon men in Fatima nog meer dan dertig personen bijeenbrengen die persoonlijk aanwezig waren geweest bij het zonnewonder en die hun herinneringen konden uiteenzetten.

Dankzij al die getuigenissen kan het verloop van de dag van 13 oktober 1917 zeer nauwkeurig gereconstrueerd worden.

OP WEG NAAR DE COVA DE IRIA

Op vrijdag 12 oktober «  komen we op de weg [naar Vila Nova de Ourem] de eerste groepen ­tegen die zich begeven naar de heilige plaats, zo’n twintig kilometer verderop. Het zijn mannen en vrouwen, bijna allemaal blootsvoets. De vrouwen dragen zakken op hun hoofd, de mannen steunen op grote stokken en hebben ook een paraplu bij. Men zou zeggen dat de meesten geen enkele interesse hebben voor wat rondom hen gebeurt. Ze stappen voort als ondergedompeld in een droom, terwijl ze het rozenhoedje bidden op de toon van een droef recitatief  » (Avelino de Almeida in O Seculo).

Voor de bedevaarders die pas zaterdagochtend vertrekken is de tocht een echte boeteweg, want het heeft heel de voorbije nacht geregend. Maar «  die plotse ommekeer in het weer, die maakte dat zware regenval de stoffige wegen veranderde in echte modderpoelen zodat de zachte herfst voor één dag overging in winterse guurheid, kon de pelgrims niet van hun stuk brengen, de tocht doen opgeven of hen doen wanhopen  » (De Almeida in Ilustraçao Portuguesa).

«  Vanaf zonsopgang  », vervolgt onze journalist die zichtbaar onder de indruk is van die kalme moed, «  verschijnen nieuwe groepen vastberaden mensen. Ze lopen zonder te stoppen door het kleine ­stadje, waarvan de stilte wordt doorbroken door de lofzangen die vrouwenstemmen aanheffen. […] De zon komt op, maar de hemel ziet er dreigend uit. Zwarte wolken pakken zich samen en wel precies ter hoogte van Fatima. Niets houdt nochtans de bedevaarders tegen die, vanuit alle richtingen en met alle mogelijke transportmiddelen, naar Fatima toestromen. […] Rond 10 uur is de hemel helemaal betrokken en begint het zwaar te regenen. Opgejaagd door een scherpe wind geselt de regen de gezichten, overstroomt de macadam van de wegen en maakt al degenen die geen paraplu of een ander beschermingsmiddel tegen het slechte weer meegebracht hebben nat tot op hun vel. Maar niemand wordt ongeduldig of geeft de tocht op.

«  Het heidegebied van Fatima, daar waar men zegt dat de Maagd verschenen is aan drie herdertjes uit het gehucht Aljustrel, wordt over een ­grote lengte beheerst door de baan naar Leiria. Daar houden de voertuigen halt die pelgrims en nieuwsgierigen hebben aangevoerd. De grote massa echter, de duizenden mensen die toegestroomd zijn uit de plaatsen in de omgeving, maar evengoed uit de Alentejo, de Algarve, de Minho en de Beira, drumt bijeen rondom de kleine kurkeik die, volgens wat de herdertjes zeggen, door de Verschijning als sokkel is uitgekozen  » (O Seculo, 15 oktober 1917).

EEN GROTE MASSA VOLK

Op het middaguur deed zich een onverwachte weersverbetering voor   : «   Het was een regenachtige dag met fijne en onophoudelijke regen. Maar enkele minuten vóór het mirakel hield het op met regenen   » ( Alfredo da Silva Santos).

Hoeveel volk was er in de Cova da Iria bijeen  ?

Dr. Almeida Garrett gaf enkele maanden na de gebeurtenis als maximale schatting ruim honderdduizend personen op. Avelino de Almeida sprak eerst over dertig- tot veertigduizend aanwezigen, maar hij corrigeerde dat cijfer in zijn artikel van 29 oktober  : «  ongeveer vijftigduizend mensen  ». Een neutrale krant, de Primeiro de Janeiro, gaf hetzelfde aantal op. Het is dus zo goed als zeker dat vijftigduizend een minimum is. De meeste historici houden het daarom op een massa van zeventigduizend aanwezigen.

Het klopt dat de plattelandsbevolking het talrijkst opgekomen was, maar niettemin was eigenlijk heel Portugal in de Cova da Iria vertegenwoordigd. Er waren trouwens ook buitenlanders aanwezig. Alle sociale klassen gaven present. Naast gelovigen die er zeker van waren dat ze getuige zouden zijn van een mirakel, waren er ook sceptische en fanatieke ongelovigen die gekomen waren om zich te amuseren of te spotten. Kanunnik Formigao vernoemt drie mannen in een auto die druk gesticuleerden  ; een van hen riep plots luidkeels  : «  Ze hadden er goed aan gedaan om die drie kinderen het hoofd af te hakken  ! Ze hebben ons bedrogen, door hun schuld zijn we nu doorweekt  !  »

Onder de pratikerende katholieken waren er die helemaal niet overtuigd waren van de echtheid van de verschijningen. Ze ­waren blijven zitten in hun voertuigen op de baan naar Leiria om het spektakel vanuit de verte te observeren. We vermelden Dr. Almeida Garrett, prof. Ferreira Borges en advocaat Pinto Coelho.

