De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw
Print Friendly

DE VRIJMETSELARIJ
EEN ANGLO-PROTESTANTSE EN SATANISCHE SEKTE

Twee maanden voor de presidentsverkiezingen bracht de ontslagnemende Franse president Hollande een bezoek aan de hoofdzetel van de Grand Orient de France, de oudste vrijmetselaarsloge van Frankrijk. «  Mijn aanwezigheid betekent een erkenning van alles wat u voor de Republiek hebt gedaan  », aldus Hollande. «  De Republiek weet wat zij u verschuldigd is  » (RT en français, 27 februari 2017). Deze openlijke hulde aan een genootschap dat, al van zolang het bestaat, in de grootste geheimzinnigheid gehuld is, zet aan het denken  : waar houden de loges zich écht mee bezig  ?

Schortjes met maçonnieke emblemen, witte handschoenen, kaarsen en, niet te vergeten, het hele systeem van de graden  : allemaal folklore en oogverblinding om het ware geheim van de vrijmetselarij te verhullen.

DE vrijmetselarij streeft, zoals bekend, naar verdraagzaamheid, vrij onderzoek en universele broederlijkheid. En dat zal wel waar zijn, als men ziet hoe zij aanwezig is overal waar de grote woorden Vrijheid, Gelijkheid, Broederlijkheid aangehaald worden, discreet in de strijd, triomferend na de zegepraal.

Maar als men erover nadenkt, is het eerder verontrustend dan geruststellend te zien dat de vrijmetselarij principes vooropstelt die op zichzelf eigenlijk helemaal niets zeggen. Laat ons er bv. de «  Grondwet van het Grootoosten van Frankrijk  », daterend van 1885, op nalezen. Deze tekst laat niets uitlekken over het intrigerend geheim van de vrijmetselarij  :

«  De vrijmetselarij, in wezen een filantropische, filosofische en vooruitstrevende instelling, heeft tot doel het zoeken naar de waarheid, de studie van de moraal en het in de praktijk brengen van de solidariteit. Zij werkt aan de stoffelijke en morele verbetering, aan de intellectuele en sociale vervolmaking van de mensheid.

«  Zij heeft als beginselen de wederzijdse verdraagzaamheid, de eerbied voor de anderen en voor zichzelf en de absolute gewetensvrijheid. Zij aanvaardt geen enkel dogma, omdat metafysische opvattingen volgens haar uitsluitend behoren tot het persoonlijk domein van haar leden.

«  Zij heeft als leuze  : Vrijheid, Gelijkheid, Broederlijkheid.

«  De vrijmetselarij heeft tot plicht de broederbanden die de vrijmetselaars over de hele aardbol verenigen, uit te breiden tot de hele mensheid. Zij raadt haar aanhangers aan propaganda te voeren door het voorbeeld, door woord en geschrift, onder voorbehoud van het in acht nemen van het maçonniek geheim.

«  De vrijmetselaar heeft tot plicht zijn broeder in alle omstandigheden te helpen en te beschermen, zelfs als dit zijn leven in gevaar zou brengen, en hem te verdedigen tegen elke onrechtvaardigheid.  »

ZOEKEN ZONDER OOIT TE VINDEN

Men zou dit kunnen vergelijken met een trein, getrokken door een sterke locomotief, met wagons voorzien van airconditioning, met veel en deftig personeel, die op weg is naar… nergens. Wordt er dan al 300 jaar naar de waarheid gezocht zonder iets te vinden  ? Bestudeert men de moraal zonder ooit iets vast te leggen  ? In naam waarvan en ten bate van wie beoefent men de solidariteit  ? Daar ligt zeker het geheim dat streng moet bewaard blijven. Maar hoe kan men verbroederen met alle mensen als er sprake is van een mysterieus geheim  ?

Volstaat het, om aan het verwijt van fanatisme, onverdraagzaamheid en totalitarisme te ontsnappen, dat men de grote beginselen van gewetensvrijheid, ideologisch pluralisme en eerbied voor de anderen preekt  ? Dat zou al te gemakkelijk zijn  ! De geschiedenis bewijst dat onder dergelijke verleidelijke termen vaak het meest krampachtige gescherm met dogma’s en het ziekelijkste streven naar macht schuilgaan. Wij moeten dus van dichtbij onderzoeken wat men verbergt onder zoveel zoete woorden…

Zij die verklaren een gedeeltelijke of de volle Waarheid te bezitten, in de zekerheid van hun geloof of hun wetenschap, verklaren door dit feit zelf alle andere theorieën en tegengestelde beweringen vals. Van dan af kunnen zij zich onverdraagzaam voordoen, indien zij het bestaan van hen die andere ideeën hebben niet verdragen, en fanatiek, als zij beweren hun zekerheden niet te moeten bewijzen om ze aan de hele wereld op te leggen. Zij kunnen zich ook tolerant en zelfs liberaal tonen door iedereen de mogelijkheid te bieden er een andere overtuiging op na te ­houden en door toe te laten dat hun geloofsleer aan het onderzoek van anderen wordt onderworpen.

De vrijmetselaars zeggen de waarheid te zoeken. Ze mogen zich dan verdraagzaam en liberaal noemen, dat neemt niet weg dat zij daardoor met grote beslistheid weigeren te aanvaarden dat de waarheid reeds tot de mensen zou gekomen zijn, dat zij reeds gevonden en gekend is en beleden wordt. Hun zoeken houdt de ontkenning en weigering in van alle bestaande religieuze, filosofische en morele systemen.

