De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

« MOHAMMED »

LEGENDE, WETENSCHAP EN GESCHIEDENIS

Het handschrift Arabicus 328

Het handschrift Arabicus 328 (Parijs, Nationale Bibliotheek) wordt door de meeste specialisten beschouwd als het oudste manuscript van de Koran  ; het zou dateren uit de zevende eeuw. De stijve en vrij hoekige letters zijn geschreven in doorlopende tekst en zonder rekening te houden met de normale woordsplitsing.

DE auteur van de Koran duidt zichzelf in soera III aan met de benaming mu­hammadun (III, 144). Sinds het allereerste begin heeft men deze naam beschouwd als de eigennaam van de stichter van de islam  : «  Mohammed  ».

In de 9de eeuw, twee­hon­derd jaar na de gebeurte­nissen die verhaald worden in soera’s I en II, heeft een zekere Ibn Hisham het kader vastgesteld van de sira, het Leven van Mohammed. Dat kader is daarna ongewijzigd gebleven tot op vandaag. Het bestaat uit «  verhalen  » (ha­dit) die «  de metgezellen van de Profeet doorgegeven hebben aan de tweede generatie gelovigen, de zgn. Vol­gelin­gen, die ze op hun beurt toe­vertrouwd hebben aan de Volgelingen van de Volgelingen  » (M. Gaude­froy-Demom­bynes, Mahomet. L’hom­me et son message, Parijs, 1957, p. 4), enzovoort. Via deze «  ket-­tingen  » van personen die borg staan voor wat ze gehoord hebben, komt men uit bij de eerste schrif­telijke neerslag of «  Tradities  »  : Mu­sa, zoon van Uqba, afkomstig van Medina en gestorven omstreeks 758, beschrijft de militaire cam­pagnes van Mohammed  ; Ibn Ishaq, een andere inwoner van Medina uit dezelfde periode (704-768), «  is de samensteller of dicteerder van een uitgebreid werk waarin, voor de eerste keer, het Leven van de stichter van de islam een chronologisch gerangschikt geheel vormt  » (R. Blachère, Le problème de Mahomet. Essai de biographie critique du fondateur de l’Islam, Parijs, 1952, p 5).

Op die manier «  dateren de oudste bundels met historische tradities tot waar wij kunnen opklimmen van ongeveer 125 jaar na de periode van activiteit van de profeet  » (M. Rodinson, Mahomet, Parijs, 1974, p. 67). Dat stelt alle ernstige historici uiteraard voor grote problemen  : een betrouwbare geschiedkundige basis over Mohammed ontbreekt.

Toch houden alle westerse biografen van de profeet met een merkwaardige eensgezindheid, en tegen elke logica in, vast aan de traditionele legende. Wij geven die hierna weer, op basis van de meest recente “ biografieën ” van Mohammed, die allemaal rekening houden met de immense Arabische literatuur die de verschillende hoofdstukken ervan verrijkt heeft.

DE LEGENDE

DE KINDERTIJD VAN MOHAMMED

Volgens deze «  Traditie  » werd Mohammed geboren in Mekka uit een vader die Abd Allah heette en een moeder genaamd Amina. «  Allah waakt over het ontstaan van elk menselijk wezen, maar hij begunstigt in het bijzonder dat van de profeten. Net zoals de geest rûh de adem van Allah in de schoot van Maria, moeder van Jezus, gebracht heeft, bracht een engel tot bij Abd Allah een straal van het goddelijk licht nûr  » (Gaudefroy-Demombynes, op. cit., p. 57).

Na de conceptie van het kind «  maakt de traditie duidelijk dat de maandstonden nauwelijks ophielden voor Amina  ; zij was bijna onbevlekt  » (ibid., p. 58).

Abd Allah stierf voor de geboorte van het kind. Dat werd toevertrouwd aan zijn grootvader, Abd al-Muttalib, die het aan een voedster gaf bij de be­doeïenen in de streek van Mekka.

Tijdens zijn verblijf in de woestijn kende het kind een zuivering van zijn hart  : «  Er kwamen twee engelen die zijn borst openden om er zijn hart uit te halen, dat zij zorgvuldig wasten alvorens het terug op zijn plaats te zetten. Daarna wogen zij hem door op de andere schaal achtereenvolgens één man, daarna tien, dan honderd, dan duizend te plaatsen. Daarop zei de ene engel tot de andere  : “ Laat hem  ! Zelfs als je op de andere schaal heel zijn gemeenschap (oemma) zou plaatsen, dan zou hij nog zwaarder doorwegen ”  » (Rodinson, p. 69).