Op de ochtend van die dertiende oktober was het heel slecht weer   : «   Rond tien uur is de hemel helemaal betrokken en begint het zwaar te regenen. Opgejaagd door een scherpe wind geselt de regen de gezichten, overstroomt de macadam van de wegen en maakt al degenen die geen paraplu meegebracht hebben nat tot op hun vel   » ( Avelino de Almeida).

«  Een halfuur vóór het moment waarop de verschijning zou ­moeten plaatsvinden doet het bericht de ronde dat de zienertjes aangekomen zijn. Men brengt de meisjes, die met bloemen getooid zijn, naar de plaats waar de portiek verrijst. Het blijft onophoudelijk regenen, maar niemand wanhoopt. Karren met laatkomers bereiken de baan. Groepen gelovigen knielen neer in de modder. Lucia vraagt hen, beveelt hen zelfs om hun paraplu’s te sluiten. Het bevel wordt doorgegeven en onmiddellijk opgevolgd, zonder verzet  » (Avelino de Almeida).

Vlakbij de herdertjes staat een priester die daar de hele nacht heeft doorgebracht en nu ongeduldig wordt. «  Hij vroeg om hoe laat Onze-Lieve-Vrouw zou komen  », vertelt Maria Carreira (J. de Marchi, i. m. c., Témoignages sur les apparitions de Fatima, 1979, p. 191). «  “ Op het middaguur ”, antwoordde Lucia hem. De priester haalde zijn uurwerk te voorschijn  :

“ Maar het is al middag  ! Onze-Lieve-Vrouw liegt niet. ”  » De brave man verliest uit het oog dat er een verschil is tussen de zonnetijd en de legale tijd… Enkele ogenblikken later kijkt hij opnieuw op zijn uurwerk  : «  “ Het middaguur is voorbij. Iedereen kan beter naar huis gaan  ! Het is allemaal een illusie  ! ” Maar Lucia wou niet vertrekken en de priester begon de kinderen met beide handen weg te duwen. Toen zei Lucia met tranen in de ogen  : “ Dat de mensen die willen vertrekken maar weggaan  ! Ik vertrek niet. Ik ben hier thuis… Onze-Lieve-Vrouw heeft gezegd dat ze zou komen. De andere keren is ze gekomen en nu zal ze ook komen  ! ” Op hetzelfde moment keek ze in de richting van het oosten en zei tegen Jacinta  : “ Vlug, Jacinta, ga op je knieën zitten, Onze-Lieve-Vrouw komt eraan  ! Ik heb het weerlicht al gezien  ! ” Toen zweeg de priester en zei niets meer.  »

EEN OPEENVOLGING VAN WONDERLIJKE FENOMENEN

Wie de talrijke verslagen van de ooggetuigen vergelijkt, krijgt een goed beeld van de verschillende aspecten en de opeenvolging van de verbazingwekkende natuurfenomenen die door iedereen geconstateerd werden. Voor elk van die fenomenen zou men gemakkelijk tien bladzijden met getuigenissen kunnen vullen  ; wij beperken ons hier tot een beschrijving van de feiten.

Op het moment van de verschijning zagen de aanwezigen een soort van rookkolom. Dr. Almeida Garrett beschrijft het gebeuren als volgt  : «  Het was ongeveer 13.30 uur toen, precies op de plek waar de kinderen stonden, een rookkolom opsteeg. Ze was smal, ijl en blauwachtig van kleur en steeg recht omhoog tot ongeveer twee meter boven de hoofden, waarna ze verdween. Dit verschijnsel, dat perfect met het blote oog te zien was, duurde enkele seconden. Na enige tijd herhaalde het fenomeen zich één seconde lang, en daarna nog een derde keer. Ik was er toen van overtuigd dat de rook veroorzaakt werd door een wierookvat dat iemand heen en weer zwaaide. Nadien heb ik van geloofwaardige personen vernomen dat hetzelfde verschijnsel zich had voorgedaan op de dertiende dag van de vijf voorbije maanden en dat men toen, evenals op 13 oktober, niets verbrand had en geen vuur had gemaakt.  »

Hoewel de hemel nochtans «  een erg sombere kleur had en vol regenwolken hing, voorbode van overvloedige en langdurige regen  » (Garrett), hield het gedurende de tijd van de verschijning plots volledig op met regenen en brak de hemel helemaal open  : «  De zon was door het dichte wolkendek gedrongen en straalde voluit.  » Die bruuske weersverandering verraste alle getuigen  : «  Het was een regenachtige dag met fijne en onophoudelijke regen. Maar enkele minuten vóór het mirakel hield het op met regenen  » (Alfredo da Silva Santos).

