« Magnifica humanitas »
de verheerlijking van de stad van de mens

Paus Leo Xiv ondertekende zijn eerste encycliek op 15 mei van dit jaar.

Foto vrijgegeven door het Vaticaan op 25 mei 2026.

D

E encycliek Magnifica humanitas is ontzettend zwaar op de hand. Ze bestaat uit 245 nummers verdeeld over een inleiding en vijf hoofdstukken. Het is in de eerste plaats een tekst gewijd aan de sociale leer van de Kerk, die uitnodigt om het begrip ervan te vernieuwen in het licht van de uitdagingen die de kunstmatige intelligentie (AI) met zich meebrengt.

Aangezien de pausen zich sinds Pacem in terris van Joannes Xxiii in hun encyclieken niet langer alleen tot de katholieke gelovigen richten, maar tot alle mensen van goede wil, voelen zij zich genoodzaakt om begrippen opnieuw te definiëren, de geschiedenis van hun onderwerp te schetsen en uitgebreid op talrijke punten in te gaan. Het resultaat is een zeer breedvoerig document.

DE PROFETISCHE VISIE VAN PAUS LEO

De H. Vader opent zijn encycliek met het vaststellen van het doel dat onze huidige generatie moet bereiken. « De prachtige mensheid die God geschapen heeft, staat vandaag voor een beslissende keuze : een nieuwe toren van Babel oprichten of de stad bouwen waar God en de mensheid samenwonen. Elke generatie erft de taak om haar tijdperk vorm te geven : de geschiedenis laten rijpen tot een plek waar de waardigheid van elke persoon wordt gewaarborgd, gerechtigheid wordt bevorderd en broederschap mogelijk wordt gemaakt » (nr. 1).

« Laten we de manicheïstische visies vermijden die kenmerkend zijn voor gewelddadige verhalen die de wereld verdelen in goeden en slechten », had de paus aan het begin van zijn pontificaat verklaard. De keuze waarvoor “ de prachtige mensheid ” staat, is niet die waarbij de stad van Satan en de stad van God als onverzoenlijke tegenpolen tegenover elkaar zouden staan. Het gaat veeleer om de keuze tussen twee projecten : de stad die zonder God wordt geconstrueerd, waaruit een deel van de mensheid zou worden uitgesloten ; en de stad die onder Gods blik wordt opgebouwd en waarin alle mensen, katholiek of niet, geroepen zijn om samen te leven. Het gaat er dus niet langer om in de eerste plaats te werken aan de uitbreiding van de Kerk, beschouwd als de enige stad van God, maar om ons te wijden aan een ruimer, ambitieuzer en inclusiever project : dat van een nieuwe wereld waarin menselijke waardigheid, gerechtigheid en broederschap centraal staan.

De wereldvisie van Leo Xiv is dezelfde als die van Paulus VI. Deze visie, schreef abbé de Nantes in zijn Liber accusationis I, « heft het verschil en de onverzoenlijke tegenstelling op die door zijn voorgangers met gezag werden bevestigd, zoals Leo Xiii in Humanum genus : “ Het menselijke geslacht is verdeeld in twee vijandige kampen die onophoudelijk strijden : het ene voor de waarheid en de deugd, het andere voor alles wat daarmee in strijd is. Het ene is de ware Kerk van Jezus Christus... het andere is het koninkrijk van Satan. ” »

Men zou Leo Xiv hetzelfde verwijt kunnen maken dat de stichter van de Crc aan Paulus VI richtte, namelijk dat hij « slechts een seculiere wereld wil kennen, gedefinieerd als een universeel sociaal lichaam, autonoom, buiten de Kerk staand, volkomen menselijk, niet christelijk en niet satanisch. Hij negeert opzettelijk de vijandige krachten waarmee hij onmogelijk op fatsoenlijke wijze verzoening zou kunnen prediken. Hij gaat er dus van uit dat het probleem is opgelost, dat Satan definitief verzoend is, uitgesloten of niet-bestaand ! » Inderdaad, de duivel en de hel komen in deze encycliek niet voor. Bijgevolg is er geen enkele reden om niet met zijn allen samen te werken.

De bovennatuurlijke deugden die de christelijke samenleving put uit de verdiensten van Christus, de genade van de sacramenten en de gehoorzaamheid aan Gods geboden zijn volgens de paus blijkbaar van nature toegankelijk voor alle mensen. Alsof de duivel niet in de wereld actief is en er geen erfzonde bestaat ! Alsof er geen gruwelijke misdaden begaan worden ! Alsof de goedheid in de natuur en in het hart van alle hedendaagse mensen zit !

Van de woorden van Jezus : « Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven », maakt de paus : « De prachtige mensheid wordt in Jezus Christus de Weg, de Waarheid en het Leven en opent voor ieder van ons de weg naar de volheid » (nr. 1). Dat is iets heel anders ! Ook in deze encycliek draait het eens te meer om de eredienst van de Mens...

TWEE BIJBELSE BEELDEN

Om zijn visie te illustreren, haalt Leo Xiv twee Bijbelse beelden aan die hij doorheen de hele encycliek verder uitwerkt : de bouw van de toren van Babel (Gn 11, 1-9) en de herbouw van de muren van Jeruzalem (Ne 2-6). Hij laat er zich door inspireren... en neemt de vrijheid om de wezenlijke betekenis ervan te wijzigen.

DE TOREN VAN BABEL

In de oertijd van de mensheid besloten de mensen de toren van Babel te bouwen, waarvan de top tot in de hemel reikt. « Dit project verbergt echter een diepe valstrik : het is een werk dat is bedacht zonder verwijzing naar God, gedragen door een uniformiteit die diversiteit uitsluit en, in plaats van gemeenschap, kiest voor gelijkschakeling » (nr. 7). Voor de paus is de toren van Babel geen uiting van de hoogmoed en de goddeloosheid van mensen die zich met God willen gelijkstellen ; hij vertegenwoordigt slechts een project dat “ een valstrik ” is gebleken, omdat er geen “ verwijzing naar God ” in is opgenomen en men niet heeft getracht iedereen zijn plaats toe te wijzen naar gelang zijn waardigheid.