Het kind verloor zijn moeder op de leeftijd van zes jaar. Zijn grootvader zorgde liefdevol voor hem. «  Elke dag, of toch bijna, zag men hen samen, hand in hand, in de Ka‘bah of op een andere plek in Mekka. Abd al-Muttalib ging zelfs zo ver dat hij Mohammed met zich meenam naar de Vergadering, waar de notabelen van de stad, allemaal ouder dan tachtig, elkaar ontmoetten om over verschillende kwesties te spreken. De oude grootvader was niet bang om het zevenjarig kind om zijn mening te vragen over een of ander punt. Toen de andere notabelen zich daarover verwonderden, zei hij altijd  : “ Mijn kleinzoon wacht een grote toekomst ”  » (M. Lings, Muhammad  : His Life Based on the Earliest Sources, 1983, Fr. vert. p. 39).

ZIJN JEUGD

Na de dood van zijn grootvader werd de weesjongen opgevangen door zijn oom Aboe Talib. Hij kende een gelukkige jeugd, verwend als hij werd door zijn tante Fatima. «  Hij hoedde vaak schapen en geiten en bracht zo vele dagen door in de eenzaamheid van de bergen die Mekka beheersten of op de hellingen van de verder gelegen valleien  » (ibid., p. 40). «  De goddelijke gunst waakte er over hem te behoeden voor elke fout  » (Gaudefroy-Demombynes, p. 63).

«  Het gebeurde ook dat zijn oom hem meenam op reis. Zo trokken ze op een keer, toen Mohammed negen of volgens sommigen twaalf jaar was, met een karavaan van kooplieden naar Syrië  » (Lings, p. 40). Nu woonde er in Bosra een christelijke monnik die Bahira heette. Hij verwachtte de komst van een profeet door God aan de Arabieren gezonden, zoals aangekondigd in bepaalde oude handschriften die in zijn bezit waren.

Toen Bahira de karavaan naderbij zag komen, bemerkte hij dat «  een kleine wolk zich zachtjes en op geringe hoogte boven de hoofden van de reizigers bewoog  » (ibid.). De wolk hield stil tegelijk met de karavaan. De monnik herkende in de jongen de verwachte profeet  : «  “ Breng de zoon van je broer terug naar zijn land en behoed hem voor de Joden ”, zei Bahira tot Aboe Talib. “ Want, bij de hemel, als zij hem zien en als zij over hem weten wat ik zelf weet, dan zullen zij proberen hem schade te berokkenen. Grote dingen bereiden zich voor de zoon van je broer voor ”  » (Lings, p. 41).

Toen Mohammed vijfentwintig jaar was, huwde hij met de 40-jarige Chadidja, een rijke weduwe van wie hij de handelsbelangen behartigde. Zij schonk hem zeven kinderen  : drie zonen die op jonge leeftijd stierven en vier dochters van wie de jongste, Fatima, zou trouwen met Mohammeds neef Ali.

DE GODDELIJKE ROEPSTEM

«  Op een dag deed zich onverwachts een stem horen. De Stem sprak in het Arabisch drie woorden die de wereld in beroering zouden brengen  : “ Gij zijt de afgezant van God  ! ”  » (Rodinson, p. 97). Dat gebeurde in de buurt van de grot van de berg Hira, bij Mekka, waar Mohammed zich elk jaar tijdens de maand van de Ramadan terugtrok. «  Het was rond het jaar 610 van de christelijke tijdrekening, of enkele jaren later  » (ibid., p. 99).

Op een dag «  was hij in slaap verzonken in de grot van Hira toen hij een droom had. Hij zag zichzelf in een handgemeen verwikkeld met een engel. Die beval hem een passage op te zeggen die voorkomt in de Koran. Toen Mohammed driemaal weigerde, wierp de engel hem op de grond en drukte hem neer tot hij nog amper kon ademen  ; hij liet hem niet los vooraleer hij gehoorzaamd had. Op dat moment werd Mohammed wakker. Toen gebeurde het echte wonder. “ Ik verliet de grot ”, aldus Mohammed volgens Ibn Ishaq, “ en nauwelijks was ik midden op de berg gekomen of ik hoorde een stem uit de hemel die riep  : O Mohammed  ! Gij zijt de apostel van Allah en ik ben Gabriël  ! ”  » (Blachère, p. 39).

