DE ACTUALITEIT DOORGELICHT 

SEPTEMBER 2026 

KOSOVO, EEN AMERIKAANSE KOLONIE

Prizren, gelegen in het zuiden van Kosovo, is vandaag een door en door mohammedaanse stad. Maar tijdens de regering van de Servische vorst Stefan Dušan, in de 14de eeuw, was het de hoofdstad van het Servische rijk. De Ottomaanse Turken veroverden de stad in 1455 en islamiseerden haar o.m. door een groot aantal Albanese moslims naar Prizren te doen verhuizen. In de 19de eeuw werd de stad een haard van Albanees-Kosovaars nationalisme.

De laatste keer dat Kosovo nog even de actualiteit haalde, was in juni van dit jaar. Toen werden parlementsverkiezingen gehouden die voor de vijfde keer op rij overtuigend gewonnen werden door de partij Vetëvendosje (Beweging voor Zelfbestuur), met meer dan 47 % van de stemmen. Daarna werd het weer stil rond het kersverse land, waarover de publieke opinie heel weinig hoort of weet. Veel te weinig…

«Op 17 februari 2008 riep Kosovo een eenzijdige onafhankelijkheid uit van Servië. Servië beschouwt Kosovo, waar het de facto geen gezag over heeft, echter nog altijd als een autonome provincie van Servië. De status van Kosovo als soeverein land wordt daarom betwist. De internationale reacties verschillen; een deel van de internationale gemeenschap, 110 van de 193 Vn-lidstaten, erkent Kosovo als onafhankelijk land» (Wikipedia).

Deze samenvatting bevat geen onwaarheden, maar de historische realiteit is heel wat ingewikkelder. Daarbij moeten we voor ogen houden dat Servië voor ons, westerlingen, sinds de bloedige Joegoslavische oorlogen van 1991-2001 een bijzonder negatief imago heeft. Dat beeld werd bewust gecreëerd door de westerse media en in stand gehouden via tal van oorlogsfilms en tv-reeksen; als het gaat over oorlogsmisdaden op de Balkan zijn de slechteriken onveranderlijk de Serviërs, nooit de Kroaten of de Bosnische moslims. De reden is simpel: Kroatië en Bosnië-Herzegovina zijn prowesters, terwijl het christelijk-orthodoxe Servië traditioneel aanleunt bij Rusland.

Om een andere klok te horen luiden is het boek Le martyre du Kosovo (3de uitgave 2021) een onmisbare bron. De auteur ervan is Nikola Mirković, een Frans-Servische geopolitieke analist. Wij baseren ons op dit werk om de ware geschiedenis van Kosovo te beschrijven en de vuile rol van de VS in de onafhankelijkheidsverklaring te belichten.

DE WIEG VAN DE SERVISCHE NATIE

«Om het belang te begrijpen van Kosovo-en-Metohija [de oorspronkelijke historische benaming] voor het Servische volk is het absoluut noodzakelijk de geschiedenis ervan te verhalen, want dit gebied is voor de Serviërs de reden zelf van hun bestaan en de kostbare schat van hun collectief geheugen. Deze regio is niet gewoon een provincie, maar het hart van Servië. Het is de wieg van de Servische natie, het schrijn van zijn cultuurjuwelen en de doopkapel van zijn verbond met God» (p. 14). Kan men zich het oude Hellas voorstellen zonder Attica en zijn hoofdstad Athene of Ierland zonder de Rock of Cashel?

Servië is vandaag herleid tot een klein Balkanland, dat door de onafhankelijkheid van Montenegro in 2006 bovendien beroofd is van een uitweg naar zee (bron: Encyclopædia Britannica).

Midden in Kosovo ligt het befaamde Merelveld, Kosovo Polje, dat zijn naam aan de streek gegeven heeft. Ten noorden ervan stichtten de Serviërs, een Slavisch volk gekerstend door de heilige Griekse missionarissen Cyrillus en Methodius, een eigen staat. In de 12de eeuw veroverden ze definitief Kosovo-en-Metohija (“land van de Kerk”), waarbij er op gewezen moet worden dat er in dat gebied absoluut geen sprake is van een dominerend autochtoon Albanees volk: «[De Britse historici] Robert Bideleux en Ian Jeffries, die men bezwaarlijk pro-Servisch kan noemen, onderstrepen dat er geen enkel doorslaggevend bewijs is voor het bestaan van een Albanees volk dat de meerderheid zou gevormd hebben van de bevolking van Kosovo vóór de Ottomaanse verovering» (p. 21).

De middeleeuwen waren voor Servië een tijdperk van grote bloei en gebiedsuitbreiding, culminerend in de omvorming van het koninkrijk tot keizerrijk onder Stefan Dušan (1331-1355), “tsaar van de Serviërs”. «In die periode zijn Kosovo-en-Metohija het ware religieuze, culturele en politieke centrum van Servië» (p. 25), dat ook Montenegro, Macedonië, Zuid-Dalmatië en het huidige Albanië omvat.

