Wetenschappelijk eerherstel
Voor de H. Lijkwade van Turijn

5. Het complot van de “ carbonari ”

door broeder Bruno Bonnet-Eymard

De “ carbonari ”, gezworen vijanden van de H. Lijkwade, in het koorgestoelte van de Turijnse Dom als in een beklaagdenbank : van links naar rechts Hedges, Donahue, Hall, Damon en Wölfli. 

In dit artikel zet broeder Bruno uiteen hoe de tegenstanders van de H. Lijkwade tewerk gegaan zijn om de koolstofdatering te vervalsen en een resultaat te bekomen dat de kostbare Relikwie “ ontmaskerde ” als een zogezegde middeleeuwse vervalsing. Een echt goddeloos manoeuvre...

OP 18 maart 1983 overleed Umberto II, koning van Italië in ballingschap. Hij liet de H. Lijkwade na aan de H. Stoel. Paus Joannes-Paulus II benoemde de aartsbisschop van Turijn tot pauselijk bewaarder van het kostbare weefsel en maakte daarmee duidelijk dat hij de zorg voor de Lijkwade wilde overlaten aan de stad Turijn. Aan zijn vriend kardinaal Ballestrero, die vanaf dat ogenblik de drie sleutels van het reliekschrijn in zijn bezit had, gaf hij alle macht om beslissingen te treffen met betrekking tot het wetenschappelijke onderzoek.

JOANNES-PAULUS II EN DE H. LIJKWADE

Alles liet vermoeden dat de paus veel waarde zou hechten aan de koninklijke erfenis. In september 1978, na het conclaaf en de verkiezing van Joannes-Paulus I, die samenviel met het begin van de uitstalling van de Lijkwade en met de bedevaarten die ze teweegbracht, was kardinaal Wojtyla naar Turijn gegaan om er te bidden bij de Relikwie die boven het hoofdaltaar van de Dom was uitgestald.

Toen hij paus geworden was, ging hij op 13 april 1980 op bedevaart naar Turijn. In zijn toespraak tot de verzamelde geestelijkheid maakte hij een toespeling op « de H. Lijkwade die gepaste bescherming biedt aan wie haar in gedachten houdt » (Osservatore romano, 14-15 april 1980). Later, op het plein waar hij de Mis opdroeg, was hij veel duidelijker tijdens zijn preek : « In Turijn heeft het Paasmysterie enkele opmerkelijke getuigen en apostelen gehad, vooral tijdens de 19de en 20ste eeuw. Het kon trouwens niet anders in de stad die een ongewone en geheimvolle relikwie bewaart : de H. Lijkwade, zeer bijzondere getuige van Pasen, van het Lijden, de Dood en de Verrijzenis – tenminste als we de argumenten van vele wetenschappers aanvaarden. Het is een zwijgende getuige, die tegelijkertijd en op een verrassende wijze zeer welsprekend is » (Documentation catholique, 1 mei 1980, p. 403).

Na de Mis vereerde Joannes-Paulus II de Relikwie, die speciaal voor hem uit haar schrijn gehaald was en ontrold, hoewel het officiële programma dit niet voorzien had. Na de middag richtte de paus een lange toespraak tot het volk op de Piazza Vittorio, waarbij hij de H. Lijkwade niet vernoemde.

De zondag daarna, 20 april, op het moment van het Regina Caeli op het Sint-Pietersplein, zei de H. Vader eenvoudigweg : « De kathedraal van Turijn is nog steeds de plaats waar zich sedert eeuwen de H. Lijkwade bevindt, de prachtigste relikwie van het Lijden en de Verrijzenis » (Osservatore romano, 21-22 april).

Eén jaar later, op 13 mei 1981, moest een afvaardiging van de Sturp een samenvatting van de resultaten van haar onderzoekingen voorleggen aan de paus. Deze ontmoeting werd verhinderd door de aanslag die iedereen zich herinnert. Sindsdien heeft er zich geen nieuwe gelegenheid voorgedaan om de mening van de paus over de wetenschappelijke werkzaamheden te weten te komen. Joannes-Paulus II heeft nooit meer over de Lijkwade gesproken, zelfs niet na de fameuze persconferentie in het British Museum die de Relikwie als een vervalsing brandmerkte.

EEN “ MATERIALISTISCHE ” KARDINAAL

Mgr. Ballestrero was nooit een vurig vereerder van de H. Lijkwade, omdat hij niet overtuigd was van haar echtheid. In 1978 had hij de wetenschappelijke onderzoekingen slechts toegelaten op voorwaarde dat, als de geleerden zouden ontdekken dat de Relikwie een vervalsing was, hij als eerste zou verwittigd worden...

Kardinaal Anastasio Ballestrero

Ik herinner mij mijn geërgerde verbazing op 7 oktober 1978, bij de opening van het Internationaal Sindonologisch Congres, toen ik de afwezigheid van de aartsbisschop vaststelde. Later kwam hij toch opdagen, midden in de uiteenzetting van Wilson. Men onderbrak de spreker, Mgr. Ballestrero verwelkomde kort de aanwezigen en verdween om niet meer terug te keren. Dit onvoorbereide toespraakje werd trouwens niet opgenomen in de omvangrijke Akten van dit internationaal congres. Zelfs de naam van de aartsbisschop komt er niet in voor.

Vier jaar later worden de resultaten van het Amerikaanse wetenschappelijke onderzoek over de gehele wereld bekendgemaakt, nadat ze, zoals overeengekomen, eerst aan kardinaal Ballestrero waren meegedeeld. Neen, de H. Lijkwade is geen « vervalsing »! De leden van de Sturp houden onophoudelijk voordrachten in de VS, Canada, het VK, Portugal, Italië. In 1982 komt Heller een voordracht geven in Turijn. Hij bezoekt de kardinaal :

« Eminentie, ik houd eraan u te danken voor de hoffelijkheid waarmee u uw kostbare Lijkwade in handen van een groep materialistische wetenschappers hebt gegeven. » – « Maar dat is heel normaal. De Lijkwade is een stuk materie en het is het doel van hen die de materie bestuderen om te zien wat het is. Mijn ziel zou ik niet aan materialistische wetenschappers toevertrouwen. In feite zou ik ze noch aan mijzelf noch aan een groep spiritualistische wetenschappers toevertrouwen. Maar de Lijkwade is een stuk materie en het is uw taak, wetenschappers van de materie, om me te zeggen wat ze is en wat ze niet is. »

In 1978 had de aartsbisschop het Polytechnico van Turijn om een wetenschapper gevraagd die in staat zou zijn te waken over de veiligheid van de Lijkwade tijdens de werkzaamheden van de Sturp, die haar op geen enkele wijze mochten beschadigen. Luigi Gonella, hoogleraar natuurkunde, werd hiervoor aangeduid ; het was de allereerste keer dat hij zich met de Relikwie ging bezighouden. Gonella zou de vraag naar de echtheid altijd handig ontwijken door te stellen dat het doel van het onderzoek elders lag. Hij had het overal over het hierboven vermelde gesprekje en verdedigde vol vuur het « materialistische » antwoord van zijn kardinaal aan prof. Heller. En hij hield niet op mij vriendschappelijk te verwijten dat ik de « materialistische » benadering van de H. Lijkwade, de enige die in zijn ogen wetenschappelijk was, door mijn misplaatst « enthousiasme » voorbijschoot.

Maar het diepst van zijn gedachten heeft hij duidelijk laten kennen vanaf het ogenblik dat de eerste geruchten over de uitslag van de koolstof­datering zich vanuit Engeland begonnen te verspreiden. Op hetzelfde ogenblik dat hij verklaarde dat deze geruchten « ongegrond » waren, bekende hij tijdens een vraaggesprek met de Italiaanse krant Il Messaggero dat hij er « moreel van overtuigd was » dat het antwoord van de labo’s zou bepalen dat de Lijkwade uit de middeleeuwen stamde.

DE VOORBEREIDSELEN

In 1979 zond Mgr. Ballestrero Gonella naar Heidelberg, waar het Internationaal Congres over Radiokoolstof plaatsvond, om er de specialisten te raadplegen over de gepastheid van de datering van de Lijkwade met behulp van de methode van de deeltjesversnellers, die sedert 1977 door prof. Purser en zijn medewerkers aan de universiteit van Rochester ( New York) toegepast werd. In de Akten van het Congres van Turijn (1979) stelde Harry Gove, één van de medewerkers van Purser, dat deze methode onmiddellijk toepasbaar was op de Lijkwade ; om deze reden eisten de intriganten McCrone en Sox met veel misbaar dat men bij hoogdringendheid tot de proef zou overgaan. Gonella ontmoette Jacques Evin, directeur van het Centrum voor isotopische analyses en dateringen van de universiteit van Lyon, die een even krachtig ontkennend antwoord gaf en de Italiaan waarschuwde voor de zware gevolgen van het vroegtijdige gebruik van een methode die niet op punt stond.