Thuis gekomen vertelde Mohammed aan zijn vrouw wat er gebeurd was. «  “ Goed nieuws ”, riep zij uit. “ Volhard  ! Bij Diegene die in zijn handen ook de ziel van Chadidja heeft, ik hoop dat jij de profeet van deze natie zal zijn ”  » (ibid.).

DE OPENBARING VAN DE KORAN

De engel Gabriël verscheen daarna herhaaldelijk om de openbaring te herhalen. «  Op geen enkel moment heeft Mohammed Allah gezien of zijn stem gehoord. Enkel de goddelijke bode heeft tot hem gesproken om hem de toespraken bestemd voor de andere mensen in te fluisteren. Mohammed had tot taak die boodschap over te maken, een heilige verplichting  » (ibid., p. 42).

«  Bij de gelovigen die in staat waren tot schrijven kwam al snel de gedachte op om nota te nemen van die openbaringen. Er zijn aanwijzingen die toelaten te denken dat die schriftelijke neerslag slechts gedeeltelijk en spaarzaam gebeurde, zowel ten gevolge van het materiaal dat men toen gebruikte (potscherven, stukken leer, schouderbladen van kamelen) als wegens het schriftsysteem dat in voege was  : dat was namelijk nog zo rudimentair dat een tekst alleen correct kon ontcijferd worden op voorwaarde dat hij van buiten geleerd was  » (ibid., p. 53; Rodinson, p. 110).

HET APOSTOLAAT

Op een dag kwam Gabriël naar Mohammed «  op een van de heuvels die Mekka domineren  ; hij stampte met zijn hiel op het gras dat de bodem bedekte en deed een bron ontspringen. Hij vervulde vervolgens de rituele wassing om de Profeet duidelijk te maken op welke wijze hij zich vóór het gebed moest zuiveren, en de Profeet deed zoals hij. Daarna onderwees hij hem de houdingen en de bewegingen tijdens het bidden  » (Lings, p. 61).

Ali, de tienjarige neef van Mohammed, werd moslim, net als Zayd, zijn adoptiefzoon, en twee notabelen  : Oethman en Aboe Bakr. Die laatste werd algemeen gerespecteerd en vaak zocht men hem op om raad te vragen. «  Hij begon zijn ziel bloot te leggen aan iedereen die hij het vertrouwen waard achtte en spoorde hen aan om de Profeet te volgen  » (ibid.).

Zo begon de islam zich te verspreiden in Mekka, in een duidelijke breuk met het voorvaderlijk Arabisch heidendom. Maar «  hoe groter het aantal gelovigen werd, des te scherper werd de vijandigheid van de ongelovigen  » (Blachère, p. 65).

De Mekkanen waren polytheïsten die hun goden vereerden in de Ka‘ba. De moslims gingen daar ook naartoe, maar om Allah te aanbidden, met volkomen misprijzen voor de idolen. De volgelingen van Mohammed werden daarop in de ban van de stad geslagen, maar na twee jaar vervolging mochten ze terugkomen en brak er een tijd van vrede aan.

NACHTELIJKE REIS NAAR JERUZALEM

Op een nacht voerde de engel Gabriël Mohammed tot bij een gevleugeld paard, Buraq geheten. De profeet besteeg het dier en met de engel aan hun zijde vlogen ze in noordelijke richting «  en bereikten uiteindelijk Jeruzalem. Daar kwam een groep profeten – Abraham, Mozes, Jezus en anderen – hen tegemoet. Toen Mohammed op de plaats van de Tempel begon te bidden, gingen zij op een rij achter hem staan voor het gebed  » (Lings, p. 124).

Vervolgens besteeg de profeet opnieuw Buraq. Het dier steeg verticaal op en werd door Gabriël doorheen de zeven Hemelen geleid. Daar ontmoetten zij opnieuw de profeten met wie ze gebeden hadden, maar nu waren die getransfigureerd.