Dr. Almeida Garrett beschrijft vervolgens het indrukwekkende moment waarop de aanwezigen met het blote oog de zonneschijf konden bekijken  :

«  Plots hoorde ik het geroep van duizenden stemmen en zag ik hoe heel de menigte de rug keerde naar de plaats waarnaar tot op dat moment alle blikken in angstige verwachting gericht waren. Iedereen keek nu naar de andere kant, naar de zon. Ook ik keerde me naar het punt dat alle blikken aantrok en ik kon recht in de zon kijken, die geleek op een schijf met een scherp afgetekende rand. Ze glansde zonder de ogen te verwonden… Er was geen verwarring mogelijk met de zon gezien door een mistbank (er was trouwens op dat ogenblik geen mist). De zon in Fatima behield licht en warmte en stond duidelijk en scherp afgetekend aan de hemel. Het meest verbazingwekkende was wel dat men zo lang de blik kon gericht houden op de zonneschijf, in al haar schittering van licht en warmte, zonder pijn aan de ogen te krijgen en zonder beschadiging van het netvlies.  »

De journalist van O Seculo schreef het volgende  : «  De aanwezigen waren toen getuige van een uniek spektakel, een spektakel dat ongelooflijk is voor wie er geen getuige van was. Vanaf de weg […] kon men zien hoe de reusachtige menigte zich keerde in de richting van de zon, die aan het zenit stond en door geen wolken meer versluierd was. Ze gelijkt op een schijf van mat zilver en het is mogelijk er ongehinderd naar te kijken. Ze verbrandt de ogen niet, ze verblindt niet...  » (artikel van 15 oktober 1917). «  De mensen konden naar de zon kijken zoals men naar de maan kijkt  » (Maria do Carmo).

DE ZONNEDANS EN DE VAL VAN DE ZON

Plots begon het hemellichaam te trillen en met bruuske bewegingen over en weer te schudden, tot het uiteindelijk razendsnel om zijn as draaide, waarbij het lichtbundels in alle kleuren van de regenboog uitstrooide.

«  De zon draaide als een vuurwerkrad en nam alle kleuren van de regenboog aan  » (Maria do Carmo). «  De paarlemoeren zonneschijf bewoog op een duizelingwekkende manier. Ze draaide om haar as met een onstuimige snelheid  » (Almeida Garrett). «  Op een bepaald moment hield de zon stil en daarna begon ze opnieuw te dansen, rond te draaien  ; ze hield weer stil en begon nog eens te dansen  » (Ti Marto, de vader van Francisco en Jacinta). Het was dus een drievoudige zonnedans die duizenden getuigen aanschouwden en waarvan ze bevestigden dat ze die gedurende verschillende minuten konden bekijken.

«   Iedereen keek nu naar de andere kant, naar de zon. Ook ik keerde me naar het punt dat alle blikken aantrok en ik kon recht in de zon kijken, die geleek op een schijf met een scherp afgetekende rand. Ze glansde zonder de ogen te verwonden…   » ( Dr. Almeida Garrett )

De zon «  bracht verschillende kleuren voort  : geel, blauw, wit...  » (Maria da Capelinha). «  De zon nam alle kleuren van de regenboog aan. Alles kreeg dezelfde kleur  : onze gezichten, onze kleren, de aarde zelf  » (Maria do Carmo). «  Een licht, waarvan de kleur varieert van het ene moment op het andere, weerspiegelt zich op de personen en de dingen  » (Dr. Pereira Gens).

Het fantastisch schouwspel nam echter volkomen onverwacht een dramatische wending…

«  Plots kon men een geschreeuw horen  », aldus Dr. Almeida Garrett, «  als een kreet van angst van heel die massa. Want de zon, die nog altijd razendsnel ronddraaide, leek zich los te maken van het uitspansel. Rood als bloed scheen ze op de aarde af te komen en dreigde ons te verpletteren met haar vurige massa. Het waren enkele angstaanjagende ogenblikken.  »

Andere getuigenissen bevestigen deze beschrijving. «  Ik heb de zon zien ronddraaien en ze leek naar beneden te komen. Ze was als het wiel van een fiets  » (Joao Carreira). «  De zon begon te dansen en op een bepaald moment scheen het of ze loskwam van het uitspansel en op ons afkwam als een rad van vuur  » (Alfredo da Silva Santos). «  Ik heb perfect kunnen zien hoe ze neerkwam alsof ze op de aarde te pletter zou vallen. Men zou gezegd hebben dat ze loskwam van de hemel en op ons af stormde. Op korte afstand boven onze hoofden bleef ze hangen...  » (Maria do Carmo).

