De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

DE VERSCHIJNING VAN LA SALETTE

1. Relaas van de verschijning van Onze-Lieve-Vrouw van La Salette

door E.H. Giray, missionaris van La Salette (1911)

HET was 19 september 1846, een zaterdag, vooravond van het feest van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Smarten, rond 3 uur in de namiddag  ; de hemel was wolkenloos, er was geen mist… Op dat ogenblik – onder een stralende zon die elke illusie of elk bedrog onmogelijk maakte – vond op de berg van La Salette, 1800 m hoog, een wonderteken plaats in het bijzijn van twee herdertjes  : een «  mooie Dame  » verscheen plotseling voor de verrukte ogen van Pierre-Maximin Giraud en Françoise-Mélanie Calvat-Mathieu. De twee kinderen, van wie de een net elf geworden was en de ander bijna vijftien was, waren geboren in Corps en hadden als gemeenschappelijke kentrekken hun afkomst, hun armoede, hun onwetendheid, hun onschuld en zelfs hun beroep. Maar hun karakter was heel verschillend  : de kleine jongen was druk, oppervlakkig en extrovert, terwijl het meisje humeurig, zwaarmoedig en weinig communicatief was.

Maximin en Mélanie

Maximin en Mélanie.
Daguerreotype uit 1846,
het jaar zelf van de Verschijning.

Bovendien kenden de twee kinderen mekaar nauwelijks. Mélanie, die vier jaar ouder was dan Maximin, was al van haar zeven of acht jaar “ in dienst ”, zodat Maximin zelfs niet van haar bestaan afwist. Na op verschillende plaatsen gewerkt te hebben hielp het meisje vanaf maart 1846 bij Baptiste Pra, landbouwer in La Salette in het gehucht Les Ablandins. Maximin was in hetzelfde dorp in dienst bij Pierre Selme, om als tijdelijk vervanger van een zieke stalknecht voor vier koeien te zorgen.

Maximin ontmoette Mélanie voor de eerste keer op donderdagavond 17 september. De dag daarop zag Pierre Selme, die bezig was met hooien aan de voet van de Planeau de la Salette, hen spelen  ; ze waren vooral bezig met het opeenstapelen van stenen om zgn. “ paradijsjes ” te maken, versierd met alpenbloemen.

De negentiende bevonden zij zich op dezelfde plaats, op de berg Sous-les-Baisses, met hun kleine kudden. Rond de middag, toen het Angelus klepte, gaven ze hun koeien in opdracht van Pierre Selme te drinken aan de Fontaine des Bêtes. Daarna trokken ze weer omhoog tot aan de vallei van de Sézia, waar ze bij de Petite Fontaine, die toen droog stond, hun karig middagmaal opaten. Totaal tegen hun gewoonte strekten ze zich toen op enige afstand van elkaar uit op het gras… en vielen in slaap.

Rond halfdrie werd Mélanie als eerste wakker. Ze wekte Maximin en beiden klommen omhoog naar het plateau dat het ravijn beheerste. Van daaruit zagen ze hun koeien vredig liggen herkauwen, waarna ze gerustgesteld weer naar beneden liepen. Plotseling stootte Mélanie een luide kreet uit, bij het zien van een stralende lichtbol waarvan de schittering de hele vallei vulde… Maximin kwam naar haar toe gelopen, en toen hij zag dat ze van schrik haar herdersstaf had laten vallen zei hij  : «  Hou je stok bij je… Als hij ons kwaad wil doen, zal ik eens een flinke tik geven  !  »

Op dat moment opende de mysterieuze lichtbol zich en een «  mooie Dame  » werd zichtbaar, neergezeten op één van de “ paradijsjes ” van opeengestapelde stenen. Haar houding was er een van ontroostbaar verdriet, het hoofd in de handen en de ellebogen op de knieën… Even later stond zij recht, deed enkele stappen in de richting van de herdertjes en zei hen  : «  Kom dichterbij, kinderen, wees niet bang. Ik ben hier om jullie groot nieuws te vertellen.  »

Onze-Lieve-Vrouw van La SaletteGerustgesteld daalden de twee kinderen verder af in het ravijn en gingen tot dichter bij de Verschijning, die zij langdurig in ogenschouw konden nemen. Op haar hoofd een diadeem van stralen en een kroon van rozen. Een witte hoofddoek, afgezoomd met een band van rozen, over haar schouders geworpen. Een kleed van licht, helemaal wit met gouden lovertjes. Op haar borst een kruisbeeld, met een trektang en een hamer «  die daar zomaar hingen zonder vastgemaakt te zijn  »; maar om het kruisbeeld te ondersteunen droeg de Dame rond haar hals een kleine ketting. Verder had zij nog een tweede ketting omhangen, een heel zware ketting die haar schouders naar beneden leek te drukken als om de last van onze zonden te symboliseren. Tenslotte droeg ze een goudkleurige voorschoot – de nederige dracht van «  de dienstmaagd van de Heer  » – en witte schoenen met gouden gespen en roosjes er op.