Maar in 1353 stak het onweer op met de inval van de Ottomaanse Turken in Europa. «Er vonden verschillende veldslagen plaats tussen Serviërs en Ottomanen, maar de bekendste en belangrijkste speelt zich af op 28 juni 1389 tussen vorst Lazar en sultan Murat I op Kosovo Polje» (p. 28). Dertigduizend Turken, geleid door de gevreesde janitsaren, hakken in op een kleine twintigduizend moedige Serviërs die zich bewust zijn van het islamitische gevaar voor alle christelijke naties. «De brutale strijd laat beide legers nagenoeg uitgeroeid achter op een van bloed en tranen doordrenkte bodem» (ibid.). Beide aanvoerders laten het leven, maar het zijn de Turken die de eindoverwinning behalen.

«De veldslag van Kosovo Polje en de datum van 28 juni 1389 staan voor altijd gegraveerd in het hart van de Serviërs. De uitkomst ervan laat toe de Servische ziel te begrijpen en haar haast metafysische gehechtheid aan Kosovo. […] De herinnering aan de betoonde heldhaftigheid en de grootheid van Servië zal de gebeden, gezangen, kronieken, gedichten en tradities van alle toekomstige generaties voeden. En ze zal de Serviërs helpen om te leven en te overleven gedurende de eeuwen van Ottomaanse bezetting» (pp. 28-29).

Het Gazimestan-monument op het Merelveld gedenkt de heldenmoed van de Serviërs in de beslissende veldslag tegen de Ottomanen. Het draagt een opschrift dat bekend staat als “de vervloeking van Kosovo”; het gaat om woorden toegeschreven aan vorst Lazar die hij uitsprak aan de vooravond van de strijd. De tekst luidt in vertaling als volgt: «Wie Servisch is, van Servisch bloed en afkomst, en niet op tijd naar Kosovo is getrokken, mocht zijn hart geen zaad dragen, geen naam, noch zoon noch dochter geboren tot zijn schande! Laat uit zijn hand niets levends schitteren, geen rode wijn vloeien, geen fijn wit graan! Laat roest door al zijn afstammelingen druppelen en laat zijn geslacht verrotten vanwege zijn zonde!»

Want de ongelovigen zetten hun genadeloze opmars voort. In 1455 nemen zij Kosovo-en-Metohija – door de Serviërs vaak Oud-Servië genoemd – volledig in. Onmiddellijk wordt een volkstelling georganiseerd «waaruit blijkt dat de bevolking van deze streek nagenoeg uitsluitend uit Serviërs bestaat, met slechts een heel kleine minderheid van 2 of 3 % Albanezen» (p. 36). Na de val van Belgrado (1521) worden alle Serviërs onderdanen van tweede rang, zgn. dhimmi, die extra belastingen moeten betalen aan de Verheven Porte (de zetel van de Ottomaanse regering) en van wie de zonen verplicht ingelijfd worden bij het korps van de janitsaren.

DE LIJDENSWEG VAN OUD-SERVIË

De mislukking van de Turken voor de poorten van Wenen in 1683 luidt de geleidelijke neergang van hun heerschappij in. Heel Servië bevrijdt zich van het juk van de ongelovigen, maar dat wekt bij de vijand zoveel haat en frustratie op dat vergeldingscampagnes opgezet worden die uitlopen op moordpartijen en verwoesting op een ongekende schaal. Het gevolg is een grote exodus van zo’n 200.000 Serviërs in de richting van het Habsburgse rijk. Ook uit Kosovo trekken velen weg, maar in de hoop ooit te kunnen terugkeren.

Op dat ogenblik neemt het Ottomaanse rijk een ingrijpende beslissing: «In de loop van heel de 17de eeuw stelt men vast dat meer en meer Albanezen [woonachtig in het zuiden van de Balkan] hun christelijk geloof afzweren en zich bekeren tot de islam om te genieten van de voordelen die ze zo binnen het rijk van de sultan verwerven. Istanboel roept de Albanezen daarom op om naar Kosovo-en-Metohija te komen, waar zij de vruchtbare gronden van de Serviërs krijgen. De godsdienstige en etnische fysionomie van de streek begint vanaf dat moment ingrijpend te veranderen. De Albanezen leggen nog meer ijver aan de dag dan hun meesters en gedragen zich nog barbaarser tegenover hun voormalige geloofsgenoten» (p. 44).

Dát is de historische waarheid: de Serviërs werden weggedreven uit het gebied waar de wieg van hun natie stond en in hun plaats kwamen Albanese moslims, handlangers van de wrede Ottomaanse Turken.

In de late middeleeuwen werden zoveel kerken en kloosters gesticht in Kosovo-en-Metohija dat men sprak over «het Servische Jeruzalem». Tijdens een opflakkering van anti-Servische haat in 2004 werden 35 orthodoxe godshuizen door Kosovaarse moslims ontwijd, in brand gestoken en vernield.