Vermeldenswaard zijn ook de woorden van ingenieur Mario Godinho  : «  Uit die duizenden monden hoorde ik uitroepen van vreugde en van liefde voor de Allerheiligste Maagd. Toen geloofde ik. Ik had de zekerheid dat ik niet het slachtoffer was van een inbeelding. Ik had de zon gezien zoals ik ze nooit meer zou zien.  »

Een laatste merkwaardig feit  : al die mensen, die voor het merendeel tot op hun vel doorweekt waren, stelden vol blijdschap en verbazing vast dat ze helemaal droog waren. Dat feit is betuigd in het canoniek proces. Dr. Pereira Gens schreef hierover  : «  De regen hield plots op, de wolken weken uiteen en lieten de zon zien in al haar glorie. De kleren waren doorweekt, de lichamen koud. Ik herinner me nog het zalige gevoelen dat ik onderging door de warme streling van de zon… Terwijl het licht van de zon inderdaad verzwakte, verloor haar warmte daarentegen niets van haar kracht. Mijn kostuum, enkele ogenblikken tevoren nog kloddernat, was plotseling bijna droog  » (C. Barthas, Fatima 1917-1968, p. 357).

In A Ordem maakte Pinto Coelho een gelijkaardige opmerking  : «  De zon leek zich van de hemel los te maken en dichter bij de aarde te komen, terwijl ze een felle warmte afgaf  » (De Marchi, p. 202). En Maria de Vieira Campos  : «  We voelden een warmte alsof we in een oververhitte stoof binnengingen  » (Dom C. Jean-Nesmy, La vérité sur Fatima, 1980, p. 120).

OOGGETUIGEN BUITEN FATIMA

Het zonnewonder kon ook verder van Fatima vandaan bewonderd worden. Volkomen geloofwaardige ooggetuigen, die zich op dat ogenblik op een hele afstand van de Cova da Iria bevonden, vertelden dat zij het ongelooflijk spektakel van de zonnedans gezien hadden op precies dezelfde manier als de duizenden bedevaarders bij de kurkeik.

In het dorpje Alburitel, 18 km van Fatima vandaan, kon heel de bevolking het zonneteken bewonderen. Het meest geciteerde getuigenis is dat van (de latere geestelijke) Inacio Lourenço, omdat het zo uitvoerig is. Maar zijn relaas werd bevestigd door alle dorpelingen bij hun ondervraging door de onderzoekers  :

«   De zon draaide als een vuurwerkrad en nam alle kleuren van de regenboog aan. Alles kreeg dezelfde kleur   » ( Maria do Carmo).

«  Ik was toen slechts negen jaar oud en ik ging naar de lagere school van mijn dorp. Het was ongeveer middag toen wij verrast werden door het geroep en het geschreeuw van mannen en vrouwen die in de straat voor onze school passeerden. De onderwijzeres, die heel goed en vroom was, maar ook gemakkelijk onder de indruk en heel timide, was de eerste die naar buiten liep; en natuurlijk kon ze niet beletten dat ook alle kinderen dat deden. Op straat weenden en riepen alle mensen terwijl ze naar de zon wezen...

«  Het was het grote mirakel, dat zeer goed te zien was van op de heuvel waar mijn dorp ligt. Ik voel me niet in staat het te beschrijven zoals ik het toen zag. Ik keek recht in de zon en het scheen me toe dat zij verbleekt was, zodat de ogen er niet onder leden. Ze leek op een sneeuwbal die rond zijn as draaide. Plots leek de zon zigzaggend naar beneden te komen alsof ze op de aarde ging storten. Vol schrik rende ik naar het midden van de menigte. Iedereen huilde en verwachtte elk ogenblik het einde van de wereld.

«  Vlakbij ons bevond zich een ongelovige, een man zonder godsdienst, die heel de voormiddag niets anders gedaan had dan de spot te drijven met de naïevelingen die zo’n grote reis maakten om in Fatima naar een klein meisje te gaan kijken. Ik bekeek hem. Hij stond daar als aan de grond genageld, zijn ogen op de zon gericht. Daarna zag ik hem bibberen van kop tot teen, zijn handen naar de hemel uitstrekken en op zijn knieën in de modder vallen, terwijl hij uitriep  : “ Onze-Lieve-Vrouw  ! Onze-Lieve-Vrouw  ! ” Ondertussen gingen de mensen verder met te roepen en te wenen en met aan God vergiffenis te vragen voor hun zonden. Daarna liepen we naar de twee kapellen van ons dorp die op een oogwenk bomvol waren...  »

Verschillende personen vertelden aan de onderzoekers een analoog verhaal  : de onderwijzeres, Delfina Pereira Lopes  ; haar dochter Myriam, die later zuster Maria do Carmo werd  ; E. H. Joaquim Lourenço, de broer van Inacio, enz.