Vier jaar later ondervroeg ik Evin op mijn beurt. Hij volhardde : « Raadpleeg de wetenschappelijke uitgaven die onafhankelijk staan tegenover pers, propaganda en geruchten en u zal vaststellen dat er nog niet één lijst met resultaten is bekomen via de methode van de deeltjesversnellers. Zolang de methode geen indrukwekkend aantal resultaten geboekt heeft op gewone stalen, die in gemakkelijke omstandigheden genomen zijn en reeds met andere beproefde methodes gedateerd, gaan wij, beroepsonderzoekers, ervan uit dat ze niet op punt staat. Ze mag dus niet op de Lijkwade toegepast worden. »

Evin sprak deze woorden in 1983. Omdat dit oordeel overduidelijk afkomstig was van een door de wol geverfde onderzoeker van de koolstof-14, eerlijk en belangeloos, ongevoelig voor het kabaal van de pers en uitsluitend begaan met de wetenschappelijke waarheid, bonden wij samen de strijd aan tegen een voorbarige analyse van de H. Lijkwade met de ¹⁴C-test1.

In 1982 richtte de Sturp, met het oog op het bestuderen van deze vraag, een commissie op die geleid werd door Robert Dinegar, onderzoeker in Los Alamos. Dinegar wekte de belangstelling van zes laboratoria op ; de datering met radiokoolstof stond daarom op het onderzoeksprogramma van “ Fase II ” : een boekdeel van 177 blz. dat D’Muhala en Jackson op 16 oktober 1984 aan kardinaal Ballestrero voorlegden. De Amerikaanse geleerden vroegen om zes stalen te nemen die bestemd zouden zijn voor zes labo’s2, in het kader van een nieuwe reeks analyses die, net zoals in 1978, rechtstreeks op de Lijkwade zouden uitgevoerd worden.

De kardinaal beloofde het dossier over te maken aan de H. Stoel, de nieuwe eigenaar van de Relikwie, met de bedoeling een wetenschappelijke commissie te benoemen. Jackson vroeg de kardinaal om in maart 1985 een eerste vergadering met deze commissie vast te leggen, wat hem beloofd werd. Maar in augustus 1985 schreef Gonella mij : « We zitten in het voorgeborchte en ik weet niet hoelang dat nog kan blijven duren. » Deze Vaticaanse traagheid zou inderdaad zeer zware gevolgen hebben.

GOVE VERKLAART DE OORLOG AAN DE STURP

In juni 1985, ter gelegenheid van het radiokoolstofcongres in Trondheim, kwam Harry Gove van de universiteit van Rochester met het voorstel aan de vertegenwoordigers van de vijf andere laboratoria én aan Dinegar zelf om hun samenwerking met de Sturp te beëindigen en voor eigen rekening te werken met het oog op het verkrijgen van de te dateren stalen.

Fysicus Harry Gove

Het toppunt is dat hij zijn doel bereikte ! In een voordracht tijdens het radiokoolstofcongres van Dubrovnik in juni 1988 zou Gove zichzelf voorstellen als « de voornaamste woordvoerder en coördinator van de datering van de Lijkwade » (Progress in Radiocarbon Dating of the Shroud of Turin, persoonlijke mededeling). Dit is zeker niet overdreven in die zin dat, zoals Riggi het formuleert, « de ¹⁴C-oorlog door professor Gove aan onze groep verklaard werd zonder mogelijkheid tot overeenkomst » (op. cit., p. 150). Deze schandelijke oorlog liep uit op een volledige zege van Gove, waardoor het duidelijk werd dat er zich een kliek had gevormd.

Het protocol van Trondheim (juni 1985)

De anglicaanse dominee David Sox was de onvoorwaardelijke medeplichtige van Gove, net zoals hij sedert 1980 de medeplichtige was van McCrone... en van de beroepsillusionist Joe Nickell.

De eerste oorlogsdaad van deze kliek was wat Sox « het protocol van Trondheim » noemt (The Shroud Unmasked, 1988, p. 96). Dit protocol, voorgesteld als een “ eerlijke ” uitvoering van de plannen van de Sturp-ploeg, voorzag in volgende schikkingen :

1° Het British Museum zou optreden als coördinator en “ waarborg ” voor de proeven.

2° De Sturp zou haar “ goede diensten ” aanbieden om de monsters van de Lijkwade uit te kiezen en weg te nemen.

3° Het British Museum zou daarenboven twee monsters leveren waarvan de ouderdom gekend was en die “ controlemonsters ” genoemd werden. Door ze op hetzelfde ogenblik aan dezelfde analyse als de Lijkwade te onderwerpen, zouden ze het mogelijk maken de geldigheid van de resultaten na te gaan. Als de ontleding van de stalen met gekende ouderdom op een juiste datum zou uitkomen, zou niemand de aangeduide datum voor de H. Lijkwade kunnen betwisten.

4° Alle stalen zouden in kleine deeltjes gesplitst worden alvorens aan de laboratoria toevertrouwd te worden. Deze zouden dus “ blind ” werken : zij zouden de monsters door een codenummer onderscheiden zonder hun identiteit te kennen.

5° Het British Museum zou als enige de codesleutel kennen en zou de schriftelijke toezegging ontvangen dat de resultaten aan niemand behalve een door het museum gevolmachtigde bekendgemaakt zouden worden.

6° De zes labo’s zouden de methodes van hun keuze gebruiken en zouden er een uitvoerige beschrijving van geven, vanaf het klaarmaken van de monsters tot het bekomen van de uitslagen, met de berekening van de bekomen gemiddelde waarden en van de onzekerheidsgraad.

7° De uitslagen zouden eerst naar de H. Stoel en de aartsbisschop van Turijn gezonden worden en pas daarna meegedeeld aan de pers.

Dinegar, die de bijeenkomst bijwoonde, bleef de datering met radiokoolstof beschouwen als één proefneming onder de vele die de Sturp gepland had onder “ Fase II ” van de onderzoeken. Hij beschouwde ze zelfs niet als een proef die voorrang verdiende. Integendeel, de datering met radiokoolstof kon noodzakelijkerwijs pas tussenkomen ná de studie van de “ vervuiling ”, een discipline waarin
Heller en Adler de onbetwiste specialisten waren. Deze voorafgaande studie bleek noodzakelijk voor de juiste interpretatie van de resultaten van de 14C-analyse.

Gove daarentegen beschouwde de 14C-analyse als de enige onfeilbare om over de echtheid van de H. Lijkwade te oordelen. De uitslag zou alle andere proefnemingen bekrachtigen als ze overeenstemden of ze ongeldig en bijgevolg nutteloos maken in het tegenovergestelde geval.

Het protocol van Turijn (29 september - 1 oktober 1986)

In 1986 riep kardinaal Ballestrero een vergadering samen die bijeenkwam in het grootseminarie van Turijn, van 29 september tot 1 oktober. De kardinaal had de Pauselijke Academie voor Wetenschappen uitgenodigd waarvan de voorzitter, prof. Carlos Chagas, persoonlijk aanwezig was, samen met zijn secretaris en vriend Canuto, om de werkzaamheden te regelen en te leiden. Chagas had bovendien Mechtilde Flury-Lemberg laten komen, de textieldeskundige van de stichting Abegg in Bern, die door haar internationale faam de uitgelezen persoon was om de stalen van de H. Lijkwade te nemen.

Ook waren er vertegenwoordigers aanwezig van de zes laboratoria die kandidaat waren voor de datering van de Relikwie. Bovendien was er nog een vertegenwoordiger van een zevende labo komen opdagen : Jean-Claude Duplessy van Gif-sur-Yvette (Frankrijk). Gove was met zijn secretaris Briard aanwezig voor het laboratorium van Rochester, evenals Damon en Donahue voor dat van Tucson in Arizona, Hall en Hedges voor Oxford en Wölfli voor Zürich.

Adler en Dinegar waren er voor de Sturp, naast Gonella, Riggi en enkele anderen waaronder Michael Tite, directeur van het onderzoekslabo van het British Museum, Jacques Evin, die nu ook gewonnen was voor het beginsel van de koolstof­datering3, en William Meacham, oudheidkundige uit Hongkong. Alles bij elkaar ging het om 26 deelnemers. Zoals gewoonlijk was de kardinaal niet aanwezig tijdens de werkzaamheden, maar op het einde nam hij wel kennis van het voorstel dat voortvloeide uit twintig uren discussie.