Wanneer de Verheven Porte in de 19de eeuw meer en meer de controle verliest over haar Europese bezittingen, neemt de vervolging van de Serviërs en de terreur door de Albanezen nog toe. De Russische consul in Bosnië, die een bezoek brengt aan Kosovo-en-Metohija in 1858, schrijft: «In Oud-Servië zijn er nog enkel ruïnes. Het Slavische leven is er nagenoeg uitgedoofd. Het gebied is overspoeld door de Albanese golf en te midden van de mohammedaanse barbarij blijven nog enkel de resten van de religieuze monumenten over…» (aangehaald in Mirković, p. 51).

Pas aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog kunnen de christelijke volkeren van de Balkan zich voorgoed bevrijden van het Turkse juk. «Serviërs, Bulgaren, Grieken en Montenegrijnen verdrijven de Ottomaanse legers en heroveren hun territoria. Voor de Serviërs is het de bekroning van vijf eeuwen fel verzet tegen de mohammedaanse invallers» (p. 59). In 1913 wordt Kosovo-en-Metohija opnieuw officieel opgenomen in het koninkrijk Servië, waarna de Serviërs er terugkeren, hun kerken heropenen en de gronden van hun voorvaders opnieuw bewerken. «Het is overigens interessant te onderstrepen dat de toenmalige Europese grootmachten op geen enkel moment overwogen hebben om Kosovo aan de Albanezen te schenken» (ibid.).

DE ALBANESE REACTIE

Al in 1878 hadden de Albanezen van Kosovo-en-Metohija samen met hun stambroeders in het huidige Albanië en in Macedonië – allemaal moslims – in Prizren een liga opgericht om hun rechten te verdedigen in de gebieden die Istanboel hun toegewezen had. «Zij dromen van een Groot-Albanië dat, buiten het huidige Albanië, nagenoeg het hele zuiden van Servië (een groter gebied dan enkel Kosovo), het zuidoosten van Montenegro, het westen van Macedonië en een deel van Griekenland zou omvatten» (p. 56).

Die droom blijft de daaropvolgende decennia sluimeren, temeer omdat de Serviërs die naar Oud-Servië zijn teruggekeerd erg “tolerant” blijken te zijn: «Hoewel vele Albanezen vluchten, worden de achterblijvers geaccepteerd en niet verjaagd; sommigen van hen profiteren van deze zachtmoedigheid om zich te organiseren en opstandigheid te verspreiden in de regio» (p. 60).

Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog werpen de Albanezen het masker af. Wanneer Mussolini in 1939 Albanië tot een Italiaans protectoraat omvormt, «maken 100.000 Albanezen van de gelegenheid gebruik om Kosovo binnen te vallen en zich opnieuw, met ongezien geweld, aan de Serviërs en hun erfenis te vergrijpen» (p. 62). De fascisten zijn ronduit geschokt door het bloeddorstige gedrag van hun Albanese bondgenoten… «De tijd is gekomen om de Serviërs uit te roeien en ervoor te zorgen dat zij niet meer bestaan onder de zon van Kosovo», verklaart een van de Albanese leiders (aangehaald in Mirković, p. 62).

Nazi-Duitsland valt op zijn beurt Servië aan in 1941. Hitler «richt zelfs een divisie van de Waffen-SS op die uitsluitend bestaat uit Albanese moslims: de divisie Skanderbeg, waarvan het voornaamste doel is te strijden voor het Derde Rijk in de Balkan, maar die zich vooral onderscheidt door haar onbeschrijflijke misdaden tegen de Serviërs in Kosovo» (p. 63).

ONDER HET COMMUNISTISCHE REGIME

De Kroatische communist Tito heerste van 1945 tot zijn dood in 1980 over het eengemaakte Joegoslavië. Door zich op te werpen als een van de leiders van de Beweging van Niet-Gebonden Landen en zich zo af te zetten tegen de Ussr, kon hij genieten van westerse steun.

Josip Broz Tito, de communistische partizanenleider, vestigt na de oorlog de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië. Om de deelrepubliek Servië te verzwakken, worden het noorden (Vojvodina) en het zuiden (Kosovo; de toevoeging “land van de Kerk” wordt geschrapt) ervan twee autonome provincies. Ter versterking van zijn nieuwe staat probeert Tito het onafhankelijke Albanië voor zijn kar te spannen en er op termijn een alliantie mee te sluiten, om het vervolgens in te lijven. «In de praktijk moedigt hij het nationalisme van de Albanezen aan in de hoop dat zij stevige steunpilaren en verdedigers van de socialistische staat zullen worden. […] Maar de Albanezen hebben helemaal geen zin om Joegoslaven te worden. Zij willen integendeel onderdanen van een Groot-Albanië worden!» (p. 65).