«  Toen de Profeet en de Aartsengel opnieuw waren afgedaald op de rots van Jeruzalem, keerden zij langs dezelfde weg terug naar Mekka. Zij passeerden talrijke karavanen die op weg waren naar het zuiden. Het was nog nacht toen ze aankwamen bij de Ka‘ba  » (Lings, p. 126).

DE HEGIRA

De bewoners van Mekka stelden zich alsmaar gewelddadiger op in hun vervolging van Mohammed en zijn leerlingen. Die dacht er daarom aan om te vluchten en een veilige plek te zoeken in de oase van Ta’if, maar daar werd hij ook afgewezen. Daarop keerde hij zich naar Yathrib, dat later Medina zou genoemd worden. Ook zijn leerlingen trokken daarheen, in kleine groepjes. Dat gebeurde in 622, het jaar dat het begin van het mohammedaans tijdperk markeert (Rodinson, p. 169).

DE CAMPAGNES VAN MOHAMMED

Mohammed lanceerde met succes zijn eerste razzia op een karavaan uit Mekka in Nahla (624). Twee maanden later had het gevecht van Badr plaats, een klinkende overwinning van de moslims op hun vijanden van Mekka.

Dat succes werd echter gevolgd door een verpletterende nederlaag bij Oehoed in 625; tijdens de slag geloofde men zelfs een ogenblik dat Mohammed gedood was.

Twee jaar later vond de veldslag van de Gracht plaats. Toen Medina belegerd werd door een leger Mekkanen liet Mohammed een diepe gracht graven, bestemd om de stormloop van de vijandelijke ruiterij te breken. Na vijftien dagen «  bemoeiden de elementen – en ook de engelen – er zich mee  ; een tornado zorgde voor grote wanorde in het kamp van de aanvallers  » (Blachère, p. 111).

De profeet buitte dat succes uit door een reeks razzia’s te houden en sloot een conventie met de Mekkanen (628). Het jaar daarop hield hij in Mekka de “ kleine bedevaart ”. «  Voortaan was Mohammed de theocratische leider en stelde hij zich ook als dusdanig op  » (ibid., p. 115).

Eind 629 zegde hij de wapenstilstand echter op. Hij marcheerde als overwinnaar Mekka binnen, vernietigde de afgodsbeelden en bewees plechtig eer aan Allah in de Ka‘ba.

HET EINDE VAN MOHAMMED

Hij behaalde nog een miraculeuze overwinning op een confederatie van bedoeïenen (januari 630), waarna hij een bedevaart naar Mekka ondernam en terugkeerde naar Medina.

De Byzantijnse keizer Heraclius, overwinnaar van de Perzen, maakte zich klaar om naar het zuiden te trekken, in de richting van Yathrib, om een mohammedaanse verovering van Syrië te voorkomen. Hij zag er echter van af «  door een visioen dat hij had over het “ triomferend koninkrijk van een besneden man ” en door zijn overtuiging dat deze man werkelijk een Afgezant Gods was  » (Lings, p. 377).

Mohammed van zijn kant «  was ervan overtuigd dat God Syrië openstelde voor de legers van de islam  » (ibid., p. 378) en hij bereidde een expeditie tegen de Byzantijnen voor. Dertigduizend manschappen, waaronder tienduizend ruiters, trokken op onder de leiding van de profeet zelf. Maar toen ze aankwamen in Taboek maakten ze rechtsomkeer (oktober 630).

Tijdens de twee laatste jaren van zijn leven ontving Mohammed talrijke gezanten uit heel Arabië  : afgevaardigden uit het berouwvolle Ta’if, prinsen uit Jemen die hem hun aanvaarding van de islam aankondigden, christenen van Najran die een pact met de profeet wilden sluiten.

In 632 leidde Mohammed de hadj, de grote bedevaart naar Mekka, waarvan hij minutieus alle rituelen regelde. Kort daarop werd hij ziek. Hij overleed in de armen van Aïsja, zijn derde vrouw en de dochter van Aboe Bakr.