Haar gelaat was van een goddelijke schoonheid, maar getekend door een diepe droefenis. Maximin zag enkel haar voorhoofd en haar kin  ; de rest was te stralend om iets te kunnen onderscheiden. Mélanie daarentegen kon het hele voorkomen van de Dame aanschouwen. Later vroeg men aan Maximin  : «  Hoe komt het dat jij niet de hele figuur van Onze-Lieve-Vrouw hebt kunnen zien, en Mélanie wél  ?  » – «  Dat weet ik niet. Ik was misschien niet braaf genoeg.  » – «  Mélanie was dus braver dan jij  ?  » – «  Dat weet alleen God… Misschien moest Mélanie bekeerd worden. Ik weet het niet  !  » Die uitspraak kan er op wijzen dat Maximin het oudere meisje misschien benijdde omdat ze meer begunstigd was dan hij. In elk geval had hij uit het diepbedroefde accent van de stem opgemaakt dat het om een ziel in nood ging, «  een moeder die door haar kinderen geslagen was en die de bergen ingevlucht was om te kunnen uithuilen  ». Mélanie van haar kant begreep het mysterie van La Salette nog beter toen ze de tranen zag die uit de ogen rolden en oplosten in het licht, als vuurgensters…

Toen begon de «  mooie Dame  » te spreken, eerst in het Frans en daarna in het plaatselijk dialect. Wat ze zei was vermengd met klachten, verwijten, verwittigingen en bedreigingen. De hemelse Boodschapster betreurde het plichtsverzuim van haar volk dat zo weinig onderdanig was, dat God lasterde, de heilige zondag profaneerde, de wet van de onthouding met voeten trad, niet meer bad of nauwelijks nog naar de Mis ging. Op die manier daagde haar volk de goddelijke toorn uit en verzwaarde het de wrekende arm van haar Zoon, die op het punt stond ons te kastijden. Tenzij wij ons gemeend zouden bekeren, stelden wij ons bloot aan alle mogelijke publieke en private rampen…

«  Als mijn volk zich niet wil onderwerpen, ben ik gedwongen om de arm van mijn Zoon neer te laten komen. Hij is zo zwaar en drukt zo naar beneden dat ik hem niet meer kan tegenhouden. Al zo lang lijd ik voor jullie  ! Als ik wil dat mijn Zoon jullie niet in de steek laat, ben ik verplicht om onophoudelijk voor jullie tot Hem te bidden. En niemand geeft zich daar rekenschap van  ! Jullie mogen zoveel bidden en werken als je wil, nooit zullen jullie de moeite die ik voor jullie gedaan heb kunnen herstellen  !

«  Ik heb jullie zes dagen gegeven om te werken, de zevende heb Ik voor mezelf voorbehouden en die wil men mij niet toestaan. Dat is het wat de arm van mijn Zoon zo zwaar maakt  ! De bestuurders van karren kunnen niet vloeken zonder de naam van mijn Zoon daarbij te noemen  ! Dat zijn de twee zaken die de arm van mijn Zoon zo zwaar maken.

«  Als de oogst mislukt, dan is dat jullie schuld. Ik heb het jullie vorig jaar doen zien met de aardappelen, maar jullie hebben er geen aandacht aan geschonken. Integendeel, als jullie bedorven aardappelen vinden dan vloeken jullie en noemen daarbij de naam van mijn Zoon. De aardappelen zullen verder rotten en met Kerstmis zullen er geen meer zijn.  »