Men moet zich daarom afvragen of dat beginsel van het zoeken naar de waarheid, zonder ze ooit te vinden, wel oprecht is. Een totale onwetendheid, een blijvend zoeken dat nog steeds voor elke mogelijkheid openstaat, een methodische twijfel die zo constant blijft, zonder vooruitgang of zonder resultaat, definitief zoals een Credo, is niet in staat een ruime menselijke beweging op gang te brengen, indien achter dit alles geen grote gedachtenstrijd of geen meedogenloos gevecht voor het verwerven van invloed en macht schuilgaat.

ONVERDRAAGZAAMHEID, FANATISME, TOTALITARISME

Daarom lijkt de aangehaalde maçonnieke Grondwet duidelijk op een strijdmanifest tegen elke vermeende of door God aan de mensen geopenbaarde Waarheid, tegen elk theoretisch of praktisch systeem door de menselijke rede of het moreel geweten opgezet en tegen elke instelling die er de wereldlijke arm van zou uitmaken. Zo komt men er toe de vrijmetselarij ervan te verdenken in feite het besluit te hebben genomen haar eigen geheime ideeën, haar dogma’s en haar moraal, met uitsluiting van alle andere, aan de wereld te willen opleggen, door heel het verleden van tafel te vegen, de systematische twijfel te verheerlijken en alles in vraag te stellen.

Onder elkaar geven de vrijmetselaars dat onomwonden toe. Men kan dit lezen in het ritueel van La Clémente amitié de Paris  :

«  De verdraagzaamheid in de ideeën houdt geen feitelijke verdraagzaamheid in. Wij zijn de onverzettelijke tegenstanders van alle organisaties die streven naar de ontkenning van het vrije oordeel van de mens, namelijk van de godsdienstige organisaties die ons willen onderwerpen [sic !]. Wij verklaren ons tot vijand van alle priesters en monniken. Wij aanvaarden voor Frankrijk slechts één bestuursvorm, namelijk de Republiek  » (Jacques Ploncard d’Assac, Le secret des francs-maçons, 1979, p. 139).

Soortgelijke uitspraken kan men vinden in «  La Franc-Maçonnerie à I’heure du choix  » van Alec Mellor (1963). Hier volgt een citaat  :

«  Men spreekt van verdraagzaamheid. Dat woord moet uit onze woordenlijst geschrapt worden, ­omdat het een excuus is voor alle zwakheden en alle compromissen toelaat. Een vrijmetselaar mag niet verdraagzaam zijn. Wat moet onze houding zijn ten aanzien van de meningen van anderen  ? Op dat vlak zeg ik dat wij onverdraagzaam moeten zijn, wij ­zowel als onze tegenstrevers  : wij moeten voortdurend alle meningen bestrijden die volgens onze proef- ondervindelijke, wetenschappelijke, rationalistische analyse niet overeenstemmen met datgene wat wij als waarheid aannemen  » (p. 162).

Kort gezegd, de vrijmetselaar denkt. De anderen hebben slechts geloof en meningen, die zijn aandacht niet waardig zijn en die eenvoudigweg met alle middelen moeten vernietigd worden.

Wij hebben er een bewijs van in het boek van Dr. Pierre Simon, «  De la vie avant toute chose  », verschenen in 1979. Onder deze paradoxale titel verhaalt de dokter zijn strijd vóór abortus en contraceptie. De vrijmetselaar Simon beweegt zich in het absolute van zijn gedachten, die hij opdringt zonder ze te verrechtvaardigen. Alle andere bepalingen in verband met het leven, alle opvattingen met betrekking tot wat zedelijk goed is of verband houdt met het ware menselijk geluk, zijn voor hem slechts meningen, geloofspunten of taboes, erfenissen van het obscurantisme. Achter het masker van de maçonnieke verdraagzaamheid zien we hier het totalitarisme van de vrijmetselarij aan het werk, dat doodt in de naam van het leven en op weerzinwekkende wijze onschuldig bloed doet vloeien.

Merkwaardig genoeg is in het denken van Simon vooral sprake van strijd  : «  Op twee fronten… tegen de vijand… twee bruggenhoofden, versterkt door verse troepen… Onze slagkracht… een bijkomend wapen in het gevecht. Voorwaarts voor de Lange Mars… waar de tactiek het voornaamste is… Onze tegenstrevers… het oude beest tracht nog te bijten… Het herneemt het offensief op ideologisch vlak, om het oude bijgeloof terug op de voorgrond te dringen… enzovoort  » (pp. 133-136). Dát is de verdraagzaamheid van de vrijdenkerij  !

DE FUNDAMENTELE LEUGEN

De vrijmetselarij liegt over haar diepste wezen door voorop te stellen dat zij de waarheid zoekt zonder haar te vinden en zonder iets aan iemand op te leggen, noch een godsdienstige, politieke of sociale overtuiging, noch een maatschappijontwerp. Zij liegt over haar algemene verdraagzaamheid, zij liegt over de vrijheid van denken, leven en handelen van haar leden.

Arnaud de Lassus heeft gelijk  : «  Wij stellen vast dat er logica en methode zit in de wijze waarop de grote campagnes geleid werden voor familieplanning, contraceptie, abortus, euthanasie, afschaffing van de doodstraf. Dat veronderstelt een centrum waar de beslissingen werden genomen en de coördinatie werd gepland, een hoofdmotor. Wij geloven dat dit voornamelijk een zaak is van de vrijmetselarij  » (Permanences nr. 154, nov. 1978).