« Wanneer de stad is gebouwd op hoogmoed en de pretentie van zelfgenoegzaamheid, verslechtert de communicatie, raken de talen door elkaar en begrijpen de mensen elkaar niet meer. Het resultaat is geen eenheid, maar versnippering. Babel onthult zo de beperking van elk bouwwerk dat, hoe grandioos ook, voortkomt uit de verabsolutering van de mens, de waardigheid van de personen opoffert aan efficiëntie en ernaar streeft de hemel te bereiken zonder Gods zegen » (nr. 7). De communicatie is vanzelf verslechterd, de talen zijn vanzelf door elkaar geraakt en dit torenproject heeft zijn “ beperking ” gevonden omdat de mensen het niet onder Gods toezicht wilden plaatsen. Met andere woorden : een toren bouwen, ja, maar op voorwaarde dat men God niet trotseert en niet zonder zijn zegen !

DE HEROPBOUW VAN JERUZALEM

We moeten bijgevolg een voorbeeld nemen aan Nehemia, een figuur die de paus zomaar herinterpreteert. Na de ballingschap in Babylon keerde een deel van het volk terug naar Jeruzalem, maar trof de stad in puin aan. Nehemia « vast, bidt en treedt voor het volk op », waarna hij « in stilte de verwoeste plaatsen inspecteert. Hij legt geen oplossingen op die van bovenaf komen. Hij roept de families bijeen, vertrouwt aan elk een stuk muur toe om te herbouwen, luistert naar de angsten, coördineert de inspanningen en gaat de tegenstand te lijf. Het verhaal laat zien hoe de stad herrijst, niet dankzij het initiatief van één persoon, maar dankzij de gedeelde verantwoordelijkheid van het hele volk : priesters, ambachtslieden, gezinshoofden, vrouwen en jongeren. Het is een werk waarin God centraal staat en dat de banden herstelt nog voordat de stenen worden gelegd. Het oude Jeruzalem vindt zo een gemeenschappelijke taal terug, niet die van uniformiteit, maar die van gemeenschap » (nr. 8).

De gewijde tekst, de echte, toont evenwel aan dat Nehemia de enige bemiddelaar, voorspreker en redder van zijn volk was, die in alles het initiatief nam. Eerst beleed hij de zonden die de Israëlieten tegen Jahweh hadden begaan : « Ikzelf en het huis van mijn vader, wij hebben gezondigd ! Wij hebben zeer slecht tegen U gehandeld door de geboden, de wet en de voorschriften van Mozes niet na te leven » (Ne 1, 6-7). Vervolgens ging hij in zijn eentje naar de koning en vroeg uit vroomheid de toestemming om de stad van de graven van zijn voorvaderen te herbouwen. De koning gaf hem brieven mee om de grenzen te passeren en de benodigde materialen voor de wederopbouw te verkrijgen. Aangekomen in Jeruzalem deed Nehemia wat God hem ingaf te doen, zonder dit aan iemand toe te vertrouwen (Ne 2, 11 -12). Door te vertellen hoe de welwillende hand van God op hem rustte, gaf hij zijn broeders nieuwe moed (Ne 2, 18).

Dit staat ver, heel ver af van de interpretatie van de encycliek, die het berouwvolle gebed verzwijgt, die liegt over het initiatief van dit werk – alsof het niet van één enkele persoon uitging – en die beweert dat de oplossing niet van boven komt. Waarom die vervalsing ? Om de bevordering te rechtvaardigen van een aards, broederlijk, puur menselijk project, dat ieders waardigheid respecteert (altijd hetzelfde refrein), onder het toeziende oog van God.

Leo Xiv ontdoet het Koninkrijk van Christus van al zijn stralende eigenschappen om er zijn hersenschim van een nieuwe wereld mee te bekleden, als een aards paradijs dat uitsluitend door de verbeelding en de kracht van de mensen is herbouwd. Toch is er slechts vooruitgang voor de tijdelijke orde voor zover de christenen « eerst het Rijk Gods en zijn gerechtigheid zoeken », dat wil zeggen het leven van genade en heiligheid dat hen moet leiden naar de zaligheid van de hemelse glorie.

Bij de verwezenlijking van dit omvangrijke menselijke project, ingeleid door Paulus VI, voortgezet door de postconciliaire pausen en met ijver overgenomen door Leo Xiv, constateert deze laatste met bezorgdheid dat een nieuw obstakel het elan ervan dreigt te ondermijnen : de technologie en meer in het bijzonder de kunstmatige intelligentie.

« Technologie kan het gemeenschappelijke huis genezen, verbinden, opvoeden en beschermen ; maar ze kan ook verdelen, afwijzen en nieuwe onrechtvaardigheden voortbrengen. » Ze is op zich niet slecht, « maar in de praktijk is ze niet neutraal, want ze neemt het gelaat aan van hen die haar ontwerpen, financieren, reguleren en gebruiken » (nr. 9). Voor wie en waarvoor precies, daarover zullen we verderop meer te weten komen. Feit is dat de betrokkenen met AI de toren van Babel bouwen « die de hemel wil beheersen », terwijl wij Jeruzalem moeten herbouwen en « een volk moeten aanmoedigen dat, in aanwezigheid van God, zich verenigd aan het werk zet om de muren van het broederlijke samenleven weer op te bouwen » (nr. 9).