Het protocol van Trondheim werd hernomen : analyse door de (nu) zeven laboratoria van drie monsters (één van de Lijkwade en twee andere ter controle) zonder dat de onderzoekers zouden weten vanwaar elk monster afkomstig was en zonder dat ze elkaar zouden raadplegen. De Pauselijke Academie voor Wetenschappen stond borg voor het hele proces, samen met het British Museum en het Metrologisch Instituut G. Colonnetti uit Turijn. Riggi bewaarde het stilzwijgen over de rol van Mechtilde Flury-Lemberg bij het nemen van de stalen en gaf daardoor te verstaan dat hijzelf de enige geschikte persoon was ( Riggi, op. cit., p. 154 ).

Hoeveel weefsel zou er genomen worden ? Daarover kwam men maar niet tot overeenstemming. Nochtans had dit punt al het voorwerp uitgemaakt van een doorgedreven studie van de Sturp uit 1981. Schwalbe en Rogers schatten dat er verspreid over de Lijkwade 400 cm² stof beschikbaar was die zich bevond onder de door de clarissen van Chambéry aangebrachte herstellingen ; deze oppervlakte was dus bruikbaar zonder dat er zichtbare of werkelijke schade toegebracht zou worden aan de Lijkwade. In de wetenschap dat voor één datering met de methode van de deeltjesversnellers 1 mg koolstof nodig is, die men verkrijgt uit 1 cm² stof, kon men « honderden proefnemingen » in het vooruitzicht stellen (Schwalbe, op. cit., p. 44).

Het protocol van Turijn voorzag slechts één test, maar wel volgens een voorbeeldige procedure. De twee methodes zouden toegepast worden : de oude, veelvuldig beproefde telling van de desintegraties en de nieuwe, nog twijfelachtige methode gebaseerd op de spectrometrie van de massa. Als de zeven laboratoria allemaal dezelfde uitslag zouden bekomen zou er geen betwisting mogelijk zijn. En als één van de zeven een vergissing zou begaan, zou het afwijkende resultaat ten opzichte van de andere dat duidelijk aantonen.

Gove moest het onderspit delven met betrekking tot het punt dat hem na aan het hart lag : de andere door de Sturp geplande onderzoeken werden behouden. Maar « om logistieke redenen » zouden de stalen « onmiddellijk vóór » de aanvang van die andere onderzoeken weggenomen worden (Gove, Turin Workshop on Radiocarbon Dating the Turin Shroud, Nuclear Instruments and Methods, in Physics Research B29, 1987, pp. 193-195). De ingeroepen « logistieke redenen » konden hier slechts een voorwendsel zijn om de voorafgaandelijke chemische analyse van de vezels, die later door de proefneming vernietigd zouden worden, onmogelijk te maken. Op deze aantasting van het protocol moet zeer krachtig gewezen worden omdat ze noodlottige gevolgen zou hebben voor de uiteindelijke interpretatie van de resultaten.

Men kwam overeen dat het nemen van de monsters de Relikwie zo weinig mogelijk zou mogen beschadigen en dat zij zelf geen verkoold weefsel zouden bevatten. De labo’s zouden de kosten op zich nemen. De kardinaal woonde de slotvergadering bij, dankte de deelnemers voor hun diepgaand werk en beloofde dat hun voorstel ter goedkeuring zou worden voorgelegd aan de bevoegde overheid.

BANDIETENSTREKEN

Gedurende zeven maanden hulde de « bevoegde overheid » zich in stilzwijgen. Maar de “ carbonari ” zaten niet stil. Op 27 april 1987 kondigde Gonella in La Stampa plots aan dat uiteindelijk slechts twee of drie labo’s weerhouden zouden worden ; hij zei niet welke. Op aandringen van Gove (Sox, op. cit., p. 115) zonden de zeven laboratoria een telegram naar kardinaal Ballestrero om verzet aan te tekenen tegen deze schending van het protocol van Turijn.

De aartsbisschop antwoordde pas op 10 oktober door middel van een brief waarin hij hun de richtlijnen van de H. Stoel meedeelde. Van de zeven labo’s schoten er nog drie over : Arizona, Oxford en Zürich. De klassieke methode van de telling van de desintegraties werd dus uitgesloten, vermits Harwell en Brookhaven gewipt waren. De Pauselijke Academie voor Wetenschappen werd ook uitgeschakeld als één van de instellingen die borg stonden en de zaak coördineerden. Prof. Chagas werd slechts « als persoonlijke gast » van de kardinaal uitgenodigd om het nemen van de monsters bij te wonen. Over Mechtilde Flury-Lemberg werd gewoon niet meer gesproken.

Tite was dus alleen heer en meester, hij stond borg voor alles. Hij legde dit uit in een niet gedateerde brief die in april 1988 door het tijdschrift Nature werd afgedrukt :

« Ik verkeer nu in de mogelijkheid een schets te leveren van de werkwijze die definitief aanvaard werd voor de datering met radiokoolstof van de Lijkwade van Turijn. Van de zeven aanvankelijke aanbiedingen om de datering uit te voeren, werden er drie aanvaard door kardinaal Ballestrero, aartsbisschop van Turijn en Pauselijk Bewaarder van de Lijkwade. De laboratoria in kwestie zijn die van de universiteiten van Arizona en Oxford en dat van het Federale Technologische Instituut van Zürich ; alle drie zijn zij het eens om verder te werken.

« Elk labo zal een staal van de lijkwade [sic] evenals twee controlestalen krijgen ; van deze laatste zal men de ouderdom kennen en één ervan zal vooraf onafhankelijk gedateerd worden door de gebruikelijke datering met radiokoolstof. De stalen van de lijkwade zullen op één en dezelfde plaats genomen worden, buiten de herstelde en verkoolde gedeelten. Om er zeker van te zijn dat er na de voorbehandeling voldoende koolstof zal overblijven voor de datering, zal elk staal 40 mg wegen. Alle stalen zullen als hele stukjes stof aan de laboratoria geleverd worden, zonder uitgerafeld of verknipt te zijn.

« De proeven zullen “ blind ” gebeuren : de drie stalen voor elk labo zullen gewoon van 1 tot 3 genummerd worden en de onderzoekers zullen niet weten welk staal van de lijkwade komt. [...] De monsters van de lijkwade zullen genomen worden onder leiding van een erkend textieldeskundige. Ze zullen gewogen worden, in aluminiumfolie gewikkeld en in verzegelde en genummerde kokertjes van roestvrij staal verpakt worden. De controlemonsters worden op dezelfde wijze behandeld. Al deze werkzaamheden zullen in samenwerking met mijzelf door kardinaal Ballestrero gecontroleerd en verzekerd worden. Na de stalen ingepakt te hebben, zullen we er onmiddellijk drie (1 van de lijkwade, 2 ter controle) aan elk van de in Turijn aanwezige vertegenwoordigers van de drie labo’s overhandigen. Bovendien zullen alle werkzaamheden volledig op videoband en foto vastgelegd worden.

« Na het afsluiten van hun onderzoek zullen de laboratoria hun gegevens met betrekking tot de stalen tegelijkertijd naar mijzelf, in het British Museum, en naar het Metrologisch Instituut G. Colonnetti in Turijn sturen voor de voorafgaande statistische ontleding. De labo’s zijn overeengekomen hun resultaten niet onder elkaar te bespreken vooraleer hun gegevens voor de statistische analyse overhandigd zijn. Een laatste gespreksronde over de resultaten zal plaatshebben tijdens een in Turijn te houden vergadering met de vertegenwoordigers van de twee bovenstaande instellingen en van de drie labo’s, die dan in kennis zullen gesteld worden van de identiteit van de drie monsters. De tijdens deze vergadering op punt gestelde resultaten zullen de basis vormen voor een wetenschappelijk artikel en voor een mededeling aan het publiek. Een gedetailleerd werkschema werd nog niet opgesteld, maar men hoopt dat de uitslag van de datering tegen het einde van 1988 bekendgemaakt zal worden » (Nature vol. 332, p. 482, 7 april 1988).

HET PROTEST VAN DE GELEERDEN

Kardinaal Ballestrero beweerde volledige vrijheid te laten aan de geleerden door hun werkzittingen niet bij te wonen. Maar door uiteindelijk niet de minste rekening te houden met hun eensluidende adviezen vernietigde hij autoritair en eenzijdig alle methodologische waarborgen die ze zo grondig hadden uitgewerkt. Het toppunt was dat de aartsbisschop in zijn brief voorwendde dat de richtlijnen van de H. Stoel volgens hem in overeenstemming waren met de « algemene lijn » van het protocol van Turijn !

Hij verklaarde dat de beslissing om het aantal labo’s van zeven tot drie te herleiden hem in mei bereikt had, ondertekend door de staatssecretaris van het Vaticaan, en dat de keuze van de drie instellingen het resultaat was van langdurige overwegingen volgens twee criteria : de internationalisering van de proeven en de kwalificatie van de laboratoria.