Ploncard d’Assac schrijft  : «  Men komt ertoe zich af te vragen of het verborgen deel van de geschiedenis niet het voornaamste is.  » Na het lezen van zijn boek staat het als een paal boven water dat de verdraagzaamheid van de vrijmetselarij niets anders is dan een grove leugen. Het vrijmetselaarsgenootschap heeft een dogma, een ethiek en een grote macht over haar leden. Zij heeft haar plan aangaande de menselijke samenleving. En zij wordt bezield door een felle machtsdrang om ons allemaal in slavernij te dompelen. Dat is haar geheim, dat wij moeten trachten te doorgronden om het overal bekend te maken en het te verijdelen.

EEN SMERIG GEHEIM  :
DE PROTESTANTSE ANGLOMANIE

In de grond is de vrijmetselarij een kracht die elk godsdienstig geloof en elke politieke macht vernietigt met de bedoeling om de mensheid te ontvoogden. Velen beelden zich in dat daarin haar diepste geheim bestaat, waarvan zij de aandacht afleidt door allerhande inwijdingsriten, kostumeringen, wachtwoorden en graden, zaken waarmee men zich amuseert en waarin men verloren loopt. Maar dat zou geen echt groot geheim zijn voor een organisatie die het steeds heeft over de ontvoogding van het mensdom, waarvoor zij zegt te werken door de vrije gedachte en het vrije leven  ! En anderzijds is het te betwijfelen of zo’n genootschap lang zou kunnen bestaan en doelmatig werken met een dergelijk doel. Dit vooropgesteld geheim moet een ander geheim verbergen, dat méér te duchten is, dat menselijker en pragmatischer is. In die richting moeten wij verder zoeken.

EEN MOOI GEHEIM… DAT VALS IS

Ter herinnering eerst het volgende  : het oude gilde van de vrijmetselaars, bouwers van onze kathedralen, was onbetwistbaar christelijk. Het ­eerste hoofdstuk van de reglementen van deze échte “ vrijmetselarij ” was gewijd aan de plichten tegenover God en de godsdienst  : «  Uw eerste plicht als metselaar is trouw te zijn aan God en de Kerk en uzelf te behoeden voor dwalingen en ketterij  » (Dictionnaire apologétique de la foi catholique, art. Franc-Maçonnerie, kol. 97).

Toen de ere-vrijmetselaars zich daarin infiltreerden met de bedoeling om er een speculatieve of beschouwende vrijmetselarij van te maken, veranderden zij de geest en het doel van het oude ­gilde. De nieuwe manier van zijn en denken, die zij invoerden als een mooi en verschrikkelijk geheim, blijkt uit volgende tekst  :

«  De metselaar is beroepshalve verplicht aan de zedenwet te gehoorzamen. Hij zal geen domme atheïst zijn of geen ongodsdienstige libertijn. In vroeger tijden waren de metselaars verplicht de godsdienst van het land waar zij vertoefden aan te kleven. Maar nu neemt men aan dat het beter is iedereen zijn eigen opvattingen te laten en niemand nog te verplichten tot een godsdienst te behoren, tenzij tot een redelijke waarmee alle mensen akkoord gaan. […] Daardoor wordt de vrijmetselarij een centrum van eenheid en het middel om een ware vriendschap te sluiten onder lieden die zonder haar noodzakelijk voor altijd van elkaar zouden verwijderd blijven  » (D. A., kol. 97).

Hieruit moet men besluiten dat de vrijmetselarij op het einde van de 17de eeuw van operatief (bouwend, gebouwen metselend) speculatief is geworden en dat zij in één zelfde beweging is overgegaan van christelijk en loyaal naar humanistisch en universalistisch, in de trant van de filosofen van toen. Maar misschien wil men hiermee slechts zand in de ogen strooien, om een gevaarlijker opzet te verbergen.

ENGELSE VERDORVENHEID…

De aanvang van de moderne vrijmetselarij is vandaag volledig gekend. Zij verscheen in Engeland op een kritiek ogenblik in de geschiedenis van het eiland. «  Toen de strijd tussen de [katholieke] ­Stuarts en het parlement een aanvang nam, en later tijdens de krachtmeting tussen enerzijds de Stuarts en anderzijds de [protestantse] huizen van Oranje en Hannover, trachtten de politieke partijen met de hulp van de freemasons nationale manifestaties uit te lokken of voor te wenden  » (D. A., kol. 100).

Hier hebben wij een sterke leidraad vast  : het gaat om politieke samenzweringen. «  De koningen van het huis Stuart gebruikten dergelijke middelen en voerden ze in hun legers in.  » Infiltratie dus, dat is klassiek. «  Na de val van de Stuarts staken deze regimenten over naar Frankrijk en Italië. Ze bleven omkaderd door ingewijden, hun werkelijke leiders, zogezegd voor de “ koninklijke kunst ”, “ de verheven studie van de natuur ”, doch in feite en in het geheim voor het herstel van de gevallen dynastie.  » Ons oud apologetisch woordenboek ziet het juist. Aanvankelijk was er een Schotse, over het vasteland verspreide vrijmetselarij, van katholieke, royalistische overtuiging, in dienst van de geheime weerstand tegen de orangistische, protestantse dynastie die ten onrechte de troon bezet hield. [Tijdens de zgn. Glorious Revolution van 1688 was de katholieke Britse koning Jacobus II afgezet en vervangen door zijn schoonzoon, de Nederlandse stadhouder Willem III van Oranje – nvdr]

De prinsen van Oranje van hun kant bleven echter ook niet werkloos. Onder hun bescherming, en later onder die van de vorsten van het huis Hannover, vormde zich in Londen een vrijmetselaarsloge met als uitgesproken bedoeling overal een verdraagzame, natuurlijke en universele godsdienst in te voeren – we kennen het liedje nu – maar waarvan het geheime opzet was de Schotse vrijmetselarij een hak te zetten. Resultaat  : de orangistische vrijmetselarij infiltreert na de nederlaag van de Stuarts te Preston in 1715 de Schotse vrijmetselarij. Van dan af verbergt het schijngeheim van de speculatieve vrijmetselarij een ander, zeer streng geheim. Al snel worden de Schotse, katholieke regimenten geïnfiltreerd door hun ergste vijanden, de protestantse orangisten.