Zowel Tito als de Albanese dictator Enver Hoxha vergemakkelijken een massale emigratie van Albanezen naar het voormalige Oud-Servië. «In minder dan een generatie tijd vertegenwoordigen zij 74 % van de bevolking van Kosovo» (p. 66). In 1974 «gaat de nieuwe Joegoslavische grondwet zelfs zover in de begunstiging van de Kosovaarse Albanezen dat zij een recht van controle en veto krijgen over de rest van Servië» (ibid.). Komnen Bećirović: «De orthodoxe Serviërs waren het slachtoffer van twee antichristelijke krachten: de communistische Serviërs die per definitie atheïstisch waren en de Albanese moslims die schatplichtig waren aan […] een oeroude haat jegens Servië» (aangehaald door Mirković, pp. 66-67).

Tito overlijdt in 1980 en door het wegvallen van zijn ijzeren vuist laten de Albanezen elke reserve varen: ze ontketenen echte opstanden in heel Kosovo en terroriseren opnieuw de Serviërs, met als gevolg een nieuwe exodus van vluchtelingen naar het noorden. Maar de Servische leiders besluiten in te grijpen; het nationale belang haalt het op hun communistische overtuiging, want het is genoeg geweest. «Op 28 juni 1989 vieren een half miljoen Serviërs de 600ste verjaardag van Kosovo Polje op de plek zelf van de veldslag.» De president van de deelrepubliek, Slobodan Milošević, «verklaart dat als Kosovo met de wapens moet verdedigd worden, hij dat zal doen» (p. 69). Meteen trekt hij de autonome status van Kosovo in, dat zo weer volwaardig deel uitmaakt van de Servische republiek.

Op 28 juni 1989 verzamelden tienduizenden Serviërs zich onder leiding van Slobodan Milošević bij het Gazimestan-gedenkteken om een vuist te maken tegen de Albanese terreur (foto Reuters).

DE TERREURBEWEGING UÇK, PION VAN HET WESTEN

Als antwoord «roepen de Albanezen enkele jaren later het Uçk in het leven, het Bevrijdingsleger van Kosovo. Door guerrilla-methodes te gebruiken zaait het Uçk terreur onder de Serviërs én de Albanezen die beschuldigd worden van loyauteit aan Belgrado. Het schrikt er niet voor terug om huurlingen uit andere landen in te schakelen, vooral moslims. De speciale gezant van president Clinton in de Balkan, Robert Gelbard, zegt: “Wij veroordelen zeer ferm de terroristische acties in Kosovo. Het Uçk is zonder de minste twijfel een terreurorganisatie”» (p. 69).

Hoe komt het dan dat de westerse landen korte tijd later het geweer van schouder veranderen en zich aan de zijde van datzelfde Uçk scharen? Omdat in de hoogste cenakels van de macht besloten was tot een verdeel-en-heerspolitiek: Joegoslavië moest in afzonderlijke staten opgedeeld worden, het pro-Russische Servië gemarginaliseerd en Kosovo uitgebouwd tot een heel bijzonder bolwerk, zoals we verderop zullen zien. Anders dan het in de mainstreammedia wordt voorgesteld, was het uiteenvallen van Tito’s staat een zorgvuldig geplande westerse operatie.

De Navo, die na de ineenstorting van de Sovjetunie in snel tempo oostwaarts begon uit te breiden, stootte op een land dat altijd zijn ongebondenheid had verdedigd: Joegoslavië. «Het voornaamste probleem van dat land was vanaf het begin de tussenkomst van buitenlandse machten in zijn binnenlandse aangelegenheden. Twee westerse mogendheden, de VS en Duitsland, hebben ertoe bijgedragen Joegoslavië te destabiliseren en vervolgens te ontmantelen. […] Ze hebben de afscheidingen die het land uiteengescheurd hebben bewust gepland, voorbereid en begeleid. En ze hebben al het mogelijke gedaan voor de uitbreiding en verlenging van de burgeroorlogen. Bij elke stap in de crisis manoeuvreerden ze in de schaduw» (Sean Gervasi, Why is Nato in Yugoslavia, Global Research, 12 sep. 2010).

In de hoofdstad van Noord-Macedonië, Skopje, vond op 13 december 2025 een grote manifestatie van Albanezen plaats. Zij protesteerden tegen het proces dat door het Kosovotribunaal in Den Haag kort tevoren geopend werd tegen vier voormalige Uçk-strijders; hun criminele daden waren zo flagrant dat het uiteindelijk onmogelijk bleek er de ogen voor te sluiten.

Het eerste land dat het initiatief nam, was het in 1990 eengemaakte Duitsland. De Duitsers waren er als de kippen bij om Slovenië, dat zich in juni 1991 onafhankelijk verklaarde, te erkennen en dat ook van de hele EU te eisen, wat de Joegoslavische oorlogen ontketende; hetzelfde gebeurde in januari 1992 met Kroatië, waardoor het oorlogsgeweld pas voorgoed losbarstte. Maar Berlijn streefde naar het herstel van Mitteleuropa en wilde zijn economische macht vergroten over een mozaïek van kleinere staten in het midden van ons continent.