Valse voorwendsels ! Elk van de zeven labo’s was even hoog gekwalificeerd, zoals Gove het zelf toegaf in zijn voordracht op het congres van Dubrovnik. En hoe kan men beweren de proef te internationaliseren als men tegelijkertijd de Pauselijke Academie voor Wetenschappen, volgens iedereen (Gove inbegrepen) het enige écht internationale organisme, uit het protocol schrapt ? Bovendien werd Flury-Lemberg uiteindelijk vervangen door Riggi, die afkomstig was van Turijn, wat niet onmiddellijk een « internationalisering » van de werkzaamheden inhoudt !

Deze drogredenen verborgen dus iets anders. Maar Gove, die afgunstig was op Tite nu hij vaststelde dat de Brit het laken volledig naar zich toegetrokken had, vergiste zich schromelijk toen hij dacht dat het geheim achter dit gekonkel te vinden was in één of andere poging van de Kerk om aan de waarheidsproef te ontsnappen en de authenticiteit van de Lijkwade tot elke prijs te vrijwaren. Zijn brief aan de redactie van het tijdschrift Nature, als antwoord op die van Tite, moet volledig aangehaald worden omdat hij kritiek uit die zich door deze bijgedachte tegen hemzelf en zijn aanhangers keert :

« Dr. M. S. Tite heeft de nieuwe werkwijzen bekendgemaakt die door kardinaal Ballestrero, aartsbisschop van Turijn, weerhouden werden om de Lijkwade van Turijn met radiokoolstof te dateren. Ze verschillen zo diepgaand van wat oorspronkelijk door alle partijen overeengekomen was tijdens de werkvergadering die in Turijn werd gehouden in de herfst van 1986 en die geleid werd door prof. Carlos Chagas, voorzitter van de Pauselijke Academie voor Wetenschappen, dat het me zeer gepast lijkt een korte vergelijking tussen de twee werkwijzen te maken.

« 1° Het aantal deelnemende laboratoria werd herleid van zeven tot drie. Dit sluit de mogelijkheid uit om een vergissing van één of meer van de drie labo’s op te sporen. Nochtans weet Tite dat dergelijke vergissingen niet zeldzaam zijn.

« 2° Het aanwenden van de twee methodes, telling van de desintegraties enerzijds en spectrometrie van de massa anderzijds, werd afgevoerd ; slechts de laatste zal gebruikt worden. Welnu, de twee methodes zijn verschillend en onafhankelijk van elkaar.

« 3° De hoeveelheid stof die elk weerhouden labo krijgt, is bijna verdubbeld. Met dit bijkomend materiaal had men verschillende andere labo’s bij het onderzoek kunnen betrekken.

« 4° De vertegenwoordigers van de drie laboratoria zullen het nemen van de stalen niet mogen bijwonen. Tite zal de enige onafhankelijke geleerde zijn die aanwezig is.

« 5° De monsters van de Lijkwade en de controlemonsters zullen niet uitgerafeld worden ; bijgevolg zal, ondanks de tegengestelde beweringen van Tite, het monster van de Lijkwade veel gemakkelijker te herkennen zijn.

« 6° De wetenschappelijke instelling die afhangt van de Rooms-Katholieke Kerk en in de wetenschappelijke wereld een sterke faam geniet, de Pauselijke Academie voor Wetenschappen, werd op onverklaarbare wijze uitgesloten van elke officiële deelname aan om het even welk aspect van deze belangrijke en betwiste proefneming met radiokoolstof.

« 7° De erkende textieldeskundige die tijdens de werkvergadering van Turijn werd uitgekozen om het staal van de Lijkwade te nemen, werd door een onbekende vervangen.

« Al deze onnodige en niet nader verklaarde veranderingen die eenzijdig door de aartsbisschop van Turijn opgedrongen werden, zullen voor de Lijkwade een ouderdom opleveren die heel wat minder geloofwaardig zal zijn dan degene die men had kunnen bekomen indien het oorspronkelijke protocol zou gevolgd zijn. Misschien is dat juist de bedoeling van de autoriteiten in Turijn » ( Nature vol. 333, p. 110, 12 mei 1988 ).

Deze laatste bedenking betekent dat Gove zich inbeeldde dat kardinaal Ballestrero een werkwijze oplegde die voldoende betwistbaar was om de resultaten opnieuw in vraag te kunnen stellen ingeval ze op een middeleeuwse afkomst van de Lijkwade zouden wijzen. Maar Gove sloeg de bal volkomen mis ; alle verklaringen van de kardinaal, tevoren én daarna, bewijzen dat overduidelijk. Belangrijker is dat zelfs het gewijzigde protocol, zoals beschreven door Tite, niet zou gevolgd worden !

IN DE SACRISTIE VAN DE DOM, 21 APRIL 1988

Het is 9 uur 45. Zijn aanwezig in de sacristie : Riggi, de man die deze dag geregeld heeft en het programma ervan nauwkeurig heeft opgesteld, kardinaal Ballestrero, in het gezelschap van vier priesters en van zijn wetenschappelijke raadgever Gonella ; de Fransman Vial, algemeen technisch secretaris van het Centre International d’Étude des Textiles Anciens in Lyon, en zijn Italiaanse collega Testore, hoogleraar aan het Polytechnico van Turijn ; Tite en de twee vertegenwoordigers van het laboratorium van Oxford, Hall en Hedges ; de Amerikanen Damon en Donahue van Tucson ; Wölfli van Zürich.

De H. Lijkwade wordt uit haar schrijn gehaald zonder plechtigheid, zonder één gebed, en op tafel uitgerold. De kardinaal wendt zich tot de twee textieldeskundigen en vraagt : « Waar zullen we de stalen nemen ? » Vial heeft geen mening. Hij kent de H. Lijkwade niet en ziet haar voor de eerste maal : « Ik had een krop in de keel. Oog in oog staan met de Lijkwade die misschien het Lichaam van Christus omhuld heeft, een lijkwade waarop ik de sporen van het lichaam van een gekruisigde kon zien en aanraken... Een onvergetelijk ogenblik ! » Hij raadt hoe dan ook aan om « aan de rand van het weefsel te knippen zodat de afbeelding van de Gekruisigde niet beschadigd wordt. » Een raadgeving van het gezond verstand ! Testore blijkt de Relikwie niet beter te kennen. Wijzend op de bloedvlek van de borstwonde vraagt hij : « Wat is die grote bruine vlek ? »

Na een uur beraadslagen krijgt Riggi de toelating om ongeveer 8 cm² uit de Lijkwade te knippen. Hij snijdt dus een stuk van 8 op 1 cm uit, links onderaan ten opzichte van de gelaatsafdruk. Het strookje wordt vervolgens « met ongeveer 1 cm ingekort wegens de aantasting van het weefsel door draden van een andere aard die, zelfs al waren het er maar enkele, varianten in de datering zouden kunnen veroorzaken omdat ze pas later toegevoegd werden », aldus Riggi (op. cit., p. 166). Ik ben het die deze uiterst belangrijke inlichtingen onderstreep die Riggi langs zijn neus weg verstrekt, zonder er ook maar enigszins aandacht aan te besteden. Ze rechtvaardigen de bezorgdheid van Dinegar en zijn collega’s van de Sturp om de datering binnen een hele context te plaatsen, in een geïntegreerd plan dat meerdere vakgebieden omvat en dat de datering pas na een zorgvuldig onderzoek van de « samenstelling van de vezels van de Lijkwade » laat plaatsvinden.

Riggi gaat verder : « Het strookje van 7 op 1 cm werd vervolgens in stukken verdeeld ; drie gelijke stukken, die nauwelijks meer dan 50 mg wogen, moesten in evenveel gemerkte doosjes opgeborgen worden. Op dezelfde wijze knipte ik drie stukken uit elk van de twee controlestalen die Dr. Tite meegebracht had ; hij kende er de oorsprong en de ouderdom van, zodat de voorziene “ blinde ” datering [...] uitgevoerd kon worden. De negen stukjes stof, afkomstig van drie verschillende weefsels, werden daarna door kardinaal Ballestrero en Dr. Tite in negen stalen kokertjes gestopt, in een wat verder gelegen klein vertrek. Toen iedereen terug samen was, werden de cilindervormige kokertjes verzegeld en drie per drie in dozen gestopt die aangepast waren aan het vervoer ; daarna werden ze overhandigd aan de vertegenwoordigers van de drie radiokoolstoflabo’s (Arizona, Oxford en Zürich) » (op. cit., p. 166 ).

