20 SEPTEMBER 2026
Dank van abbé de Nantes voor zijn roeping
Mijn God, vandaag dank ik U dat Gij uw blik hebt laten rusten op het onwaardigste van uw schepselen, dat Gij het tot het religieuze leven hebt geroepen en het daarin onherroepelijk hebt bevestigd door eeuwige geloften.
Mijn God, ik dank U vandaag dat Gij in uw schepselen de deelname aan uw goddelijke leven hebt uitgestort, waardoor wij U kunnen liefhebben, kennen, dienen en ons door uw genade aan U hechten.
Ik houd deze meditatie om U te danken dat Gij uw blik hebt laten rusten op het onwaardigste van uw schepselen, dat Gij het tot het religieuze leven hebt geroepen en het daarin onherroepelijk hebt bevestigd door eeuwige geloften. Mocht uw H. Geest mijn ziel verlichten opdat deze overweging de hele dag zou voortduren.
H. Maagd Maria, spreek voor mij ten beste!
In een eerste punt zal ik allereerst de uitnemende genade overwegen dat ik werd uitgekozen om uw leerling te zijn, want Gij neemt alleen hen aan die de Vader U gegeven heeft. Maar hen bewaart Gij met grote zorg en Gij laat niemand van hen verloren gaan. Als leerling te worden aangenomen is dus een zeer grote genade, de grootste die er bestaat, waarvan alle andere slechts de ontplooiing zijn. Deze genade deel ik vanmorgen met mijn broeders en zusters, die weten wat het betekent leerling te zijn, die het willen zijn en het ook zijn.
Ik ben overweldigd van dankbaarheid om deze uitverkiezing alleen al. Ik word vervuld van het besef van de verhevenheid van deze roeping, waaraan ik zelf geen enkele verdienste heb, en ik vergelijk haar met het leven van de heidenen, van de vijanden van Christus en met het droevige lot van de verdoemden die even oud zijn als ik en zich in de hel bevinden.
Ik verklaar dat ik zonder uw genade niet beter zou zijn dan zij en ik verzink in dankbaarheid, want ik kan niets anders en niets méér doen dan U loven en danken voor deze onvergelijkelijke en onmetelijke weldaden, waardoor Gij mij onder uw leerlingen hebt opgenomen.
In een tweede punt zal ik nadenken over de eisen van een dergelijke roeping, namelijk dat de leerling aan zichzelf moet sterven om als christen herboren te worden. O mijn God, wat zijt Gij goed dat Gij mij hebt gebracht tot dit onontkoombare ogenblik waarop ik, in plaats van alles in uw wet naar mijn eigen willekeur te beoordelen, mij uitgenodigd en gedwongen zie mijzelf te verloochenen. Tot welk doel? Om mij aan uw heilige Wil over te geven, mij te vernederen opdat Gij soeverein in mij kunt heersen, en ten slotte te sterven opdat Gij mijn leven zoudt zijn.
Inderdaad, “voor mij is leven Christus en sterven winst”, zegt Sint-Paulus. Aangezien wij op een dag toch zullen moeten sterven, kunnen wij het evengoed meteen doen en voor de wereld gekruisigd zijn en de wereld voor ons. Ben ik trouw geweest aan dit mysterie van dood en verrijzenis? En mocht ik toch in alle waarheid kunnen zeggen: “Ik ben het niet meer die leef, maar Christus leeft in mij!”
In een derde punt zal ik de heerlijkheid van dit nieuwe leven beschouwen als die van een teruggevonden paradijs. Ik kan onmogelijk alle vreugden, genaden, zegeningen en voldoeningen tellen die een ziel in haar hofje, dat het uwe is geworden, oogst wanneer zij zich aan uw welbehagen heeft overgegeven. Datgene waarvan zij afstand heeft gedaan, is slechts leegte, terwijl zij een overvloed aan schatten van eeuwig leven ontvangt.
Zo staat de ziel die met U verrezen is, o Jezus, versteld dat zij niets verloren heeft door aan alles te verzaken en dat zij uiteindelijk met vreugde een schat, de kostbare parel, heeft gevonden. Deze ziel zal van vreugde tot vreugde gaan, zich steeds meer bevrijd weten van alle banden met de aarde en zich steeds inniger aan U, o Jezus Christus, hechten om hier op aarde uw werk te volbrengen.
Daarom is het goed dat heel haar dankzegging vandaag uitmondt in dit geestelijk boeket, dat haar tegelijk herinnert aan de schoonheid van haar levensstaat en aan de eisen ervan. Het geestelijke boeket van mijn meditatie zal ontleend zijn aan de woorden van het Evangelie: “Wie Mij liefheeft, onderhoudt mijn geboden. Mijn Vader en Ik zullen hem liefhebben en bij hem onze woning maken.”
H. Maagd Maria, Gij die door de volmaaktheid van uw deugden het voorbeeld zijt geweest van standvastigheid in de liefde tot God, geef ons dat wij ons verheugen in Christus, uw welbeminde Zoon, zonder ooit op te houden met de grootste aandacht de weg van zijn geboden te bewandelen.
En gij, H. Jozef, rechtvaardige bij uitstek, waak onophoudelijk over ons gedrag opdat wij voor iedere val behoed worden en bewaard blijven in de liefde van Jezus en Maria, om terug te keren in de schoot van de Vader, met de Zoon, door de H. Geest.
Abbé Georges de Nantes
Uittreksels uit de meditatie van 15 oktober 1978