Wat Kosovo betreft, waar in 1998 een open oorlog uitbrak tussen het reguliere Servische leger en het Uçk, was de Bundesnachrichtendienst (Bnd), de Duitse geheime dienst, al van tevoren begonnen met de moslimrebellen doelgericht te ondersteunen: «Vanaf het midden van de jaren negentig was de Bondsrepubliek het belangrijkste logistieke centrum voor de voorbereiding van de guerrilla-oorlog in Kosovo. Hier bevond zich het operationele centrum van de Uçk-financiers, hier werden de miljoenen van het Uçk-fonds Das Heimatland ruft beheerd en hier werden de rekruten verzameld. Duitse geheimagenten waren vanaf 1997 intensief betrokken bij de opbouw van de Uçk-bases in Noord-Albanië. De Bnd hielp bij het opzetten van trainingskampen en leverde communicatieapparatuur en logistieke ondersteuning aan de rebellen aan de grens met Kosovo» (Matthias Küntzel, Der Weg in den Krieg. Deutschland, die Nato und das Kosovo, Berlijn, 2000).

Maar ook de Amerikanen lieten zich niet onbetuigd: «Agenten van de Cia gaven vanaf 1998 handleidingen voor militaire vorming aan de Uçk-strijders en leerden hun terreintechnieken tegen de Servische politie en het leger van Belgrado» (Tom Walker, Aidan Laverty, Cia aided Kosovo guerilla army, in The Sunday Times, 12 maart 2000). De Franse geheime dienst Dgse van zijn kant heeft na de oorlog zelf toegegeven dat hij de rebellen in het grootste geheim geholpen heeft om de Serviërs op het terrein te bekampen (cf. Pierre Péan, Kosovo, une guerre “juste” pour un Etat mafieux, 2013).

EEN VOORWENDSEL VOOR EEN OORLOG WAARTOE AL BESLIST WAS

Alleen al voor het jaar 1998 telde men in Kosovo 1885 aanslagen door het Uçk: «Bij die aanslagen werden 173 burgers en 115 politieagenten gedood, 403 agenten en 358 burgers gewond en 293 personen ontvoerd onder wie vrouwen en minderjarigen» (Dušan Bataković, Kosovo un conflit sans fin?, 2008, p. 197). Om de orde in haar eigen land te herstellen greep de Servische overheid in: «In de tweede helft van de zomer van 1998 slaagden de Serviërs er in om, ten koste van belangrijke offers, het Uçk te breken en de Albanese bevolking naar huis en haard te doen terugkeren. Helaas werd deze nederlaag van de terroristen door de westerse media voorgesteld als Servische terreur tegen onschuldige, ongewapende en vreedzame burgers» (Komnen Bećirović, Kosovo, la spirale de la haine, p. 5).

De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (Ovse) stuurt “waarnemers” ter plekke… die in feite leden van de veiligheidsdiensten en militairen zijn met een duidelijke missie, zoals één van hen later opbiecht: «We begrepen vanaf het begin dat de informatie verzameld door de patrouilles van de Ovse bestemd was ter aanvulling van de gegevens die de Navo via satellieten had bijeengebracht. We hadden echt de indruk dat we spionagewerk leverden voor de Atlantische Alliantie» (in de Zwitserse krant La Liberté, 22 april 1999). Want de Navo bereidt een aanval op Servië voor.

Op 15 januari 2025 herdachten de Kosovaren de 26ste verjaardag van de zgn. “moordpartij van Račak”, door de Amerikaan William Walker (in het midden op de foto bovenaan) valselijk omschreven als een terreurdaad van het Servische leger tegen onschuldige burgers. Zijn interpretatie bezorgde de Nato het gewenste excuus voor de oorlog tegen Servië.

Wat nog ontbreekt, is een casus belli. Hoe kunnen de Serviërs voor de wereldopinie voorgesteld worden als de nieuwe nazi’s van de jaren 1990? «De mediamontage die de Navo nodig heeft, wordt georganiseerd in Račak, een bastion van Uçk-strijders. […] Op 15 januari [1999] vindt er een zware strijd plaats tussen het Servische leger en het Uçk waarbij 45 Albanezen gedood worden. De internationale waarnemers reppen er zich naartoe. Zonder dat er een onderzoek is verricht, concludeert de leider van de Ovse-missie, William Walker, onmiddellijk dat de Serviërs een slachtpartij op burgers hebben uitgevoerd: “een misdaad tegen de menselijkheid”!» (Mirković p. 80).

Wetsdokters en experts in ballistiek komen achteraf tot een heel ander besluit, namelijk dat de Albanezen gewapende strijders waren die van op afstand gedood werden in een vuurgevecht (cf. Peter Worthington, The hoax that started a war, in Toronto Sun, 2 april 2001). Maar dan is het al te laat, want de uitleg van Walker is via de mainstreammedia al over heel de wereld verspreid.