KRITIEK

Als men van heel deze legende over Mohammed kennis neemt, vraagt men zich af hoe het komt dat daar ook bij ons in het Westen zo kritiekloos wordt mee omgegaan. In de inleiding op haar vertaling van de Koran in de prestigieuze Pléiade-reeks (1967, heruitgave 1986) schrijft Denise Masson  : «  De tekst van de Koran presenteert zich als een bovennatuurlijk dictee dat door de geïnspireerde Profeet genoteerd wordt  ; hij is niet meer dan de boodschapper belast met het doorgeven van die kostbare schat  » (p. XVII). Dat dogma, dat helemaal niet van kracht is als het over de Bijbel gaat, is tot op vandaag onaantastbaar.

Slechts weinigen hebben er, vanuit een puur wetenschappelijke motivatie, durven aan tornen. Een van hen was de Vlaamse jezuïet Henri Lammens (1862-1937), die bijna zijn hele leven in Beiroet heeft gewerkt en die de moderne historische methode durfde toepassen op de Koran. Hij kwam tot het besluit dat de sira, de traditionele biografie van Mohammed, geen andere historische basis heeft dan de Koran  : alle “ feiten ” zijn in werkelijkheid fantasierijke interpretaties van wat in de tekst staat – of beter nog  : van wat men in de tekst meent te lezen. «  De traditionalisten zijn helemaal niet begonnen met navraag te doen naar de herinneringen van de overlevenden van het heroïsch tijdperk. Neen, ze hebben gewoon het boek van Allah geopend om er te ontdekken wat ze er wilden in zien. Daarna hebben zij meer of minder authentieke inlichtingen aangepast aan hun vooroordelen of zelfs simpelweg uitgevonden  » (Qoran et Tradition. Comment fut composée la vie de Mahomet, in Revue des recherches de Science religieuse, 1910, dl. I, p. 42).

Wat moeten we dan denken van al die “ biografieën ” van de profeet  ? En van de bestaande vertalingen van de Koran  ? Pater Lammens legde de vinger op de wonde  : «  Ik heb altijd een oprechte eerbied gekoesterd voor de heldhaftigheid van de vertalers van de Koran. Een goede vertaling veronderstelt immers een grondige kennis van de sira. Maar vermits de sira uiteindelijk afgeleid is van de Koran, betekent dit dat men ronddraait in een vicieuze cirkel  !  » (ibid.).

Blachère, Rodinson en co. geven dat wel toe, al is het schoorvoetend, om hun eigen werk niet in diskrediet te brengen  : «  De zinspelingen vervat in de Koran moeten dienen ter ondersteuning van de biografische Traditie, maar zonder die Traditie blijven die zinspelingen dode letter  », schrijft Blachère (op. cit., p. 7). En Rodinson  : «  Niets laat ons toe om ooit te zeggen  : dat gaat onweerlegbaar terug tot de tijd van de profeet  » (op. cit., p. 12). Waarom schrikken deze biografen-vertalers er dan voor terug om de «  wetenschappelijke houding  » aan te nemen die toegepast wordt inzake de Bijbelse geschiedenis  ? Daar heeft men besloten «  een feit pas te aanvaarden als de bron die het aanhaalt waarheidsgetrouw blijkt te zijn en in de mate waarin zij waarheidsgetrouw is  » (ibid., p. 14). Waarom dan niet met betrekking tot Mohammed  ? Omdat het hierboven aangehaalde “ dogma ” dat niet toelaat.

DE GESCHIEDENIS

De enige oplossing om de persoon van Mohammed historisch te verklaren is zich te baseren op de Koran en die wetenschappelijk te analyseren, los van alle latere «  tradities  ». De moslims zelf zitten gevangen in die Traditie  : «  De Koran is een boek dat gesloten is voor de eigen gelovigen. Ze zeggen de verzen ervan al meer dan duizend jaar op zonder de echte betekenis te begrijpen  » (abbé Georges de Nantes).

Mijn thesis is dat de taal van de Koran van Hebreeuwse oorsprong is. De exegese, vers na vers, van soera’s I, II en III heeft het bewijs geleverd dat dit inderdaad het geval is. 1

«  MOHAMMED  »  : GEEN EIGENNAAM

Het woord muhammadun (III, 144) is afgeleid van de wortel hmd, wat de Arabische transcriptie is van de Bijbelse wortel hâmad, «  verlangen, begeren  ». In soera I, 2 duidt’al-hamdu «  de liefde  » aan die men moet betuigen aan «  de God, Meester van de eeuwen  ». De term komt nog op drie andere plaatsen in de Koran voor. Morfologisch is muhammadun een passief participium (deelwoord); het betekent letterlijk «  hij die bemind wordt  » of «  de geliefde  », «  de welbeminde  ». Onwillekeurig denken we aan het relaas van het doopsel van Jezus in de Jordaan  : «  En er klonk een stem uit de Hemel  : “ Gij zijt mijn Zoon, mijn Welbeminde, in wie Ik welbehagen heb ”  » (Lc 3, 22).