Op dat ogenblik keek Mélanie naar Maximin als om hem te vragen wat de woorden van de «  mooie Dame  » betekenden. Toen zei de H. Maagd tot hen  : «  Ah  ! Jullie begrijpen geen Frans, kinderen  : ik zal het anders zeggen.  » Daarop hernam ze, in het dialect van Corps, haar laatste woorden  : «  Als de oogst mislukt…  », en het vervolg. Dan ging ze verder in de volkstaal  : «  Als jullie graan hebben, moeten jullie het niet zaaien. Alles wat jullie zaaien zal door de dieren opgegeten worden, en wat toch opschiet, zal tot stof uiteenvallen wanneer het gedorst wordt. Er zal een grote hongersnood komen. En tevoren zullen de kinderen onder de zeven jaar de stuipen krijgen en sterven in de armen van de volwassenen. De anderen zullen boete doen door de hongersnood. De noten zullen slecht worden en de druiven rotten.  »

Na deze woorden sprak de H. Maagd verder, maar Mélanie verstond haar niet meer, al zag ze de lippen bewegen  : Maximin ontving een geheim. Daarna vertrouwde de mooie Dame ook aan Mélanie een geheim toe, dat Maximin niet kon verstaan.

Enkele beschouwingen zijn hier noodzakelijk, ten gevolge van het feit dat er jammer genoeg propaganda wordt gevoerd met min of meer recente hersenspinsels die voorwenden de authentieke tekst van het geheim van Mélanie te publiceren, met apocalyptische commentaren.

Gedurende vijf jaar waren de twee herdertjes met betrekking tot de mysterieuze boodschap van een absolute discretie  : ondanks alle mogelijke pogingen om iets van hun geheimen los te peuteren of hen op een vertrouwelijk woord te betrappen, bleven zij volkomen onvermurwbaar. In 1851 beslisten ze niettemin om hun geheimen kenbaar te maken aan de Paus, en aan hem alleen. Ze stelden ze dus op schrift, waarna de documenten door twee betrouwbare personen overgemaakt werden aan de H. Vader, die hen in privé-audiëntie ontving op 18 juli 1851. Bij de lectuur van de brieven toonde Pius IX een grote emotie… De dag daarop verklaarde kardinaal Lambruschini [ een vertrouweling van de paus ] dat de H. Vader hem de geheimen van La Salette meegedeeld had. Sindsdien berusten ze in de pauselijke archieven.

Glasraam in de basiliek van La Salette

De wenende Maagd met de twee herdertjes. Glasraam in de basiliek van La Salette.

Men moet dus alle sensationele publicaties die de zgn. Geheimen van La Salette en de ingebeelde interpretaties ervan te grabbel gooien voor de publieke nieuwsgierigheid als zeer verdacht beschouwen. Het Heilig Officie heeft de verspreiding van dit soort zaken in 1880 veroordeeld.

Het is veel beter zich te houden aan het Feit zelf en aan de publieke Boodschap. De H. Maagd ging inderdaad verder met haar toespraak, waarbij ze door de beide kinderen gehoord werd  : «  Als ze zich bekeren, zullen de stenen en de rotsen veranderen in stapels graan en zullen de aardappelen zichzelf planten.  »

«  Bidden jullie goed, kinderen  ?  », vroeg de Dame hen vervolgens. De herdertjes antwoordden  : «  Niet zoveel, Mevrouw.  » – «  Ach, kinderen, jullie moeten ’s avonds en ’s morgens bidden. Als jullie niet beter kunnen, zeg dan minstens een Onzevader en een Weesgegroet. En als jullie de tijd hebben, moeten jullie er meer opzeggen.

«  Er gaan slechts enkele oudere vrouwen naar de mis  ; de anderen werken heel de zomer lang ook op zondag, en als zij in de winter niet weten wat doen, gaan ze enkel naar de mis om met de godsdienst te spotten. En in de Vasten lopen ze naar de slager als honden  !  »

En verder  : «  Hebben jullie nooit bedorven graan gezien, kinderen  ?  » Allebei antwoordden ze  : «  Neen, Mevrouw.  » Daarop sprak zij tot Maximin  : «  Maar jij, kleine, moet dat toch ooit een keer gezien hebben, met je vader, in de buurt van Coin. De eigenaar zei tegen je vader  : “ Ga kijken hoe mijn graan bederft. ” Jullie zijn er met zijn tweeën naartoe gegaan. Je vader nam twee of drie aren in zijn hand, wreef er over en alles werd tot stof. Toen jullie terugkeerden en nog slechts een halfuurtje van Corps verwijderd waren, gaf je vader jou een stuk brood en zei  : “ Hier, kind, eet nog wat brood dit jaar, want ik weet niet wie er volgend jaar nog zal kunnen eten als het graan zo verder bederft. ”  » En Maximin antwoordde  : «  Dat is waar, Mevrouw, ik was het vergeten.  »