De historische feiten zijn onweerlegbaar. Meer dan vijftigduizend volstrekt geloofwaardige getuigen hebben allemaal hetzelfde spektakel gezien. Het is trouwens merkwaardig dat de tegenstanders van de Kerk, die toen oppermachtig waren in Portugal, geen enkel geldig getuigenis konden aanhalen van iemand die bij hoog en bij laag beweerde helemaal niets gezien te hebben  !

DE WETENSCHAP  : EEN UITZONDERLIJK,
OBJECTIEF VERSCHIJNSEL

Nadat de geschiedenis de waarachtigheid van de feiten heeft vastgesteld, is het aan de wetenschap om verklaringen voor te stellen.

«  Wat moeten we denken over kosmische verschijnselen waarvan duizenden personen zeggen dat ze die in Fatima vastgesteld hebben  ?  » Dat is de vraag die het liberale dagblad O Seculo onmiddellijk stelde aan de directeur van het observatorium van Lissabon, Frederico Oom. Op 18 oktober publiceerde de krant volgende informatie  : «  De befaamde astronoom was zo vriendelijk ons het volgende antwoord te sturen  : “ Als het een kosmisch fenomeen was geweest, dan hadden de sterrenkundige observatoria het ongetwijfeld geregistreerd. En dat is precies wat ontbreekt  : de onvermijdelijke registratie van een wijziging, hoe klein ook, in het systeem van het heelal. ”  »

Astronomisch is er inderdaad geen ontregeling opgetreden in de manier waarop de zon licht en warmte overbrengt. Als zij effectief dichter bij de aarde was gekomen, dan zou dat “ het einde van de wereld ” betekend hebben  : onze planeet zou dan ogenblikkelijk verdwenen zijn in de grote vuurgloed aangekondigd door de H. Petrus (II Pe 3, 10). De sterrenkunde kan ons bijgevolg geen antwoord bieden.

COLLECTIEVE HALLUCINATIE  ?

Op 29 oktober 1917 publiceerde Avelino de Almeida, hoofdredacteur van het vrijzinnige dagblad O Seculo, zijn ooggetuigenverslag in het tijdschrift Ilustraçao Portuguesa, samen met een tiental foto’s van de menigte in extase. In de loop van zijn artikel herhaalde hij als een refrein   : «   Ik heb gezien… Ik heb gezien… Ik heb gezien.   »

Laten we terugkeren naar O Seculo. De journalist van dienst vraagt zich af  : «  Gaat het dan om een fenomeen van psychologische aard  ?  » En hij antwoordt  : «  Waarom niet  ? Ongetwijfeld hebben we te maken met het effect van collectieve suggestie.  »

Dat laatste is inderdaad, van 13 oktober 1917 tot op vandaag, de enige oplossing die eindeloos herkauwd wordt door intellectuelen van alle slag – atheïsten, agnostici, liberalen en modernisten – om zichzelf op een goedkope manier gerust te stellen en verder te gaan met aan de verschijnselen van Fatima slechts een verstrooide en misprijzende aandacht te schenken. De indrukwekkende eensgezindheid ten gunste van die éne hypothese leidt ertoe dat we onszelf ernstig de vraag moeten stellen  : maar wat is dan toch die “ collectieve hallucinatie ” waarover iedereen het heeft… en die niemand ooit definieert  ?

Het is heel moeilijk om er zich een nauwkeurig beeld van te vormen, want de boeken over psychologie houden zich op dat punt wel heel erg op de vlakte. Een vriend van ons die psychiater is, schrijft  : «  Geen enkel handboek over psychiatrie behandelt deze kwestie op een ernstige manier.  » En inderdaad, in het monumentale werk over hallucinaties van de grote specialist Henry Ey (1543 blz.  !) staat geen enkel hoofdstuk over “ collectieve hallucinaties ”.

Integendeel, de auteur toont aan dat dit begrip in de betekenis waarin het gewoonlijk gebruikt wordt (en in het bijzonder om een natuurlijke verklaring te geven voor de verschijnselen van Fatima) met geen enkel wetenschappelijk gegeven overeenstemt. Een hallucinatie hebben betekent «  iets dat niet als voorwerp bestaat als objectief waar beschouwen  ». Anders gezegd  : geloven in het objectieve bestaan van wezens of zaken die puur denkbeeldig zijn. Welnu, Henry Ey bewijst dat die ontregeling van de waarneming niet zomaar gebeurt, bij gelijk wie of gelijk wanneer  : iemand met hallucinaties is altijd een zieke. Als men het zonnewonder van Fatima wil verklaren door hallucinatie, dan betekent dit dat de vijftigduizend of zeventigduizend getuigen allemaal, zonder uitzondering, geestelijk ziek waren  !