Van die term een eigennaam maken, zoals alle oriëntalisten al eeuwenlang doen, is niet wetenschappelijk  : zij laten zich beïnvloeden door de Arabische traditie waarvan we hierboven het legendarisch karakter in het licht gesteld hebben.

Muhammadun duidt in soera III, 144 een man aan die slechts een «  orakel  », rasûlun, van de God is en niet God zelf  : «  Een geliefde is slechts een orakel  ». In de context van soera III verwijst de uitdrukking in de allereerste plaats naar het «  orakel  » Jezus, die immers in de ogen van de schrijver van de Koran een gewone mens is, «  zoon van Maria  ».

Het is opvallend dat de schrijver, die nochtans een heel goede kennis van de Evangelies heeft, zwijgt over de geboorte van Jezus, over de gebeurtenissen van zijn openbaar leven, zijn Lijden, dood en Verrijzenis. Met betrekking tot zichzelf neemt de auteur dezelfde zwijgzaamheid in acht. Op de wijze van de evangelist Johannes spreekt hij discreet over zichzelf in de derde persoon, met de uitdrukking die mu­hammadun in het Arabisch lijkt om te zetten  : «  diegene die Jezus liefhad  » (Jo 13, 23; 19, 26; enz.).

SCHRIJVER

De wetenschappelijke exegese van de eerste drie soera’s levert ons een heleboel gegevens op over de man die zichzelf «  de welbeminde  » noemt.

Van soera II weten we dat daarin een interpretatie gegeven wordt van historische gebeurtenissen die plaatsvonden in de jaren 610-614. De auteur zegt in II, 185 dat hij het «  geschrift  », kitâb, en de «  lectuur  », qur’ân, onderwezen heeft aan de kinderen van Ismaël. Deze bewering, hernomen in III, 164, stemt overeen met de ontstaansdatum van het Arabisch schrift zoals we die kunnen bepalen door de vergelijkende studie van de opschriften die tot ons gekomen zijn. Blachère had dat trouwens opgemerkt  : «  Het ontstaan en de ontwikkeling van het Arabisch schrift stemmen chronologisch zo goed overeen met de invoering van een monotheïstische leer op het Arabisch grondgebied dat het moeilijk is om geen wederzijds verband te zien tussen beide feiten  » (Histoire de la littérature arabe, dl. I, p. 58).

Vanaf de 6de eeuw van onze tijdrekening doen de Arabieren afstand van het alfabet dat bij hen gangbaar was ten voordele van een nieuw systeem, afgeleid van het Aramees schrift. Het Aramees was, zoals bekend, in die tijd de grote handelstaal van het oude Oosten. Van die Aramese cursieve letter, die toelaat vlot te schrijven, gaan de Arabieren vervolgens over naar het eigenlijke Arabisch schrift  ; deze evolutie kunnen we volgen dankzij verschillende inscripties teruggevonden in de regio Syrië-Mesopotamië.

Maar wie heeft de Arabieren doen overschakelen op dat nieuwe alfabet  ? Christelijke monniken. Inderdaad  : twee beroemde inscripties uit de zesde eeuw, die van Zabad en Harran – twee plaatsen in Syrië – zijn christelijk. 2 Net zoals de HH. Cyrillus en Me­thodius later het cyrillisch schrift uitvonden om de Slaven te bekeren, «  zijn het vooral christenen die alfabetten schiepen voor de volkeren die zij bekeerden en die hen hebben leren lezen en schrijven. Het zogezegd klassiek Arabisch vormt daarop geen uitzondering. Het Arabisch alfabet is te danken aan de christenen, want het is bij de Arabische christenen van Syrië dat men de oudste voorbeelden van dat schrift terugvindt  » (François Nau, Les Arabes chrétiens de Mésopotamie et de Syrie du VIIe au VIIIe siècle, Parijs, 1933, p. 96).