« In het tijdperk van de kunstmatige intelligentie, waarin de menselijke waardigheid dreigt te worden overschaduwd door nieuwe vormen van ontmenselijking, hebben wij de dringende plicht om diep menselijk te blijven, door met liefde de prachtige menselijkheid te bewaren die ons is geschonken en in haar volheid in Christus is geopenbaard, maar die geen enkele machine ooit in haar luister zal kunnen vervangen » (nr. 15).

GESCHIEDENIS VAN DE SOCIALE LEER VAN DE KERK

In het eerste hoofdstuk schetst de paus de geschiedenis van de sociale leer van de Kerk, die volgens hem tot doel heeft de Kerk een leidraad te geven in haar « toewijding om samen met de mensheid op stap te gaan » (nr. 20). Het is geen verrassing dat de paus teruggaat tot Leo Xiii en zijn encycliek Rerum novarum, zwijgt over de belangrijke teksten van de H. Pius X en vervolgens kort stilstaat bij de documenten die van Pius XI tot Franciscus aan deze kwestie zijn gewijd. Zo wil hij laten zien hoe elke paus, zonder de pretentie politiek te bedrijven, uit het Evangelie betrouwbare maatstaven heeft geput om het menselijke handelen te verlichten.

De ware redenen voor de huidige verlamming van de maatschappij worden door Leo Xiv niet genoemd. Hij zegt niets over de krachten die de oude christelijke orde bewust vernietigden onder het voorwendsel het volk te bevrijden, niets over de revolutionaire geest die de gewone mensen van alle bescherming beroofde ten gunste van een steeds machtiger wordende bezittende klasse, die door het “ systeem ” in staat werd gesteld zich grenzeloos te verrijken.

Uit deze gruwel zijn in de 19de eeuw de twee vijandige broers voortgekomen die onze samenlevingen nog altijd in hun greep hebben. De oudste broer is het liberale kapitalisme, dat het geld voorrang heeft gegeven vanuit de zgn. noodzaak van de industrialisatie : heerschappij van het kapitaal en maximalisering van de winst. De jongste broer, ontstaan als reactie op de eerste, is het proletarische socialisme, dat voorrang geeft aan arbeid en, in naam van rechtvaardigheid en gelijkheid, streeft naar een geleidelijke herverdeling van de rijkdom door het ingrijpen van een oppermachtige staat. Het zo bejubelde Rerum novarum was niet anders dan « een opknapbeurt van het kapitalistisch-socialistische systeem » (abbé de Nantes) en bracht geen enkel realistisch antwoord.

In zijn historisch overzicht onthult de paus dat hij doordrongen is van het gedachtengoed van Vaticanum II : « Daarom moet de Kerk – samen met de andere christelijke geloofsgemeenschappen en gelovigen van andere religies – haar stem laten horen wanneer de waardigheid van de medemens wordt geschonden, wanneer de politiek geen antwoord biedt op de drama’s van de mensheid, wanneer de economie zich tegen de mens keert of wanneer de wetenschap de grenzen van haar methode overschrijdt ; niet om te heersen, maar om de gemeenschap te dienen. Zo opgevat wordt de sociale leer een theologie van de gemeenschap in de geschiedenis » (nr. 27).

Van oudsher maakt de Kerk gebruik van de goddelijke goederen die haar door haar Heer zijn geschonken. Leo Xiv wil nu dat zij die aanwendt om het project van de Mensheid die zich tot God maakt tot een succes te maken ! Hij hoopt dat de godsdienst, Alle godsdiensten, aanvaard kunnen worden als dienaressen van een Wereld die beweert ze te negeren, want zij zijn in staat om een niet te verwaarlozen hulp te bieden. Alle religies zijn geroepen om samen te werken in het aardse werk dat voor hen een nieuwe en gemeenschappelijke bestaansreden vormt. Dogmatische twisten zijn achterhaald en bekeringsijver dooft uit. Het gaat er niet langer om aan elkaar zielen te ontrukken en ze te enthousiasmeren voor de Hemel, maar om ze in dienst te stellen van de Mensheid en haar waardigheid.

Die hersenschim werd al veroordeeld door de H. Pius X : « Vreemd, beangstigend en treurig tegelijk zijn de durf en de lichtzinnigheid van personen die zich katholiek noemen, maar ervan dromen de samenleving [...] te hervormen en op aarde, boven de katholieke Kerk, “ het rijk van gerechtigheid en liefde ” te vestigen, met arbeiders uit alle windstreken, van alle godsdiensten of zonder godsdienst, met of zonder geloof, op voorwaarde dat zij vergeten wat hen verdeelt : hun religieuze en filosofische overtuigingen... Het is beangstigend, want het gaat om de georganiseerde geloofsafval. »

VAN DE ALOMVATTENDE NAASTENLIEFDE NAAR
DE CULTUS VAN DE MENS

De H. Vader begint zijn tweede hoofdstuk met te verwijzen naar de alomvattende naastenliefde : « het mysterie van de levende God, geopenbaard in Jezus Christus als gemeenschap van Personen, Vader, Zoon en H. Geest, liefde in relatie die zich wederzijds schenkt en zich aan de wereld meedeelt » (nr. 48). Prachtige waarheden, die onze vader, abbé de Nantes, zo na aan het hart lagen. Maar Leo Xiv had kunnen en zelfs moeten verduidelijken dat « Adam door zijn zonde dit beeld van God, dat in onze ziel is ingeprent, heeft verloren en dat het ons alleen door de genade van Christus wordt teruggegeven », aldus Sint-Augustinus, zijn geestelijke vader.