Maar, zal men zeggen, het is op dit punt dat de “ geestelijke besmetting ” tussenbeide komt, waardoor één enkel hallucinerend persoon door suggestie zijn dwaling kan doorgeven aan een hele massa mensen… Ook dat is een gratuite bewering, zonder wetenschappelijk fundament. Het begrip “ collectieve hallucinatie ” stemt met geen enkele proefondervindelijke realiteit overeen. Men haalt soms het geval van drugsverslaafden aan die samen een hallucinerend middel innemen. Eenzelfde drug kan dezelfde mentale ontregeling teweegbrengen, maar in geen geval gelijkaardige inbeeldingen veroorzaken  : al diegenen die eenzelfde delirium meemaken, vertellen toch niet dezelfde “ verhalen ”. De rationalisten die de term “ collectieve hallucinatie ” gebruiken om zich af te maken van de moeilijkheid van het zonnewonder, zijn niet in staat om ook maar één authentiek voorbeeld te citeren waarin er sprake was van een dergelijke “ collectieve hallucinatie ”, al was het maar voor enkele tientallen personen.

ZELFSUGGESTIE  ?

In 1977 formuleerde Gérard de Sède in «  Fatima. Enquête sur une imposture  » een andere verklaring  :

«  Men weet vrij goed aan welke subjectieve logica de psychologie van het getuigenis gehoorzaamt  : eerst zou men willen gezien hebben  ; vervolgens gelooft men dat men gezien heeft  ; en tenslotte zegt men dat men gezien heeft. Omdat ze de beloofde verschijning van de Heilige Familie niet te zien kregen, bevestigden veel mensen ter compensatie dat ze de zon van kleur hadden zien veranderen en dansen, waarbij ze dus hun misprijzen demonstreerden voor de onwrikbare wetten van de hemelse mechanica  » (p. 117).

Deze “ verklaring ” is niets waard. Eerst en vooral is de psychologische wet waarop ze steunt een puur uitvindsel  : geen enkele normale getuige laat zich zo onder suggestie brengen  ! Ten tweede laat deze wet zich zelfs niet toepassen op de verschijnselen die hij beweert te verklaren  ; de auteur is daarom verplicht de feiten te verdraaien of ze gewoon te negeren. Waarom zegt hij bv. niets over het dorp Alburitel, waar de hele bevolking – die zich aan niets verwachtte – op exact hetzelfde moment exact dezelfde ongewone fenomenen waarnam  ? In Fatima zelf was het ook zeker niet zo dat iedereen het mirakel of de verschijning van de H. Familie verwachtte  ; het staat vast dat er veel ongelovigen en antikatholieken aanwezig waren die met opzet waren gekomen om nadien van de daken te kunnen schreeuwen dat ze niets gezien hadden  !

Al op de avond van de dertiende besloot Avelino de Almeida zijn artikel met te onderstrepen dat «  de vrijdenkers en de andere personen die zich niets gelegen laten aan godsdienstige zaken op de meest natuurlijke wijze onder de indruk waren  » van wat ze gezien hadden. Een typisch voorbeeld van die ongelovigen die dooreengeschud werden in hun vaste overtuiging vinden we in baron de Alvaiazere, die voor de onderzoekscommissie verklaarde  :

«  Ik was naar Fatima gekomen om mezelf een afleiding te bezorgen, want ik beschouwde alles wat ik over de verschijningen gehoord had als een grap. Ik kwam er verschillende vrienden tegen en ik begon tegenover hen de gebeurtenissen op een ironische toon te becommentariëren, zodat sommigen die er anders over dachten er zelfs ongemakkelijk van werden. Ik bereidde mezelf er toen op voor om mijn vrije geest te bewaren wat er ook zou gebeuren. […] Ik nam mijn voorzorgen om me niet te laten beïnvloeden. Zo gewapend maakte ik het zonneverschijnsel mee.  »

En hij beëindigde zijn relaas als volgt  : «  Ik weet alleen nog dat ik riep  : “ Ik geloof  ! Ik geloof  ! Ik geloof  ! ” en dat de tranen over mijn kaken stroomden. Ik was verrukt, ik was in vervoering bij deze openbaring van de goddelijke macht  » (aangehaald in C. Barthas, Fatima 1917-1968, p. 352).

EEN NIET TE VOORZIEN MIRAKEL

We moeten ook onderstrepen dat de gelovigen weliswaar op voorhand het moment van het wonder kenden, maar dat niemand van hen had kunnen voorspellen wat de aard ervan zou zijn. Men dacht eerder aan een plotseling einde van de oorlog of aan de verschijning van de Maagd Maria zelf. Zo schreef Avelino de Almeida  : «  Er waren vrome mensen die hoopten dat de Maagd Maria in haar goedheid zo ver zou gaan dat zij hen zou zeggen wanneer de vrede zou ondertekend worden  » (O Seculo, 13 oktober 1917).