John Desaguliers

John Desaguliers, een Franse hugenoot uit La Rochelle die uitweek naar Londen, was in 1717 de grondlegger van de Grootloge van Engeland – met goedkeuring en steun van de Britse vorst George I van het huis Hannover.

Dokter John Desaguliers, een Franse protestant die als gevolg van de herroeping van het Edict van Nantes naar Engeland uitgeweken was, stelt aan koning George I voor om van de vrijmetselarij een genootschap te maken dat volledig onttrokken is aan de invloed van de Stuarts. Zó werd in Londen op 24 juni 1717 de Grootloge van Engeland gesticht, de moeder van de uitsluitend speculatieve vrijmetselarij.

De stichters van deze loge zorgen voor een grondwet die hun ware bedoelingen versluiert  : «  filosofische en sociale theorieën van pantheïstische en naturalistische strekking, die geen rekening houden met de bestaande godsdiensten en nationaliteiten, en zelfs neigen tot de vernietiging daarvan  » (D. A., kol. 101). Hier slaat het apologetisch woordenboek echter de bal mis  : de «  antireligieuze en antisociale samenzwering  » is slechts het masker  ! Onze auteur heeft niet door hoe naïef hij is wanneer hij vervolgt  : «  Maar de freemasons waren behendig genoeg om een scrupuleuze anglicaanse orthodoxie ten toon te spreiden.  » Hij had ook kunnen opmerken dat zij altijd met dezelfde behendigheid in handen bleven van de Engelse koning en intiem verbonden met zijn spionagediensten op het vasteland  !

De waarheid is, zoals Saintoyant schrijft in zijn goed gestaafd boek «  Une œuvre maçonnique  » (Limoges, 1941) dat deze Grootloge, moeder van alle loges ter wereld, van de Britse protestantse koning de opdracht kreeg met alle middelen de anglo- protestantse zaak, belichaamd door de dynastie van Oranje en later van Hannover, te dienen en de verafschuwde machten van de paus in Rome, de Bourbons in Frankrijk en alle Europese katholieke dynastieën te vernederen tot vernietiging toe. Zo was, is en zal de Engelse en universele vrijmetselarij altijd blijven.

… DIE VOET AAN WAL ZET IN FRANKRIJK

De Schotse, royalistische, katholieke vrijmetselarij veroverde de Franse adel door toedoen van de wat vreemde vriend en erfgenaam van Fénelon, ridder Ramsay, en van Charles Radclyffe, lord Derwentwater. Er was de aantrekkelijkheid van het geheim, de riten, de graden van inwijding, van een soort ontdubbeling van de samenleving… Het werd een mode. Maar al snel onderkenden de Franse koning Lodewijk XV en paus Clemens XII de orangistische infiltratie, omdat zij werden ingelicht door de verbannen koning Jacobus III. Vanaf 1737 verbood de Franse vorst de geheime vergaderingen, terwijl de paus de vrijmetselaars in de ban sloeg door de bul In Eminenti (1738). Maar door de oppositie van het parlement en de hoge adel werd aan geen van beiden in Frankrijk gehoorzaamd (cf. Ploncard, pp. 47-48).

Men amuseert zich in de loges, men filosofeert, men hekelt de Kerk en de Troon. Dat is de zichtbare zijde van het Franse filiaal van de Grootloge. Men bewondert Engeland in alles, men gaat ernaartoe om de maçonnieke inwijding te ontvangen, men krijgt er richtlijnen. In één woord – maar dat is de verborgen zijde ervan – men verraadt in volle oorlog zijn vorst en zijn land ten dienste van de Engelse vijand. Men speelt de immense besneeuwde vlakten van Canada kwijt, de weelderige onmetelijkheid van Indië, allemaal in een… maçonnieke schaterlach. Dat is wat ik het smerig geheim noem.

DE LOGE BEREIDT DE REVOLUTIE VOOR

Hertog Lodewijk Filips van Orléans, de neef van Lodewijk XVI, richtte de Grand Orient de France op, waar samengezworen werd om de absolute monarchie ten val te brengen. Als Philippe Egalité stemde hij in 1793 voor de dood van de koning.

In 1771 krijgt de vrijmetselarij in Frankrijk een nieuwe grootmeester  : de hertog van Orléans, de toekomstige Philippe-Egalité die tijdens de Revolutie zal stemmen voor de dood van zijn neef koning Lodewijk XVI… Hij reorganiseert de Loge onder de naam van het Grootoosten, dat van hem statuten krijgt in 1773 en een leuze in 1777  : Vrijheid, Gelijkheid, Broederlijkheid. In tegenstelling met de Engelse Grootloge wordt hier niet aan “ kwezelarij ” gedaan en heerst er geen loyauteit  : men smeedt samenzweringen. Er wordt gedroomd van een bloedige vernieuwing van de wereld, naar het voorbeeld van de Beierse Illuminati.