EEN GEHEIM STAAL : DE KOORKAP VAN
DE H. LODEWIJK VAN ANJOU

Riggi verklaart plechtig dat alles verlopen is zoals hij het zegt, « in aanwezigheid van meer dan dertig personen en vóór de lens van een camera, uitgezonderd het dooreenmengen (mescolamento) van de stalen dat uitgevoerd werd door personen [de kardinaal en Tite] die boven elke verdenking verheven zijn. » Maar de Italiaan bewaart het stilzwijgen over een eigenaardig voorval dat iedereen zich nochtans herinnert, behalve de kardinaal, die niet meer aanwezig was.

Laten we even terugkeren in de tijd... Op hetzelfde ogenblik dat Tite de door ons hierboven aangehaalde brief schreef die in Nature verscheen, vroeg hij aan Jacques Evin hem een staal te bezorgen dat afkomstig was van een middeleeuws weefsel dat zoveel mogelijk op de H. Lijkwade moest lijken : van vlas gemaakt, van dezelfde kleur, op dezelfde wijze geweven en met een ouderdom die bekend moest zijn op vijftig of honderd jaar na, nl. de 13de of 14de eeuw (liefst de 14de).

Evin, ik herhaal het, is de rechtschapenheid en toewijding in persoon. Hij richt zich eerst tot het museum van Cluny, dat niet bereid is om een fragment van één van hun kostbare stukken op te offeren. De geleerde begeeft zich dan naar Saint-Maximin, in de Provence, om met de toestemming van het Centre de Recherche Archéologique van Draguignan een monster te nemen van de koorkap van de H. Lodewijk van Anjou (1274-1297), die in de schatkamer van de basiliek bewaard wordt. De bewuste koorkap is een prachtig linnen liturgisch gewaad met zigzagmotieven en is rijkelijk geborduurd. De geschiedkundigen zijn het er niet over eens of het voor de bisschopswijding dan wel voor de heiligverklaring van de H. Lodewijk van Anjou vervaardigd werd. Het is uitgerekend deze onzekerheid die volmaakt aan de wensen van Tite tegemoetkomt : « Einde 13de of begin 14de eeuw », lezen we in de catalogus van Odile Brel-Bordaz. Precies de datum die door Gove, McCrone, Sox en Nickell « verwacht » werd...

De heilige vrouwen bij het Graf ontdekken de Lijkwade die een engel hun aanwijst. Detail van de koorkap van de H. Lodewijk van Anjou, bewaard in de basiliek van Saint-Maximin ( Provence). Het weefsel waarop het tafereel geborduurd is, gelijkt als twee druppels water op de H. Lijkwade : van linnen, in visgraatpatroon geweven en ivoorachtig verkleurd door de eeuwenoude patine. Precies wat de “ carbonari ” nodig hadden ! 

Omdat het voor Tite onmogelijk was om dit staal in Lyon te komen halen, vroeg hij aan Evin om het via de post te sturen. Maar Evin was bang voor de poststakingen en kwam op de gedachte om Gabriel Vial op 21 april rechtstreeks met het staal naar Turijn te sturen. Op het ogenblik dat Riggi zijn werk met de negen monsters beëindigd had, haalde de Fransman dus « zijn » monster te voorschijn om het op zijn beurt onder de drie laboratoria te verdelen. Even was er paniek. Riggi was woedend omdat men « zijn » protocol in de war stuurde. Tite veinsde verwondering en wilde dit vierde staal, dat zo ongelukkig tevoorschijn kwam, eerst niet in aanmerking nemen. Want er was niets voor voorzien : geen gemerkte stalen kokertjes zoals die waarin de “ officiële ” controlemonsters en de monsters van de H. Lijkwade zaten !

Vial dacht aan de moeite die Evin zich getroost had om de Brit het gevraagde fragment te bezorgen. Hij was verontwaardigd en drong zolang aan dat men tenslotte zijn kostbaar staal toch woog. Vervolgens verknipte men het om het te verdelen onder de drie labo’s, die de stukjes in ontvangst namen nadat ze door Tite in een kleine omslag waren gestopt. Allemaal zeer eigenaardig ! Op de avond van die bewuste 21ste april hebben de vertegenwoordigers van de drie labo’s dus drie stalen doosjes meegenomen, samen met een brief van de kardinaal die de inhoud ervan aangaf ten behoeve van de douane. Over de toegevoegde kleine omslagen met daarin de stukjes koorkap werd met geen woord gerept. Maar het feit is daar : het staal dat perfect overeenstemde met de “ gewenste ” datering was volkomen herkenbaar !

GOVE HEEFT ZIJN OVERWINNING OP ZAK

De laboratoria gingen in het grootste geheim aan het werk. Niemand werd uitgenodigd om de proefneming bij te wonen, noch Gonella, noch Riggi, noch Vial, noch Testore, noch Evin. Niemand behalve... Gove, die van Donahue en Damon naar Tucson mocht komen om bij de eerste proef aanwezig te zijn, op vrijdag 6 mei 1988.

Wanneer in juni het radiokoolstofcongres van Dubrovnik gehouden wordt, heeft de universiteit van Arizona haar resultaten al naar het British Museum gestuurd. Gove maakt ze weliswaar niet openbaar in zijn toespraak, maar hij ontsluiert ze op zijn manier, door de rustige toon van zijn uiteenzetting : « Het lijkt overbodig op te merken dat de drie door Turijn gekozen labo’s evengoed in staat zijn de lijkwade te dateren als de vier andere die geweerd werden », geeft hij toe. Voor Gove is een dergelijke nederige uitspraak ongewoon. Hij geeft de indruk dat het resultaat hem bevalt. Hij vervolgt : « Als de drie labo’s tot hetzelfde resultaat komen voor de lijkwade en voor de controlemonsters, rekening gehouden met één of twee typeafwijkingen, als ze niet hebben samengespannen – en het is zeker dat ze dit niet zullen doen [ ? ] – dan ben ik ervan overtuigd dat het resultaat geloofwaardig is. » Al het voorbehoud dat hij de maand tevoren in het tijdschrift Nature maakte, laat hij hiermee varen.

Persconferentie in het British Museum, vrijdag 14 oktober 1988. In het midden Dr. Michael Tite ; rechts van hem prof. Edward Hall, directeur van het dateringslabo van Oxford ; aan zijn linkerhand de fysicus Robert Hedges die de koolstoftest uitvoerde. En op het krijtbord een triomfantelijk uitroepteken ! 

Maar het is « misschien minder zeker » dat het « grote publiek » het daarmee eens zal zijn, voegt hij eraan toe. Op voorhand wentelt Gove elke verantwoordelijkheid voor de verwachte betwisting af op de aartsbisschop van Turijn en zijn raadgevers die, in plaats van zich naar het protocol van Turijn te schikken, er « een ander hebben uitgevonden » dat zeer aanvechtbaar is. Maar Gove maakt er geen drama van.

Erger volgens hem is « het feit dat de drie labo’s een staal hebben gekregen dat van hetzelfde gedeelte van de Lijkwade afkomstig is en dat ze dezelfde werkwijzen zullen gebruiken om het weefsel te reinigen. Dit betekent dat elke aantasting die door deze reiniging niet verwijderd wordt de drie metingen op eenzelfde wijze zal beïnvloeden en tot een verkeerd resultaat zal leiden. » Dit is precies één van de redenen waarom de Sturp, die de Lijkwade door en door kent, voorstander was van het nemen van monsters over de gehele oppervlakte van het weefsel.

Gove weet echter al sedert 6 mei dat als de resultaten van de drie laboratoria samenvallen, ze zullen uitkomen op de datum die door hem en de zijnen “ verwacht ” wordt. Hij hecht dus niet veel belang aan de opwerping en herleidt ze tot een formele fout waarvan wij, zijn tegenstanders, wel eens gebruik zouden kunnen maken : « Hoewel het weinig waarschijnlijk is dat zoiets gebeurt [ ? ], zal het een voorwendsel zijn voor diegenen die zich niet bij de uitslag kunnen neerleggen om het resultaat in een slecht daglicht te plaatsen. »

Eigenlijk is het enige belangrijke bezwaar dat Gove nog tegen het door “ Turijn ” uitgevonden protocol maakt, het feit dat er slechts drie labo’s betrokken zijn. Hij kent de resultaten van Tucson en is er uitermate tevreden over : « De huidige stand van zaken van de metingen levert een geloofwaardig resultaat op. » Maar als de twee andere labo’s met een verschillende uitslag zouden uitpakken, zou het onmogelijk zijn om uit te maken wie ongelijk heeft. « Het uiteindelijke resultaat zou ongeldig verklaard worden », the final result will be worthless. In elk geval heeft hij duidelijk alle vertrouwen in Tite, « de enige onafhankelijke persoon die bij de beslissing betrokken is. »

EERSTE PERSGERUCHTEN

We mogen Sox geloven wanneer hij vertelt hoe de vier uitgesloten laboratoria onder elkaar « zeiden dat de drie andere [ labo’s] ervoor zouden zorgen dat ze het eens waren, ongeacht de tijd die dat zou vereisen » 4.