Wat vaststaat, is dat geen enkele van de zeventigduizend getuigen zich vooraf de ongelooflijke zonnedans die iedereen meemaakte had kunnen inbeelden.

Wij besluiten daarom  : men kan het zonnemirakel van Fatima niet verklaren door welke psychologische verklaring ook, tenzij men volkomen verblind is of te kwader trouw. Neen, het kan onmogelijk gaan om subjectieve waanvoorstellingen die gelijktijdig optraden bij vijftigduizend of meer getuigen, die allemaal op dezelfde manier ten prooi waren aan illusies, suggesties of hallucinaties  ! Noch de natuurwetenschap, noch de psychologie kunnen ons voorthelpen.

De enige redelijke verklaring is dat er in Fatima op die dertiende oktober sprake was van een concrete realiteit, van een atmosferisch verschijnsel dat volkomen objectief was, dat door iedereen werd vastgesteld en dat zich op normale wijze invoegde in het verloop van hun gewone waarnemingen.

HET GELOOF  : «  EEN GRANDIOOS TEKEN  »

«  Wij hebben het Teken van God gezien  ! Wij hebben het Teken van God gezien  !  » Zo riepen de geestdriftige bedevaarders uit, waarmee ze spontaan de meest nauwkeurige Bijbelse uitdrukking hernamen, die bovendien de mysterieuze profetie van de Apocalyps weergeeft  : «  Signum magnum apparuit in cælo… Er verscheen een grandioos Teken aan de hemel  » (Ap 12, 1).

Wat was de betekenis van het wonderbaar mirakel  ? Op het ogenblik zelf was het voor iedereen in de eerste plaats een schitterende openbaring van God als Schepper, een zichtbaar bewijs van zijn bestaan en zijn grootsheid.

HET TEKEN VAN GOD

«  Cæli enarrant gloriam Dei… De hemelen verkondigen de glorie van God.  » Het ging om een betoverend spektakel van een stralende schoonheid. De beschrijving door de journaliste Madalena de Martel Patricio spreekt boekdelen  :

«  Een kreet ontsnapte aan alle monden. Duizenden schepselen van God, door het geloof tot in de Hemel zelf gevoerd, vielen op hun knieën op de doorweekte bodem. Het licht nam een vreemdsoortige blauwe tint aan, alsof het ons bereikte door de glasramen van een reusachtige kathedraal, om zich vervolgens te verspreiden over het gigantisch kerkschip gevormd door de tienduizenden aanwezigen… Geleidelijk aan doofde het blauw uit om plaats te maken voor een licht dat gefilterd leek door gele glasramen.

«  Iedereen weende, iedereen bad, de mannen met de hoed in hun hand, volledig onder de indruk van het verwachte “ mirakel ”. Het waren seconden, ogenblikken die uren leken, zo intens werden ze beleefd  !  » (De Marchi, p. 198).

Men vroeg aan Ti Marto wat hij dacht op het moment van het wonder. «  Wat ik dacht  ? Dat het de Almacht van God was  », antwoordde hij. «  En wat denk je er nu van  ?  » «  Ik denk nog hetzelfde  : dat God groot is  !  » Het Teken dat iedereen kon vaststellen, was eerst en vooral die opzienbarende manifestatie van de goddelijke almacht. God liet zijn Glorie zien, Hij bewees dat Hij de Schepper en de soevereine Meester van de kosmos is. Het enige wat men nog kon doen, was neerknielen in de modder en de handen vouwen.

Dat was wat bijna alle pelgrims spontaan deden. Maar niet iedereen. De geschiedenis meldt ons hoe enkele vrome getuigen verontwaardigd reageerden bij het zien van de dwaze of hoogmoedige houding van bepaalde individuen  :

«  Staande op de opstapplank van de autobus uit Torres Novas was een bejaarde man luidop het Credo aan het bidden, gekeerd naar de zon. Plots zag ik hoe hij zich richtte tot de personen rondom hem die hun hoofd bedekt hielden. Met stemverheffing spoorde hij hen aan om hun hoofd te ontbloten bij zo’n buitengewone demonstratie van het bestaan van God.

«  Gelijkaardige taferelen speelden zich ook elders af. Een wenende vrouw riep met een door de emotie verstikte stem  : “ Hoe is het in Godsnaam mogelijk  ! Er zijn nog mannen die hun hoofddeksel ophouden bij zo’n verbazingwekkend schouwspel  ! ”  » (O Seculo, 15 oktober).

Dat is het bewijs dat zelfs het meest schitterende mirakel uit zichzelf geen enkele ziel tot het geloof kan dwingen. Er is een beweging van het hart nodig die beantwoordt aan de gave van de genade. De menselijke wil – wat een verschrikkelijk mysterie  ! – blijft altijd vrij om de genade te weigeren. Niettemin waren er in de Cova da Iria veel mensen die zich bij het zien van het mirakel bekeerden  ; ze hebben ons het ontroerend getuigenis daarvan nagelaten.