Op dat ogenblik slaagt de Amerikaan Benjamin Franklin erin aan de bekende loge van de Negen Zusters de mythe van de deugdzame revolutie op te leggen (Bernard Faÿ, Benjamin Franklin, bourgeois d’Amérique, 1929; cf. Ploncard p. 66). Van daaruit zal de republikeinse beweging in Amerika vertrekken, schepper van de eerste samenleving uitsluitend gebaseerd op maçonnieke principes  : de Verenigde Staten van Amerika. Tegen de Engelse belangen  ? Ja, maar nog altijd gericht tegen de paus en tegen de Bourbons (Saintoyant, p. 38). En dat is de essentie…

Op het Congres van Wilhelmsbad (Hessen) in 1782 wordt besloten tot de algemene revolutie – te beginnen met Frankrijk (cf. Faÿ, Saintoyant, Ploncard)  ! «  De samenzwering wordt zo goed beraamd dat het om zo te zeggen onmogelijk zal zijn voor de monarchie en de Kerk eraan te ontsnappen  », schrijft de hertog van Virieu (D. A., kol. 106).

In 1785 houdt de vrijmetselarij haar Congres in Parijs. Van durf gesproken  ! Het is het ogenblik van de eliminatie van de naïevelingen, de verwijdering van de leden van de adel, de koninklijke familie zelfs en de hoge geestelijkheid die allen slechts op de hoogte waren van de humanistische en filantropische schijn… en die hun naïviteit zullen betalen onder de guillotine. Alleen de echte ingewijden blijven over, de bezielers van de sociétés de pensée, de theoretici van de Rechten van de Mens, waarin de filosofie van de vrijmetselarij én die van de Revolutie van 1789 hand in hand gaan. Deze twee zijn één in wezen, zoals onweerlegbaar wordt bewezen door Saintoyant en zovele anderen  !

Gedurende de verschrikkelijke jaren van de Franse Revolutie is de vrijmetselarij de meesteres van de volksvergaderingen, de clubs en de comités  ; zij is het die de Journées révolutionnaires organiseert. Zij strijkt daarvoor het Engels geld op, en dat is het smerig aspect van haar geheim. Zij bereikt haar eerste doel met de «  burgerlijke constitutie van de clerus  » en haar tweede doel wanneer het hoofd van de koning op 21 januari 1793 in de rieten mand op het schavot valt.

Philippe-Egalité begrijpt te laat dat hij als borg gediend heeft voor een Engels en satanisch plan. Hij neemt ontslag als grootmeester van de Loge op 13 mei 1793. Weldra wordt hij gevangen genomen en veroordeeld tot de guillotine. Hij heeft berouw, biecht en sterft als katholiek. Maar de anglo-protestantse vrijmetselarij zegeviert op de puinhopen van de katholieke godsdienst en de monarchie van de Bourbons. De stichters van de Grootloge van Londen hebben goed gewerkt  !

IN DE GREEP VAN HET GROOTOOSTEN

Ik ga hier niet de geschiedenis van Frankrijk sinds 1789 herhalen. Anderen hebben dat gedaan. Zij is heel eenvoudig  : het is de geschiedenis van de steeds sterkere greep van het Grootoosten op de achtereenvolgende politieke machten.

De Loge brengt Napoleon aan de macht en laat hem in de waan dat hij de vrijmetselarij in zijn ­eigen voordeel kan gebruiken. Maar als zijn keizerrijk barsten vertoont, lopen de logebroeders over naar het nieuwe regime. Hun enig doel  : het dienstbaar te maken aan de beginselen van hun eigen revolutie, om zeker te zijn het hun wil te kunnen opleggen. Zo ontstaat de monarchie van het Charter en haar parlementaire grondwet, waarvan Thiers zal zeggen «  dat zij regelrecht is voortgekomen uit de schoot van de Franse Revolutie  ».

Vanaf dit tijdstip vervangt de vrijmetselarij de staat als bestuurder van het land door de politieke opinie, die zij zelf maakt. Zij breidt haar netwerk van nieuwe loges aanzienlijk uit. Zij vindt de «  liberale geest  » uit. In 1830 stoot zij Karel X van de troon en tegen Louis-Philippe, die haar blijft bestrijden, bereidt zij een nieuwe revolutie voor. In 1847 wordt op het Congres van Straatsburg de beslissing genomen tot een volksopstand, die het jaar daarop losbreekt in verschillende Europese landen, maar op een opmerkelijk selectieve wijze  : «  In Polen, Pruisen (maar enkel het Poolse deel), Milaan, Parma, Venetië, Napels, Rome, Firenze en Parijs.  » Uitsluitend in Latijnse of Slavische katholieke landen dus  !

Wanneer de Tweede Republiek in een ­complete chaos ten onder gaat, schuift de vrijmetselarij een oud-carbonaro als kandidaat naar voren en herbegint met Napoleon III het spel dat zo goed gelukt was met Napoleon I. Opnieuw bezetten de logebroeders het bestuur en het hof. Op het juiste ogenblik wisselt de vrijmetselarij van kamp  : ze loopt over naar de oppositie en onder het liberaal bestuur van logebroeder Emile Olivier bereidt zij opnieuw haar revolutie voor. De nederlaag van 1870 tegen de Pruisen maakt het haar daarbij gemakkelijk  : in de Commune herkent zij zichzelf.