Ondanks het feit dat Gove in Dubrovnik het tegendeel beweerd had, was de onderlinge afstemming tussen Tucson, Zürich en Oxford compleet. Als de labo’s tegelijkertijd zouden gewerkt hebben en hun resultaten op hetzelfde moment aan Tite zouden meegedeeld hebben, dan zouden we Gove geloven en zouden we er zeker van zijn dat er niet samengespannen was. Maar we hebben heel wat anders gezien. « De wachttijd is ongewoon », verklaarde Kromer, directeur van het natuurkundig laboratorium van Heidelberg op 25 juni in de Frankfurter Allgemeine Zeitung ; daarmee drukte hij de gedachte uit van alle radiokoolstofkenners. Evin antwoordde : « De toestellen zijn niet altijd beschikbaar » (Paris Match, 29 juli 1988). Wie houdt hij eigenlijk voor de gek ?

De laboratoria hebben na elkaar gewerkt : eerst Tucson, Zürich dertig dagen later (Sox, p. 151) en tenslotte Oxford. Ze volgden daarbij een weloverwogen tijdschema en hielden elkaar nauwkeurig van alles op de hoogte. Maar ze letten er wel op niets te laten uitlekken vooraleer ze zekerheid hadden dat hun resultaten gelijklopend waren. De eerste lekken kwamen er pas nadat Oxford in juli zijn werkzaamheden beëindigd had. Hall en Hedges wisten dat hun uitslagen in overeenstemming waren met die van de twee andere, zodat ze niets meer geheim hoefden te houden. Bij de geringste twijfel over de volledige overeenstemming tussen de drie labo’s dreigde een voortijdige bekendmaking alles in het honderd te doen lopen. Daarom hadden Tucson en Zürich na ruggespraak met Oxford het stilzwijgen bewaard.

Op 26 augustus lazen twee miljoen Britten in de Evening Standard deze verpletterende kop : « De Lijkwade van Turijn is een vervalsing ». Het nieuws verspreidde zich onmiddellijk als een lopend vuurtje. Gonella trachtte tevergeefs het te ontzenuwen. Elk uitstel van de officiële bekendmaking van wat iedereen al wist, zou nu beschouwd worden als een hinderpaal die de Kerk wilde oprichten tegen « the greatest forgery of all times » 5.

Het Londense dagblad haalde de verklaring aan van een woordvoerder van kardinaal Hume, aartsbisschop van Westminster, die bevestigde dat « het kerkelijke gezag geen commentaar zou leveren met betrekking tot de Lijkwade alvorens het volledige verslag van de proefnemingen gekregen en bestudeerd te hebben ». Maar zou de druk van zo’n geweldige, wereldomvattende campagne de Kerk deze vrijheid laten ?

CAPITULATIE

Kardinaal Ballestrero had niet de wijsheid en evenmin de moed om aan de afpersing te weerstaan. Zonder zich te bekommeren om de immense gevolgen van zijn beslissing gaf hij op 13 oktober een persconferentie in het moederhuis van de salesianen in de Valdocco. Hij, de pauselijke bewaarder van de H. Lijkwade, veroorloofde zich zelfs een totaal misplaatste ironische uitspraak : « Ik geloof niet dat het hier een zaak van wereldwijd belang betreft. Het klopt dat 93 % van de wereldbevolking weet heeft van het bestaan van de H. Lijkwade... maar ik denk dat dit het gevolg is van de invloed van de media en niet van een groeiende devotie... Als ik een rondschrijven over de H. Lijkwade zou richten aan de bisschoppen zouden ze denken dat ik tijd op overschot heb » ( 30 Giorni, 10 nov. 1988 ).

En later, op een vraag over de kosten van het hele onderzoek : « Dit alles heeft de Kerk niets gekost, wat aantoont dat de lijkwade wonderen heeft verricht en nog steeds blijft verrichten ! » (Il Giornale, 14 okt. 1988).

De uitspraken van de kardinaal veroorzaakten zoveel verontwaardiging dat hij sindsdien getracht heeft zich te verontschuldigen : « Ik ben vervuld van bitterheid », verklaarde hij tijdens een vergadering van priesters, toen hij er zich over beklaagde slecht begrepen te zijn geweest. Voor de eer van de Kerk zou het niettemin best zijn geweest dat de kardinaal zijn ambt van bewaarder had neergelegd.

De volgende dag, op vrijdag 14 oktober, wordt een persconferentie belegd in het British Museum. Tite troont in het midden ; naast hem zitten Edward Hall en Robert Hedges, de natuurkundigen van het labo van Oxford. Achter hen zien we een zwart bord waarop in krijt eenvoudigweg de volgende data geschreven zijn : 1260-1390, gevolgd door een spottend uitroepteken. Volgens Hall kan geen enkele wetenschapper die naam waardig nog geloven in de echtheid van de Lijkwade. Het is een vervalsing, punt uit, en « wie het daar niet mee eens is, moet de rangen van de gewone stervelingen maar vervoegen » (aangehaald door Ian Wilson in The carbon dating results : is this now the end ? Bsts, Newsletter 20, p. 8). Dat is ook ongeveer wat Jacques Evin en Jean-Claude Duplessy geantwoord hebben op mijn dringende verzoeken om uitleg.

DE SAMENZWERING ONTMASKERD

Deze houding is onduldbaar. Ze is zo immoreel en onzinnig, dat wil zeggen tegenstrijdig met de wetenschappelijke methodes én met het gezond verstand, dat er wel degelijk iets achter moet zitten. Ik heb Evin duidelijk doen voelen dat ik verdenkingen koesterde. Zijn antwoord was fel : « U gaat de wetenschappers toch niet verdenken, zeker ? Het zijn allemaal oprechte en bekwame mensen ! » Deze heren willen gerespecteerd worden als geleerden, maar ze hebben geen eerbied opgebracht voor zichzelf. Ze mogen dan ook niet verwonderd zijn dat ze in antwoord op hun ongelooflijke onbeschaamdheid en laatdunkendheid streng en wantrouwend behandeld worden.

Op het bureau van Willy Wölfli zijn de drie kokertjes met de stalen zichtbaar, maar ook, uiterst links, de kleine omslag met het clandestiene vierde staal afkomstig van de koorkap. David Sox publiceerde deze foto met als legende : « Willy Wölfli ( Zürich) met de drie [sic] weefselstalen in 1988 ».

Want het is tijd om het openlijk te zeggen : de hooghartige houding die men al vier maanden lang aanneemt tegenover ons en onze beste vrienden, sindonologen uit alle windstreken, doet omtrent de intenties van kardinaal Ballestrero en Dr. Tite wettige twijfels rijzen die door talrijke bijzonderheden in beschuldigingen worden omgezet. Een aandachtig onderzoek heeft ons in kennis gesteld van bepaalde verrassende werkwijzen, duistere voorvallen en onaanvaardbare feiten.

Hoe moet men het aan boord leggen om de einduitslag van de ontleding met de koolstof-14 als onaanvechtbaar en beslissend kenbaar te maken, zonder enige theologische en herderlijke rechtvaardiging in te roepen die het resultaat aanvaardbaar zou kunnen maken voor de trouwe gelovigen die aan hun dierbare Relikwie gehecht zijn, en zonder controle door de gelijken van de onderzoekers binnen de wetenschappelijke gemeenschap ? 6

Het antwoord is eenvoudig : door een machtsgreep van de pers.

« De H. Lijkwade is een vervalsing » : kardinaal Ballestrero en Dr. Tite hebben de verantwoordelijkheid op zich genomen om die conclusie, die geen enkele tegengestelde informatie nog kan uitwissen of tegenspreken, aan de openbare mening op te leggen. De schade is onherstelbaar, want de belangstelling van de massa wordt door diegenen die haar gedrag bepalen snel naar andere zaken afgeleid. En wanneer de deskundigen, die al aan het werk zijn om het bizarre resultaat van de koolstofdatering aan de kaak te stellen, de waarheid ontdekt zullen hebben, zal men de Lijkwade vergeten zijn ; men zal geen vragen stellen, men zal de waarheid niet aanvaarden...

Nochtans kwam Ian Wilson, toen hij het boek van Sox aan het lezen was, plots tot de « ontstellende » ontdekking « dat de laboratoria niet alleen wisten welk staal van de H. Lijkwade afkomstig was », vermits ze de stof op 21 april in Turijn hadden kunnen bekijken, maar ook dankzij een door de kardinaal en Tite ondertekende en door Sox afgedrukte brief « volstrekt onnodig » op de hoogte waren gebracht « van de juiste ouderdom van de twee andere stalen ». Hij stond ervan versteld : « Waarom heeft Dr. Tite zonder reden deze inlichtingen verstrekt aan de labo’s ? Ik begrijp er niets van » (op. cit., Newsletter 20, p. 4).