EEN TRIOMF VOOR HET GELOOF

Lucia (rechtopstaand) en Jacinta begin oktober 1917.

Het zonnewonder was een triomf voor het geloof, het was de triomf van God en die van de Onbevlekte Maagd Maria, zijn Moeder  ! «  Na het mirakel  », vertelt E. H. Ferreira Borges, «  trok de menigte zich terug in diepe ingetogenheid en in perfecte orde, terwijl ze het “ Salve Rainha ” zong. Hier en daar herkende ik enkele felle antiklerikalen, die stil en in gepeins verzonken weggingen  » (Fatima 1917-1968, p. 357).

Inderdaad had het ongeloof een stevige schok gekregen. De agnosticus Ernest Renan schreef ooit  : «  Mirakels doen zich nooit voor in de milieus waar dat het meest gepast zou zijn. Een wonder in Parijs, in het bijzijn van competente geleerden, zou aan zoveel twijfel een einde maken  !  » Wel, in Fatima lijkt God een overdonderend antwoord gegeven te hebben op de uitdaging van zijn ontkenners  ! Drie maanden van tevoren liet Hij de plaats, de dag en het uur van het mirakel kennen. Alle “ competente geleerden ” konden er naar toe gaan om er vervolgens naar hartelust over te discussiëren…

Maar zij die aanwezig waren pasten er nadien wel voor op om commentaar te leveren. En wat de afwezigen betreft, hun artikels in de Portugese pers van toen laten genoeg zien in wat voor een staat van verwarring ze verkeerden. Aan al hun ­gedoe werd een kordaat einde gemaakt door Antonio Sardinha, die korte tijd tevoren van het ongeloof tot het geloof was gekomen. In een artikel in de koningsgezinde krant A Monarquia, onder de titel «  O Milagre de Fatima  » (8 november 1917), spotte hij met de middelmatigheid van hun argumenten tegen het bovennatuurlijke en bewees hij de intellectuele armoede van de vrijdenkers met hun vastgeroeste ideeën. Op zijn aanval volgde geen enkele reactie…

Zoals de mirakels van Lourdes en zoals de H. Lijkwade van Turijn betekent het zonnewonder van Fatima een tussenkomst van God in de geschiedenis, die aangeboden wordt aan onderzoek door de wetenschap. Op die manier gaat het altijd om een schitterend bewijs ten gunste van het katholiek geloof. Zeker, ons geloof is zo stevig gegrondvest dat het dergelijke tekenen strikt gesproken niet nodig heeft. Maar vermits zoveel personen door toedoen van de nefaste kantiaanse kritiek niet meer in staat zijn om de scheppende actie van God in de natuur te herkennen, heeft God vol medelijden besloten om op buitengewone wijze in onze geschiedenis tussenbeide te komen. Het zonneteken van Fatima is een mirakel voor onze tijd.

HET TEKEN VAN MARIA

Maar het is ook nog een uitdrukkelijker Teken  : het is ten gunste van Maria, zijn Onbevlekte Moeder, dat God dit ongezien wonderteken gedaan heeft. «  Fecit mihi magna qui potens est  », «  De Almachtige heeft voor mij grootse dingen gedaan.  » Zonder enige twijfel was het in Fatima voor Haar en door Haar dat de Allerhoogste «  de kracht van zijn arm ontplooid heeft  »  !

«  In oktober zal IK een mirakel verrichten  », had Onze-Lieve-Vrouw op 13 juli verklaard. En het was inderdaad op 13 oktober dat op een teken van haar de schitterende zonnedans begon  : «  Zij opende haar handen  », aldus Lucia, «  en liet ze weerkaatsen op de zon. Terwijl ze zich verhief, bleef de weerkaatsing van haar eigen licht zich projecteren op de zon.  »

Het buitengewone mirakel werd dus door de H. Maagd beloofd, drie maanden van tevoren door haar aangekondigd en op een teken van haar in gang gezet. Het was haar antwoord op de dringende smeekbede van het herdersmeisje  : «  Ik zou U willen vragen om ons te zeggen wie U bent en een wonder te doen opdat iedereen zou geloven dat U aan ons verschijnt.  »

Elke twijfel is dan ook uitgesloten. Het zonnewonder is het zichtbare, tastbare, onweerlegbare zegel dat God heeft willen aanbrengen op de verschijningen van Fatima, op de profetieën, beloften en verschrikkelijke waarschuwingen die zijn Onbevlekte Moeder in de Cova da Iria is komen openbaren.

broeder François van Maria ter Engelen
Hij is verrezen  ! nr. 88, Juli-Augustus 2017