Zij is voortaan stevig ingeplant, zowel in burgerlijke, zogezegd rechtse kringen, als in socialistische en anarchistische middens. Zij leidt de dans van de Derde Republiek en bereikt haar hoogste doel op 16 mei 1877 door de uitschakeling van Mac-Mahon. Het roer wordt overgenomen door de «  echte republikeinen  », nl. het Grootoosten, in het parlement, in het bestuur en weldra in het Élysée.

In hetzelfde jaar 1877 zet grootmeester Desmons [sic !], een duistere figuur die senator van Nîmes is, een belangrijke stap  : hij schaft in het Grootoosten de Bijbel als gewijd boek en de verwijzingen naar de “ grote Bouwmeester van het heelal ” af. De Grootloge van Engeland excommuniceert daarop die vreselijke, goddeloze Fransen… Maar ook dat is slechts oogverblinding. De Republiek, meer dan ooit onder het bevel van de universele vrijmetselarij, werpt zich met alle wettelijke en institutionele middelen waarover zij beschikt in de enige strijd die door de vrijmetselaars met hartstocht wordt gevoerd  : het antiklerikalisme. De andere maçonnieke en republikeinse campagnes zijn gericht tegen de familie (wet Naquet over de echtscheiding), tegen het ras (wet Crémieux over de Algerijnse Joden), tegen de monarchistische partijen en liga’s (het Ralliement), tegen het leger (de zaak Dreyfus)… Het republikeinse kolonialisme wordt gestimuleerd in de loges in het belang van het kapitalisme, maar meer nog om de missionaire uitbreiding van het katholicisme te dwarsbomen en te overkoepelen door een koloniaal bestuur dat volledig in vrijmetselaarshanden is.

De gedachten en de handelingen van de vrijmetselarij in de 20ste eeuw kunnen in enkele woorden uitgedrukt worden  : ontkerstenen, ontwapenen, ­doden van het nationaliteitsbewustzijn en parasiteren op het land dat door de loges uitgebuit wordt. Twee oorlogen met Duitsland waren er het gevolg van, die als bij mirakel twee nationale heroplevingen hebben mogelijk gemaakt, toen de grote massa zich verzette tegen hen die verantwoordelijk waren voor de decadentie en de vernoemde dubbele ramp. Tweemaal heeft de vrijmetselarij de grote middelen moeten gebruiken om haar macht te herstellen  : in 1926 de veroordeling door het Vaticaan van de Action française, in feite niets anders dan een beroep van het Grootoosten op de verachte geestelijke macht  ; en in 1945, op 15 augustus, de terdoodveroordeling van maarschalk Pétain, hoofd van de Franse Staat, die de loges in 1940 vogelvrij verklaard en verslagen had.

De Gaulle bracht de vrijmetselarij terug en herstelde haar, samen met de Republiek en de beginselen van 1789. Hij schonk Frankrijk een grondwet die even laïciserend, liberaal en “ broederlijk ” was als het charter van het Grootoosten. Langzaam aan, want ze zijn niet dapper, sloegen de broeders terug de richting in van de loges. Vandaag besturen zij de Franse staat opnieuw, door de publieke opinie die zij naar willekeur manipuleren.

LATIJNSE EN ANGELSAKSISCHE VRIJMETSELAARS

Alain Peyrefitte, schrijver van het boek Le Mal Français (1976), merkte iets paradoxaals op  : terwijl de Latijnse katholieke volkeren sinds driehonderd jaar willoos en decadent zijn, geven de Germaanse, Scandinavische, Angelsaksische, protestantse landen blijk van een wonderbare bekwaamheid om groot te worden op alle punten. In dezelfde periode getuigde de Angelsaksische vrijmetselarij van een ongelooflijke apathie, terwijl de Latijnse vrijmetselarij steeds blijk heeft gegeven van vechtlust en een verbazingwekkende doelmatigheid in de uitvoering van haar antigodsdienstige en revolutionaire plannen. Hoe komt dat  ?

Het Maçonnieke Licht merkte dit spottend op in 1910 (Dictionnaire apologétique, 119)  : «  Buiten ons, Latijnse vrijmetselaars, is er tot nu toe haast niemand die zich heeft laten opmerken als onbetwistbare factor in de menselijke vooruitgang. Wij echter hebben iets veranderd in de wereld en het is nog niet gedaan, vermits wij ons nog bevinden in het tijdperk van het tasten.  »

Van zijn standpunt uit heeft onze vrijmetselaar volkomen gelijk. De maçonnieke beweging is in de Latijnse landen, in Rome en geheel Italië, in Spanje en Portugal en in hun voormalige koloniale bezittingen, één van de sleutels tot de hedendaagse geschiedenis. Tijdens de twee laatste eeuwen veroorzaakte zij overal afscheidingsbewegingen, revoluties, anarchie en streed zij tegen de godsdienst. In de Latijnse landen is zij machtig, hoewel de statistieken aantonen dat zij slechts een kleine minderheid van de bevolking onder haar leden telt. Cijfers van 1910  : 36.000 in Frankrijk, 15.000 in Italië, 3.000 in Spanje, evenveel in Portugal, 8.000 in Midden-Amerika, 37.000 in geheel Zuid-Amerika.

Hoe is de sterke werking en efficiëntie van deze maçonnieke minderheden te verklaren en daartegenover de totale afwezigheid van strijdlust bij de grote massa van ingewijden in de noordelijke, Angelsaksische landen, zowel in de godsdienststrijd als in de politieke omwentelingen  ? Bij het begin van de twintigste eeuw telde men 152.000 logebroeders in Groot-Brittannië en 1.276.000 in de Verenigde Staten… Men is geneigd te denken dat hoe ­talrijker de vrijmetselaars zijn, hoe passiever ze zijn. Of behoren de Engelse en Amerikaanse loges tot de folklore, zoals de Latijnse loges van het Grootoosten spottend zeggen  ?