De paus vervolgt : « Van nature bestemd voor relaties, is elke persoon door God bedacht en gewild om een geschiedenis van gemeenschap met Hem, met de anderen en met de schepping aan te gaan » (nr. 50). Zeker, dat was inderdaad het plan van onze Goede Drie-eenheid voor elke te redden mens. Maar ondertussen is het drama onherroepelijk in de mensengeschiedenis binnengedrongen... Satan heeft dit prachtige goddelijke opzet gedwarsboomd en Adam en Eva meegesleept in zijn opstand. Vanaf dat moment « werd ons verblijf op aarde onderhevig aan ellende en een valstrik. Ontelbare scharen van verdorven mensen – waarom zouden we dat verzwijgen ? – kwamen in opstand tegen hun Schepper, volgden demonen, hechtten zich aan aardse goederen en wendden hun ogen af van de zaligheid die God voor hen in petto had in een beter en definitief verblijf » ( Liber Iii, p. 37).

De toestand van de mens bij zijn geboorte hier op aarde is erbarmelijk ; daarom wilde Onze-Lieve-Heer mens worden en aan het Kruis sterven, onlosmakelijk verenigd met de Maagd Maria, zijn mystieke Bruid, Medeverlosseres en universele Middelares, om onze zielen van de hel te redden door ons in hun Kerk op te nemen en zo naar de Hemel te leiden. Dit zijn de grote waarheden van het katholieke geloof die ten grondslag liggen aan de christelijke sociale orde, omdat zij het kader vormen voor elk menselijk leven. Maar in Magnifica humanitas worden zij verdoezeld ten gunste van de persoonlijke theorie of gnosis van Joannes-Paulus II, volgens welke « God aan elke persoon een waardigheid schenkt die uitdrukking geeft aan zijn liefde die nooit faalt » (nr. 50). Alle mensen zijn door God geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. Dus hebben alle mensen een oneindige en onvervreemdbare waardigheid. Dus heeft elke mens onschendbare rechten waarvan de Kerk de eerbiediging eist.

« Een oneindige waardigheid [...] behoort toe aan elke mens, ongeacht de omstandigheden en ongeacht de toestand of situatie waarin hij zich bevindt, dat wil zeggen altijd en onontkoombaar » (nr. 53). De rechten van de mens hebben dus « een superieure waarde », ze zijn « onschendbaar omdat ze inherent zijn aan de persoon en zijn waardigheid » (nr. 55). In deze encycliek komt de “ waardigheid van de mens ” 103 keer voor. De woorden “ heiligheid ” en “ eeuwige zaligheid ” daarentegen zoekt men tevergeefs. De Naam van Jezus wordt slechts 9 keer genoemd en die van de Maagd Maria 7 keer...

« Twee soorten liefde hebben twee steden gebouwd : de liefde voor God tot aan de verachting van zichzelf en de liefde voor zichzelf tot aan de verachting van God. » Leo Xiv citeert graag dit woord van Sint-Augustinus. Maar hoe kan hij niet inzien dat de bevordering van de menselijke waardigheid juist de verheerlijking van de zelfliefde is en dat deze eis leidt tot minachting voor God en zijn wil ? De vrouw die een abortus wil ondergaan, rechtvaardigt dit door een beroep te doen op haar eigen waardigheid, op haar vrijheid. De voorstanders van euthanasie eisen een waardig levenseinde voor de mens. En de transhumanisten werken aan het ontwerpen van een waardiger mensheid, bevrijd van de beperkingen van ziekte en dood, meesteres van haar eigen lot, dankzij kunstmatige intelligentie !

In de christenheid, in de Stad van God, zijn de grondslagen van het sociale leven de soevereiniteit van Jezus Christus en zijn verlossende liefde, opdat de wetgeving het eeuwige heil van alle onderdanen zou bevorderen. De rechten van de mens en de menselijke waardigheid daarentegen zijn sinds 1789 de fundamenten van de Stad van Satan, die dienen om alle eisen en alle revoluties tegen het wereldlijke gezag, tegen de natuurwet en tegen de wil van God te rechtvaardigen.

En sinds het Tweede Vaticaans Concilie hebben Paulus VI en Joannes-Paulus II de Kerk met geweld onderworpen aan deze cultus van de mens, zijn waardigheid en zijn rechten, die geleidelijk aan de liefde voor God en de onderwerping aan zijn Wet verdrongen hebben. « Zo zijn we terechtgekomen in de ergste wanorde die Satan zich ooit had kunnen voorstellen. De rechten van de mens, zorgvuldig verpakt in een nepomhulsel van christelijke rechten, bewerkstelligen de volledige secularisatie van onze beschaving... door toedoen van de Kerk ! » (Crc nr. 141, mei 1979, p. 6).

CHRISTELIJK-SOCIALE BEGINSELEN OF IDEALEN VAN DE LOGE ?

Het sociale model dat door Leo Xiv wordt bepleit, plaatst de mens aan de basis van zijn opbouw in plaats van Jezus Christus en zijn Kerk. Daarom moeten wij « de verantwoordelijkheid van elke man en elke vrouw bevorderen om hun eigen leven in handen te nemen en deel te nemen aan de opbouw van de samenleving » (nr. 68). Bovendien staat onze H. Vader positief tegenover het gebruik van bepaalde mondiale instellingen : hij vestigt zijn hoop op vrede op « effectievere vormen van samenwerking en internationale instellingen, die in staat zijn het mondiale algemeen welzijn te waarborgen » (nr. 64) en hij rekent met name op de Verenigde Naties om zich in te zetten voor « de beschaving van de liefde » (nr. 226). De Kerk en de Loge, één strijd ?

Veel nadruk legt de paus op « de integrale menselijke ontwikkeling », « een ontwikkeling gericht op de bevordering van elke mens en van de hele mens » (nrs. 82-85). Dit streven om elke mens toegang te verschaffen tot rijkdom, cultuur en zelfs technologische innovaties (nr. 67) is de satanische antithese van het fundamentele principe van de Stad van God, namelijk de redding van de zielen : « Wat heeft een mens eraan de hele wereld te hebben gewonnen, als hij zijn ziel heeft verloren ? » (Mc 8, 36 ; Lc 9, 25 ; Mt 16, 26).