In de lente van 1999 begonnen, zonder toestemming van de Vn-Veiligheidsraad, de luchtaanvallen en bombardementen van de Navo op Servië «om een einde te maken aan de Servische politiek van etnische zuivering in Kosovo». De doelen waren zowel militair als civiel: 82 bruggen, 14 thermo-elektrische centrales, 13 vliegvelden, 20 spoorwegstations, 121 fabrieken, alle olieraffinaderijen en zelfs een televisiezender in Belgrado werden door Navo-vliegtuigen bestookt en verwoest. Daarbij vielen talrijke burgerdoden, wat weggezet werd als collateral damage. Na 78 dagen van bombardementen op Servische doelen in heel Servië, Montenegro en Kosovo tekende Belgrado noodgedwongen het akkoord van Kumanova, waarmee de terugtrekking van de Servische militairen en ordetroepen uit Kosovo een feit werd.

HET KOEWEIT VAN DE BALKAN

Kosovo riep zijn onafhankelijkheid uit in 2008, maar die werd niet erkend door Servië. Ook verschillende Europese landen die te maken hebben met separatistische bewegingen of etnische spanningen weigerden het nieuwe land te erkennen (Spanje, Roemenië, Slowakije, Griekenland, Cyprus), net zoals Rusland en China trouwens.

In oktober 2010 bracht de Amerikaanse staatssecretaris Hillary Clinton een bezoek aan Pristina, waar ze tegenover eerste-minister Hashim Thaçi (oud-leider van de Uçk en berucht om zijn banden met de Albanese maffia) verklaarde: «Ik wil dat u weet, meneer de eerste-minister, dat juist zoals wij met u waren op de harde weg naar de onafhankelijkheid, wij ook in de toekomst met u zullen zijn. Wij zijn uw partners en uw vrienden en uw toekomst gaat ons zeer ter harte» (aangehaald in Mirković, pp. 119-120).

Ze kon het niet beter formuleren. Washington had zijn doel bereikt: het inpalmen van een kleine Balkanstaat die de Amerikanen naar hartenlust konden exploiteren, zonder pottenkijkers en zonder protesten van de lokale machthebbers die alles aan de VS te danken hebben. Het is niet verwonderlijk dat overal in het “bevrijde” land de Amerikaanse vlaggen broederlijk naast de Kosovaarse wapperen… en de Albanese.

«Het Britse mijnbouwbedrijf Western Tethyan Resources heeft een stijging van 78 % bekendgemaakt in de schattingen van de goudvoorraden bij zijn Slivova-goudproject in Kosovo. Ook werd verklaard dat het project 402.000 oz [1 oz = 31,1 g] aan gemeten zilver bevat, met naar schatting nog eens 244.000 oz extra. Het gedefinieerde totaal van 646.000 oz is een stijging van 115 % ten opzichte van eerdere metingen» (Mining Technology, 18 juli 2023). In Kosovo liggen bewezen ertsreserves ter waarde van honderden miljarden Amerikaanse dollars. Naast goud en zilver gaat het om chromiet, ferro-nikkelertsen, platina, bauxiet, kobalt, vanadium, lithium en – heel belangrijk! – zeldzame aardmetalen.

«Kosovo is een belangrijke geostrategische regio, op het kruispunt tussen Europa en het Midden-Oosten en tussen het christendom en de islam. Het “Servische Jerusalem” is een rijk land, niet alleen wat de landbouw betreft, maar ook voor de ontginning van mineralen. De Amerikaanse aanwezigheid is een zegen voor de grote multinationals van de VS en hun bondgenoten» (p. 135), want de ondergrond bulkt van kostbare ertsen en mineralen. Sommigen spreken over “het Koeweit van de Balkan”.

De investeerders moeten er echter zeker van zijn dat er rust heerst in Kosovo: geen incidenten meer tussen Albanezen en Serviërs. «Dat verklaart de indrukwekkende machtsontplooiing van de Navo, die – met de bedoeling de regio te stabiliseren – probeert om een etnisch zuivere staat te scheppen, ontdaan van de autochtone bevolking. Zo kan voldoende vrede gewaarborgd worden om de investeerders aan te trekken» (p. 136).

Om die reden hebben de VS een enorm militair bolwerk opgericht in het zuidoosten van Kosovo. «Kamp Bondsteel strekt zich uit over 3,6 km² en biedt plaats aan 7000 personen. […] De jaarlijkse functioneringskosten bedragen 38 miljoen euro [in 2021] en men vindt er alles: een vijftigtal landingsplaatsen voor helikopters, sportterreinen, een bioscoop, het educatieve centrum Laura Bush (sic), een hospitaal en zelfs een Burger King… Bondsteel dient ook voor de vorming van duizenden burgers die voor het Amerikaanse leger werken op verschillende operatietonelen over de wereld» (pp. 148-149).

Kamp Bondsteel is de grootste Amerikaanse militaire basis in de Balkan. In het verleden beschuldigde de gezant voor mensenrechten van de Raad van Europa de VS ervan dat ze Bondsteel hadden omgevormd in «een kleinere versie van Guantanamo», waar in het geheim terroristen werden vastgehouden en ondervraagd. Het Pentagon ontkende alle aantijgingen (Clandestine Camps in Europe: “Everyone Knew What Was Going On in Bondsteel”, in Spiegel International, 5 dec. 2005).