Voor Allec Mellor, katholiek én vrijmetselaar, is het antwoord duidelijk  : de regelmatige loges, afhangend van de Verenigde Grootloge van Engeland, zijn wijs, gematigd en eerlijk  ; zij staan dicht bij de Kerk en zijn bereid om tot verstandhouding met haar te komen. Het Grootoosten daarentegen is goddeloos en antiklerikaal, het is een vulgaire bende strevers en arrivisten. Het Apologetisch woordenboek van zijn kant noemt de vrijmetselarij altijd en overal beslist antigodsdienstig en in wezen revolutionair, maar de loges tonen zich strijdlustig in de Latijnse en zeer lauw in de Angelsaksische landen.

Wie heeft gelijk  ?

«  GOEDE  » EN «  SLECHTE  » LOGES  ?

Benjamin Franklin

Benjamin Franklin, algemeen bewonderd Amerikaans politicus en wetenschapper… maar ook een van de sleutelfiguren van de vrijmetselarij. Tijdens zijn verblijf in Parijs (1777-1785) sloot hij innige vriendschap met Voltaire, die net als hij lid was van de loge van de Negen Zusters.

In 1902 werd op het internationaal vrijmetselaarscongres in Genève dieper ingegaan op de vraag  : «  Op welke basis is er een toenadering mogelijk tussen de verschillende maçonnieke obediënties  ?  » Want  : «  Het ontbreekt de universele vrijmetselarij aan samenhang en eenheid.  » We citeren uit het Apologetisch woordenboek  :

«  Terwijl de afgevaardigden van het Grootoosten het eens waren om “ elke vorm van fanatisme ”, dat wil zeggen elke vorm van godsdienstig geloof, te weren, verdedigde de Australische afgevaardigde de stelling dat de vrijmetselarij slechts een vaste basis zou hebben als zij zich zou “ steunen op de rots van het geloof in een grote en eeuwige God, die ons de plichten van de mens geopenbaard heeft ”. Terwijl de enen bevestigden dat de vaderlandsliefde één van de “ kardinale deugden ” van de vrijmetselarij moest zijn, wilden de anderen dat men zich zou herenigen uitsluitend op het vlak van de “ liefde voor de mensheid ”.

«  Men zag in dat de maçonnieke obediënties (waarvan er slechts 33 op 292 de oproep van het Congres hadden beantwoord) aan elkaar “ een voorbeeld van onverdraagzaamheid ” hadden gegeven. Uiteindelijk bleek dat er twee categorieën waren  : zij die vóór alles de wereld wilden ontkerstenen (Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal, Zwitserland, Luxemburg, België, Nederland, Hongarije, Egypte, Latijns-Amerika) en zij die blijk gaven van een zekere godsdienstige en sociale behoudsgezindheid (Groot-Brittannië, Pruisen, de Scandinavische landen, gedeeltelijk Noord-Amerika).

«  Moeten wij uit het verschil in houding en leer tussen de maçonnieke obediënties besluiten dat er geen antichristelijke internationale samenzwering bestaat, waarvan zo dikwijls gesproken wordt  ? Wij denken het niet, want welke ook de bindingen zijn van de vrijmetselarij met de gevestigde besturen en de traditionele geloofsovertuigingen, overal voedt zij door haar geheime gedragingen de kiemen van vernietiging. Overal vertegenwoordigt zij, tenminste in potentie, de geest van persoonlijke onafhankelijkheid en van opstand tegen de grondbeginselen van het gezag  » (D. A., kol. 119-120).

ÉÉN ENKEL DOEL

George Washington, de eerste president van de Verenigde Staten, als vrijmetselaar. Hij werd ingewijd in de loge van Fredericksburg in 1752. Linksboven markies de La Fayette, de Franse logebroeder die de maçonnieke idealen in Amerika propageerde  ; rechtsboven president Andrew Jackson, grootmeester van de loge van Tennessee.

Het besluit van het Apologetisch woordenboek is fout en alle gegevens van de geschiedschrijving en de actualiteit spreken het tegen. Nochtans levert de auteur alle elementen die nodig zijn voor het juiste begrip van de vrijmetselarij, maar zelf ziet hij blijkbaar niet in wat de enige conclusie moet zijn  : ondanks hun meningsverschillen ijveren de «  goede  » en de «  slechte  » loges allemaal voor één en hetzelfde doel, namelijk de overwinning van de protestantse monarchieën en machten op de katholieke vorsten en de Kerk.

Het is niet juist dat de vrijmetselarij streeft naar de bevrijding van alle volkeren van elke godsdienst en van elke onderdrukkende macht. Zo’n project is in zijn algemeenheid onhoudbaar en onrealistisch. Maar dit programma dient om het échte geheim te verbergen  : achter het masker van een wereldomvattende politieke en godsdienstige revolutie was, is en blijft de vrijmetselarij van Desaguliers en Anderson het instrument van het protestantisme tegen het ­verafschuwde katholicisme en van Engeland tegen Frankrijk  !

In Groot-Brittannië, Pruisen, de Verenigde Staten van Amerika en in alle protestantse landen van Zweden tot Australië waren en zijn de Grootloge en zijn vertakkingen «  kwezelachtig  » (zoals die van het Grootoosten zeggen) en koningsgezind, trouw aan het wettig gezag, nationalistisch en bereid tot hulp aan de politieke politie. En militaristisch  ! Dáár is de vrijmetselarij voor het behoud van de godsdienst, als die maar protestants is, en voor het imperialisme van de Staat  !