Hetzelfde geldt voor de sociale rechtvaardigheid (nrs. 77-81) volgens het Tweede Vaticaans Concilie, namelijk de plicht van « elke instelling om de menselijke persoon en zijn waardigheid te dienen » (nr. 77). Hoe ? Door het respecteren van het beginsel van de universele bestemming van alle goederen (nrs. 65-67), waaraan « het recht op privé-eigendom altijd ondergeschikt moet zijn » (nr. 66). Maar dat is puur communisme, het zijn de “ dwalingen van Rusland ” die zelfs zijn doorgedrongen tot in het pauselijke leergezag ! Iets heel anders was de bewonderenswaardige christelijke naastenliefde waarvan de Kerk altijd blijk heeft gegeven door middel van wijze instellingen die zich het lot van de behoeftigen aantrokken.

Tenslotte ontbreekt in de solidariteit zoals Leo Xiv die opvat (nrs. 73-76) het fundamentele principe waaraan de H. Pius X herinnerde : « Als men het grootst mogelijke welzijn voor de samenleving en voor elk van haar leden wil bereiken door broederschap of, zoals men ook wel zegt, door universele solidariteit, dan is de eenheid van de geesten in de waarheid, de eenheid van de wilsuitingen in de moraal, de eenheid van de harten in de liefde voor God en zijn Zoon, Jezus Christus, noodzakelijk. Welnu, deze eenheid is alleen haalbaar door de katholieke naastenliefde, die bijgevolg de enige is die de volkeren kan leiden op de weg van de vooruitgang naar het ideaal van de beschaving » ( Brief over Le Sillon, nr. 24).

AI, EEN GEVAAR VOOR... DE GROOTHEID VAN DE MENSELIJKE PERSOON

In een volgend hoofdstuk buigt de paus zich over hét gevaar dat de grootheid van de mens en de opbouw van die prachtige aardse, menselijke en broederlijke stad in gevaar brengt (nrs. 90-130) : de grote vooruitgang op het gebied van de informatica en de leiders van de hightechbedrijven die daarvan gebruikmaken. Hij gaat de confrontatie met hen niet rechtstreeks aan, maar tracht hen tot rede en menselijke gevoelens te brengen door te herinneren aan « enkele essentiële elementen voor een moreel en sociaal onderscheidingsvermogen dat het primaat van de persoon vrijwaart ». De technologische innovaties kunnen « een waardevolle hulp zijn voor de integrale menselijke ontwikkeling en voor het behoud van ons gemeenschappelijk huis », maar de mensheid mag er geen slachtoffer van worden.

Even terzijde. Artificiële intelligentie (AI) is een begrip dat in 1955 werd geïntroduceerd en verwijst naar het geheel van computersystemen die taken kunnen uitvoeren die lijken op die van de menselijke intelligentie, zoals waarnemen, redeneren, leren, voorspellen of het genereren van inhoud (tekst, afbeeldingen, video’s). Moderne Ai’s, met name generatieve modellen, verwerken grote hoeveelheden gegevens en produceren resultaten op basis van waarschijnlijkheden, terwijl andere systemen voornamelijk op basis van vooraf gedefinieerde regels werken. Er is in deze systemen dus absoluut geen sprake van echt denken of echte intelligentie.

Het enorme succes van AI en de toenemende afhankelijkheid die ze teweegbrengt, kunnen niet worden teruggebracht tot louter technische aantrekkingskracht. Ze zijn te danken aan de doeltreffendheid ervan, aan de permanente toegankelijkheid en aan de toenemende integratie ervan in alle aspecten van het leven. Nu AI alomtegenwoordig is geworden, moeten we vrezen dat zij de samenleving en de manier waarop individuen zichzelf zien ingrijpend zal veranderen.

De paus hekelt, maar op ingetogen wijze en zonder hen duidelijk te willen benoemen, de « grote economische en technologische spelers » die vandaag de dag een immense macht uitoefenen – soms zelfs groter dan die van staten – over de toegang tot informatie, de economie en de deelname aan het maatschappelijke leven. Wanneer deze macht zich concentreert in de handen van enkele leiders en enkele bedrijven, zo stelt hij, bestaat « het risico » dat ze aan publieke controle ontsnapt en dat er nieuwe vormen van afhankelijkheid en ongelijkheid ontstaan. Hij onderstreept ook het gevaar dat « een anti-menselijke visie » wordt opgelegd en dat men zich stort op transhumanisme en posthumanisme, die streven naar het bereiken van een « drempeloverschrijding waarbij de mensheid zichzelf zal overstijgen door een nieuwe evolutionaire fase binnen te treden ». Daarom waarschuwt hij terecht dat « we AI niet als moreel neutraal mogen beschouwen ».

De dreiging waarop de H. Vader wijst, is van zo’n grote morele ernst dat het een uiterst krachtige waarschuwing zou vereisen. Het is verbazingwekkend dat de gelovigen niet sterker worden verwittigd tegen deze atheïstische en antichristelijke « grote spelers » die invloed uitoefenen op al onze It-middelen en sociale netwerken en hun greep op de gewetens en het gedrag uitbreiden door de grenzen van de natuurlijke en christelijke moraal te overschrijden.

Zelfs de krant La Croix waarschuwde ons hiervoor in een opiniestuk dat in juli 2025 door katholieke ondernemers en theologen werd gepubliceerd onder de titel : « Voor veel van haar voorstanders is kunstmatige intelligentie een vorm van God » :

« Al meer dan een eeuw koesteren een aantal invloedrijke wetenschappers, ingenieurs en filosofen de ambitie om via de techniek goddelijke krachten te verwerven : alwetend, almachtig en onsterfelijk worden, denkende machines creëren, de krachten van de kosmos beheersen en zelfs de doden tot leven wekken... Deze visie op een toekomst waarin de almachtige mens zijn eigen conditie zou hebben overstegen en alle problemen van de mensheid dankzij de techno-wetenschap zou hebben opgelost, lijkt voor velen misschien fictie, maar ze is nu al bepalend voor de politieke beslissingen die vandaag de dag wereldwijd worden genomen en raakt ons daardoor allemaal rechtstreeks.