CORRUPTIE EN ZAKKENVULLERIJ

Onder de investeerders die zich vanaf 2008 op Kosovo stortten, bevonden zich verschillende oude bekenden van de regio… «De [Canadese] maatschappij Envidity vroeg in 2012 aan de Kosovaarse autoriteiten om de bruinkool van het land te mogen exploiteren met het doel er synthetische brandstof uit te produceren. Ze engageerde zich om de bruinkool van lage kwaliteit om te zetten in hoogwaardige synthetische diesel. Envidity verwachtte om dagelijks 15,9 miljoen liter van die diesel op de markt te kunnen brengen en beloofde een investering van 8 miljard dollar» (pp. 136-137). Pikant detail: de voorzitter van Envidity is niemand minder dan generaal Wesley Clark, de Supreme Allied Commander Europe van de Navo die tijdens de Kosovo-oorlog operatie Allied Force tegen de Serviërs leidde!

«In 2013 wijzigde de regering van Kosovo stilletjes haar mijnbouwwetgeving (die bedoeld was om te voorkomen dat buitenlandse investeerders de minerale rijkdommen van het land zouden exploiteren op een manier die niet in het belang van Kosovo was) door toe te staan dat er zonder openbare aanbesteding vergunningen voor de exploratie van steenkool konden worden afgegeven. Kort daarna kreeg Envidity een exploratievergunning voor een derde van het grondgebied van Kosovo» (Matthew Karnitschnig, How the US broke Kosovo and what that means for Ukraine, in Politico, 15 feb. 2024).

Ook andere hooggeplaatste Amerikanen aarzelden niet om van hun terreinkennis van Kosovo gebruik te maken om hun zakken te vullen. Wie nog gelooft dat het de VS te doen is om de verdediging en verspreiding van de “democratische waarden”, leeft op een andere planeet.

Jock Covey, hoge vertegenwoordiger bij de VN, was in Kosovo tussen 1999 en 2001 – lang genoeg om banden aan te knopen met de juiste personen. Daarop «stapte hij over naar het Amerikaanse constructiebedrijf Bechtel, dat deelnam aan een bieding om een autostrade aan te leggen in Kosovo. In dit dossier werkte Covey nauw samen met zijn landgenoot Christopher Dell, Vs-ambassadeur in Pristina, om zeker te zijn de vergunning in handen te krijgen» (Mirković, p. 139).

De 130 km lange autostrade in kwestie, die dwars door Kosovo loopt in de richting van Albanië en daarom door de Albanezen de “patriottische snelweg” wordt genoemd – een veeg voorteken in het kader van de droom van Groot-Albanië – was begroot op 400 miljoen euro. «Uiteindelijk kostte het project vijfmaal zoveel en Bechtel haalde er een zeer groot profijt uit, net als zijn Turkse partner Enka» (ibid.). Want de versnippering van Joegoslavië klinkt ook Turkije, dat zich zijn overheersing van de Balkan herinnert, als muziek in de oren.

«Maar net als andere grote, door de VS geleide infrastructuurprojecten in landen waar Washington met veel bombarie is binnengevallen, ging dit wegtraject gepaard met kostenoverschrijdingen en corruptie. Vorige maand [januari 2024] werd de Kosovaarse minister die toezicht hield op de deal veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf omdat hij meer dan 50 miljoen euro te veel had betaald voor de weg» (Karnitschnig, art. cit.).

Ambassadeur Dell, die het autostradeproject had gefaciliteerd, werd helemaal niets ten laste gelegd. Als beloning voor zijn goede diensten werd hij door de firma Bechtel aangesteld tot hoofd van haar Afrikaanse dochteronderneming (US ambassador to Kosovo hired by construction firm he lobbied for, in The Guardian, 14 april 2014).

DRUGS EN DE BALKANROUTES

En dan zwijgen we nog over de drugstrafiek. «Kosovo is ook de vooruitgeschoven basis van de Albanese maffia en van de drugshandel in Europa, die miljarden euro’s per jaar oplevert. […] Een zeer grote hoeveelheid drugs komt vandaag in Europa aan via de Balkan, met een aanvoerlijn van Afghanistan over Iran en Turkije naar Bulgarije» (Mirković, p. 152).

Een onthullende kaart over de drugstrafiek binnen en via de Balkan, opgesteld door Global Initiative against transnational organized crime (2019). Elke kleur staat voor een andere drug: groen voor cannabis, blauw voor cocaïne, rood voor heroïne, geel voor synthetische drugs.