« Eigenlijk », besluit Wilson, « was het geheel van de proefnemingen waarin men ons wilde doen geloven als zou het gaan om het beslissende bewijs dat de Lijkwade een vervalsing is, absoluut niet wetenschappelijk gecontroleerd. »

Wilson haast zich om hieraan toe te voegen : « Door deze onthulling, die ik enigszins met tegenzin doe, is het niet mijn bedoeling de laboratoria of Dr. Michael Tite, die ik op dezelfde wijze blijf respecteren, in diskrediet te brengen. Ik suggereer evenmin dat de laboratoria een andere datum hebben verkregen dan die van de 14de eeuw die ze bekendgemaakt hebben. » Maar...

Het vervolg van het artikel van Wilson gaat uit van mogelijke vergissingen, die evenwel door abbé de Nantes in zijn theoretische studie (deel 4) werden afgewezen. Dat spoor leidt tot niets. Noch besmetting van het linnen, noch de zogenaamde wijziging in de isotopische samenstelling van de cellulose zullen ooit een verklaring kunnen vormen voor het feit dat de meegedeelde resultaten precies in de 13de-14de eeuw vallen in plaats van in de 1ste eeuw van onze tijdrekening.

Maar één gegeven van het probleem is Wilson ontgaan, hoewel het af en toe vermeld wordt in sommige artikels : het is dat bedrieglijke binnen­smokkelen van een vierde staal. Het brengt er ons toe een zeer zware beschuldiging te uiten in het licht van een proces, waarvan het vooronderzoek de publicatie vereist van het precieze resultaat van elke fase van het experiment : alles, werkelijk alles wat gezegd en gedaan werd, van 21 april tot 13 oktober, tot het kleinste telefoontje tussen twee laboratoria, moet in het daglicht gebracht worden. Maar we hebben al genoeg gegevens om de verantwoordelijken, met name kardinaal Ballestrero en Dr. Tite, te beschuldigen van poging tot verwisseling van de monsters.

Het heeft er inderdaad alles van weg dat het monster van de koorkap van de H. Lodewijk van Anjou dat van de H. Lijkwade moest vervangen. In dat geval is het gemakkelijk te verklaren dat de machines van de drie laboratoria in dezelfde eeuw terechtgekomen zijn, met « de precisie van een Zwitsers uurwerk », zoals Wilson het formuleert.

Als we alle gevonden aanwijzingen samenbrengen, kunnen we de volgende intrige reconstrueren :

1° In januari-februari 1988 vraagt Tite aan Evin om hem een staal te bezorgen van 6 cm² of 120 mg, te verdelen in drie fragmenten van 40 mg.

2° Tite preciseert aan Evin dat de stof van linnen moet zijn, in visgraat geweven, ivoorkleurig – kortom : in alle opzichten gelijkend op de stof van de Lijkwade... zodat men er zich zou aan mispakken.

3° Het bewuste fragment moet met zekerheid dateren uit de 13de-14de eeuw, bij voorkeur uit de 14de, de eeuw van Henri de Poitiers, van Pierre d’Arcis en van Clemens Vii.

4° Het opzet van Tite is hiervan persoonlijk gebruik te maken. Ook vraagt hij aan Evin hem het staal op te sturen via het British Museum, zonder enige formaliteit, ten einde erover te beschikken buiten elk « protocol » om. Voor welk doel anders dan voor een geheime operatie ? We verdenken hem ervan dat hij de stalen wilde verwisselen tijdens het mescolamento, het « door elkaar halen » van de monsters toen hij met de kardinaal alleen was in het zijvertrek, wat de medeplichtigheid van Zijne Eminentie impliceert 7.

5° De vrees voor poststakingen brengt Evin op het idee om zijn kostbaar staal te laten bezorgen door Gabriel Vial, expert in textielstoffen, die uitgenodigd was om met zijn raadgevingen de monsterneming van 21 april bij te staan. Dit initiatief stuurt het plan van Tite in de war en doet het stranden.

6° Blijft de mogelijkheid om dit weer in orde te brengen langs de laboratoria om. Tite zou dan aan medesamenzweerders in elk van de drie labo’s gevraagd hebben om bij de proef de stalen van de Lijkwade en de koorkap onderling te wisselen. Op die manier gaven de drie labo’s de resultaten van de koorkap voor die van de H. Lijkwade. In dat geval zullen zij het bewijs geleverd hebben van de buitengewone precisie van hun metingen !

7° Een ultieme episode levert een laatste aanwijzing ten gunste van deze hypothese. Begin november telefoneert Tite naar Evin en vraagt hem : « Van welke periode is uw staal precies ? – Filips IV ( 1268-1314 ). – De meting van de labo’s komt uit op 1260-1285. – Prachtig ! roept Evin uit. Op vijftien jaar na ! Het is de eerste keer dat ik zo’n perfect resultaat zie ! »

Dat is nu precies een antwoord dat onze vrees wettigt. Laten we het nogmaals herhalen, het is werkelijk te mooi om waar te zijn ! En het spel van Dr. Tite in dit telefoongesprek is al te doorzichtig. Aangezien het bewijs van de authenticiteit van de koorkap van de H. Lodewijk van Anjou hem op hetzelfde ogenblik werd bezorgd als het staal, kon hij zelf antwoorden op de vraag die hij aan Evin stelde ! De onomwonden reactie van de Franse geleerde stond dit plan volledig ten dienste. In plaats van tot Tite een wedervraag te richten in de aard van : « En u, op welke datum komt u uit ? », gaf Evin zelf het goede, het « prachtige » antwoord dat Tite op zijn beurt nog slechts had... te bevestigen !

Broeder Bruno beet zich in opdracht van abbé de Nantes vast in de zaak van de frauduleuze koolstofdatering om de waarheid boven water te krijgen. Op 26 oktober 1990 was hij in Tucson, Arizona. Op de foto : broeder Bruno in het kantoor van Douglas Donahue (achteraan, met gekruiste benen) ; Jull toont hem in het laboschrift de handtekeningen van de getuigen bij het openen van de kokertjes.

EEN OPZETTELIJK VERKNOEID PROTOCOL

Aan de dag “ D ”, donderdag 21 april 1988, waren jaren voorbereiding voorafgegaan, met talloze consultaties, vergaderingen en reizen, teneinde een zodanig protocol te kunnen opstellen voor het experiment dat het resultaat, wat het ook zou zijn, boven elke betwisting zou staan. Nochtans verliep de dag in de wanorde van improvisatie en geknoei, volkomen in tegenspraak met een ernstige wetenschappelijke werkwijze.

1° Er was geen enkele beslissing genomen omtrent de plaats van de monsterneming.

2° Riggi sneed dus uit de eerbiedwaardige stof, na raadpleging van experten die de H. Lijkwade voor de eerste keer zagen, op een willekeurige plaats.

3° Wat moet men denken van een “ wetenschapper ” die met het blote oog in het staal dat hij juist heeft afgeknipt draden onderscheidt « van een latere toevoeging »... en ze gewoon verwijdert !

4° Riggi heeft er niet voor gezorgd zijn monsterneming wetenschappelijk te funderen, een voorzorg die geen enkel ander lid van de Sturp verwaarloosd zou hebben.

5° De Italiaan verdeelde de strook die hij weggenomen had in vier stukken : een overschot en drie stukjes bestemd voor de laboratoria. Omdat die drie stukjes niet hetzelfde gewicht hadden, vulde hij fragment 3 aan door draden weg te nemen uit fragment 1... Uit dit mescolamento buiten het programma om, resulteert dat de gegevens van het experiment onontwarbaar door elkaar gemengd werden.

6° Geen enkele scheikundige kreeg de toelating om na te gaan of de stalen behoorlijk gereinigd werden van proteïnen en andere onzuiverheden die ze besmetten 8. De natuurkundigen hebben elke interdisciplinaire samenwerking afgewezen, met als gevolg dat vandaag niemand kan zeggen welke de precieze chemische samenstelling was van de draden waarvan men het gehalte aan koolstof-14 heeft gemeten.

Zou men zich dan geen vragen mogen stellen over de motieven van een dergelijke uitsluiting ? Gonella laakte woedend de gewoonten die eigen zijn aan « de maffia van de koolstof-14 ». Belangrijker zijn echter de mysterieuze « logistieke redenen » die Gove opsomde in 1987. Deze leiden misschien al naar de ware verklaring : het plan om de stalen om te wisselen maakte het noodzakelijk om alles onder maffiosi te regelen !