De beide inscripties van Zabad en Harran bewijzen inderdaad dat de Arabische taal en het Arabisch schrift in de zesde eeuw vastlagen en gebruikt werden in de christelijke gemeenschappen van Syrië, samen met het Grieks en het Syrisch. «  Het lijkt er evenwel niet op dat men het Arabisch veel gebruikt heeft  » (ibid., p. 98). Dat gaat echter veranderen met het opduiken van de Koran, het werk van een onvergelijkbaar genie.

In de ontstaansgeschiedenis van het Arabisch komt soera I, in feite een zuiver joods gebed (cf. broeder Bruno Bonnet-Eymard, Le Coran. Traduction et com­mentaire systématique, deel 1, uitg. CRC, 1988), vlak na de inscriptie van Harran (568). Zij is het eerste literair document dat het bestaan van een Arabische geschreven en gesproken taal betuigt. Daarna volgen soera’s II en III, met hun reeds typisch islamitisch karakter, die het werk zijn van een muhammadun, voorwerp van goddelijke begunstiging.

APOSTEL

Nadat «  de God  » over deze «  welbeminde  » het «  geschrift  » heeft doen neerdalen, heeft die daardoor «  de Torah en het Evangelie  » ten geschenke gekregen (III, 3).

In soera II brengt hij de vereisten van de Torah in herinnering. In soera III predikt hij het Evangelie. Hij doet dat als grote kenner en nabootser van Sint-Paulus. De parallellen tussen beiden zijn talrijk en opvallend  :

1° Beiden geven aan Jezus zijn messiaanse aan­spreking, die door Jezus zelf vermeden werd vóór zijn Verrijzenis, maar die vanaf Pinksteren in de mond van de apostelen zijn tweede benaming werd  : «  de Christus  »,’al-masîh (III, 45), van het Hebreeuws mâsjîah, «  gezalfde  ».

2° Volgens de Brief aan de Galaten is Jezus «  geboren uit een vrouw  » (Ga 4, 4). Op dezelfde manier laat de auteur van de Koran nooit na eraan te herinneren dat Jezus «  zoon van Maria  » is (II, 87, 253; III, 45) – maar met de bedoeling zijn goddelijkheid te ontkennen (cf. Lc 1, 32  : «  Zoon van de Allerhoogste  »).

3° In dezelfde Brief verklaart Sint-Paulus dat er «  geen Jood of heiden meer is, geen slaaf en geen vrije, geen man en geen vrouw  », omdat allen één zijn «  in Christus Jezus  » en door Hem toebehoren aan «  de afstamming van Abraham, erfgenamen volgens de belofte  » (Ga 3, 28). Op dezelfde manier verklaart de auteur van soera III dat hij geen onderscheid maakt tussen «  Abraham, Ismaël, Izaäk, Jacob en de stammen  » en evenmin tussen «  Mozes, Jezus en de profeten  » (III, 84).

Door geen «  onderscheid  » te maken tussen Ismaël, de zoon van de slavin Agar, en Izaäk, de zoon van Abrahams wettige echtgenote Sara, eigent de schrijver zich heel het jodendom toe, ten voordele van de Arabieren, kinderen van Ismaël. Door in een tweede beweging geen verschil te maken tussen Mozes en Jezus schaft hij het «  onderscheid  » af tussen het Oude en het Nieuwe Testament, tussen het in handen van de Arabieren gegeven jodendom en het christendom. Zo wordt heel de Bijbel teruggebracht tot één enkel «  verbond  »  : datgene wat God sloot met Abraham en Ismaël.

4° Sint-Paulus beseft dat hij apostel van God is en opvolger van de profeten. Zij waren de mannen van het Woord  ; ook hij werd door God gekozen om de blijde boodschap te verkondigen. Zo is de auteur van de Koran er zich ook van bewust het orakel van God te zijn (II, 151; III, 144, 164). Als opvolger van Mozes en Jezus is hij, «  de welbeminde  », muham­madun (III, 144), uitverkozen om de «  blijde boodschap  », busrâ (II, 97; III, 126), van het Hebreeuwse werkwoord bâsjar, «  goed nieuws vertellen  », aan te kondigen.