« We geven een bloemlezing van citaten van hoofdspelers op het gebied van AI. Volgens Bill Gates (Microsoft) zal AI ons dagelijks leven zo ingrijpend veranderen dat we binnenkort gedwongen zullen zijn om “ een nieuwe religie of een nieuwe filosofie ” uit te vinden. Ray Kurzweil, hoofd engineering bij Google, pleit op zijn beurt al meer dan twintig jaar voor de creatie van deze “ nieuwe religie ”, waarvan AI de God zou zijn. Sam Altman (OpenAI) is van mening dat hij zich door de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie “ aan de kant van de engelen en God ” bevindt. Voor Marc Andreessen, investeerder uit Silicon Valley, “ bevrijdt technologie de menselijke ziel en moet AI worden beschouwd als een universele oplossing voor al onze problemen ”. Peter Thiel (Palantir) stelt dat dankzij de techno-wetenschap “ God via ons werkt om het koninkrijk der hemelen vandaag de dag hier op aarde op te bouwen ”.

« Zijn dit geïsoleerde standpunten ? Nee, verre van dat, zoals blijkt uit de woorden van Jaron Lanier, pionier op het gebied van virtuele realiteit en onderzoeker bij Microsoft : “ De heersende opvatting [ in de techwereld ] is dat super-AI zal uitgroeien tot een soort God die ons zal redden en ons onsterfelijk zal maken. Ik spreek voortdurend met mensen die in dit soort dingen geloven. ” Een overtuiging die wordt gedeeld door Neil McArthur, hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Manitoba, die ervan overtuigd is dat “ we de komende jaren getuige zullen zijn van de opkomst van sekten die zich wijden aan de verering van AI ”. Dit is een glimp van wat Big Tech in de VS denkt, maar dezelfde hoogmoed heerst ook onder Aziatische en met name Chinese toplui. Ze hebben het verlangen en de absolute overtuiging dat ze zonder God kunnen, dat ze het menselijke leven onsterfelijk kunnen maken en ideale aardse steden zonder God kunnen scheppen. »

EEN VEEL TE ZWAK ANTWOORD

Wij moeten er alles aan doen om hen tegen te houden ! We moeten de gelovigen waarschuwen voor deze invasie die ons geloof bedreigt ! En we moeten dringend de oprichting van scholen, universiteiten en allerlei katholieke instellingen aanmoedigen die in staat zijn onszelf en onze kinderen te beschermen tegen deze « grote spelers » en hun demonische plannen !

Zoals abbé de Nantes terecht opmerkte : « Het gevaar schuilt niet in de machines, maar in de personen die ze ontworpen hebben om de massa’s indirect te onderwerpen. En Satan leidt de dans... » ( Brief aan mijn vrienden nr. 197). Techniek en vooruitgang kunnen op zichzelf nuttig zijn en ten dienste staan van gewettigde doelen. Maar wanneer degenen die ze bedenken en aansturen ze in dienst stellen van dwaling, verdorvenheid en goddeloosheid, dan moeten ze aan de kaak worden gesteld en veroordeeld. En hoe kan dat anders dan door de Kerk en de christenheid hun volle kracht en invloed terug te geven ? Welnu, juist een dergelijk perspectief wijst de paus af. De opmerkingen en oplossingen die hij aandraagt, zijn strikt menselijk ; ze doen soms een beroep op het gezond verstand, maar ontberen diepgaande en bovennatuurlijke principes.

Zo keurt hij af dat « kleine, zeer invloedrijke groepen de informatie en de consumptie kunnen sturen, de democratische processen kunnen beïnvloeden en de economische dynamiek in hun voordeel kunnen ombuigen, in strijd met de sociale rechtvaardigheid en solidariteit tussen de volkeren » (nr. 108). Ik weet niet of de bazen van Big Tech, die persoonlijk en politiek voordeel proberen te halen uit de miljarden en miljarden dollars die hun aandeelhouders en lobbyisten in AI hebben geïnvesteerd, onder de indruk zijn...

Vervolgens brengt Leo Xiv een argument naar voren dat de grote meesters van de digitale wereld moeiteloos zou moeten overtuigen, aangezien het zich richt tot het meest goddelijke in hen : « Ik richt een bijzondere oproep tot hen die AI ontwikkelen. Technologische innovatie kan in zekere zin een menselijke vorm van deelname aan de goddelijke scheppingsdaad zijn. Ontwikkelaars dragen daarom een bijzondere ethische en spirituele verantwoordelijkheid, want elke ontwerpkeuze drukt een visie op de mensheid uit » (nr. 111). Ten eerste worden de leiders van AI gedreven door een libertaire ideologie die hen ongevoelig maakt voor een dergelijke oproep. Maar de pauselijke uitspraak is ook onjuist vanwege een misvatting die door Joannes-Paulus II in zijn encycliek Laborem exercens is geformuleerd : arbeid definieert de mens niet en vormt geen menselijke vorm van deelname aan de goddelijke scheppingsdaad. Dat is een marxistische verheffing van arbeid die totaal vreemd is aan de christelijke leer.