Al deze handelwijzen geven door hun opeenstapeling een indruk van wanorde die misschien maar al te opzettelijk was. Is het geïmproviseerde karakter van de monsterneming uitgevoerd op 21 april in Turijn niet het bewijs dat het zwaartepunt in de ogen van Tite elders lag ? Opzettelijke chaos om een meesterlijk plan te verdoezelen !

Eén ding werd niet aan het toeval overgelaten. Voor het welslagen van het plan van Tite was het belangrijk dat de labo’s, op het ogenblik dat ze de stalen klaarmaakten voor het experiment, een duidelijk onderscheid zouden kunnen maken tussen dat van de H. Lijkwade... en dat wat in de plaats moest komen en er als twee druppels water op geleek ! Om die reden zien we dat Tite zich tot het einde toe om twee blijkbaar tegenstrijdige dingen bekommert. Het eerste bestaat in de aankondiging « dat men de laboratoria niet zal vertellen welk staal van de lijkwade komt ». De tweede bekommernis van Tite bestaat erin om, op hetzelfde ogenblik, de vertegenwoordigers van de labo’s in Turijn samen te brengen om de monsterneming op 21 april bij te wonen... en hen goed te laten zien wat men hen toch zó verborgen moest houden !

Sox heeft de video-opname van die dag gezien. Hij geeft een beschrijving van de geleerden « die als een jury terzijde zaten » in het koorgestoelte van kanunniken : « Hall domineerde allen en maakte een eerder opgeschroefde indruk ; Wölfli scheen zich over dit alles te vermaken en Damon ook. Zodra het monster genomen was, werd het onmiddellijk op een weegschaal geplaatst en voorzichtig opgerold. Het leek op een klein servetje. Vastgehouden door klemmetjes werd het monster aan de geleerden getoond. In het Engels sprak Riggi : “ Ziehier uw staal ” » (Sox, op. cit., p. 133).

EEN VOLLEDIG TE HERNEMEN ANALYSE

Waarom heeft men in die omstandigheden de scène van de mescolamento onder vier ogen willen houden ? Alleen om Tite in alle veiligheid de verwisseling te laten uitvoeren. Zo zag het plan eruit van de man die de ketting aan de twee uiteinden vasthield :

1° de experten van de koolstofmethode de authenticiteit doen waarborgen van het door hen gedateerde staal ; ze waren er getuigen van, het was de H. Lijkwade, ze hadden het weefsel met hun eigen ogen gezien ;

2° nochtans de fictie van het « blinde » experiment in stand houden opdat dit hem, Tite, de toelating zou geven om de Lijkwade te vervangen door een staal dat zó zou gelijken op dat wat de geleerden gezien hadden, dat ze naar eer en geweten zouden blijven getuigen dat het de H. Lijkwade was, terwijl ze tegelijkertijd zouden meedelen dat deze slechts zeshonderd jaar oud was...

In eer en geweten bevestig ik dat Dr. Tite vóór, tijdens en na de monsterneming alles ingezet heeft op een verwisseling van het staal. En in de mate waarin hij daar niet in geslaagd is, stel ik me voor dat de experimenten in de grootste wanorde geleid werden, zonder methode noch eerlijkheid, waarbij de laboratoria erop rekenden dat, wat ook hun resultaten zouden zijn, Dr. Tite en het Instituut G. Colonnetti alle plooien glad zouden strijken !

Verwisseling van stalen of leugenachtige conclusies van een slecht geleid experiment ? Het antwoord zal maar gegeven kunnen worden na het kritische onderzoek van de verslagen van de drie labo’s. Zelfs nu die labo’s na drie of zes maanden van intens gekonkel met elkaar tot een akkoord gekomen zijn, zullen de experten zich niet vergissen aangaande de ernst van het gebeurde onderzoek. Na onze openbare aanklachten, waarbij we antwoord gaven op hun talloze en tegenstrijdige verklaringen aan de pers, kunnen die heren het niet met elkaar eens worden en de verdenking wegnemen die rust op : 1° de omstandigheden van de monsterneming ; 2° de manier waarop de stalen bij de labo’s terechtkwamen ; 3° de berekeningen die de metingen van de koolstofmethode vertaald hebben in een reële ouderdom.

Het is Heller die gelijk heeft, in zijn wat ruwe bewoordingen. Heel dit experiment moet teniet gedaan worden en helemaal overgedaan. Wanneer het op eerlijke en wetenschappelijke wijze geleid wordt, zal het ongetwijfeld een schitterend bewijs toevoegen aan de andere dwingende bewijzen van de echtheid van de H. Lijkwade van Turijn!

Op 24 maart 1989, Goede Vrijdag, ontving professor Edward Hall zijn beloning : 45 zakenlui en « rijke vrienden » schonken hem één miljoen pond voor zijn goede diensten, meer bepaald « het feit dat hij het jaar tevoren bewezen had dat de lijkwade van Turijn een vervalsing is ». Hij regelt dat bij zijn emeritaat in Oxford een nieuwe leerstoel archeologische wetenschap zal opgericht worden, bekleed door... Michael Tite.

De majestueuze kapel van de H. Lijkwade in de Dom van Turijn werd op 4 mei 1990 gesloten voor alle bezoek, « wegens bouwvalligheid »... In april 1997 werd ze getroffen door een mysterieuze brand, waarbij de H. Lijkwade ei zo na vernietigd werd. Na de restauratie, die 21 jaar duurde, zou de Relikwie er niet meer terugkeren, maar “ weggestopt ” worden in een zijkapel van de Dom.

 

Evin en ik publiceerden een artikel in een speciaal nummer van Sciences et Avenir gewijd aan « God en de wetenschap », in mei 1983, gereproduceerd in Ss i, pp. 91-96.

Oxford, Zürich, Harwell (VK), Tucson (VS), Brookhaven (VS) en Rochester (VS). Brookhaven en Harwell, gespecialiseerd in de oude methode, zouden deze hier toepassen op kleine stalen door middel van hun nieuwe tellers. Op die manier zouden de twee methoden elkaar wederzijds controleren.

Omwille van de vooruitgang die sedert 1983 geboekt was door de methode van de deeltjesversnellers zag ikzelf ook af van mijn vroegere terughoudendheid. Na de uiteenzetting van Jean-Claude Duplessy in mei 1986 gehoord te hebben, moest men wel erkennen dat een verdere afwijzing, die volgens Gonella mee aan mij te wijten was, niet meer kon verantwoord worden.

« Privately they were saying the three were going to make certain they agreed – no matter how long it took » (David Sox, op. cit., p. 134). – (5) 

« Uncovering the greatest forgery of all time », ondertitel van het reeds aangehaalde werk van Sox, The Shroud Unmasked. Wilson onthult dat dit boek « reeds meer dan twee weken vóór de officiële bekendmaking van de resultaten gedrukt was » ( Newsletter 20, p. 19 ) !

Heller bv. spaarde zijn kritiek niet : « Hun koolstofdatering is gewoon sh*t ! » Maar hij zei dit privé, aan de telefoon. Gove van zijn kant bekritiseerde de leden van de Sturp in Dubrovnik publiekelijk als « self appointed religious zealots », waarmee hij zichzélf als een fanaticus deed kennen. Want tot de sindonologen behoren zowel agnosten (Delage) als Joden (Schwortz, Adler), mormonen (Miller), presbyterianen (Brooks) en katholieken (Barbet, Vignon, Jackson, Mérat). Wat hen allemaal bindt, is hun vakkennis ten bate van een gemeenschappelijk doel : het objectieve onderzoek van de mysterieuze Relikwie.

De oprechtheid van Evin in deze zaak staat boven elke verdenking. Het bewijs ervan wordt geleverd door het interview dat hij toegestaan heeft aan Paris-Match op 29 juli 1988. Drie maanden na het gebeuren in de sacristie van de Dom legt hij erin uit dat Tite aan elk van de drie labo’s « vier tubes » overhandigd heeft, « alle identiek en zonder identificatie, behalve dat ze een verschillend nummer droegen ». Aangezien hij niet deelgenomen heeft aan de operatie, omdat hij niet uitgenodigd was [cursief door mij ], denkt hij dat Tite hem om deze dienst verzocht heeft met het oog op een bijkomende « controle ». Hij gelooft werkelijk dat zijn koorkap van de H. Lodewijk van Anjou op dezelfde manier als de andere monsters behandeld werd : opgeborgen in gelijkaardige tubes in plaats van in kleine omslagen.

Toen ik hem ondervroeg over het probleem van de voorafgaandelijke reiniging van de stalen, antwoordde Harry Gove dat hij een klein stukje van het monster van Tucson gezien had na reiniging. Het leek hem zeer zuiver. Antwoord van een fysicus, die zich tevreden stelt met een controle de visu. Een chemicus zou de staat van zuiverheid van het weefsel geverifieerd hebben door specifieke testen.