De illegale drugshandel in Albanië draait vooral om cocaïne, heroïne en marihuana. De Albanese maffia verhandelt heroïne uit Afghanistan en produceert ter plaatse cannabis. De Albanezen hebben ook rechtstreekse banden aangeknoopt met Colombiaanse drugshandelaars en beschikken over contacten in Bolivia en Peru. «In het afgelopen decennium hebben Albanese criminele netwerken hun werkterrein uitgebreid: van lokale spelers in de cocaïnehandel tot internationale groothandelaars. In de evaluatie van Europol uit 2024 van de meest bedreigende criminele netwerken in de EU werden Albanezen genoemd als een van de meest vertegenwoordigde nationaliteiten in de cocaïnehandel» (Breaking records. How have Albanian networks come to dominate cocaine trafficking to Europe? in Global Initiative, 11 okt. 2025).

Wie Albanië zegt, zegt Kosovo. Michael Levine, voormalig hoofd van de Amerikaanse Drug Enforcement Agency (Dea), zei al in 1999: «Het Uçk heeft banden met alle bekende drugskartels in het Midden-Oosten en in Azië» (New American Magazine, 24 mei 1999). Hij onderstreepte dat alle diensten die betrokken zijn bij de strijd tegen de drugshandel dossiers in hun bezit hebben over de nauwe relaties tussen de trafikanten en het Uçk.

We zijn nu een kwarteeuw later en de voormalige terroristen zijn ondertussen de leidende politici van Kosovo geworden, in maatpak en met das. Maar dat betekent niet dat ze de bijzonder lucratieve drugshandel zomaar zouden opgegeven hebben.

* * *

«De kinderen van de duisternis zijn sterker dan die van het licht», zei Jezus (Lc 16, 8). Wat we hierboven uiteengezet hebben, is daar helaas een pijnlijke illustratie van.

Punt 64 van de 150 punten van de Falanx van de Onbevlekte legt de vinger op de wonde en houdt ons de bredere context voor om ons te doen inzien welke weg de foute is en welke de goede. De titel liegt er niet om: De uitvindingen van de duivel – het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren.

«Het recht van de volkeren om over hun eigen lot te beschikken in naam van de Vrijheid werd soms ingeroepen om aloude naties te verlossen uit de onrechtvaardige greep van vreemde machten. Maar in feite was het slechts een dekmantel voor een algemene opstand van de “volkeren” tegen hun wettige overheden en tegen het traditionele kader van hun politiek bestaan binnen het concert van de naties en het respect voor internationale verdragen.

«De falangist verzet zich tegen die aansporing tot revolutie. Hij bestrijdt de wettigheid van een dergelijk recht van de volkeren om elke vorm van voogdijschap van zich af te werpen en zo de onafhankelijkheid als natie te verkrijgen, alsof dat een essentieel en noodzakelijk goed zou zijn voor de waardigheid van elk volk, voor zijn waarden en menselijke vooruitgang, zelfs voor het eeuwige heil van zijn leden! De geschiedenis toont ons integendeel verschillende voorbeelden van multi-etnische en multiculturele keizerrijken en koninkrijken, federaties en confederaties van volkeren of staten.

«Zelfs als dat beginsel in uitzonderlijke gevallen van duidelijke onderdrukking gerechtvaardigd kan lijken, toch mag het nooit worden ingeroepen of aanvaard omdat het in wezen antichristelijk is. Het eist zelfbeschikking op als een absoluut recht, buiten elke genade, inspanning of verdienste, buiten elke politieke garantie en zonder behoefte te hebben aan de zegen van de Kerk of internationale erkenning. In werkelijkheid moet die erkenning de vrucht zijn van de christelijke en menselijke inspanningen van een heel volk, als resultaat van een langdurige en moedige voorbereiding, gevraagd, verwacht en uiteindelijk verkregen met de steun van de goddelijke genade dankzij Maria Middelares.  

«Dat revolutionair beginsel heeft inderdaad het 19de-eeuwse Europa en de gekoloniseerde wereld van de 20ste eeuw in vuur en vlam gezet. De oorlogen die het veroorzaakt heeft, zijn massaal en eindeloos; ze lopen genadeloos uit op volkerenmoord en leiden tot afgrijselijke tirannieën. Want dat zogenaamde recht veronderstelt een onmogelijke definitie a priori van wat een volk is.

«Als het willekeurig wordt opgeëist door personen en partijen die van hun onderdrukt “volk” een homogeen en exclusief geheel willen maken, dan leidt het zelfbeschikkingsrecht tot een klopjacht op alle minderheden, die dreigen uitgeroeid te worden. In het spoor daarvan komt men tot de imperialistische pretentie om buiten zijn gebied alles te veroveren waarop men op grond van een of ander voorwendsel aanspraak meent te kunnen maken.

«Vandaag wordt het zelfbeschikkingsrecht ingeroepen om internationaal erkende staten te verzwakken of te vernietigen. De waarheid is dat hun bestaan een hinderpaal vormt voor de vrije exploitatie van hun natuurlijke rijkdommen of voor de verdediging van de strategische belangen van de grootmachten. Het is ook van nut voor de internationale maçonnieke organisaties, als voortdurend dreigement om regeringen aan hun dictaten te onderwerpen: een regering die moeilijk doet, moet vrezen dat regionalistische of separatistische eisen eerst aangemoedigd en vervolgens erkend worden...»

redactie KCR