Aan de Latijnse kant, eenmaal voorbij de Rooms- katholieke grens en de afschermende “ muur ” die de Grootloge van Engeland in stand houdt tegen alle pogingen tot besmetting door het Grootoosten, is dezelfde vrijmetselarij hardnekkig tegenstander van de koningen (tenzij die haar antiroomse plannen dienen  : denk aan het huis van Savoie met Victor Emmanuel en Cavour  !) en strijdt zij tegen de Kerk en tegen God. Zo zijn de loges die afhangen van het Grootoosten.

Maar omdat dit geheim zo schandelijk is, omdat het de hoge maçonnieke idealen verlaagt tot op het niveau van politieke manœuvres, moet het op alle mogelijke manieren verdonkeremaand worden. De katholieke Kerk en de Latijnse naties worden beetgenomen, omdat zij niet eens en voor altijd beslissen aan het bestaan van de loges een eind te maken door hen van verraad te beschuldigen, gepleegd in dienst van vreemde mogendheden.

Het Grootoosten is de «  partij van het buitenland  », het is de partij van Londen en Berlijn. Door het Franse volk antiklerikalisme op te dringen maken de logebroeders het ondergeschikt aan Groot-Brittannië en Duitsland. Sterker nog  : de vrijmetselarij voedt in de Latijnse en katholieke landen alle factoren die bevorderlijk zijn voor de politieke desintegratie en de morele ontreddering, zodat de landen van het Noorden de Latijnse wereld onder de knoet kunnen houden en er de Kerk van Jezus-Christus kunnen bevechten.

[wordt vervolgd]

abbé Georges de Nantes
April 1980
Hij is verrezen  !
nr. 87, mei-juni 2017

DE KINDEREN VAN HIRAM

In België is de vrijmetselarij ontstaan in de achttiende eeuw, onder het (katholieke) Oostenrijks bewind. Vanaf 1740 werden in verschillende steden loges opgericht door buitenlanders, vooral door – hoe kan het anders – Engelsen en Fransen die, klaarblijkelijk met dat doel, een tijd bij ons verbleven.

1770 is een belangrijk jaar  : dan wordt de Provincial Grand Lodge for the Austrian Netherlands gesticht, die in naam van Londen een groot aantal loges verenigt. Andere genootschappen zoeken aansluiting bij de Grand Orient de France. Keizerin Maria Teresia en haar opvolgers bestrijden de vrijmetselarij, maar de Franse Revolutie schenkt de geheime genootschappen onschendbaarheid.

De Belgische onafhankelijkheid van 1830 bestendigt de doorslaggevende invloed van het Franse Grootoosten. De loges worden bij ons kernen van antiklerikaal verzet. Grootmeester Pierre-Théodore Verhaegen van Les Amis Philanthropes sticht in 1834 de Université Libre de Bruxelles, tot op vandaag een maçonniek bolwerk.

De (niet-maçonnieke) historicus Andries Van den Abeele publiceerde in 1991 «  De kinderen van Hiram. Vrijmetselaars en vrijmetselarij  », een boek dat bij het verschijnen meteen een bestseller werd en dat in 2011 in geactualiseerde vorm herdrukt werd. Voor Vlaanderen was het een nieuw geluid, omdat over de Loge tot dan toe nagenoeg uitsluitend door leden van de vrijmetselarij zelf geschreven werd.

In een interview met Knack (9 mei 2011) kreeg Van den Abeele de vraag voorgeschoteld of lidmaatschap van de Loge iemands carrière kan vooruit helpen  : «  Ik heb altijd gedacht van niet. Maar vrijmetselaars zelf zeggen mij dat het nog wél speelt. In het onderwijs en de magistratuur kan het je naar verluidt nog helpen.  » Uiteraard  : alsof men enkel lid zou worden om in het luchtledige diepzinnige gesprekken te voeren  !

Knack  : «  Speelt de loge nog een rol in de Belgische politiek  ?  »

VdA  : «  In Wallonië nog wel, denk ik. Daar kan lidmaatschap helpen om benoemd te worden in kabinetten of administraties. In Franstalig België zijn meer prominente politici vrijmetselaar  : Elio Di Rupo, Didier Reynders, Louis en Charles Michel...  » Hij had onder de overleden politici André Cools kunnen vernoemen, lid van L’Incorruptible [sic !] Seraing, Guy Mathot en Alain Van der Biest… «  Bij het schandaal rond de sociale huisvestingsmaatschappijen in Charleroi nam de helft van het schepencollege ontslag – bijna allemaal vrijmetselaars. Die verwevenheid bestaat in Vlaanderen niet meer.  »

Bij die laatste zin kan men een groot vraagteken plaatsen. De meeste Vlaamse kopstukken van de liberale en de socialistische partij waren in het verleden ­logebroeders. Zijn we er zo zeker van dat de politieke geesteskinderen van Emile Vandervelde (Les Amis Philanthropes), Achiel Van Acker (La Flandre Brugge), Camille Huysmans (Les Amis Philanthropes), Omer Van Audenhove (Le Progrès Diest), Frans Grootjans, Ward Beysen (De Geuzen Antwerpen), Willy Calewaert (Les Amis de Thémis Antwerpen), Marc Galle, Jos Daems (De Wyngaerdenranck Aarschot) enzovoort helemaal niets meer met de Loge te maken hebben  ?