De magnaten van Silicon Valley zouden moeten aanvaarden dat de « grenzen » van de mens, « onvermogen, ziekte, ouderdom, lijden, kwetsbaarheid » in feite mooi zijn, want juist in die context « rijpt de mens en stelt hij zich open voor relaties », mogelijk ook voor die met God (nr. 118). De visie van de paus is gekleurd door immanentisme : het goddelijke is niet transcendent, maar bevindt zich binnen de menselijke geest. Vreemd... « De eindigheid verarmt de mens niet, maar opent hem voor de herkenning van het gelaat van God en van de ander. Het is trouwens juist omdat hij de grens ervaart – kwetsbaarheid, pijn, mislukking – dat hij zijn eigen waardigheid en die van anderen als onschendbaar kan erkennen » (nr. 122). Zal het hart van de magnaten door dit argument geraakt worden ?

« Het ware “ meer-dan-menselijke ” ligt niet in AI, maar in de aanvaarding van de hele mens en van elke mens, van de integrale mens en van de integrale mensheid. » En : « Al eeuwenlang bevestigt de christelijke traditie dat de mens niet beperkt is tot de grenzen van zijn eigen natuur, maar geroepen is om zichzelf te overstijgen : niet om de werkelijkheid te ontvluchten of uit minachting voor de grenzen, maar om zich te ontplooien in de liefde. Het geloof kent een hiernamaals ” dat voortkomt uit de gave van God. Deze transformatie is het werk van de H. Geest » (nr. 127).

« HET MENSELIJKE BEHOUDEN »

Nadat hij de gevaren van AI heeft geschetst en heeft geprobeerd de hightech-oligarchen ervan te weerhouden zich te verzetten tegen Gods plan met de mensheid, gaat de paus in op verschillende belangrijke gebieden waarop AI zeer concrete, soms ingrijpende veranderingen teweeg kan brengen, waarvoor we waakzaam moeten blijven (nrs. 132-179). Het geheel is helaas doorspekt met gemeenplaatsen, clichés en misvattingen.

De paus wil onze aandacht vestigen op de diverse vormen van uitbuiting die voortvloeien uit de digitale economie, of het nu gaat om de vaak zware winning van grondstoffen die onmisbaar zijn voor de productie van computerapparatuur, kinderarbeid of de opkomst van criminele netwerken. Hij staat zich deze waarschuwing des te meer toe omdat de Kerk zich « haar medeplichtigheid en blindheid van weleer tegenover het onrecht van de slavernij » herinnert : « Als we niet willen dat we in de toekomst vergeving moeten vragen omdat we niet trouw zijn gebleven aan de schat van de menselijke waardigheid die ons geloof in zich draagt, is het aan ons om vandaag duidelijk en standvastig de slavenhandel in al zijn vormen aan de kaak te stellen » (nr. 177).

Meteen vraagt de paus « oprecht om vergeving » voor de houding van de Kerk, die er niet in geslaagd is de slavernij ondubbelzinnig te veroordelen en niet heeft erkend dat deze praktijk radicaal onverenigbaar was met de waardigheid van de menselijke persoon. « Het is waar dat de gebeurtenissen uit het verleden niet los van de historische context kunnen worden beoordeeld [...]. Toch kunnen we de vertraging waarmee de Kerk en de samenleving de plaag van de slavernij hebben veroordeeld, niet ontkennen of bagatelliseren » (nr. 176).

De waarheid is dat de Kerk in de veroverde, onderworpen en gekoloniseerde landen zich inzette om de bevolking te bekeren en de slavernij af te schaffen. Het is dan ook onjuist om kolonisatie en slavernij door elkaar te halen. Het blijft echter een feit dat, in het kader van oorlogen die als rechtvaardig werden beschouwd, het in slavernij brengen van bepaalde bevolkingsgroepen, met name moslims, door de pausen werd toegestaan om redenen van veiligheid en verdediging. Dit viel onder de logica van het toen geldende veroveringsrecht. Niettemin wordt in de pauselijke documenten geen enkele legitimering van de slavenhandel of van een wijdverbreid slavernijsysteem genoemd.

Er hebben ongetwijfeld ernstige misstanden plaatsgevonden. Europese handelaren organiseerden de massale en lucratieve deportatie van Afrikaanse slaven naar Amerika. Maar het is zaak om de identiteit van deze handelaren, hun motieven en hun religie nauwkeurig te onderzoeken. Hoe dan ook werd slavernij destijds over het algemeen niet als intrinsiek slecht beschouwd, maar eerder als een feitelijk kwaad dat de Kerk geleidelijk aan heeft getracht te bestrijden en uit te bannen. Kortom, iedereen erkent dat de kwestie van de slavernij complex is en geen aanleiding mag zijn voor anachronistische vereenvoudigingen.

Waarom vragen onze kerkleiders nooit vergeving voor bepaalde meer recente gevallen van verraad tegenover diverse vijandige ideologische machten ? Terwijl de Kerk vroeger altijd doctrines heeft bestreden die vijandig stonden tegenover het geloof, hebben de pausen sinds Vaticanum II zich systematisch toegeeflijk opgesteld ten opzichte van de erfenis van de Verlichting, de Franse Revolutie, het socialisme, de secularisering en zelfs het communisme, waarbij ze zelfs zo ver gingen dat ze Sovjetwaarnemers verwelkomden op het Concilie ! Ook het opofferen van de ondergrondse Kerk in China aan de eisen van de Chinese Communistische Partij blijft een onuitwisbare smet. Al dit verraad geeft aanstoot, zozeer staat het in contrast met de bovennatuurlijke missie van de Kerk bij de verdediging van het geloof en de christelijke beschaving.

DE OORLOG OF DE BESCHAVING VAN DE LIEFDE

Centraal in het laatste hoofdstuk staat de gedachte dat de mensheid, geconfronteerd met de opkomst van kunstmatige intelligentie en nieuwe technologieën, moet kiezen tussen een « cultuur van de macht » en de « beschaving van de liefde ». Voor Leo Xiv is het grootste gevaar niet de techniek zelf, maar het gebruik ervan ten dienste van overheersing, oorlog en het grenzeloze streven naar macht (nrs. 188-209). De oplossing ? Terug naar de mens. Het menselijke op elke pagina en in elk nummer ! Het menselijke in het hart van de mens, aan de basis van de wetten en in de principes van internationale organisaties ! De gehele menselijke familie moet terugkeren naar haar rechten en plichten (niet die van Boven natuurlijk). Zij moet kiezen voor « solidariteit ».