MILITAIR AANVOERDER

De schrijver van de Koran is ook de man die zijn volk, de Arabieren, als een nieuwe Mozes aanvoert in de strijd. Het gaat om een heilige oorlog  : «  Bestrijd op het pad van God hen die u bestrijden  » (II, 190). «  Pad  », sabîl, van de poëtische Hebreeuwse term sjebîl, heeft niets te maken met Mekka of Medina maar wijst op de weg naar Jeruzalem. En de vijanden zijn geen stammen van bedoeïenen maar de By­zantijnen, die de Heilige Stad in handen hebben.

Het doel van de strijd is de verovering van Jeruzalem, Salem in de psalmen, in de Koran’as-silm (II, 208). Daar moet het Huis,’al-bayt (Hebreeuws bayit), dat wil zeggen de Tempel, terug opgericht worden. Op de «  plaats van Abraham  », maqâmu’ibrâhîma (II, 125) – de rots waar de aartsvader bereid was zijn zoon Izaäk te offeren en waarop later volgens de traditie de Tempel gebouwd werd – moeten de gelovigen, de kinderen van Ismaël, opnieuw kunnen bidden. Zij moeten naar de Heilige Stad op «  bedevaart  », hijju, kunnen gaan en zo het Koninkrijk Gods herstellen.

Dat alles heeft een precieze historische context, die niets te maken heeft met het Arabisch schiereiland, maar met de wedijver om het bezit van Jeruzalem.

We schrijven 614. De Perzische vorst Chosroës II (reg. 590-628), die het grootste deel van Klein-Azië op het Byzantijnse rijk heeft veroverd, keert zich naar Palestina met de bedoeling zijn christelijke vijanden uit de Heilige Stad te verdrijven. Het Perzisch leger krijgt de steun van de Joden uit de diaspora, die maar al te blij zijn het christelijk juk te kunnen afwerpen  ; de welgestelde Benjamin van Tiberias zorgt voor meer dan twintigduizend strijders. De Perzen kunnen echter ook rekenen op een contingent van vijfduizend “ Sarracenen ” onder leiding van – volgens onze interpretatie – de auteur van de Koran.

De militaire campagne slaagt  : na een beleg van twintig dagen geven de christelijke strijdkrachten in Jeruzalem zich over. Maar daarop keren de Joden zich tegen hun Sarraceense bondgenoten  : die worden door hen verraden en dreigen door de Perzen over de kling gejaagd te worden. Gelukkig heeft «  de God  » hen beschermd «  door hen te verspreiden  », bi-badrin (III, 123), van het Hebreeuws biddér, «  verstrooien  » (bi is een voorvoegsel). Blachère en Masson vertalen verkeerdelijk met een eigennaam  : «  De God heeft hen beschermd in Badr  », verwijzend naar de zogenaamde overwinning van de volgelingen van «  Mohammed  » op de Mekkanen in het tweede jaar van de hegira… Pater Lammens besefte al dat de gegevens van de islamitische traditie over die “ veldslag ” niet historisch waren.

De echte betekenis is dus helemaal anders  : de God heeft zijn volgelingen gered van uitmoording door de Perzen doordat ze konden vluchten en zich verspreiden. Zo houdt Hij hen in reserve voor de toekomstige revanche. «  Stel uw hoop in de God  !  » (III, 123). Want de aanvoerder-auteur geeft zijn grootse plan niet op  : uit de mislukking puurt hij de belofte van een «  restauratie  », een definitieve «  terugkeer  », naar het voorbeeld van Jezus in het Evangelie, die de aankondiging van zijn Lijden en dood altijd laat volgen door die van zijn Verrijzenis  ; of op de wijze van Sint-Paulus, die zegt al zijn kracht te halen uit zijn zwakte zelf (2 Co 12, 10).

En inderdaad zal Jeruzalem een kwarteeuw later, in 638, veroverd worden door de Arabieren, de kinderen van Ismaël…

broeder Bruno van Jezus-Maria
Hij is verrezen  ! nr. 81, mei-juni 2016


(1) Zie het artikel Van islamofobie naar islamologie, in Hij is verrezen  ! nr. 53, september-oktober 2011.

(2) Zie het artikel Voor een dialoog met de islam. Een nieuwe visie op de Koran, in Hij is verrezen  ! nr. 27, mei-juni 2007. Beide inscripties zijn in het artikel afgebeeld (pp. 10-11).