De H. Maagd besloot haar toespraak met volgende, in het Frans uitgesproken woorden  : «  Wel, kinderen, jullie moeten mijn woorden doorgeven aan heel mijn volk.  » Daarop liet ze de herderskinderen achter, stak de bergrivier de Sézia over en zei een tweede keer, zonder zich om te draaien  : «  Dus, kinderen, jullie moeten mijn woorden doorgeven aan heel mijn volk.  »

Daarop begaf ze zich naar het plateau, van waarop ze opsteeg boven de aarde om vervolgens terug te keren naar de serene hoogten van het uitspansel en het Paradijs… En plots begon het water van de “ kleine fontein ” opnieuw te stromen  !

Aan het eind van de namiddag, toen de zon begon onder te gaan, haastten Maximin en Mélanie zich met hun kudden terug naar het gehucht Les Ablandins, waar ze hun meesters alles vertelden wat ze op de berg gezien en gehoord hadden.

En het verhaal dat de herdertjes op de dag zelf van 19 september 1846 gedaan hebben, dat zijn ze sindsdien onveranderlijk blijven herhalen, zowel tegenover een ontelbare menigte bedevaarders als tegenover de burgerlijke en religieuze gezagsdragers.

«  Ik bevestig  », schreef Mélanie op 4 november 1850, «  om getuigenis af te leggen aan de Waarheid en tot meerdere eer en glorie van God en van de H. Maagd, dat ik de waarheid omtrent de Gebeurtenis van La Salette op 19 september 1846 altijd gezegd heb en altijd zal zeggen, zonder er variaties in aan te brengen. Als ik een eed zou moeten afleggen op wat ik toen gezien en gehoord heb, zou ik dat doen zonder angst God te beledigen en meineed te plegen.  » Tot aan haar dood op 15 december 1904 heeft zij haar oorspronkelijk relaas integraal staande gehouden.

Op dezelfde manier stelde Maximin op 14 april 1847 volgende nota op  : «  Ik verklaar vóór God dat ik op de berg van Dorcières de H. Maagd gezien heb, even schitterend als de zon.  » In zijn testament herhaalde hij  : «  Na mijn dood mag niemand komen verzekeren of zeggen dat hij mij heeft horen terugkomen op de grote Gebeurtenis van La Salette  ; want wie zo zou liegen tegenover de hele wereld die zou tegen zichzelf liegen.  » Alvorens te sterven – op 1 maart 1875 – wou hij nog plechtig zijn geloofsbelijdenis hernieuwen. De priester had het heilig viaticum gebracht en er waren ook verschillende mannen uit de buurt aanwezig die de stervende had laten roepen. Toen sprak hij met een laatste krachtinspanning  : «  Ik neem mijn God die ik ga ontvangen tot getuige, mijn God die mijn Rechter zal zijn, dat ik nooit gelogen heb over de Verschijning van La Salette. Ik heb ze verhaald zoals ik ze gezien en gehoord heb. Ik zweer het op mijn zielenheil  !  »

Toen hij weet had van de aanvallen gericht tegen de Verschijning, zei hij begin 1851  : «  Het mirakel van La Salette is een bloem die men nu door het slijk haalt, maar die vruch-ten zal dragen in de herfst en weer zal bloeien in de lente.  »

Dezelfde overtuiging bij Mélanie  : «  Heb je horen spreken  », zo vroeg men haar in 1854, «  over alle leugens die de vijanden van La Salette op dit ogenblik tegen de Verschijning verspreiden  ?  » – «  Bah  ! Ze kunnen doen wat ze willen, La Salette zal altijd triomferen  !  »

Als er onder onze lezers personen zouden zijn die jammer genoeg toch enige twijfel koesteren, net zoals de pastoor van Ars ook zelf heeft gehad, dan hopen wij dat zij weldra tot hetzelfde besluit zullen komen als hij, toen hij beter ingelicht was en overgelukkig tenslotte de troostende waarheid te kennen  : «  Nu zou het me niet meer mogelijk zijn niet te geloven in La Salette. Ik heb tekenen gevraagd om in La Salette te geloven, en ik heb ze verkregen  : men kan en moet geloven in La Salette  !  »