Kortom, we moeten de « beschaving van de liefde » opbouwen, een uitdrukking die geërfd is van Paulus VI en Joannes-Paulus II. Het gaat niet om een « naïeve utopie, maar om een veeleisend project » dat « een stabiele internationale orde kan voortbrengen ». Werkelijk ?

Er zijn « mannen en vrouwen nodig die zich niet bij de situatie neerleggen en volharden in het goede », die weten hoe ze weerstand moeten bieden « tegen het kwaad »... maar nooit tegen de duivel ! Niemand is overbodig in deze opbouw. Iedereen is belangrijk. Durf standpunten innemen in debatten, hernieuw de dialoog, smeed banden van broederschap, ga over op « de methode van de vrede », laat je bezielen door « de geest van Assisi » en beoefen de interreligieuze dialoog « want in het hart van de grote spirituele wegen ligt een boodschap van vrede » (nr. 223). Ook in het jodendom en de islam ? Weet de paus dan niet wat er in Gaza gebeurd is en nog altijd gebeurt ?

En tenslotte : « God houdt onvoorwaardelijk van ons allemaal. » Ja, maar Hij verwacht van ons dat wij zijn oneindige liefde beantwoorden met wederliefde : « Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden. Maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden » (Mc 16, 16).

ONS MARIAAL SLOTWOORD

Tegenover de revolutionaire principes van de huidige sociale leer van de Kerk, de humanistische visie op de te bouwen aardse samenleving en de eredienst van de Mens die overal in deze encycliek wordt verkondigd, stellen wij de verering van het Onbevlekte Hart van Maria en de bovennatuurlijke leer van Fatima.

Lucia vertelt dat Onze-Lieve-Vrouw op 13 juni 1917 haar handen opende en de zieners voor de tweede keer de weerspiegeling van het goddelijke licht liet zien. In Haar zagen zij zichzelf als overspoeld door God. Vóór de palm van de rechterhand van Onze-Lieve-Vrouw bevond zich een Hart, omringd door doornen die erin leken te dringen. « We begrepen dat dit het Onbevlekte Hart van Maria was, beledigd door de zonden van de mensheid, dat om genoegdoening vroeg. »

Mocht de Naam van de Onbevlekte worden verheerlijkt en geheiligd ! Mocht de H. Vader ophouden met het verheerlijken en prijzen van een hoogmoedige mensheid die zichzelf tot God maakt ! Laten we denken aan de miljarden mensen die, liggend in de duisternis en de schaduw van de dood, wachten tot de verzoenende devotie tot het Onbevlekte Hart wordt aangemoedigd, verkondigd en gepredikt in de hele wereld. Laten we ons verheugen bij de gedachte aan het plan van onze God, die al deze mensen wil inleiden in de kennis van en de liefde voor onze goddelijke Moeder. Mocht het rijk van het Onbevlekte Hart van Maria aanbreken, gedragen door de onvermoeibare ijver van de Plaatsbekleder van Jezus Christus !

Wat is die hersenschim van de “ beschaving van de liefde ” in vergelijking met de Rooms-katholieke Kerk en haar uitbreiding, de christenheid ! Zij is het enige Jeruzalem dat herbouwd moet worden en de enige instelling die, door de H. Geest die haar bewoont, in staat is om de zielen van mensen van goede wil en van arme zondaars te redden.

Laten we bidden dat Onze-Lieve-Vrouw de paus de moed zou schenken voor de heldhaftige beslissingen die nodig zijn om de gelovigen te betrekken bij een zeer noodzakelijke bekering, bij een vurige devotie van eerherstel tot het Onbevlekte Hart van Maria en bij een onmisbare Contrareformatie ! Laten we de dromen van een puur menselijke universele stad, waarin Jezus en Maria nooit zullen wonen, klaar en duidelijk afwijzen. En laten we al onze krachten wijden aan de heerschappij van het Onbevlekte Hart van Maria in de Kerk en in de hele wereld !

broeder Michel van de Triomferende Onbevlekte
en van het Goddelijke Hart

Wat wil de katholieke contrareformatie ?

Abbé Georges de Nantes (1924-2010) stichtte onze beweging om de hoofdoorzaak van de teloorgang van het katholieke geloof aan te klagen en te bekampen : het Tweede Vaticaans Concilie, dat onder invloed van modernistische en progressistische nieuwlichters bewust gebroken heeft met twintig eeuwen Traditie en ons een andere, vervalste godsdienst opgedrongen heeft. Dat gebeurde op een geslepen manier : men deed of de conciliaire akten door iedereen aanvaard moesten worden, terwijl het in werkelijkheid in de woorden van de promotoren zelf niet om een dogmatisch, maar om een “ pastoraal ” concilie ging zonder enige aanspraak op onfeilbaarheid.

De Kcr wil deze strijd in de Kerk voeren en niet erbuiten : wij wijzen elke vorm van schisma even radicaal af als de ketterijen die de Kerk sinds 1962 vergiftigen en wij weigeren onze Moeder uit te leveren aan de valse profeten door haar de rug toe te keren. En tegelijkertijd is het ons niet te doen om een terugkeer naar vroeger, maar om het voorbereiden van een Derde Vaticaans Concilie, dat klaarheid moet brengen en een katholiek reveil inluiden voor de Kerk, de « grote stad die voor de helft in puin ligt » overeenkomstig het derde Geheim van Fatima.